← België

Cassatiebeschikking 13596 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 20/12/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 20 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.596 Rolnummer: A. 229450/XIV-38181 Zaak: Cassatiebeschikking 13596 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 20/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-01-07 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-21 20:59 Fiche Beschikking nr 13.596 van 20 december 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.596 van 20 december 2019 in de zaak A. 229.450/XIV-38.181 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Steven Hooyberghs kantoor houdend te 2300 Turnhout Azalealaan 25 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 30 oktober 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 226.471 van 23 september 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 6 december 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Naar luid van artikel 40ter, § 2, eerste lid, 1°, iuncto artikel 40bis, § 2, eerste lid, 3°, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ kunnen onder meer de bloedverwanten in neergaande lijn van een Belg “beneden de leeftijd van eenentwintig jaar of die te hunnen laste zijn” aanspraak maken op een verblijfsrecht in het XIV-38.131-1/3 kader van gezinshereniging. Uit het bestreden arrest blijkt dat verzoeker dergelijke aanvraag heeft ingediend in functie van zijn Belgische grootmoeder. Het wordt niet betwist dat verzoeker ouder is dan 21 jaar. Bijgevolg moet verzoeker voldoen aan de voorwaarde van het ten laste zijn. Indien niet aan deze laatste voorwaarde is voldaan, is het niet relevant of de inkomsten van de referentiepersoon voldoen aan de andere in de wet gestelde voorwaarden.
  2. In het bestreden arrest wordt wat de voorwaarde van het ten laste zijn betreft verwezen naar de vaststelling in de aanvankelijk bestreden beslissing dat verzoeker zich steunt op 19 stortingen door de referentiepersoon aan verzoeker van telkens 300 euro in de periode van 23 september 2016 tot 24 januari 2017, hetzij 5.400 euro op 4 maanden en één dag tijd of ongeveer 1.350 euro per maand. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen acht de conclusie in de aanvankelijk bestreden beslissing dat deze stortingen ongeloofwaardig zijn gezien de voorgehouden inkomsten van de referentiepersoon van 1.286,53 euro per maand, niet onredelijk. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt tevens op dat “zich in het administratief dossier geen andere stukken [bevinden] die betrekking hebben op de voorwaarde inzake het ten laste zijn” en dat “verzoeker […] zowel in zijn verzoekschrift als ter terechtzitting na[laat] te duiden over welke ‘overige stukken’ het gaat”. Anders dan verzoeker voorhoudt, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen voorwaarde toegevoegd aan de wet door het niet onredelijk te vinden dat op grond van de beschikbare gegevens de kwestieuze stortingen en het ten laste zijn ongeloofwaardig zijn bevonden in de aanvankelijk bestreden beslissing. Verder komt het de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toe zich in de plaats te stellen van de annulatierechter en zelf de redelijkheid van de aanvankelijk bestreden beslissing te beoordelen.
  3. Vermits het volstaat dat niet voldaan is aan de voorwaarde van het ten laste zijn om te besluiten tot de verwerping van verzoekers aanvraag, was de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er niet toe gehouden ook in te gaan op de voorwaarde van de stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft overigens vastgesteld dat de door verzoeker opgegeven inkomsten van de referentiepersoon in de aanvankelijk bestreden beslissing volledig in aanmerking zijn genomen en dat er geen andere inkomsten van de referentiepersoon zijn opgegeven.
  4. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. XIV-38.131-2/3 BESLUIT:
  5. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  6. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twintig december tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.131-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.596 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.