id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 18 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.556 Rolnummer: A. 229332/XIV-38171 Zaak: Cassatiebeschikking 13556 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/11/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-11-27 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-21 21:17 Fiche Beschikking nr 13.556 van 18 november 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.556 van 18 november 2019 in de zaak A. 229.332/XIV-38.171 In zake :
- XXXXX
- XXXXX
- XXXXX
- XXXXX
- XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean-Yves Carlier kantoor houdend te 1400 Nijvel rue des Brasseurs 30 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 3 oktober 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 225.588 van 2 september 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 18 oktober 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De verzoekers voeren wat het gebrek aan toegang tot de verzorging van cystische fibrose betreft een schending aan van artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de XIV-38.171-1/4 verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) doordat de raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest “een bewijs van ‘opzet’ van de Kosovaarse autoriteiten […] verlang[t], terwijl de vreemdelingenwet slechts een bewijs van een ‘verband’ met het gebrek aan bescherming door deze autoriteiten vereist”. Uit het dossier van de zaak blijkt dat de verzoekers in hun enig middel voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 december 2014 in de zaak C-542/13, M’Bodj tegen België, hebben geciteerd dat de in artikel 15, b), van richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’ (hierna: richtlijn 2011/95) bedoelde ernstige schade “niet ziet op een situatie van onmenselijke of vernederende behandelingen […] die een verzoeker die aan een ernstige ziekte lijdt mogelijkerwijs ondergaat in geval van terugkeer naar zijn land van herkomst, het gevolg zijn van het ontbreken van adequate behandeling in dat land, zonder dat hem medische zorg opzettelijk wordt geweigerd”. Verder hebben de verzoekers in dat middel uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 april 2018 in de zaak C-353/16, M.P. tegen het Verenigd Koninkrijk, de situatie aangehaald van degene die voor de subsidiaire beschermingsstatus in aanmerking komt “wanneer er een reëel risico bestaat dat die onderdaan in dat land opzettelijk de zorg wordt ontzegd die passend is om de lichamelijke of geestelijke nawerkingen van die [eerder ondergane] foltering te beperken”. De verzoekers hebben uitdrukkelijk aangehaald dat hun situatie “voldoende vergelijkbaar” is met de door het Hof van Justitie behandelde zaak. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft in het bestreden arrest dan ook op wettige wijze vastgesteld dat de verzoekers “lijken te betogen dat hen in Kosovo opzettelijk zorg wordt/zal worden ontzegd” en voorhouden dat zij daardoor duidelijk gediscrimineerd zouden zijn. Met de overwegingen dat de verzoekers geen concrete elementen bijbrengen waaruit blijkt dat de toegang tot de gezondheidszorg hen in Kosovo zal worden ontzegd omwille van één van de criteria uit het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, (hierna: het vluchtelingenverdrag) en dat niet blijkt dat hen in hun land van herkomst “intentioneel gezondheidszorgen worden ontzegd” omdat zij behoren tot de sociale groep - voor zover deze bestaat - van mensen die aan cystische fibrose lijden, heeft de Raad voor XIV-38.171-2/4 Vreemdelingenbetwistingen derhalve slechts geantwoord op de kritiek van de verzoekers dat het om een opzettelijke weigering van de vereiste gezondheidszorg zou gaan. De verzoekers houden thans nog voor dat een “bijdragende oorzaak” zou volstaan en dat een “bepalende oorzaak” niet nodig zou zijn, doch deze laatste vereiste wordt in het bestreden arrest niet gesteld. De bewijslast met betrekking tot de gegrondheid van een verzoek om internationale bescherming ligt in de eerste plaats bij de aanvrager zelf. Door te oordelen dat het door de verzoekers voorgehouden intentioneel ontzeggen van gezondheidszorgen aan degenen die lijden aan cystische fibrose nergens uit blijkt, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de jurisdictionele motiveringsplicht niet geschonden. Hij dient immers niet de gronden voor zijn motieven uiteen te zetten. Het eerste middel is kennelijk ongegrond.
- Artikel 2, e), en artikel 15 van richtlijn 2004/83, thans richtlijn 2011/95, zijn omgezet in het Belgische recht, zodat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze heeft geoordeeld dat die bepalingen geen directe werking hebben doch dat de desbetreffende Belgische bepalingen wel richtlijnconform moeten worden geïnterpreteerd. In de mate dat de verzoekers aanhalen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen artikel 48/4 van de vreemdelingenwet heeft geïnterpreteerd “zonder rekening te houden met de door verzoeksters aangevoerde interpretatieve rechtspraak”, kan worden verwezen naar de behandeling van het eerste middel. Het tweede middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 1.000 euro, ieder voor één vijfde. XIV-38.171-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op achttien november tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.171-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.556 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.