id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 20 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.594 Rolnummer: A. 229587/XIV-38193 Zaak: Cassatiebeschikking 13594 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 20/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-01-08 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-21 21:57 Fiche Beschikking nr 13.594 van 20 december 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.594 van 20 december 2019 in de zaak A. 229.587/XIV-38.193 In zake :
- XXXXX
- XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Françoise Jacobs kantoor houdend te 1050 Brussel Kroonlaan 88 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 4 november 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 226.879 van 30 september 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 29 november 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die te dezen uitspraak heeft gedaan met hervormingsbevoegdheid, beoordeelt als feitenrechter soeverein de bewijswaarde van de door een partij overgelegde stukken. Door rekening te houden met het feit dat een bepaald medisch attest van 23 mei 2019 tweemaal werd overgelegd, waarbij de tweede versie aangevuld bleek te zijn, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn XIV-38.193-1/3 bevoegdheid niet overschreden. In dit verband moet worden opgemerkt dat de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen het relaas van de verzoekers betreffende de voorgehouden relatie van eerste verzoeker met de genaamde L., op wie het kwestieuze medisch attest betrekking heeft, reeds in de aanvankelijk bestreden beslissingen ongeloofwaardig heeft bevonden. De verzoekers gaan in hun kritiek ook niet in op de vaststellingen in het bestreden arrest dat het voornoemde attest in beide versies vermeldt dat L. een jaar getrouwd is hetgeen in strijd wordt bevonden met het feitenrelaas van de verzoekers, en dat uiteindelijk een huwelijksakte wordt bijgebracht ter ondersteuning van dat relaas. De ongeloofwaardigheid van de voorgehouden uit de relatie van eerste verzoeker met L. voortspruitende problemen wordt dus niet enkel afgeleid uit het overleggen van twee versies van hetzelfde medisch attest. Met betrekking tot het feit dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de gang van zaken met betrekking tot uithuwelijking en zelfs het bestaan van L. ongeloofwaardig heeft bevonden, oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nog dat de toetsing van een relaas wel degelijk kan gebeuren aan de hand van de verschillende verklaringen die de verzoekers hebben afgelegd, dat de verzoekers niet aantonen dat de aanvankelijk bestreden beslissingen steunen op detailelementen en dat het verschil in duur tussen de verschillende interviews, het verschillend opleidingsniveau van de verzoekers en het feit dat zij niet constant samen hebben geleefd, op zich geen afbreuk doet aan de vaststellingen in de aanvankelijk bestreden beslissingen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft zich niet bezondigd aan machtsoverschrijding door zelf te “onderzoeken, weerleggen en vaststellen”, zoals de verzoekers voorhouden. Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft. XIV-38.193-2/3 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twintig december tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.193-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.594 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.