← België

Cassatiebeschikking 13569 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/11/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 28 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.569 Rolnummer: A. 229356/XIV-38173 Zaak: Cassatiebeschikking 13569 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/11/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-13 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-24 00:26 Fiche Beschikking nr 13.569 van 28 november 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.569 van 28 november 2019 in de zaak A. 229.356/XIV-38.173 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter-Jan De Block kantoor houdend te 1060 Brussel Sint-Bernardusstraat 96-98 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 16 oktober 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 227.197 van 8 oktober 2019 van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen. Het dossier van de zaak is op 23 oktober 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen XIV-38.173-1/4 die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. Vanaf punt 2.4.5 van het bestreden arrest wordt uitgebreid uiteengezet waarom “de oprechtheid van verzoekers wil tot bekering niet kan overtuigen” ondanks “verzoekers uitgebreide kennis en doorgedreven bijbel- en tekststudie”. Verzoekers doop in het gesloten transitcentrum wordt op zich niet betwist doch wordt als “gekunsteld” beschouwd, temeer daar “ter terechtzitting wordt gesteld dat verzoeker gedoopt werd op voorstel van de aalmoezenier en verzoeker ter terechtzitting niet minimaal kan toelichten tot welke protestantse kerk(gemeenschap) hij zou zijn toegetreden”. Er wordt besloten dat “het ter terechtzitting voorgelegde ‘certificaat van doopsel’ en de ‘verklaring van de hand van de aalmoezenier van het gesloten centrum, alwaar hij tot op heden verblijft’ […] de oprechtheid van zijn bekering niet […] kunnen staven, temeer gelet op wat voorafgaat”. Hiermee geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk aan waarom de oprechtheid van verzoekers bekering niet wordt aanvaard ondanks de door verzoeker overgelegde stukken, zodat voldaan is aan de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht. Het eerste en het tweede onderdeel van het enige middel zijn kennelijk ongegrond.
  2. Verzoekers kritiek dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het doopsel als “geknutseld” en als “knutselwerk” zou hebben beschouwd, mist feitelijke grondslag. In het bestreden arrest wordt het doopsel op zich niet betwist, maar het wordt als “gekunsteld” beschouwd. Door op grond van de in het bestreden arrest vermelde concrete motieven de oprechtheid van verzoekers voorgehouden bekering niet te aanvaarden, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het begrip “vermoeden” niet geschonden. Verder behoort de beoordeling van de bewijswaarde van eens stuk tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de feitenrechter en treedt de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf. XIV-38.173-2/4 Het derde onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
  3. Verzoeker leidt een schending van het recht van verdediging af uit het feit dat de motivering van het bestreden arrest niet zouden volstaan en dat ook “een verkeerde conclusie” zou zijn getrokken uit verzoekers doopsel. Uit het enkele feit dat een middel niet naar behoren zou zijn beantwoord, kan geen schending van het recht van verdediging worden afgeleid. Bovendien voert verzoeker wat die motivering betreft geen andere kritiek aan dan deze die supra bij de behandeling van het eerste en het tweede middelonderdeel kennelijk ongegrond is bevonden. Dat “een verkeerde conclusie” zou zijn getrokken uit verzoekers doopsel, betreft de feitelijke beoordeling en derhalve de grond van de zaak, hetgeen behoort tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de feitenrechter. Het vierde onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  5. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.173-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op achtentwintig november tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.173-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.569 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.