id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 06 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.543 Rolnummer: A. 229133/XIV-38154 Zaak: Cassatiebeschikking 13543 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 06/11/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-11-20 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-21 21:21 Fiche Beschikking nr 13.543 van 6 november 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.543 van 6 november 2019 in de zaak A. 229.133/XIV-38.154 In zake :
- XXXXX
- XXXXX
- XXXXX
- XXXXX
- XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Françoise Jacobs kantoor houdend te 1050 Brussel Kroonlaan 207 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, thans de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 13 september 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 224.775 van 9 augustus 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 20 september 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De verzoekers voeren aan dat met het bestreden arrest “de bewijskracht” is geschonden van het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 28 juni 2018, XIV-38.154-1/4 “wat een schending inhoudt van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek”. Met het voornoemde arrest van 28 juni 2018 heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de beslissing van de verwerende partij van 28 november 2017 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf van de verzoekers op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) ongegrond werd verklaard en de beslissing van 28 november 2017 waarmee een bevel om het grondgebied te verlaten werd gegeven, vernietigd. De voornoemde beslissing tot verwerping van de aanvraag op grond van artikel 9ter van de vreemdelingenwet was gesteund op een advies van de ambtenaar-geneesheer van 27 november
- Met het bestreden arrest heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep tot nietigverklaring verworpen tegen een beslissing van de verwerende partij van 30 oktober 2018 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf van de verzoekers op grond van artikel 9ter van de vreemdelingenwet ongegrond werd verklaard en tegen de beslissing van 30 oktober 2018 waarmee een bevel om het grondgebied te verlaten werd gegeven. Deze beslissing tot verwerping van de aanvraag op grond van artikel 9ter van de vreemdelingenwet was gesteund op een advies van de ambtenaar-geneesheer van 18 oktober
- Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest tot een andere beoordeling is gekomen dan in zijn arrest van 28 juni 2018, houdt geen schending in van de bewijskracht van dit laatste arrest vermits het bestreden arrest betrekking heeft op een andere weigeringsbeslissing die op haar beurt was gesteund op een ander advies van de ambtenaar-geneesheer dan de beslissing van 28 november
- Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat de beslissing van 30 oktober 2018 betrekking had op dezelfde aanvraag als de (vernietigde) beslissing van 28 november
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in het bestreden arrest vast “dat in het advies erop wordt gewezen dat uit de gehanteerde informatie blijkt dat een rolstoel beschikbaar is in het thuisland”, dat “verzoeker […] geen informatie bij[brengt] die zou aantonen dat het anders is”, dat, “in de mate dat zij erop alludeert dat dat misschien niet het geval in onmiddellijk bij aankomst in Albanië, […] erop [moet] worden gewezen dat XIV-38.154-2/4 verzoekster heeft verklaard nog heel wat familie in Albanië te hebben zodat desgevallend al contacten kunnen worden gelegd met het oog op het bekomen van een rolstoel, en niet wordt aangetoond dat verzoekster om die reden niet met haar zoon zou kunnen reizen”, dat er ten overvloede nog op moet worden gewezen “dat hoewel uit de medische stukken blijkt dat het kind inderdaad rolstoelafhankelijk is, evenzeer blijkt uit de bij de aanvraag gevoegde stukken dat het met begeleiding kan stappen […]” en dat, “aangenomen dat het kind maar kan stappen over een zeer beperkte afstand, […] het beeld dat verzoekster tracht te schetsen door te stellen dat zij haar kind niet meer kan dragen - hetgeen kan worden aangenomen - ook in dat perspectief [moet] worden bekeken”. Verzoekers kritiek dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet zou hebben nagegaan of een concreet onderzoek is gevoerd naar de beschikbaarheid en de toegankelijkheid van de vereiste behandeling, met name wat het kunnen beschikken over een rolstoel betreft, mist derhalve feitelijke grondslag. Vermits de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt, komt het hem verder niet toe zijn beoordeling te dezen in de plaats van de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te stellen.
- De verzoekers citeren uit hun kritiek tegen het aanvankelijk bestreden bevel om het grondgebied te verlaten van 30 oktober 2018 en voeren aan dat het bestreden arrest “geen antwoord biedt” op hun kritiek dat geen rekening is gehouden met de blijvende handicap van één van de kinderen en de gevolgen daarvan voor eerste verzoekster. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in punt 2.2.2 van het bestreden arrest dat het bevel om het grondgebied te verlaten pas werd gegeven na de afwijzing van de aanvraag op grond van artikel 9ter van de vreemdelingenwet, toen de verwerende partij er zich van had vergewist dat verzoeksters zoontje de nodige behandelingen in het thuisland kan krijgen, dat verzoekster wel betoogt doch op geen enkele wijze aantoont dat zij zelf actueel psychologische problemen heeft die een terugkeer naar Albanië in de weg zouden staan, en dat eerste verzoekster niet aantoont dat zij, moest zij gehoord zijn geweest, specifieke omstandigheden had kunnen aanvoeren die de afgifte van het bevel om het grondgebied te verlaten hadden kunnen beïnvloeden. XIV-38.154-3/4 De verzoekers gaan volledig voorbij aan die motieven en tonen dan ook geen schending aan van de door hen aangehaalde bepalingen met betrekking tot de beoordeling van het bevel om het grondgebied te verlaten.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 1.000 euro, elk voor één vijfde. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zes november tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.154-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.543 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.