← België

Cassatiebeschikking 13498 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/10/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 08 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.498 Rolnummer: A. 229016/XIV-38143 Zaak: Cassatiebeschikking 13498 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-23 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-21 07:14 Fiche Beschikking nr 13.498 van 8 oktober 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.498 van 8 oktober 2019 in de zaak A. 229.016/XIV-38.143 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rebecca Greenland kantoor houdend te 2250 Olen Puntstraat 12 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 3 september 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 224.785 van 9 augustus 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 9 september 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. 1. Met toepassing van artikel 57/6/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) heeft de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen onderzocht of in verzoekers derde asielaanvraag “nieuwe elementen of feiten aan de orde zijn, of door de verzoeker zijn voorgelegd, die de kans aanzienlijk groter maken dat de verzoeker voor erkenning als XIV-38.143-1/5 vluchteling in de zin van artikel 48/3 of voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 in aanmerking komt”. Bij gebrek aan dergelijke nieuwe elementen of feiten heeft de commissaris-generaal die aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Op zijn beurt heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uitspraak met hervormingsbevoegdheid gedaan over verzoekers beroep tegen de voormelde beslissing en is hij in het bestreden arrest tot hetzelfde besluit gekomen. De Raad van State vermag zich niet uit te spreken over de zaak zelf vermits hij als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de feiten treedt. 2. Wat de vraag naar “een veilige interne vestigingsplaats” betreft, voert verzoeker aan dat “de Belgische Staat wenst verzoeker naar Kaboel te sturen met een gedwongen repatriëring” doch dat “dit vestigingsalternatief […] niet door de verwerende partij [werd] geanalyseerd”. Met het bestreden arrest wordt geen verwijderingsmaatregel opgelegd doch wordt enkel vastgesteld dat in verzoekers derde verzoek om internationale bescherming geen nieuwe elementen of feiten in de zin van artikel 57/6/2 van de vreemdelingenwet aan de orde zijn. Verzoeker houdt voor dat de verwerende partij “het verblijf/herkomst in Afghanistan” niet betwist. Deze kritiek mist feitelijke grondslag. In de aanvankelijk bestreden beslissing wordt reeds opgemerkt dat de beslissingen omtrent de eerste en de tweede asielaanvraag definitief zijn geworden en dat het overleggen van verzoekers geboorteakte op zich, in het licht van de beslissingen over de voorgaande verzoeken, zijn verblijf in Maidan Wardak (Afghanistan) of Iran niet kan aantonen. In het bestreden arrest wordt vastgesteld dat verzoeker in zijn eerste verzoek heeft verklaard afkomstig te zijn van Afghanistan, in zijn tweede verzoek afkomstig te zijn van Iran en in zijn derde verzoek opnieuw afkomstig te zijn van Afghanistan. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt “dat verzoekers steeds wisselende verklaringen zijn geloofwaardigheid volledig onderuit halen en dat hij er met de uitleg in het verzoekschrift dan ook allerminst in slaagt de Raad te overtuigen”, “dat aan de voorgelegde geboorteaktes geen objectieve bewijswaarde kan worden verleend” en “dat verzoekers geboorteakte hoe dan ook geen enkele indicatie biedt over zijn werkelijke verblijfplaats(

  1. en)en de hieraan XIV-38.143-2/5 verbonden levenssituatie in de jaren voor zijn komst naar België en dienvolgens zijn voorgehouden verblijf in Maidan Wardak of Iran niet kan aantonen”. Op grond van de voormelde motieven kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze verzoekers derde aanvraag niet-ontvankelijk verklaren. Verzoeker toont niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op onwettige wijze een nieuw feit of element buiten beschouwing zou hebben gelaten. 3. Verzoeker beroept zich op de “eenheid van gezin” en verwijst daartoe naar zijn broer wiens geboorteakte hij heeft overgelegd. Verzoeker gaat voorbij aan de uitgebreide vaststellingen in het bestreden arrest betreffende de bewijswaarde van de geboorteakte van verzoeker en die van zijn broer, in het bijzonder “dat verzoekers geboorteakte hoe dan ook geen enkele indicatie biedt over zijn werkelijke verblijfplaats(
  2. en)en de hieraan verbonden levenssituatie in de jaren voor zijn komst naar België en dienvolgens zijn voorgehouden verblijf in Maidan Wardak of Iran niet kan aantonen”. Nergens in het bestreden arrest wordt het bestaan van een gezin tussen verzoeker en zijn broer aangenomen en het komt de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toe die feitelijke beoordeling over te doen. Verzoeker kan zich derhalve ook niet dienstig beroepen op bepalingen betreffende de instandhouding van het gezin. 4. Verzoeker haalt “de ontkenning van de waarde van de geboorteakten” aan en stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wat dat betreft “een manifeste appreciatiefout” zou hebben begaan. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die te dezen met hervormingsbevoegdheid uitspraak heeft gedaan, beoordeelt soeverein de bewijswaarde van de door de partijen overgelegde stukken. De Raad van State vermag als administratieve cassatierechter niet deze feitelijke beoordeling over te doen. In het bestreden arrest worden duidelijk de redenen aangegeven waarom geen bewijswaarde wordt gehecht aan de door verzoeker overgelegde geboorteaktes. Verzoeker toont wat dat betreft geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht, die uitsluitend een vormvereiste is. XIV-38.143-3/5 5. Verzoeker haalt “het valse verhaal en de juridische gevolgen” aan, waarbij hij aanvoert dat een specifieke verklaarbare leugen niet tot zijn ongeloofwaardigheid moet leiden en dat twijfel aan bepaalde aspecten van een relaas de overheid niet ontslaat van de plicht om een risico op ernstige schade te toetsen. Verzoeker gaat niet in op de concrete motieven waarom wordt besloten tot een volkomen gebrek aan geloofwaardigheid, ook wat zijn voorgehouden afkomst betreft. Hij vraagt in wezen een andere feitelijke beoordeling van de voorliggende gegevens, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is. 6. Verzoeker vermeldt “de status van de broer”, aan wie de subsidiaire bescherming werd toegekend. Hij verwijst hiertoe naar de familieband, maar gaat voorbij aan de vaststellingen betreffende de bewijswaarde van de geboorteaktes en de feitelijke beoordeling dat verzoekers geboorteakte “hoe dan ook geen enkele indicatie biedt over zijn werkelijke verblijfplaats(
  3. en)en de hieraan verbonden levenssituatie in de jaren voor zijn komst naar België en dienvolgens zijn voorgehouden verblijf in Maidan Wardak of Iran niet kan aantonen”. Het komt de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toe die feitelijke beoordeling over te doen en verzoeker toont met zijn argumentatie geen onwettigheid aan doordat hem de subsidiaire beschermingsstatus niet wordt toegekend terwijl deze voordien wel werd toegekend aan zijn broer. 7. Wat de “analyse van het relaas van verzoeker” betreft, voert hij in essentie aan dat hij wel elementen heeft aangebracht die de kan groter maken dat hij in aanmerking kwam voor subsidiaire bescherming. Verzoeker zet hiertoe een aantal elementen uiteen waarmee hij in wezen een nieuwe feitelijke beoordeling van de zaak vraagt en waarmee hij ook kritiek uit op de beoordeling in eerdere en definitief geworden arresten van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreffende zijn eerdere verzoeken om internationale bescherming. 8. Het enige middel is in al zijn onderdelen, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. XIV-38.143-4/5 BESLUIT: 1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op acht oktober tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.143-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.498 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.