← België

Cassatiebeschikking 13595 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 20/12/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 20 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.595 Rolnummer: A. 229531/XIV-38188 Zaak: Cassatiebeschikking 13595 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 20/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-01-08 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-21 06:46 Fiche Beschikking nr 13.595 van 20 december 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.595 van 20 december 2019 in de zaak A. 229.531/XIV-38.188 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart De Decker kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Prinses Josephine-Charlottelaan 71 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 8 november 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 227.219 van 9 oktober 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 20 november 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Noch de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen” noch het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest, waarmee te dezen met hervormingsbevoegdheid uitspraak is gedaan over een beroep tegen de intrekking van de subsidiaire beschermingsstatus. Het eerste middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk. XIV-38.188-1/5
  2. Op grond van artikel 55/5/1, § 2, 1°, iuncto artikel 55/4, § 1, c), van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) wordt de subsidiaire beschermingsstatus ingetrokken ten aanzien van de vreemdeling “die een ernstig misdrijf heeft gepleegd”. Verzoekers kritiek dat in het bestreden arrest zijn veroordeling tot “een effectieve gevangenisstraf van drie jaar met uitstel gedurende vijf jaar” wordt vermeld terwijl hij werd veroordeeld tot een gevangenisstraf met probatieuitstel en dus niet tot een effectieve gevangenisstraf, kan niet leiden tot de cassatie van het bestreden arrest. In punt 2.3 van het bestreden arrest staat immers letterlijk te lezen “dat verzoeker op 18 juni 2015 door de correctionele rechtbank te Nijvel werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar met probatie uitstel van vijf jaar” en dat de strafrechter oordeelde “dat een gevangenisstraf van drie jaar (met probatie-uitstel gedurende vijf jaar) passend was”. Wanneer de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgens verwijst naar de straftoemeting in hoofde van verzoeker, vermeldt hij “een effectieve gevangenisstraf van drie jaar met uitstel gedurende vijf jaar”, doch het is duidelijk dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen steeds een gevangenisstraf van drie jaar met een uitstel gedurende vijf jaar, te dezen een probatieuitstel, voor ogen heeft. Het feit dat hierbij eenmaal het woord “effectieve” staat, doet geen afbreuk aan het voorgaande. Er blijkt uit niets dat het oordeel van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen mede was gesteund op de vaststelling dat het om een “effectieve” gevangenisstraf zou gaan, integendeel. Op de enige plaats waar het woord “effectieve” wordt gebruikt, voegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen net toe dat een uitstel gedurende vijf jaar is toegekend. Dit door verzoeker voorgehouden gebrek kan de strekking van het bestreden arrest niet hebben beïnvloed. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen motiveert in het bestreden arrest waarom hij niet is ingegaan op verzoekers vraag ter terechtzitting om de zaak uit te stellen. Hij overweegt dat “de strafrechter […] bovendien vast[stelde] dat uit het psychiatrisch verslag blijkt dat verzoeker een onvolwassen persoonlijkheid en een pedagogische tekortkoming heeft en […] verder vast[stelde] dat hij duidelijk nood had aan begeleiding en therapie, maar [desalniettemin] oordeelde […] dat een gevangenisstraf van drie jaar (met probatie-uitstel gedurende vijf jaar) passend was”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “verleent verder geen uitstel voor het neerleggen van een psychiatrisch verslag dat reeds beoordeeld werd door de strafrechter en in rekening is XIV-38.188-2/5 genomen bij de kwalificatie van de inbreuk en de vaststelling van de strafmaat”. Het behoort tot de soevereine bevoegdheid van de feitenrechter om te oordelen over een verzoek tot uitstel. In de mate dat verzoeker een eigen beoordeling van zijn psychische toestand voorstelt, dient te worden opgemerkt dat de Raad van State zich als administratieve cassatierechter niet vermag uit te spreken over de zaak zelf. In het bestreden arrest wordt verzoekers argumentatie voor het behoud van de subsidiaire beschermingsstatus weerlegd en wordt aangegeven waarom het om een ernstig misdrijf in de zin van artikel 55/4, § 1, eerste lid, c), van de vreemdelingenwet gaat. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen steunt zich erop dat het gaat om “verkrachting van een kind beneden de volle leeftijd van veertien jaar doch boven de volle leeftijd van tien jaar en de aanranding van de eerbaarheid zonder geweld of bedreiging, op een minderjarige beneden de volle leeftijd van zestien jaar”, dat in de aanvankelijk bestreden beslissing rekening is gehouden met de motivering van de strafmaat, onder meer dat verzoeker de feiten nog steeds ontkent en geen spijt toont over zijn totaal onaangepast gedrag ten opzichte van een kind, dat het UNHCR-handboek waarnaar verzoeker zelf verwijst stelt dat verkrachting zonder twijfel te kwalificeren is als een ernstig misdrijf en dat voor de door verzoeker aangehaalde argumenten, zoals zijn zwakbegaafdheid en psychische bekwaamheid, de feitelijke instemming van het slachtoffer en haar eerdere seksuele activiteiten en verzoekers onwetendheid over het feit dat het slachtoffer jonger was dan 16 jaar, rekening moet worden gehouden met de kwalificatie van de inbreuk en de vaststelling van de strafmaat door de strafrechter, die ook naar het psychiatrisch verslag betreffende verzoeker verwijst. Er is dan ook geantwoord op de elementen waarnaar verzoeker thans in het cassatiemiddel verwijst en het komt de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toe de beoordeling door de feitenrechter over te doen. Het eerste middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
  3. Artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is niet gericht tot de lidstaten maar uitsluitend tot de instellingen, organen en instanties van de Unie. De aanvrager van een verblijfstitel kan er bijgevolg geen recht aan ontlenen om in elke procedure betreffende zijn aanvraag te worden gehoord. XIV-38.188-3/5 Wel maakt het recht om te worden gehoord integraal deel uitmaakt van het recht van verdediging, dat een algemeen beginsel van Unierecht is. Het recht om te worden gehoord waarborgt dat eenieder in staat wordt gesteld naar behoren en daadwerkelijk zijn standpunt kenbaar te maken in het kader van een administratieve procedure en voordat een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden. Die regel beoogt met name, ter verzekering van de effectieve bescherming van de betrokken persoon, deze laatste in kennis te stellen om een vergissing te corrigeren of individuele omstandigheden aan te voeren die ervoor pleiten dat het besluit wordt genomen, niet wordt genomen of dat in een bepaalde zin wordt besloten. De schending van het recht om te worden gehoord leidt naar Unierecht pas tot nietigverklaring van het na afloop van de administratieve procedure genomen besluit wanneer deze procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop had kunnen hebben. Hieruit volgt dat niet elk verzuim van het recht om te worden gehoord stelselmatig leidt tot de onrechtmatigheid van het genomen besluit. Teneinde een dergelijke onrechtmatigheid te constateren, staat het immers aan de nationale rechter om aan de hand van de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van het geval na te gaan of, wanneer hij van oordeel is dat sprake is van een onregelmatigheid die het recht om te worden gehoord aantast, de administratieve procedure in kwestie een andere afloop had kunnen hebben, omdat de betrokkene elementen ter rechtvaardiging van zijn standpunt had kunnen aanvoeren. Verzoeker richt zijn kritiek eerst tegen de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, in het bijzonder tegen de wijze waarop het gehoor op het commissariaat-generaal is verlopen. Deze voorgehouden onregelmatigheid kan de wettigheid van het bestreden arrest echter niet aantasten. Gezien de devolutieve werking van het beroep dat tot het bestreden arrest heeft geleid, heeft verzoeker immers uitgebreid standpunt kunnen innemen en ook effectief ingenomen voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. In punt 2.1.2 van het bestreden arrest wordt verzoekers standpunt weergegeven, met name “de feitelijke instemming van het slachtoffer, het feit dat verzoeker niet wist dat het slachtoffer minderjarig was, en dat de feiten plaatsvonden in een culturele context waarbij de familie van het slachtoffer tot op zekere hoogte kennis had van de feiten en hun huwelijkstoestemming had gegeven” en de psychische toestand van verzoeker. Uit de motivering van het bestreden arrest blijkt overigens dat de Raad voor XIV-38.188-4/5 Vreemdelingenbetwistingen deze elementen heeft beantwoord en dat zij het niet heeft aanvaard om tot een andere beslissing te komen dan de aanvankelijk bestreden beslissing. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  5. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twintig december tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.188-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.595 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.