← België

Cassatiebeschikking 13509 - Varia (onderwijs en cultuur) - 10/10/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 10 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.509 Rolnummer: A. 229171/IX-9620 Zaak: Cassatiebeschikking 13509 - Varia (onderwijs en cultuur) - 10/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-24 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-24 00:48 Fiche Beschikking nr 13.509 van 10 oktober 2019 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING INZAKE DE TOELAATBAARHEID VAN EEN CASSATIEBEROEP nr. 13.509 van 10 oktober 2019 in de zaak G/A 229.171/IX-9620 In zake : Thomas VANWELSENAERE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rudy Arts kantoor houdend te 9340 Lede Kasteeldreef 48 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW KATHOLIEKE HOGESCHOOL VIVES, CAMPUS TORHOUT -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 17 september 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. 5133 van 14 augustus 2019 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is onderworpen aan de procedure tot toela- ting, bedoeld bij artikel 20, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari 1973, en bij de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 „tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State‟. Het dossier van de zaak is door de griffie ontvangen op 7 oktober
  3. IX-9620-1/4 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, geco- ördineerd op 12 januari
  4. III. De toelaatbaarheid
  5. Bij het in cassatie bestreden arrest verklaart de Raad voor be- twistingen inzake studievoortgangsbeslissingen het door verzoeker op 22 juli 2019 ingesteld beroep “tot nietigverklaring van de beslissing van de interne be- roepscommissie van de Katholieke Hogeschool Vives Zuid van 12 juli 2019 waarbij het intern beroep van verzoeker ongegrond wordt verklaard”, deels on- ontvankelijk en deels ongegrond.
  6. Het inleidend verzoekschrift in deze cassatieprocedure omvat 43 bladzijden. Overheen de eerste 24 bladzijden beschrijft verzoeker de feiten die aan de betwisting zijn voorafgegaan, de procedure die hij heeft gevoerd bij de beroepscommissie en de zitting voor de Raad voor betwistingen inzake studie- voortgangsbeslissingen. Weliswaar volgt dan een rubriek „III. Cassatieberoep tegen de beslissing van de Raad‟, maar ook overheen de volgende twintig bladzijden komt verzoeker niet verder dan het citeren van passages van het arrest van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen met commentaar “waar- om ik met bepaalde onderdelen niet instem”, onder meer omdat hij ze “foutief” vindt, “bedenkelijk” of “vreemd”.
  7. Verzoeker is het duidelijk oneens met het arrest, minstens laat hij verstaan het niet te begrijpen, maar hij wijst geen enkele rechtsnorm aan die geschonden is, noch geeft hij een uiteenzetting hoe de eerste rechter die norm zou hebben geschonden door te oordelen zoals hij geoordeeld heeft. IX-9620-2/4 Artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit schrijft voor dat het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen” bevat. Het voorliggende verzoekschrift bevat evenwel geen enkel cas- satiemiddel – dat wil zeggen, een voldoende duidelijke omschrijving van de over- treden rechtsregel of het overtreden rechtsbeginsel en van de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door het bestreden arrest wordt geschonden.
  8. Wat verzoeker veeleer lijkt te wensen, is dat de Raad van State op zijn beurt de wettigheid van de beslissing van de beroepscommissie zou be- oordelen. Als cassatierechter mag de Raad van State evenwel niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van het lagere rechtscollege over het optreden van de beroepscommissie overdoen. Hij mag enkel nagaan of het hem voorgelegde arrest van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangs- beslissingen overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State treedt de afdeling Bestuursrecht- spraak in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf”.
  9. Een cassatieberoep dat geen cassatiemiddel bevat, is kennelijk onontvankelijk.
  10. Volgens artikel 19, vierde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State mag een cassatieberoep niet worden ingediend zonder de bij- stand van een advocaat. De verplichting om een verzoekschrift in cassatie te laten on- dertekenen door een advocaat “is duidelijk ingegeven om het aantal ongepaste voorzieningen op adequate wijze te beperken” en heet “gerechtvaardigd door de specificiteit van het administratief cassatieberoep in het kader waarvan enerzijds, een eerste administratief rechtscollege zich reeds heeft uitgesproken en waarbij anderzijds de afdeling [bestuursrechtspraak] van de Raad van State geen kennis mag nemen van de grond van de zaak en het verzoek enkel in rechte mag gear- gumenteerd worden” (Parl.St. Kamer 2005-06, nr. 2479/1, 33). IX-9620-3/4 Uit het onderzoek van het cassatieberoep blijkt niettemin dat het kennelijk niet voldoet aan de vereisten voor de toelaatbaarheid ervan, bepaald in artikel 20, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. IV. Anonimisering
  11. Met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 „betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State‟ vraagt verzoeker dat bij de publicatie van deze beschikking zijn identiteit niet wordt opgenomen. B E S L I S S I N G:
  12. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  13. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, en een bijdrage van 20 euro.
  14. Bij de publicatie van deze beschikking door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Aldus te Brussel verleend, op 10 oktober 2019, door: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9620-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.509 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.