id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 05 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.586 Rolnummer: A. 229489/XIV-38185 Zaak: Cassatiebeschikking 13586 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 05/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-17 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-21 21:05 Fiche Beschikking nr 13.586 van 5 december 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.586 van 5 december 2019 in de zaak A. 229.489/XIV-38.185 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Helsen kantoor houdend te 2640 Mortsel Pieter Reypenslei 25 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 4 november 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 227.043 van 3 oktober 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 19 november 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Noch de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ noch de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest waarmee te dezen met hervormingsbevoegdheid uitspraak is gedaan over een beroep tegen een beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. XIV-38.185-1/3 Verzoeker geeft niet aan welke “algemene rechtsbeginselen” zouden zijn geschonden met het bestreden arrest. Het enige middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk.
- Verzoeker werpt een schending op van artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) omdat in het bestreden arrest niet wordt nagegaan of hij een risico op ernstige schade loopt en omdat het hem onmogelijk is om na te gaan wat de redenen waren om hem geen subsidiaire bescherming toe te kennen. Uit het bestreden arrest blijkt, hetgeen niet wordt betwist, dat de zaak betrekking heeft op verzoekers vierde verzoek om internationale bescherming. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen citeert in het bestreden arrest artikel 57/6/2, § 1, van de vreemdelingenwet waaruit hij afleidt dat, “om een volgend verzoek om internationale bescherming ontvankelijk te kunnen verklaren, […] er derhalve nieuwe elementen aanwezig [moeten] zijn die de kans aanzienlijk groter maken dat de verzoeker om internationale bescherming in aanmerking komt voor erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de vreemdelingenwet of voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van dezelfde wet”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt verder op concreet onderbouwde wijze dat verzoeker dergelijke nieuwe elementen niet bijbrengt. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wijst erop, “waar verzoeker aanvoert dat de commissaris- generaal niet heeft onderzocht en niet heeft gemotiveerd waarom hem de subsidiaire beschermingsstatus niet kan worden toegekend, […] dat de [aanvankelijk] bestreden beslissing wordt genomen in overeenstemming met artikel 57/6/2 van de vreemdelingenwet waarbij de commissaris-generaal bij voorrang onderzoekt of er nieuwe elementen zijn die de kans aanzienlijk groter maken dat de verzoeker om internationale bescherming voor erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de vreemdelingenwet of voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van dezelfde wet in aanmerking komt”, dat “de door verzoeker aangebrachte nieuwe elementen […] in het licht van beide artikelen [werden] onderzocht” en dat “het feit dat deze motieven geheel of gedeeltelijk gelijklopend zijn, […] niet [betekent] dat de beslissing omtrent de subsidiaire beschermingsstatus niet of niet afdoende gemotiveerd zou zijn”. XIV-38.185-2/3 De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft artikel 48/4 van de vreemdelingenwet niet geschonden door zich te beperken tot de gemotiveerde vaststelling dat verzoeker in zijn volgend verzoek om internationale bescherming geen nieuwe elementen heeft aangebracht die de kans aanzienlijk groter maken dat verzoeker in aanmerking komt voor de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus. Het enige middel is in die mate kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vijf december tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.185-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.586 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div