← België

Cassatiebeschikking 13496 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 02/10/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 02 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.496 Rolnummer: A. 228896/XIV-38128 Zaak: Cassatiebeschikking 13496 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 02/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-16 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-21 21:47 Fiche Beschikking nr 13.496 van 2 oktober 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.496 van 2 oktober 2019 in de zaak A. 228.896/XIV-38.128 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pauline Delgrange kantoor houdend te 1210 Sint-Joost-Ten-Noode Haachtsesteenweg 55 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 12 augustus 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 223.943 van 12 juli 2019 van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen. Het dossier van de zaak is op 27 augustus 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde XIV-38.128-1/5 verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. De artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek houden in dat de rechter aan een akte geen uitlegging mag geven die niet verenigbaar is met de bewoordingen of de inhoud ervan. De bewijskracht van een akte is slechts miskend indien de uitlegging die de rechter eraan geeft volstrekt onverenigbaar is met de bewoordingen of de inhoud ervan. 2.
  2. Verzoeker voert in het eerste middel, genomen uit de schending van de artikelen 39/12, § 1, 39/15 en 39/65 van de vreemdelingenwet en van artikel 149 van de Grondwet, vooreerst aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen verknochtheid is tussen verzoekers zaak en de zaak van zijn broer - aanhangig bij een Franstalige kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - en dienvolgens ook ten onrechte geen toepassing heeft gemaakt van artikel 39/15 van de vreemdelingenwet en de zaak naar de tweetalige kamer heeft verwezen. Omtrent het verzoek om verzoekers zaak, omwille van de verknochtheid met de zaak van zijn broer, door de tweetalige kamer te laten behandelen, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest overwogen: “In zoverre verzoeker verzoekt om zijn beroep te laten behandelen door de tweetalige kamer van de Raad omwille van het feit dat zijn broer momenteel een beroep hangende heeft in een Franstalige kamer, wijst de Raad erop dat elk verzoek om internationale bescherming afzonderlijk en op individuele wijze wordt onderzocht, zodat er geen nood is aan een behandeling in de tweetalige kamer.” Het al dan niet verknocht zijn van twee zaken en de beslissing om ze samen te behandelen behoort tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het gaat om een onaantastbare feitelijke beoordeling die door de Raad van State als administratieve cassatierechter niet opnieuw kan worden gedaan. XIV-38.128-2/5 2.
  3. Voorts voert verzoeker aan dat de beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat er geen verknochtheid was tussen verzoekers zaak en die van zijn broer, heeft geleid tot tegenstrijdige rechtspraak. Om dit te vermijden diende de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met toepassing van artikel 39/12, § 1, van de vreemdelingenwet de zaak te verwijzen naar de verenigde kamers met het oog op de eenheid van de rechtspraak. In casu is dit evenwel niet gebeurd en bovendien is het bestreden arrest in strijd met artikel 39/65 van de vreemdelingenwet en artikel 149 van de Grondwet niet gemotiveerd over het risico op tegenstrijdige rechtspraak. Krachtens artikel 39/12, § 1, van de vreemdelingenwet behoort de verwijzing van een zaak naar de verenigde kamers teneinde de eenheid van de rechtspraak te verzekeren tot de feitelijke appreciatiebevoegdheid van de eerste voorzitter of de voorzitter van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Dit gebeurt op eigen initiatief of dat van de kamervoorzitter. Het valt niet toe aan de Raad van State als administratieve cassatierechter om die beoordeling opnieuw te doen. Verzoeker kan zelf niet om de verwijzing van zijn zaak vragen en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is niet ertoe gehouden om in zijn arrest te motiveren waarom er geen risico op tegenstrijdige rechtspraak zou bestaan en de zaak niet moet worden verwezen naar de verenigde kamers. 2.
  4. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
  5. In het tweede middel, genomen uit de schending van de bewijskracht van de akte en van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek, voert verzoeker aan dat het oordeel van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat verzoeker geen objectieve informatie aanbrengt dat hij als Sayed een verhoogd risico loopt of extra kwetsbaar is, in strijd is met de inhoud van het verzoekschrift, de aanvullende nota en de eraan toegevoegde algemene informatie, en de bewijskracht van die akten schendt. Omtrent verzoekers argumentatie dat hij een risicoprofiel heeft omwille van het feit dat hij behoort tot de Sayeds, heeft de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen in het bestreden arrest overwogen: “Waar verzoeker bovendien verwijst naar zijn risicoprofiel als sjiitische moslim die tot de Sayed behoort, stelt de Raad vast dat uit de informatie beschikbaar in het administratief dossier en het verzoekschrift geenszins kan worden afgeleid dat de situatie in Afghanistan van zulke aard zou zijn dat zij voor sjiieten of voor de Sayed op zich het risico met zich zou meebrengen dat zij aldaar ingevolge hun loutere XIV-38.128-3/5 religieuze aanhorigheid en aanwezigheid zouden worden geviseerd of vervolgd. De hypothese dat verzoeker een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van bepaalde feiten wordt niet aanvaard. De Raad wijst erop dat verzoeker niet aannemelijk maakt en dat uit de stukken in het dossier evenmin blijkt dat verzoeker, ingevolge het gegeven dat hij Sayed is en ingevolge een aanwezigheid in Afghanistan, zou dreigen te worden vervolgd of geviseerd. Dit geldt des te meer nu hij, wat zijn persoon betreft, geen concrete, geloofwaardige, actuele en ernstige aan zijn religie als Sayed verbonden incidenten heeft aangehaald. […] Waar verzoeker in zijn aanvullende nota ter terechtzitting foto’s neerlegt van verschillende gewapende groeperingen in zijn regio, ter illustratie van de algemene veiligheidssituatie in zijn regio, merkt de Raad op dat uit de door verzoeker gegeven toelichting niet kan blijken dat hij zelf persoonlijk zou dreigen te worden geviseerd of vervolgd bij zijn terugkeer naar Afghanistan. Het loutere feit dat verschillende bevolkingsgroepen en groeperingen actief zijn in het district van herkomst doet hieraan geen afbreuk. De Raad is bovendien van oordeel dat uit dit stuk evenmin blijkt dat verzoeker, ingevolge het gegeven dat hij Sayed is, in zijn regio van herkomst zou dreigen te worden vervolgd of geviseerd, mede gelet op het feit dat hij geen concrete, geloofwaardige, actuele en ernstige aan zijn religie als Sayed verbonden incidenten heeft aangehaald. […] Verzoeker brengt geen objectieve informatie aan dat hij als Sayed een verhoogd risico loopt of extra kwetsbaar is.” Verzoeker maakt in het middel niet aannemelijk dat die beoordeling volstrekt onverenigbaar is met zijn argumentatie en de door hem bijgebrachte informatie, nu inderdaad kan worden vastgesteld dat verzoeker, wat zijn persoon betreft, geen concrete, geloofwaardige, actuele en ernstige aan zijn religie als Sayed verbonden incidenten heeft aangehaald. Wat verzoeker met het tweede middel in wezen betracht is de juistheid betwisten van de conclusie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat hij geen objectieve informatie aanbrengt dat hij als Sayed een verhoogd risico loopt of extra kwetsbaar is. Hij nodigt de Raad van State uit die beoordeling over te doen en tot een andere conclusie te komen. De Raad van State is als administratieve cassatierechter evenwel niet bevoegd om in de beoordeling van de feiten te treden. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  6. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  7. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.128-4/5 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twee oktober tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Carlo Adams XIV-38.128-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.496 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.