← België

Cassatiebeschikking 13487 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 24/09/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 24 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.487 Rolnummer: A. 228841/XIV-38123 Zaak: Cassatiebeschikking 13487 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 24/09/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-13 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-24 00:57 Fiche Beschikking nr 13.487 van 24 september 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.487 van 24 september 2019 in de zaak A. 228.841/XIV-38.123 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Oriane Todts kantoor houdend te 1000 Brussel Kolenmarkt 83 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 18 augustus 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 223.975 van 15 juli 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 26 augustus 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Verzoeker voert aan dat België de rechten vervat in het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (hierna: het vluchtelingenverdrag), moet respecteren, dat hij “bijgevolg [beschikt] over de hoedanigheid van vluchteling omdat hij “een vreemdeling [is] die een XIV-38.123-1/4 vrees voor vervolging toont”, dat hij niet onder het toepassingsgebied valt van artikel 1, F van het vluchtelingenverdrag valt en dat hij “bijgevolg als vluchteling [moet] erkend worden. Die argumentatie is niet dienstig. Het bestreden arrest heeft immers geen betrekking op de weigering van de erkenning als vluchteling of van de subsidiaire beschermingsstatus, noch op de intrekking van de vluchtelingenstatus. Zoals in het bestreden arrest wordt vastgesteld, heeft de commissaris-generaal voor de vluchtelingenstatus verzoekers vluchtelingenstatus reeds ingetrokken op 24 augustus 2016 en verzoeker bevestigt geen beroep te hebben aangetekend tegen die beslissing.
  2. Verzoeker acht artikel 14.6 van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’ (hierna: richtlijn 2011/95) geschonden omdat door de “intrekking” van zijn verblijfsvergunning de in de artikelen 3, 4, 16, 22, 31, 32 en 33 van het vluchtelingenverdrag opgesomde rechten zouden worden miskend. Daargelaten de vraag of verzoeker zich rechtstreeks op een schending van de voornoemde richtlijn kan beroepen, dient te worden vastgesteld dat hij die schending niet heeft opgeworpen voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, evenmin als een schending van de voornoemde bepalingen van het vluchtelingenverdrag. Hij vermag dergelijke schending niet voor het eerst op te werpen voor de Raad van State als administratieve cassatierechter. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat het Hof van Justitie van de Europese Unie pas na het indienen van het verzoekschrift tot nietigverklaring bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een arrest over artikel 14 van richtlijn 2011/95 heeft uitgesproken. Indien verzoeker bepaalde rechten geschonden achtte, kon hij dergelijke schending reeds inroepen zonder dat het Hof van Justitie er uitspraak over had gedaan.
  3. Verzoeker voert op zeer algemene wijze aan dat in het bestreden arrest niet zou zijn geanalyseerd of artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), is geschonden met de aanvankelijk bestreden beslissing. XIV-38.123-2/4 Verzoeker gaat echter voorbij aan de behandeling van het tweede onderdeel van het enige middel in punt 2.2.2 van het bestreden arrest. Hierin overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat het niet ter discussie staat dat verzoekers echtgenote en kinderen niet in België verblijven, dat niet blijkt dat verzoeker ooit enige poging heeft ondernomen om zijn vrouw en kinderen naar België te laten komen terwijl hij hiertoe de mogelijkheid had ingevolge zijn erkenning als vluchteling op 6 juni 2012 en dat hij ook na het uitzitten va zijn eerste gevangenisstraf geen poging heeft ondernomen om een gezinsleven tot stand te brengen in België. In punt 2.2.4 van het bestreden arrest stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nog dat een eenvoudige lezing van de aanvankelijk bestreden beslissing toelaat vast te stellen dat de verwerende partij een doorgedreven belangenafweging heeft doorgevoerd en hierbij verzoekers persoonlijke situatie in aanmerking heeft genomen, zodat geen schending van artikel 8 van het EVRM wordt vastgesteld. Verzoeker toont derhalve niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de aanvankelijk bestreden beslissing niet op wettige wijze heeft getoetst aan artikel 8 van het EVRM.
  4. Verzoeker zet niet uiteen op welke de overige in het opschrift aangehaalde bepalingen zouden zijn geschonden met het bestreden arrest.
  5. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  6. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  7. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.123-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vierentwintig september tweeduizend nengentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Carlo Adams XIV-38.123-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.487 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.