id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 20 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.557 Rolnummer: A. 229409/XIV-38178 Zaak: Cassatiebeschikking 13557 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 20/11/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-11-27 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-21 07:13 Fiche Beschikking nr 13.557 van 20 november 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.557 van 20 november 2019 in de zaak A. 229.409/XIV-38.178 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Herman De Ponthiere kantoor houdend te 8900 Ieper Veemarkt 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 oktober 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 226.781 van 27 september 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 4 november 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een XIV-38.178-1/4 vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. 2.
- In het bestreden arrest heeft de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen verzoeksters argumentatie dat de verwerende partij ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een nieuw element in haar aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9ter van de vreemdelingenwet - dat zij de facto staatloos is doordat haar paspoort niet meer geldig is en de staat Irak weigert om haar een nieuw paspoort af te leveren - als volgt beantwoord: “3.
- De Raad kan de verzoekende partij evenwel geenszins volgen dat zij als staatloze moet worden beschouwd. Immers blijkt uit het administratief dossier dat zij bij voorgaande aanvragen om medische regularisatie wel degelijk een identiteits- document heeft voorgelegd, zijnde haar Iraaks paspoort, afgeleverd te Bagdad op 19 januari 2009 en vervallen op 18 januari
- Het loutere gegeven dat het om een vervallen paspoort gaat maakt niet, in tegenstelling tot wat verzoekende partij tracht voor te houden, dat zij daarom haar Iraakse nationaliteit kwijtgeraakt is. Waar zij verwijst naar de brieven die haar advocaat gericht heeft aan de Iraakse ambassade en het daarin gestelde ‘Bij gebrek aan een antwoord, ga ik ervan uit dat U mijn cliënten niet beschouwt als staatsburgers van Irak’ wijst de Raad erop dat het loutere gegeven dat de ambassade van Irak niet zou antwoorden op het schrijven van verzoeksters raadsman evenmin inhoudt dat verzoekende partij haar Iraakse nationaliteit verloren heeft. Dienaangaande moet ook opgemerkt worden dat de berichtgeving naar de Iraakse ambassade niet strookt met de werkelijkheid nu haar raadsman in het schrijven van 11 december 2017 stelt dat verzoekende partij niet meer over een geboorteakte beschikt ‘en evenmin over een paspoort’ hetgeen blijkens het administratief dossier geenszins klopt. Verzoekende partij is wel degelijk in het bezit van een paspoort, weze het een vervallen paspoort. Het blijkt niet dat, indien de verzoekende partij zich met dit paspoort aanbiedt of de ambassade daarvan in kennis stelt, deze haar geen nieuw paspoort zullen geven. Uit niets blijkt dat de Iraakse overheid de verzoekende partij niet meer erkent als zijnde haar staatsburger, dit temeer nu in het schrijven van 11 december 2017 door de raadsman van verzoekende partij zelf wordt gesteld dat ‘Zij hebben zich persoonlijk op de Ambassade aangeboden op 13-11-2017, doch daar werd hen geantwoord dat zij zich op de Iraakse ambassade in Nederland zouden moeten aanbieden’ hetgeen aldus niet uitsluit dat de ambassade verzoekende partij nog altijd als staatsburger beschouwt. Verzoekende partij maakt met haar betoog geenszins aannemelijk dat het loutere feit dat zij een verzoekschrift tot erkenning als staatloze heeft ingediend - waarvan trouwens tevens blijkt dat de daarin aangehaalde feitelijkheden niet stroken met de realiteit, immers stelt verzoekende partij in dat verzoekschrift ‘Dat verzoekster niet beschikt over een Irakees paspoort’ - en zijzelf de mening is toegedaan wel degelijk staatloos te zijn, aannemelijk dat de verwerende partij met dit gegeven rekening had moeten houden wanneer uit het administratief dossier al gebleken is naar aanleiding van vorige aanvragen dat verzoekende partij wel degelijk de Iraakse nationaliteit heeft blijkens het voorgelegde Iraakse paspoort. Ook XIV-38.178-2/4 waar verzoekende partij een vonnis van de arbeidsrechtbank van Gent van 16 januari 2019 voorlegt kan dit geen afbreuk doen aan voorgaande vaststellingen. Immers blijkt dat de arbeidsrechtbank zich uitsluitend baseert op de onbeantwoorde brieven aan de ambassade van Irak om te besluiten dat zij ‘ook niet de Iraakse nationaliteit, noch paspoorten hebben’ en zij dus de facto onverwijderbaar zou zijn van het Belgische grondgebied maar zoals hoger reeds vastgesteld blijkt uit het administratief dossier dat verzoekende partij wel degelijk in bezit is van een Iraaks paspoort. De Raad benadrukt hierbij nogmaals dat het loutere feit dat dit paspoort sinds 18 januari 2017 vervallen is, geenszins inhoudt dat verzoekende partij haar nationaliteit is verloren. Louter ten overvloede wijst de Raad er trouwens ook op dat zelfs indien een vreemdeling erkend zou zijn als staatloze omdat men de nationaliteit niet (meer) heeft van een land, wat in casu vooralsnog niet het geval is, dit op zich niet inhoudt dat men niet meer over een verblijfsrecht zou beschikken in dat land, in casu Irak. Verzoekende partij maakt geenszins aannemelijk dat in casu sprake was van een nieuw element waarmee de verwerende partij rekening had moeten houden.” 2.
- Anders dan verzoekster thans in het enige middel aanvoert, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk in overweging genomen dat verzoekster, wier paspoort is vervallen, zich tot de Irakese ambassade in Nederland zou moeten wenden om een nieuw paspoort te krijgen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft dit gegeven uitdrukkelijk bij zijn beoordeling betrokken en hij heeft uiteengezet waarom hij van oordeel is dat verzoeksters argumentatie dienaangaande niet kan worden bijgevallen. Zo overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat de loutere omstandigheid dat verzoeksters paspoort vervallen is, niet impliceert dat zij haar nationaliteit zou zijn verloren; dat uit niets blijkt dat de Irakese overheid en de ambassade verzoekster niet langer als een staatsburger zouden beschouwen; en dat niet blijkt dat indien verzoekster zich met haar vervallen paspoort bij de Irakese ambassade in Nederland aanbiedt of de ambassade daarvan in kennis stelt, deze haar geen nieuw paspoort zullen geven. De Raad voor Vreemdelingen- betwistingen heeft uiteengezet waarom verzoekster niet als een staatloze kan worden beschouwd, daaraan toevoegend dat zelfs indien verzoekster als staatloze zou zijn erkend omdat zij niet langer de Irakese nationaliteit heeft, dit nog niet impliceert dat zij niet meer over een verblijfsrecht in Irak beschikt, en hij heeft tot slot besloten dat verzoekster niet aannemelijk maakt dat er in casu sprake was van een nieuw element waarmee de verwerende partij rekening had moeten houden. Hiermee is voldaan aan de vereisten van de jurisdictionele motiveringsplicht. Verzoekster maakt dan ook niet aannemelijk dat artikel 149 van de Grondwet werd geschonden. 2.
- Evenmin kan verzoekster worden bijgevallen dat het bestreden arrest artikel 1 van het Verdrag van Den Haag van 12 april 1930 ‘nopens zekere vragen betreffende de wetsconflicten inzake nationaliteit’ - dat bepaalt dat het tot de bevoegdheid van iedere XIV-38.178-3/4 staat behoort om in zijn wetgeving te bepalen wie zijn onderdanen zijn - miskent. Verzoeksters stelling dat het absoluut niet is uitgesloten dat de Irakese staat, om een reden die haar volstrekt onbekend is, de soevereine beslissing heeft genomen om haar niet langer te erkennen als Irakees staatsburger, is niet meer dan een loutere hypothese waarmee zij noch haar staatloosheid, noch de door haar beweerde schending van het voornoemde artikel 1 van het Verdrag van Den Haag van 12 april 1930, vermag aannemelijk te maken. 2.
- In de mate dat verzoekster ten slotte aanvoert dat artikel 9ter van de vreemdelingenwet werd geschonden daar het feit de facto staatloos te zijn en het feit geen paspoort meer te bezitten wel nieuwe elementen zijn in de zin van het voornoemde artikel 9ter van de vreemdelingenwet, betwist zij de juistheid van de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De Raad van State is als administratieve cassatie- rechter echter niet bevoegd om die beoordeling over te doen. 2.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twintig november tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.178-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.557 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div