← België

Cassatiebeschikking 13495 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 02/10/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 02 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.495 Rolnummer: A. 229072/XIV-38147 Zaak: Cassatiebeschikking 13495 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 02/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-16 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-21 21:50 Fiche Beschikking nr 13.495 van 2 oktober 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.495 van 2 oktober 2019 in de zaak A. 229.072/XIV-38.147 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ali Acer kantoor houdend te 2060 Antwerpen Brugstraat 5 bus 18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 6 september 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 224.696 van 6 augustus 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 18 september 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De materiëlemotiveringsplicht is niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Verzoeker kan derhalve niet dienstig opwerpen dat “het bestreden arrest niet door feitelijke en juridische motieven correct wordt gedragen”. XIV-38.147-1/3
  2. In de uiteenzetting van het enige middel acht verzoeker ook artikel 74/11, § 1, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ geschonden omdat met de aanvankelijk bestreden beslissing “een inreisverbod wordt opgelegd voor de termijn van drie jaar zonder enig verfijnd onderzoek naar en motivering omtrent de specifieke omstandigheden van verzoeker en de duur van het inreisverbod” terwijl deze bepaling “wel degelijk een specifieke motivering vereist om de maximumtermijn op te leggen”. Verzoeker laat specifiek gelden dat hij niet begrijpt “waarom een termijn van drie jaar werd opgelegd aangezien verzoeker een Italiaans verblijfsrecht heeft en met zijn gezin aldaar woont, en middels de bestreden beslissing de Schengenzone niet meer kan betreden voor maar liefst 3 jaar”. In punt 2.2 van het bestreden arrest oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat verzoeker kan worden gevolgd “waar [hij] stelt dat er geen inreisverbod kan worden opgelegd ten aanzien van de lidstaat waarvan hij een verblijfsrecht heeft”, dat in de aanvankelijk bestreden beslissing wordt vermeld dat verzoeker een inreisverbod opgelegd krijgt voor drie jaar “voor het grondgebied van België, evenals het grondgebied van de staten die het Schengenaquis ten volle toepassen, tenzij hij beschikt over de documenten die vereist zijn om er zich naar toe te begeven” en dat verzoeker derhalve geen belang heeft bij zijn kritiek. Verzoeker richt in het cassatiemiddel geen kritiek op deze beoordeling in het bestreden arrest, zodat hij er de onwettigheid niet van kan aantonen.
  3. Het enige middel is kennelijk niet-ontvankelijk. BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  5. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.147-2/3 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twee oktober tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Carlo Adams XIV-38.147-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.495 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.