id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 24 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.486 Rolnummer: A. 228758/XIV-38116 Zaak: Cassatiebeschikking 13486 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 24/09/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-07 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-21 22:10 Fiche Beschikking nr 13.486 van 24 september 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.486 van 24 september 2019 in de zaak A. 228.758/XIV-38.116 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Herman De Ponthiere kantoor houdend te 8900 Ieper Veemarkt 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 1 augustus 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 223.530 van 3 juli 2019 van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen. Het dossier van de zaak is op 13 augustus 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Met het bestreden arrest verwerpt de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen verzoeksters beroep tegen een beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen waarmee verzoeksters derde verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk werd verklaard op grond van artikel 57/6/2, § 1, van de wet XIV-38.116-1/4 van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet).
- Vermits noch met het bestreden arrest noch met de aanvankelijk bestreden beslissing uitspraak is gedaan over een verwijderingsmaatregel, kan verzoekster in beginsel geen mogelijke schending inroepen van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM). Wel stemmen de bewoordingen van artikel 48/4, § 2, b), van de vreemdelingenwet met betrekking tot de subsidiaire bescherming letterlijk overeen met die van artikel 3 van het EVRM, zodat bij de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming onrechtstreeks toch een toetsing aan artikel 3 van het EVRM plaatsvindt. Vermits het te dezen een volgend verzoek om internationale bescherming betreft, diende de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het bestaan van nieuwe elementen in de zin van artikel 57/6/2, § 1, van de vreemdelingenwet te onderzoeken.
- Als feitenrechter met hervormingsbevoegdheid oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen soeverein of hij onderzoeksdaden nodig acht met betrekking tot de door verzoekster overgelegde brieven van de voorzitter van het Albanese Committee of Nationwide Reconciliation en oordeelt hij soeverein over de bewijswaarde van die stukken. Het komt de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toe deze beoordeling over te doen. In dat opzicht oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ook soeverein of hij de voornoemde brieven al dan niet aanvaardt als een nieuw element in de zin van artikel 57/6/2, § 1, van de vreemdelingenwet. De Raad van State treedt als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in punt 4.2 van het bestreden arrest eerst vast dat verzoekster zich louter beperkt “tot het volharden in en het herhalen van de bewering dat haar familie betrokken is in een bloedwraak”. Vervolgens geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwisting op omstandig gemotiveerde wijze aan waarom hij de bewijswaarde van de brief van de voorzitter van het Albanese Committee of Nationwide Reconciliation van 13 mei 2019 “bijzonder relatief” acht en waarom “dit document op zich niet [volstaat] om de beweerde bloedwraak waarin verzoekende partij beweert betrokken te zijn, geloofwaardig maakt”. Hierna onderzoekt de Raad voor XIV-38.116-2/4 Vreemdelingenbetwistingen concreet of verzoeksters verklaringen “voldoende consistent, precies, volledig en aannemelijk zijn opdat de relevante elementen van haar verzoek, in samenhang met de voorgelegde documenten, geloofwaardig kunnen worden geacht”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wijst er in dit verband op dat geen geloof werd gehecht aan de beweerde bloedwraak omwille van de bedrieglijke verklaringen bij het eerste verzoek om internationale bescherming, dat niet blijkt dat de actuele problemen inzake bloedwraak, voor zover geloofwaardig, het lokale niveau zouden overstijgen noch dat verzoekster geen of onvoldoende beroep zou kunnen doen op de beschermings- mogelijkheden in Albanië, dat reeds in arrest nr. 209.637 van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen van 19 september 2018 werd geoordeeld dat de erkenning als vluchteling van verzoeksters familieleden in het Verenigd Koninkrijk geen verplichting inhoudt om ook verzoekster als dusdanig te erkennen en dat bovendien niet haar hele familie als vluchteling werd erkend, doch dat verzoeksters broer N.K. en haar neef L.D. niet werden erkend omdat geen enkel geloof kon worden gehecht aan hun betrokkenheid bij een bloedvete. Nochtans verklaarde verzoekster dat iedereen van haar familie een potentieel slachtoffer is. Daarmee zet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen omstandig de redenen uiteen waarom hij het bestaan van nieuwe elementen in de zin van artikel 57/6/2, § 1, van de vreemdelingenwet niet aanvaardt. Verzoekster toont wat die redengeving betreft geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.116-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vierentwintig september tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Carlo Adams XIV-38.116-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.486 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div