id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 05 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.585 Rolnummer: A. 229488/XIV-38184 Zaak: Cassatiebeschikking 13585 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 05/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-13 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-21 07:12 Fiche Beschikking nr 13.585 van 5 december 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.585 van 5 december 2019 in de zaak A. 229.488/XIV-38.184 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter-Jan De Block kantoor houdend te 1060 Brussel Sint-Bernardusstraat 96-98 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 5 november 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 227.363 van 10 oktober 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 19 november 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Naar luid van artikel 39/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) doet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uitspraak, bij wijze van arresten, op de beroepen die zijn ingesteld tegen de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de XIV-38.184-1/4 staatlozen. Artikel 39/2, § 2, van de vreemdelingenwet, waarvan verzoeker in het eerste middelonderdeel de schending opwerpt, bepaalt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uitspraak doet, “bij wijze van arresten, als annulatierechter over de overige beroepen wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht”. In het bestreden arrest wordt enkel geoordeeld dat het niet mogelijk is een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te stellen tegen een beslissing tot afgifte van een inreisverbod doch wordt geenszins de mogelijkheid betwist om het in artikel 39/2, § 2, van de vreemdelingenwet bedoelde annulatieberoep in te stellen tegen een beslissing tot afgifte van een inreisverbod. Het eerste onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond.
- Het Grondwettelijk Hof is er in zijn arrest nr. 141/2018 van 18 oktober 2018 uitdrukkelijk van uitgegaan dat “in de interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen die aan het Hof wordt voorgelegd, […] enkel tegen een verwijderings- en terugdrijvingsmaatregel waarvan de tenuitvoerlegging imminent is een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid [kan] worden ingesteld, en niet tegen een inreisverbod”. Na onderzoek van de beroepsmogelijkheden heeft het Hof in dat arrest besloten dat “het niet zonder redelijke verantwoording [is] dat tegen het inreisverbod als dusdanig geen vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden ingesteld, aangezien een dergelijk verbod, indien het wordt opgelegd, steeds gepaard gaat met een beslissing tot verwijdering, waartegen een dergelijke vordering kan worden ingesteld wanneer de tenuitvoerlegging daarvan imminent is”. Door in het bestreden arrest te oordelen dat “uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof [...] aldus [blijkt] dat een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet kan worden ingesteld tegen een inreisverbod”, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen betekenis gegeven aan het voornoemde arrest van het Grondwettelijk Hof die in strijd is met de bewoordingen of de inhoud ervan. Verzoekers argument dat in zijn zaak het inreisverbod is opgelegd met een afzonderlijke beslissing die later is genomen dan de verwijderingsmaatregel, doet hieraan geen afbreuk. Zoals ook het Grondwettelijk Hof overweegt, is een inreisverbod XIV-38.184-2/4 immers niet mogelijk zonder een verwijderingbeslissing en heeft een inreisverbod slechts betekenis indien het vergezeld gaat van een verwijderingsmaatregel. Een inreisverbod kan op een latere datum worden opgelegd maar hoort hoe dan ook bij een desgevallend vroeger opgelegde verwijderingsmaatregel. Het tweede onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond.
- Verzoeker acht zijn recht van verdediging geschonden doordat hij niet de mogelijkheid heeft een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te stellen tegen een beslissing tot afgifte van een inreisverbod. Verzoeker gaat voorbij aan de mogelijkheden zoals aangegeven door het Grondwettelijk Hof in zijn voornoemd arrest nr. 141/2018 van 18 oktober 2018 “dat de rechtzoekenden die wensen op te komen tegen het inreisverbod […] tegen die bestuurshandeling bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een annulatieberoep [kunnen] indienen en tevens de schorsing ervan [kunnen] vorderen via een gewone vordering tot schorsing, waarover binnen dertig dagen uitspraak moet worden gedaan” en dat “de betrokken vreemdelingen de Raad ook [kunnen] verzoeken om voorlopige maatregelen te nemen overeenkomstig artikel 39/84 van de wet van 15 december 1980” waarbij de Raad voor Vreemdelinngenbetwistingen “alle nodige maatregelen [kan] bevelen om de belangen veilig te stellen van de partijen of van de personen die belang hebben bij de oplossing van de zaak, met uitzondering van de maatregelen die betrekking hebben op de burgerlijke rechten”. Verzoeker zet niet uiteen, laat staan dat hij aannemelijk maakt, dat en waarom ondanks deze mogelijkheden zijn recht van verdediging zou zijn geschonden door het niet kunnen instellen van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. De algemene opmerking dat in verzoekers geval “het inreisverbod een maand later werd betekend en als onderscheiden beslissing kon worden gezien met intrinsieke nadelen ten opzichte van verzoeker in cassatie” volstaat daartoe niet. Het derde onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar. XIV-38.184-3/4
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vijf december tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.184-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.585 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div