← België

Cassatiebeschikking 13554 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 13/11/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 13 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.554 Rolnummer: A. 229284/XIV-38165 Zaak: Cassatiebeschikking 13554 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 13/11/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-11-25 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-21 21:23 Fiche Beschikking nr 13.554 van 13 november 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.554 van 13 november 2019 in de zaak A. 229.284/XIV-38.165 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Anne-Sophie Rogghe kantoor houdend te 7712 Herseaux (Moeskroen) rue de la Citadelle 167 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 4 oktober 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 225.359 van 29 augustus 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 14 oktober 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Verzoeker verwijst in het opschrift van het enige middel naar de artikelen 48/2 tot en met 48/5 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) en naar artikel 1 van het internationaal verdrag ‘betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951’, doch zonder verder uiteen te zetten op welke wijze deze bepalingen zouden zijn geschonden met het bestreden arrest. XIV-38.165-1/4 Artikel 62 van de vreemdelingenwet, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Het enige middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk.
  2. Met het bestreden arrest wordt, net als met de aanvankelijk bestreden beslissing, niet alleen de vluchtelingenstatus maar ook de subsidiaire beschermingsstatus geweigerd. Verzoekers kritiek in het cassatiemiddel is enkel gericht tegen de weigering van de subsidiaire beschermingsstatus. Verzoeker merkt op dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “[zich] steunt […] op het feit dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat hij gedurende de laatste jaren voor zijn komst in België in het district Jaghato verbleven heeft”. Volgens verzoeker is het “een nieuw gegeven dat door het CGVS nooit werd opgeworpen”. Deze kritiek mist feitelijke grondslag vermits in de aanvankelijk bestreden beslissing op omstandig en concreet gemotiveerde wijze wordt vastgesteld dat verzoeker doorheen zijn verklaringen wel blijk heeft gegeven van een zekere kennis van de regio waar hij zou zijn geboren maar daarmee geenszins een recent verblijf in Jaghato heeft aangetoond waardoor de indruk wordt gewekt dat hij zich al geruime tijd met de rest van de familie in Kaboel bevond. Waar verzoeker in het cassatiemiddel aangeeft dat zijn taskara in de aanvankelijk bestreden beslissing niet ter discussie wordt gesteld, blijkt dat dit stuk ook in het bestreden arrest niet ter discussie wordt gesteld. De Raad voor Vreemdelingen- betwistingen stelt enkel vast dat verzoekers taskara op zich niet aantoont dat verzoeker voor zijn komst naar België in het dorp Deh Ali in het district Jaghato in de provincie Ghazni heeft verbleven. Overigens werd in de aanvankelijk bestreden beslissing vastgesteld dat verzoekers taskara “slechts een aanwijzing van […] identiteit” is, die als dusdanig inderdaad niet wordt betwist. Ingevolge de devolutieve werking van het door verzoeker ingestelde beroep, was de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet gebonden door de motieven in de aanvankelijk bestreden beslissing. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft geen nieuwe gegevens toegevoegd aan het dossier, noch heeft hij zich gesteund op andere gegevens dan de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, zonder de XIV-38.165-2/4 partijen de mogelijkheid te bieden daaromtrent standpunt in te nemen, om te besluiten tot de weigering van de subsidiaire beschermingsstatus. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft in het bestreden arrest enkel op grond van verzoekers verklaringen en argumenten geoordeeld dat verzoeker noch zijn voorgehouden verblijf in het district Jaghato niet aannemelijk maakt, noch aannemelijk maakt “dat [hij] in een gebied in Afghanistan verbleven heeft waar, gelet op het willekeurig geweld, de subsidiaire bescherming kan worden toegekend of waar, al naar het individuele geval, toepassing kan worden gemaakt van artikel 48/5, § 3 van de vreemdelingenwet”, dat het verzoekers taak is om zijn verzoek tot internationale bescherming te staven, ook voor wat de subsidiaire beschermingsstatus betreft, dat het de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet toekomt om te speculeren over verzoekers verblijfplaats voor zijn komst naar België en de vraag of verzoeker afkomstig is uit een regio in de zin van artikel 48/5, § 3, van de vreemdelingenwet waar geen risico aanwezig is, en dat uit het voorgaande enkel kan worden afgeleid dat verzoeker zelf meent dat er in zijn werkelijke regio van herkomst geen zwaarwegende gronden die wijzen op een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4 van de vreemdelingenwet. Anders dan verzoeker voorhoudt, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen daarmee niet geweigerd de vraag om toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus te onderzoeken, maar heeft hij deze vraag onderzocht en verworpen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen was er niet toe gehouden zijn motieven voor deze weigering vooraf aan verzoeker voor te leggen. Verzoeker toont derhalve niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ultra petita heeft geoordeeld, of het recht op verdediging of het recht op een eerlijk proces heeft geschonden. Het enige middel is in die mate kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  3. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  4. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.165-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertien november tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.165-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.554 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.