← België

Cassatiebeschikking 13494 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 02/10/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 02 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.494 Rolnummer: A. 228935/XIV-38133 Zaak: Cassatiebeschikking 13494 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 02/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-11 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-21 21:42 Fiche Beschikking nr 13.494 van 2 oktober 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.494 van 2 oktober 2019 in de zaak A. 228.935/XIV-38.133 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sylvie Micholt kantoor houdend te 8000 Brugge Maria van Bourgondiëlaan 7B bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 26 augustus 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 224.336 van 29 juli 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 5 september 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Verzoeker werpt in de beide middelen de schending op “van de materiële motiveringsplicht, minstens van de mogelijkheid tot toetsen van de materiële motivering”. De materiëlemotiveringsplicht is niet van toepassing op jusridictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Bovendien heeft de Raad voor XIV-38.133-1/4 Vreemdelingenbetwistingen te dezen uitspraak gedaan met hervormingsbevoegdheid. Door de devolutieve werking van het beroep tegen de aanvankelijk bestreden beslissing heeft hij uitspraak gedaan over de grond van de zaak, zonder gebonden te zijn door de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing. De beide middelen zijn in die mate kennelijk niet-ontvankelijk.
  2. Verzoeker werpt een schending op van artikel 39/2, § 1, tweede lid, 2°, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) omdat volgens hem de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over onvoldoende essentiële elementen beschikte en derhalve een vernietigingsbeslissing had moeten nemen. Het behoort tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als feitenrechter om te oordelen of hij over voldoende gegevens beschikt om zelf uitspraak te doen over het beroep dan wel of hij de aanvankelijk bestreden beslissing moet vernietigen omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad niet kan komen tot de in 1° bedoelde bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen hiertoe te moeten bevelen. Het eerste middel is in die mate kennelijk ontvankelijk.
  3. Verzoeker gaat er in het tweede middel van uit dat Hussainkhel zijn dorp van herkomst is dat alleszins zeer dicht ligt bij de Uzbinvallei, die zowel in de aanvankelijk bestreden beslissing als het bestreden arrest onveilig wordt verklaard. Hierbij gaat verzoeker voorbij aan de vaststelling in het bestreden arrest dat verzoeker twee verschillende dorpen heeft genoemd en dat, “gelet op de summiere verklaringen van verzoeker […] de commissaris-generaal rechtsgeldig [kon] concluderen dat niet blijkt dat het dorp van herkomst van verzoeker gelegen is in de Uzbin-vallei”. Verzoeker toont geen schending aan van 48/6, § 5, van de vreemdelingenwet, enkel omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is dat verzoeker geen duidelijkheid verschaft over zijn dorp van herkomst. Verzoeker voert niet aan dat - en waarom - het hem niet mogelijk zou zijn geweest zelf de nodige duidelijkheid te verschaffen. XIV-38.133-2/4 Het eerste middel is die mate kennelijk ongegrond.
  4. In het bestreden arrest wordt “niet betwist dat het geweld in de provincie Kabul zich in het district Surobi concentreert, en meer specifiek in de Uzbin- vallei”. Bij de behandeling van het eerste middel is er net op gewezen dat verzoeker volgens het bestreden arrest zijn afkomst uit de Uzbinvallei niet aannemelijk maakt. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen citeert verder uit de nota van de verwerende partij van 18 februari 2019 met landeninformatie van 2018 van UNHCR en EASO dat in 2017 de provincie Kabul 1 831 burgerslachtoffers zijn gevallen op een totaal van 4,4 miljoen inwoners, meer bepaald 1 612 in de hoofdstad Kabul en derhalve 219 in de rest van de provincie, zodat deze provincie in zijn geheel erg laag scoort wat betreft het aantal veiligheidsincidenten in verhouding met het aantal burgers. In die nota wordt verder vermeld dat het gros van de gewelddaden in de provincie bovendien doelgericht van aard is en dat “het geweld […] hoofdzakelijk de vorm aan[neemt] van gewapende confrontaties tussen de Afghaanse veiligheidsincidenten en opstandelingen, en dit voornamelijk in de Uzbinvallei”, dit naast “aanslagen […] tegen ‘high profile’ doelwitten waarbij voornamelijk de aanwezige veiligheidsdiensten en overheidsfunctionarissen geviseerd worden”. Op grond van de voornoemde motieven vermocht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zonder schending van artikel 48/4, § 2, c), van de vreemdelingenwet te besluiten tot weigering van de subsidiaire beschermingsstatus. In de mate dat verzoeker op grond van de door hem overgelegde stukken tot een ander besluit komt, dient te worden vastgesteld dat de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen soeverein oordeelt over de bewijswaarde van de overgelegde stukken. Het tweede middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. XIV-38.133-3/4 BESLUIT:
  5. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  6. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twee oktober tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Carlo Adams XIV-38.133-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.494 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.