← België

Cassatiebeschikking 13544 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 07/11/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 07 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.544 Rolnummer: A. 229252/XIV-38160 Zaak: Cassatiebeschikking 13544 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 07/11/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-11-15 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-21 21:23 Fiche Beschikking nr 13.544 van 7 november 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.544 van 7 november 2019 in de zaak A. 229.252/XIV-38.160 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hilde Van Vreckom kantoor houdend te 1030 Schaarbeek Adolphe Lacomblélaan 59-61, bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 30 september 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 225.613 van 2 september 2019 van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen. Het dossier van de zaak is op 7 oktober 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen XIV-38.160-1/8 wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. De artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek houden in dat de rechter aan een akte geen uitlegging mag geven die niet verenigbaar is met de bewoordingen of de inhoud ervan. De bewijskracht van een akte is slechts miskend indien de uitlegging die de rechter eraan geeft volstrekt onverenigbaar is met de bewoordingen of de inhoud ervan. 2.
  2. In het eerste onderdeel van het enige middel - genomen uit de schending van artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet, van het recht op een eerlijke en doeltreffende voorziening in rechte gewaarborgd door de artikelen 3 en 13 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens (hierna: het EVRM) en de artikelen 4, 18 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en van artikel 24, eerste lid, van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 ‘betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming’ (hierna: de Procedurerichtlijn) - voert verzoeker aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is voorbijgegaan aan de argumentatie met betrekking tot verzoekers gebrekkige kennis van het Russisch. Voorts voert verzoeker aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is voorbijgegaan aan de argumentatie met betrekking tot de afwezigheid van specifieke steunmaatregelen omwille van verzoekers kwetsbaar psychologisch profiel. 2.2.
  3. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft verzoekers argumentatie in verband met de afwezigheid van specifieke steunmaatregelen inzake de taal waarin het gehoor door het CGVS is gebeurd als volgt beantwoord in het bestreden arrest: “2.2.4.
  4. Verzoekende partij meent verder dat artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet en artikel 20 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen werden geschonden nu zij niet gehoord werd in een taal die zij volledig beheerst en er geen specifieke maatregelen werden genomen om dit te compenseren. Aangezien zij niet rechtsgeldig werd gehoord, schendt de bestreden beslissing tevens het hoorrecht, het recht van verdediging en het rechtsbeginsel audi alteram partem. XIV-38.160-2/8 2.2.4.
  5. De Raad duidt er evenwel op dat overeenkomstig artikel 20 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 de commissaris-generaal, indien de asielzoeker de bijstand heeft gevraagd van een tolk overeenkomstig artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet, de aanwezigheid van een tolk die één van de talen gesproken door de asielzoeker beheerst dient te verzekeren, in de mate hij over zulk een tolk beschikt. In casu verzocht verzoekende partij bij het indienen van haar verzoek om internationale bescherming om de hulp van een tolk en gaf zij aan zowel het Russisch als het Tsjetsjeens voldoende te beheersen om de redenen die geleid hebben tot haar vertrek uit haar land van herkomst uiteen te zetten (administratief dossier, stuk 15, verklaring betreffende procedure, vraag 2). Bij de Dienst Vreemdelingenzaken, waar zij eveneens werd gehoord met de bijstand van een tolk Russisch, verklaarde verzoekende partij de tolk goed te begrijpen en geen bezwaar te hebben tegen de tolk (administratief dossier, stuk 15, verklaring betreffende procedure, vraag 2). Voorts gaf zij er op geen enkel moment aan dat zij het Russisch onvoldoende beheerst om in deze taal gehoord te worden. Op het Commissariaat-generaal gaf verzoekende partij bij de aanvang van haar persoonlijk onderhoud weliswaar aan dat haar Russisch niet zo goed is, doch maakte zij geen bezwaar tegen de aanwezigheid van een Russische tolk. Zij het tevens benadrukt dat verzoekende partij er bij het begin van haar persoonlijk onderhoud op werd gewezen dat indien iets niet duidelijk zou zijn, zij dit moet aangeven en om verduidelijking moet vragen (administratief dossier, stuk 5, notities CGVS, p. 1-2). Op het einde van het persoonlijk onderhoud verklaarde verzoekende partij dat zij alle vragen goed had begrepen en dat zij al haar motieven had kunnen uiteen zetten (notities CGVS, p. 20). Ten slotte werd nog aan verzoekende partij en haar raadsman gevraagd of zij verder nog opmerkingen hadden, doch werden door hen geen bezwaren geuit tegen het feit dat gebruik werd gemaakt van een tolk Russisch (notities CGVS, p. 21). Uit het verloop van het persoonlijk onderhoud blijkt duidelijk dat verzoekende partij het Russisch voldoende beheerst om de gestelde vragen te begrijpen en te beantwoorden. Het betoog van verzoekende partij in haar verzoekschrift dat zij niet rechtsgeldig werd gehoord voordat de beslissing werd genomen, waardoor volgens haar het hoorrecht, het recht van verdediging en het rechtsbeginsel audi alteram partem werden geschonden, kan dan ook geenszins worden bijgetreden door de Raad.” Anders dan verzoeker beweert is de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen dus duidelijk niet voorbijgegaan aan verzoekers argumentatie dat hij bij het begin van het gehoor door het CGVS had verklaard dat hij niet goed Russisch spreekt en dat de tolk tijdens het gehoor verschillende keren de vragen moest herhalen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft deze argumentatie bij zijn beoordeling betrokken en er in het bestreden arrest uitdrukkelijk op geantwoord. Hiermee is voldaan aan de vereisten van de jurisdictionele motiveringsplicht. Wat verzoeker met zijn uiteenzetting in het verzoekschrift in wezen betracht is de juistheid te betwisten van de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen. Op die manier nodigt hij de Raad van State uit die beoordeling over te doen en tot een andere conclusie te komen. De Raad van State is als administratieve cassatierechter evenwel niet bevoegd om in de beoordeling van de feiten te treden. XIV-38.160-3/8 2.2.
  6. In verband met verzoekers argumentatie inzake de afwezigheid van specifieke steunmaatregelen omwille van verzoekers kwetsbaar psychologisch profiel heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest geoordeeld als volgt: “2.2.
  7. Daar waar verzoekende partij erop wijst dat zij lijdt aan geheugen-, verstand- en psychologische problemen en in dit verband als bijlage bij haar verzoekschrift een e-mail van haar raadsman aan het Commissariaat-generaal d.d. 6 februari 2019 (bijlage 3), een e-mail van haar voormalige psycholoog d.d. 12 februari 2019 (bijlage 4) en een attest van haar huidige psycholoog d.d. 25 april 2019 (bijlage 5) voegt, is de Raad van oordeel dat deze stukken niet van aard zijn de motivering van de bestreden beslissing in een ander daglicht te stellen. Omtrent de e-mail van haar raadsman aan het Commissariaat-generaal d.d. 6 februari 2019 (bijlage 3 van het verzoekschrift), duidt de Raad erop dat dienaangaande in de bestreden beslissing reeds terecht het volgende wordt gemotiveerd: ‘Uw advocaat gaf nog mee dat u een kwetsbaar persoon bent en dat hiermee voldoende rekening dient gehouden te worden. Echter gaf u zelf aan enkel de ordediensten bij terugkeer te vrezen en dat de enige reden voor uw vraag tot internationale bescherming de - manifest ongeloofwaardige - rekrutering betrof, waardoor onduidelijk is in welke mate het CGVS nog meer rekening kan houden met uw kwetsbaar profiel, hetgeen overigens op zich een zeer breed en vaag begrip is dat dan ook op basis van omstandige attesten en/of verklaringen gecontextualiseerd dient te worden. De loutere vaststelling dat het onderhoud ‘slechts’ 1u40 minuten heeft geduurd zonder ook maar enigszins aan te geven welke facetten onvoldoende werden besproken, is dan ook niet meer dan een loutere vaststelling. Het algemene rapport van het BCHV is een interessante analyse betreffende traumatiek en de impact op herinneringen. Niettemin zijn de hiaten, vaagheden en tegenstrijdigheden (ook inzake informatie uit de documenten) van dien aard dat zij niet kunnen worden verklaard door een weinig omstandig psychologisch attest en een algemeen rapport inzake de problematiek van traumatiek en geheugen.’. De Raad stelt vast dat verzoekende partij geen enkele poging onderneemt om voormelde motivering in concreto te weerleggen en zich beperkt tot het louter opnieuw neerleggen van ditzelfde stuk, hetgeen geenszins soelaas brengt. Inzake de e-mail van haar voormalige psycholoog d.d. 12 februari 2019 (bijlage 4 van het verzoekschrift), bemerkt de Raad dat hieruit evenmin blijkt dat verzoekende partij niet in staat zou zijn geweest op een normale manier een onderhoud te doen daar er in de e-mail enkel gesteld wordt dat verzoekende partij ‘misschien’ niet in staat is om gehoord te worden en dit omwille van ‘verwarring’ in hoofde van verzoekende partij, zonder dit evenwel enigszins te specifiëren. Dergelijke zeer vage informatie is dan ook geenszins van aard om de in de bestreden beslissing vastgestelde lacunes en tegenstrijdigheden te verklaren. Wat nog het attest van haar huidige psycholoog M. N. d.d. 24 april 2019 (bijlage 5 van het verzoekschrift) betreft, stelt de Raad vast dat uit dit attest louter blijkt dat verzoekende partij te kampen heeft met psychische problemen, doch niet dat haar cognitief geheugen dermate is aangetast waardoor zij niet in staat zou zijn een coherent en consistent relaas naar voor te brengen. In het attest wordt nergens bevestigd dat verzoekende partij inderdaad geheugenproblemen kent zoals zij zelf verklaart. Waar in het attest nog gesteld wordt dat vermoed wordt dat verzoekende partij een lichte mentale achterstand heeft, bemerkt de Raad dat dit slechts een vermoeden betreft dat verder op generlei wijze gestaafd wordt. In het middels een aanvullende nota van 14 augustus 2019 bijgebrachte attest van voormeld psycholoog herneemt deze integraal zijn voormeld schrijven en voegt er XIV-38.160-4/8 enkel aan toe dat betrokkene lijdt aan PTSD. Ook in dit document wordt niet geattesteerd dat verzoekende partij in de onmogelijkheid verkeert het voorwerp uit te maken van een onderhoud en dat haar cognitief geheugen dermate zou zijn aangetast dat zij geen coherente en consistente verklaringen zou kunnen afleggen over haar persoonlijke leefwereld en de gebeurtenissen die zij persoonlijk heeft meegemaakt. […] 2.2.8.
  8. Omtrent de vastgestelde vaagheden in haar verklaringen over de feiten die de aanleiding vormden van haar vertrek uit haar land van herkomst, verwijst verzoekende partij wederom naar haar geheugenproblemen en stelt zij dat het mogelijk is dat men bepaalde zaken vergeet na een traumatische gebeurtenis. 2.2.8.
  9. De Raad wijst er evenwel op dat verzoekende partij nalaat de door haar voorgehouden geheugenproblemen te staven. Zij brengt geen enkel medisch attest bij waaruit blijkt dat haar cognitief geheugen is aangetast waardoor zij niet in staat zou zijn een coherent en consistent relaas naar voor te brengen. Zij beperkt zich dan ook tot blote beweringen en stelt hiermee de motivering van de bestreden beslissing geenszins in een ander daglicht.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt aldus ook verzoekers argumentatie inzake de afwezigheid van specifieke steunmaatregelen omwille van zijn kwetsbaar psychologisch profiel bij zijn beoordeling te hebben betrokken en er in het bestreden arrest op te hebben geantwoord. Uit de voormelde motivering blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hierbij wel degelijk rekening heeft gehouden met het betoog uit het schrijven van verzoekers advocaat, de door verzoeker overgelegde psychologische attesten van 12 februari 2019 en 24 april 2019 en het middels een aanvullende nota bijgebrachte psychologisch attest waarin wordt vermeld dat verzoeker lijdt aan PTDS. Anders dan verzoeker beweert blijkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen deze stukken daadwerkelijk te hebben onderzocht en hij heeft vervolgens uiteengezet waarom deze stukken volgens hem niet van aard zijn om afbreuk te doen aan de beslissing van het CGVS. Hiermee is voldaan aan de vereisten van de jurisdictionele motiveringsplicht. In de mate dat verzoeker de juistheid betwist van die beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, in het bijzonder van de conclusie dat uit de voornoemde stukken niet blijkt dat verzoekers cognitief geheugen dermate is aangetast dat dit problemen zou hebben opgeleverd bij het afleggen van het gehoor bij het CGVS, weze herhaald dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om deze beoordeling over te doen. Voor zover verzoeker aanvoert dat de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen in het bestreden arrest niet motiveert waarom verzoekers psychologische problemen niet van die aard zouden zijn dat ze geen invloed zouden hebben gehad op de capaciteit om een coherent asielrelaas te brengen, moet worden opgemerkt dat de XIV-38.160-5/8 jurisdictionele motiveringsplicht niet zover reikt dat de rechter ook de gronden voor zijn motieven in het bestreden arrest moet kenbaar maken. In de mate dat verzoeker ook nog de schending aanvoert van de bewijskracht van de akte en van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek, wordt verwezen naar de beoordeling van het tweede onderdeel van het enige middel, waarin verzoeker deze grief herneemt. 2.
  10. Uit wat voorafgaat blijkt dat verzoeker geen schending aannemelijk maakt van artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet, van de artikelen 3 en 13 van het EVRM en de artikelen 4, 18 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en van artikel 24, eerste lid, van de Procedurerichtlijn zoals omgezet in artikel 48/9 van de vreemdelingenwet. Het eerste onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. 3.
  11. In het tweede onderdeel van het enige middel, genomen uit de schending van de bewijskracht van de akte en van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek, voert verzoeker aan dat de conclusie van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen in het bestreden arrest dat verzoekers cognitief geheugen niet dermate is aangetast waardoor hij niet in staat zou zijn om een coherent en consistent relaas te brengen, in strijd is met de door hem bijgebrachte psychologische attesten waarin wordt vermeld dat verzoeker periodes van gedeeltelijk geheugenverlies meemaakt en dat PTDS is vastgesteld. Voorts argumenteert hij nog dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nalaat om te motiveren waarom er ondanks het geheugenverlies, de verwardheid, de stress, de symptomen van PTDS en de mentale achterstand van verzoeker geen verdere procedurele waarborgen nodig waren en dat hij evenmin motiveert waarom verzoekers cognitief geheugen niet op die wijze zou zijn aangetast dat het hem zou verhinderen een coherent en consistent relaas te brengen. 3.
  12. Uit de hiervoor sub 2.2.
  13. aangehaalde motivering van het bestreden arrest blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk uiteenzet waarom hij in navolging van het CGVS van oordeel is dat er geen verdere procedurele waarborgen nodig waren. Bij de beoordeling van het eerste onderdeel van het middel is ook reeds uiteengezet XIV-38.160-6/8 dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet ertoe gehouden was om te motiveren waarom verzoekers cognitief geheugen niet op die wijze zou zijn aangetast dat het hem zou verhinderen een coherent en consistent relaas te brengen. Voorts kan niet worden aangenomen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met de beoordeling dat uit de door verzoeker overgelegde psychologische attesten niet blijkt dat verzoekers cognitief geheugen dermate zou zijn aangetast dat hij geen coherente en consistente verklaringen zou kunnen afleggen, de bewijskracht en draagwijdte van die attesten schendt. De artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek houden in dat de rechter aan een akte geen uitlegging mag geven die niet verenigbaar is met de bewoordingen of de inhoud ervan en de bewijskracht van een akte is slechts miskend indien de uitlegging die de rechter eraan geeft volstrekt onverenigbaar is met de bewoordingen of de inhoud ervan. Welnu, de conclusie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is geenszins volstrekt onverenigbaar met de door verzoeker bijgebrachte attesten, nu moet worden vastgesteld dat uit die attesten inderdaad niet blijkt dat verzoekers cognitief geheugen dermate zou zijn aangetast dat hij geen coherente en consistente verklaringen zou kunnen afleggen. 3.
  14. Het tweede onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  15. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  16. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.160-7/8 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeven november tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.160-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.544 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.