← België

Arrest 246547 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 03/01/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.547 Rolnummer: A. 218334/IX-8806 Zaak: Arrest 246547 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 03/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-01-09 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-25 21:58 Fiche Arrest nr 246.547 van 3 januari 2020 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 246.547 van 3 januari 2020 in de zaak A. 218.334/IX-8806 In zake: Bernadette BECUE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te 2800 Mechelen Leopoldstraat 64 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de UNIVERSITEIT GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Matthias Castelein en Sofie Logie kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 9 februari 2016, strekt tot de nietig- verklaring van de beslissing van het bestuurscollege van de Universiteit Gent van 30 oktober 2015 om de functie van Bernadette Becue niet te herclassificeren. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. IX-8806-1/28 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laat- ste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 december 2019. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Elke Goossens, die loco advocaat Pascal Lahousse verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Matthias Castelein, die tevens loco advocaat Sofie Logie verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eenslui- dend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoekster is personeelslid bij de verwerende partij sinds 1988 en zij is sinds 1 juni 2001 vastbenoemd als administratief en technisch personeel (ATP) in de functieklasse B – luidens artikel 64 van het ATP-reglement “hogere administratieve en technische deskundigheid, niveau hogescholenonderwijs van één cyclus, van 105 tot 200 punten”. 3.2. Op 28 september 2012 dient verzoekster een aanvraag in tot functie-herclassificatie van klasse B naar klasse A – “academische deskundigheid op denk- en werkniveau, niveau academisch onderwijs of hogescholenonderwijs van academisch niveau, van 205 tot 300 punten”. IX-8806-2/28 Op 13 februari 2013 adviseert de functie-evaluatiecommissie dat het takenpakket van verzoekster ondertussen ook budgetopvolging omvat en dat haar functie hoger moet worden gewogen dan voordien, maar zich nog steeds in functieklasse B bevindt. Aan verzoekster wordt kennis gegeven van dit advies van de functie-evaluatiecommissie, althans de woordelijke motivering, doch zonder de concrete herberekening van de functieweging (voorheen 135 punten, nu 175 pun- ten). 3.3. Op 8 oktober 2014 dient verzoekster een nieuw verzoek tot functie-herclassificatie in. Op 19 november 2014 geeft de functie-evaluatiecommissie in een advies aan dat het takenpakket van verzoekster deels is gewijzigd maar dat de functieklasse B nog steeds niet is overschreden: “In de universiteitsbrede oefening van functieclassificatie, is het belang- rijk om uniformiteit te bewaken en gelijkaardige functies te identificeren. Ook op andere faculteiten is het gebruikelijk om een gelijkaardig taken- pakket onder te brengen in een functieklasse B. De betrokken functiehou- ders kunnen voor het budgetbeheer terugvallen op SAP procedures, on- dersteuning van de centrale directie Financiën en de finale verantwoorde- lijkheid van de betrokken/leidinggevende professor. Binnen de faculteit Ingenieurswetenschappen en Architectuur is er op de vakgroep EA06 een functie die ook instaat voor het budgetbeheer. In vergelijking met de voor- liggende functie is het budgetbeheer echter van een andere orde omwille van het interuniversitaire aspect in de functie. De functiehouder staat daar in voor de budgetopvolging van verschillende onderzoeksgroepen uit ver- schillende universiteiten waardoor de omvang en de complexiteit van het budgetbeheer van een andere orde is dan wanneer er moet budgetbeheer gedaan worden binnen 1 vakgroep. De functie-evaluatiecommissie erkent dat het takenpakket deels gewijzigd is sedert 2013 maar hierdoor wordt de functieklasse B nog steeds niet overschreden. De commissie adviseert unaniem om functieklasse B te be- houden en wenst hierbij te benadrukken dat het niet ingaan op een ver- zoek tot functieherclassificatie geen enkel waardeoordeel velt, noch over de prestaties in de huidige functie, noch over het potentieel van het be- trokken personeelslid. De commissie heeft enkel een advies gegeven over de klasse waartoe de functie behoort en dit op basis van het takenpakket IX-8806-3/28 afgetoetst op de functie-evaluatiecriteria. Hierbij werd rekening gehouden met de toenmalige functieclassificatie en met het universiteitsbrede aspect van de oefening.” Op 2 december 2014 dient verzoekster bij de functie- evaluatiecommissie bezwaar in tegen het advies van 19 november 2014. Op 25 februari 2015 wordt verzoekster gehoord door de func- tie-evaluatiecommissie. Vervolgens adviseert de functie-evaluatiecommissie dat de functieklasse B behouden dient te worden: “Bij de beraadslaging door de functie-evaluatiecommissie op basis van de aangebrachte elementen wordt opnieuw erkend dat het takenpakket gewij- zigd is. Financiële projectopvolging is een complexe materie en de func- tiehouder functioneert hier allicht meer dan behoren maar in deze univer- siteitsbrede oefening van functieclassificatie, is het belangrijk om de func- tie te beoordelen en niet de prestaties van de functiehouder. De functie- evaluatiecommissie wenst uniformiteit te bewaken en gelijkaardige func- ties te identificeren. Bovenal is het belangrijk om behoedzaam te zijn voor de waardering van de verschillende functieklassen binnen het ATP en mag niet miskend worden dat functies in functieklasse B een belangrijke expertise aan de dag leggen voor deze organisatie. De vermelde taken en verantwoordelijkheden van mevrouw Becue wor- den universiteitsbreed in functieklasse B ondergebracht. Kwantitatieve toename van taken/projecten/budgetten is geen argument voor functieher- classificatie maar voor een verdeling van de workload. Er is nog steeds een verschil in verantwoordelijkheden en complexiteit van [financiële] projectopvolging voor functiehouders functieklasse A. Mevrouw Becue kan terugvallen op onafhankelijke collega’s/evenknieën binnen Intec en Iminds. De commissie adviseert met één ja stem en 5 nee stemmen om deze aan- vraag niet te volgen, niet in te gaan op de functieherclassificatie en func- tieklasse B te behouden. Hierbij wenst de commissie nogmaals expliciet te benadrukken dat het niet ingaan op een verzoek tot functieherclassifica- tie geen enkel waardeoordeel velt, noch over de prestaties in de huidige functie, noch over het potentieel van het betrokken personeelslid. De commissie heeft enkel een advies gegeven over de klasse waartoe de functie behoort en dit op basis van het takenpakket afgetoetst op de func- tie-evaluatiecriteria. Hierbij werd rekening gehouden met de toenmalige functieclassificatie en met het universiteitsbrede aspect van de oefening.” IX-8806-4/28 Op 2 maart 2015 vraagt verzoekster dat haar het functiewe- gingsscoreformulier wordt bezorgd op basis waarvan dat advies is gegeven. Dit wordt geweigerd “omdat de procedure nog niet afgerond is en er dus nog geen finale beslissing gevallen is”. 3.4. Op 16 maart 2015 stelt verzoekster beroep in bij de beroeps- commissie tegen het advies van de functie-evaluatiecommissie. Om de beroepscommissie te overtuigen bezorgt zij de commis- sie onder meer haar oorspronkelijke functiewegingsscoreformulier “dat geanno- teerd werd door verzoekster met de aangepaste scores die in de herclassificatie- procedure volgens haar moesten worden toegekend aan haar geëvolueerde func- tie” en een document “waarin zij de voormelde geannoteerde scores motiveerde als volgt […]” (citaten uit het inleidend verzoekschrift). Zij vraagt aldus op gemotiveerde wijze een herziening van het criterium ‘studieniveau’ voor ‘ervaringstijd’ (“hier C (meer dan 3 jaar)”) en voor ‘complexiteit’ (“hier 5”); van het criterium ‘verantwoordelijkheid’ voor ‘zelf- standigheid’ (“hier V”) en van het criterium ‘leidinggeven’ voor ‘indirect lei- dinggeven’ (“hier B”). 3.5. Op 4 juni 2015 behandelt de beroepscommissie het beroep maar zij besluit dat niet kan worden ingegaan op het verzoek tot functieherclassi- ficatie: “[Verzoekster] volgt autonoom de budgettering op van een 300-tal mede- werkers binnen de vakgroep die uit 3 kernen bestaat, personeelsleden aangesteld binnen de Universiteit Gent, personeelsleden aangesteld via iMinds en personeelsleden aangesteld via IBCN. De functie beheert effec- tief 12,5 miljoen euro om te spreiden over een 85-tal projecten waarbij in- gepland wordt welke contracten aangeworven of stop gezet worden. De functiehouder stelt een langetermijn financieringsplan op waarin opgeno- men wordt welke investeringen en welke personeelsbudgetten gepland staan en legt dit afgewerkt voor aan prof. [X.] en prof. [Y.], waarna een beslissing over de begroting van de vakgroep kan genomen worden. IX-8806-5/28 De direct leidinggevende prof. [Y.] overloopt het overzicht puntenverde- ling functie (sub)criteria en schalen en stelt dat de functie een ervarings- tijd vereist van meer dan 3 jaar. De beroepscommissie erkent hierbij dat de functiehouder door haar ervaring een hoog niveau van expertise aanle- vert en looft het vertrouwen dat de direct leidinggevende stelt in die ex- pertise. Echter, de beroepscommissie is van oordeel dat deze functie universiteits- breed gezien start in een functieklasse B waarbij van personeelsleden in een functieklasse B verwacht wordt dat zij stelselmatig een expertise op- bouwen. De functie geeft indirect leiding aan 5 personeelsleden die instaan voor de verwerking van onkostennota’s, bestelbonnen, visa-afschriften, perso- neelsvoorstellen en uitgaven kasboek in SAP. Deze medewerkers worden door de functiehouder functioneel aangestuurd met richtlijnen rekening houdend met te behalen deadlines. Op basis van de voorliggende informatie kan de beroepscommissie niet besluiten dat zij hiervoor de finale verantwoordelijkheid draagt. De for- mele verantwoordelijkheid hiervoor ligt niet bij de functiehouder. De beroepscommissie wenst te benadrukken dat het organigram van de vakgroep op dit punt met de nodige aandacht moet onderzocht worden en desgevallend aan de reële situatie op de werkvloer zou worden aangepast. De beroepscommissie beslist om de functie op gebied van indirect lei- dinggeven opnieuw te scoren als indirect leidinggeven aan 1 tot 25 perso- nen zoals weergegeven in het overzicht van puntenverdeling functie (sub)criteria en schalen. De beroepscommissie erkent dat het takenpakket van betrokkene sterk geëvolueerd is en dat betrokkene deze uitoefent met een grote inzet, betrokkenheid en verantwoordelijkheid, maar beslist unaniem dat, ondanks het toekennen van een hogere score voor het indirect leidinggeven, niet kan ingegaan worden op het verzoek tot functieherclassificatie.” De puntenverdeling houdende de functieweging wordt nu ook door de beroepscommissie uitgevoerd en resulteert ingevolge de opwaardering voor ‘indirect leidinggeven’ ditmaal in een score van 190 punten. Het advies wordt aan verzoekster bezorgd, opnieuw zonder de tabel met de concrete punten- verdeling. 3.6. Op 30 oktober 2015 beslist het bestuurscollege op grond van de adviezen van de functie-evaluatiecommissie en van de beroepscommissie om de functie van verzoekster niet te herclassificeren. Dat is de bestreden beslissing. Ze bevat geen autonome motieven, maar integreert de beide hiervóór aangehaalde adviezen. IX-8806-6/28 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4. Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 70 van het ATP-reglement van de Universiteit Gent. Verzoekster licht toe dat wegens het niet opdagen van H.V. op de zitting van de beroepscommissie, bij lottrekking is beslist dat de afgevaardigde van het VSOA niet mocht deelnemen aan de beroepscommissie. Hierdoor is arti- kel 70 van het ATP-reglement geschonden, daar de beroepscommissie niet langer “één lid van elke representatieve vakorganisatie” onder haar leden telt. De bestre- den beslissing die zich het advies van de beroepscommissie eigen maakt is aange- tast door nietigheid. 5. In haar memorie van wederantwoord voegt verzoekster hieraan toe dat het “logisch” is “bij gebrek aan andere bepalingen die de werking van een commissie regelen”, dat wanneer een bepaling de samenstelling van een commis- sie regelt, alle commissieleden aanwezig moeten zijn om geldig te kunnen advise- ren. Daarenboven beoogt de betrokken bepaling méér dan de paritaire samenstel- ling te waarborgen, maar ook dat een vertegenwoordiger van elke representatieve vakorganisatie, waarvan een verzoeker gebeurlijk lid is, aanwezig is. De verwe- rende partij had H.V. moeten vervangen, veeleer dan een vertegenwoordiger van een vakorganisatie uit te loten. Beoordeling 6. Artikel 70 van het ATP-reglement luidt: “Voor elk ingediend bezwaarschrift wordt een beroepscommissie opge- richt. De beroepscommissie wordt paritair samengesteld uit enerzijds één IX-8806-7/28 lid van elke representatieve vakorganisatie en anderzijds een zelfde aantal leden die de directie Personeel en Organisatie rekruteert uit de leden van andere functie-evaluatiecommissies dan [die welke] het personeelslid heeft gehoord. Er wordt daarbij gespecifi[c]eerd dat de logistiek beheerder vast lid is van de beroepscommissies in de faculteiten en dat in de be- roepscommissies van de centrale administratie de beheerder die geen zit- ting had in de oorspronkelijke functie-evaluatiecommissie vast deel uit- maakt van de beroepscommissie. De leden gerekruteerd uit de andere functie-evaluatiecommissies worden gekozen met een spreiding over de alfa-faculteiten, de bèta faculteiten, de gamma-faculteiten en de centrale administratie. Indien het Bestuurscollege op basis van de gegevens van de functie- evaluatiecommissie of de beroepscommissie beslist over te gaan tot de in- dividuele herclassificatie van een functie naar een hogere functieklasse, wordt de procedure gevolgd beschreven in artikel 8 van dit besluit.” 7. Deze bepaling regelt de samenstelling van de beroepscommis- sie als zodanig, maar bevat geen nadere regels inzake het aanwezigheidsquorum dat is voorgeschreven voor een geldige beraadslaging of beslissing. In het bijzon- der is er niet in te lezen dat bij beraadslaging, minstens bij beslissing, elke vakor- ganisatie vertegenwoordigd moet zijn. Zoals de Raad van State reeds heeft geoordeeld, onder meer in zijn arresten nr. 53.347 van 18 mei 1995, nr. 178.020 van 18 december 2007 en nr. 185.145 van 3 juli 2008, dient bij gebrek aan andersluidende vermelding te worden uitgegaan van de gemeenrechtelijke regel dat een collegiaal orgaan slechts geldig beraadslaagt en besluit als meer dan de helft van de leden ervan aanwezig is. 8. Het middel, dat uitgaat van een tegenovergestelde opvatting, faalt naar recht. IX-8806-8/28 B. Derde, vierde en vijfde middel Standpunt van de partijen 9.1. Het derde middel is genomen uit de schending van de artikelen 59, 60, 61 en 67 van het ATP-reglement, gelezen samen met het beginsel van de deugdelijke materiële motivering en het recht om te worden gehoord. Verzoekster wijst erop dat uit de artikelen 59, 60, 61 en 67 van het ATP-reglement blijkt dat de functie-herclassificatie gebeurt met een punten- methode waarbij gewogen functiecriteria worden gebruikt, die worden opgesplitst in meerdere gewogen functiesubcriteria. Aan elk subcriterium moet een schaal worden gehecht. De combinatie van schalen levert een bepaald aantal punten op. Elke functie wordt gescoord op de verschillende combinaties van schalen en ver- krijgt aldus punten. De som van alle punten levert een totaalscore op per functie. Elke functie wordt op basis van de totaalscore ondergebracht in een functieklasse. Volgens verzoekster hebben de functie-evaluatiecommissie noch de beroepscommissie geadviseerd, of het bestuurscollege beslist, aan de hand van de beschreven puntenmethode. Minstens bevat het administratief dos- sier geen functiewegingsscoreformulier of enige andere neerslag van de toepas- sing van de puntenmethode op haar aanvraag tot herclassificatie. Doordat haar vraag om haar functiewegingsscoreformulier te mogen ontvangen negatief is beantwoord, beschikte zij niet over alle noodzake- lijke gegevens om een volledig effectieve argumentatie van haar standpunt te kunnen aanvoeren voor de functie-evaluatiecommissie en de beroepscommissie en kan zij dat ook thans niet voor de Raad van State. 9.2. Het vierde middel is genomen uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van IX-8806-9/28 de bestuurshandelingen’. Verzoekster voert aan dat de bestreden beslissing niets aangeeft met betrekking tot de puntenmethode. Ook uit de gegeven adviezen blijkt dit niet. 9.3.1. Ook het vijfde middel is geput uit de schending van de forme- lemotiveringsplicht en “het beginsel van de deugdelijke materiële motivering”. Verzoekster betwist de motieven van de gegeven adviezen die in de bestreden beslissing zijn bijgevallen. 9.3.2. Verzoekster stelt in het advies van de functie-evaluatie- commissie de volgende vier motieven te lezen: “1) De taken en verantwoordelijkheden van verzoekster worden universi- teitsbreed in een functieklasse B ondergebracht. 2) Kwantitatieve toename van taken/projecten/budgetten is geen argument voor functieherclassificatie. 3) Er is nog steeds een verschil in verantwoordelijkheden en complexiteit van financiële projectopvolging voor functiehouders klasse A. 4) [verzoekster] kan terugvallen op onafhankelijke collega’s/evenknieën binnen Intec en Iminds.” Het eerste motief – de taken en verantwoordelijkheden van verzoekster worden universiteitsbreed in een functieklasse B ondergebracht – geeft geen concrete redenen waarom dit het geval is. Het motief is te vaag en al- gemeen om een afdoende motivering te kunnen vormen. Minstens is dit motief niet pertinent, gelet op de in het ATP-reglement beschreven puntenmethode waarbij elke functie individueel moet worden gescoord. Het derde motief – er is nog een verschil in verantwoordelijk- heden en complexiteit van financiële projectopvolging door functiehoudersklasse A – geeft niet aan waarin de verantwoordelijkheden en complexiteit van finan- ciële projectopvolging voor functiehouders klasse A verschillen. Verzoekster verwijst naar de verschillende argumenten die zij aanvoerde inzake verantwoor- IX-8806-10/28 delijkheden en complexiteit. Het advies licht niet toe waarom deze niet worden aanvaard. Het vierde motief – verzoekster kan terugvallen op onafhanke- lijke collega’s/evenknieën binnen Intec en Iminds – is onjuist en wordt niet ge- staafd door het administratief dossier. 9.3.3. Ook het advies van de beroepscommissie geeft geen concrete redenen waarom verzoeksters functie universiteitsbreed in een functieklasse B moet worden ondergebracht. Het motief met betrekking tot haar ervaring geeft geen concrete redenen waarom een functie zoals die van verzoekster universiteitsbreed in een functieklasse B moet worden ondergebracht. Het motief is te vaag en algemeen. Minstens is het niet pertinent, gelet op de in het ATP-reglement beschreven pun- tenmethode waarbij elke functie individueel moet worden gescoord. Verkeerdelijk wordt in het tweede motief over haar verant- woordelijkheid gesteld dat zij niet de formele verantwoordelijkheid draagt. De direct leidinggevende van verzoekster bevestigde op de zitting van de beroeps- commissie dat verzoekster wel degelijk die verantwoordelijkheid draagt. Ver- zoekster had bovendien in haar bezwaardocument aangevoerd dat zij ten aanzien van haar budgethouders de verantwoordelijkheid van een vakgroepvoorzitter draagt. 10.1. De verwerende partij antwoordt met betrekking tot het derde middel, dat de puntenscore van verzoekster ingevolge de evolutie in haar functie is gestegen van 135 punten naar 175 punten en ten slotte naar 190 punten, het- geen nog steeds binnen de functieklasse B (van 105 tot 200 punten) valt. Het uit- gangspunt van verzoekster dat er geen “herscoring” gebeurd is, strookt dus niet met de werkelijkheid. IX-8806-11/28 Nergens wordt voorts bepaald dat er bij de ontvangst van een individueel verzoek tot herclassificatie altijd en dus automatisch moet worden overgegaan tot het volgen van de procedure, beschreven in de artikelen 59 tot 61 van het ATP-reglement. Dit is pas het geval als er bij de verwerende partij een vermoeden is dat de functie in die mate veranderd is dat ze in een andere functie- klasse dient te worden ondergebracht én als er een beslissing is om over te gaan tot een individuele herevaluatie. Nergens blijkt dat dit vermoeden er is, of dat er een beslissing in die zin genomen werd. In die omstandigheden, nu niet ingegaan wordt op het verzoek tot herclassificatie, volstaat de woordelijke motivering van de bestreden beslis- sing om deze beslissing afdoende te motiveren. Er is geen enkele reglementaire, noch wettelijke verplichting om een door de commissie ten behoeve van het be- stuurscollege opgestelde herscoring ter kennis van het ATP-lid te brengen, en al zeker niet wanneer de woordelijke motivering de door het bestuurscollege geno- men beslissing schraagt. Verzoekster kan geenszins ernstig volhouden dat de be- streden beslissing onvoldoende werd gemotiveerd en dat zij niet in staat was zich te verweren. Het tegendeel blijkt alvast uit haar verzoekschrift. Het is enkel de beslissing van het bestuurscollege die bepalend en beslissend is. Dit wordt ook uitdrukkelijk bepaald in artikel 61 van het ATP- reglement. Dit artikel bepaalt niet dat de beslissing door het bestuurscollege ge- nomen moet worden op basis van een eventuele door de commissie uitgevoerde herscoring, maar wél dat ze moet worden genomen op grond van de (woordelij-

  1. ke)argumenten van de functie-evaluatiecommissie. Zowel de functie- evaluatiecommissie als de beroepscommissie hebben een omstandig advies ge- formuleerd met een degelijk uitgeschreven motivering. De woordelijke motive- ring van de functie-evaluatiecommissie en van de beroepscommissie werd over- genomen in de bestreden beslissing. Ook de door de commissies uitgevoerde herscoringen maakten deel uit van het administratief dossier. Het bestuurscollege heeft dus zijn beslissing genomen met volledige kennis van zaken en een volledig IX-8806-12/28 administratief dossier én op basis van de argumenten van de functie- evaluatiecommissie zoals bepaald in het ATP-reglement. Het is niet omdat het functiewegingsscoreformulier niet aan verzoekster is meegedeeld, dat de beslissing daarom niet materieel werd gemoti- veerd. De bestreden beslissing vermeldt uitdrukkelijk de motieven op grond waarvan ze is genomen, zij het dat de motieven beperkt blijven tot een woordelij- ke motivering. Dit volstaat. De woordelijke motivering van de functie-evaluatiecommissie werd aan verzoekster ter kennis gebracht vooraleer zij werd gehoord. Verzoekster kon zich dus verdedigen. Het is bovendien een horen over de vraag waarom toch een herclassificatie zou moeten worden toegekend. Het horen is geen beroep té- gen het advies van de functie-evaluatiecommissie. Hiervoor is in een speciale beroepsprocedure voorzien bij de beroepscommissie. Bij het horen wordt enkel de mogelijkheid aan verzoekster geboden om nogmaals haar standpunt uiteen te zetten. Niets meer, niets minder. Voor zover als nodig, merkt de verwerende partij nog op dat verzoekster ook niet aangeeft welk nadeel zij geleden zou hebben ingevolge de vermeende schending, of op welke wijze de uitoefening van haar hoorrecht door de schending werd belemmerd. 10.2. Over het vierde middel verwijst de verwerende partij naar haar verweer tegen het derde middel en zij stelt dat er geen verplichting bestaat om de score op te nemen in de bestreden beslissing. De bestreden beslissing verwijst naar de argumenten van de functie-evaluatiecommissie. Het bekendmaken van het functie-evaluatieformulier betreft geen verplichting. 10.3. De verwerende partij werpt in antwoord op het vijfde middel op dat het tegenstrijdig is enerzijds de schending van de formelemotiveringsplicht aan te voeren en anderzijds grieven te formuleren over de materiële motivering. IX-8806-13/28 Verzoekster betwist de motieven inhoudelijk zodat aan de formelemotiverings- plicht is voldaan. De bestreden beslissing geeft aan dat het in de universiteitsbre- de oefening van de functieclassificatie belangrijk is om uniformiteit te bewaken en gelijkaardige functies te identificeren. Het is ook op andere faculteiten gebrui- kelijk om een gelijkaardig takenpakket onder te brengen in een functieklasse B. De vermelde taken en verantwoordelijkheden worden universiteitsbreed in een functieklasse B ondergebracht. Er was dan ook geen reden om in de situatie van verzoekster plots af te wijken van het eigen beleid. Aldus begrijpt de verwerende partij niet wat verzoekster te vaag en te algemeen vindt aan dit motief. Dit motief geeft louter aan dat de beoordeling van de functieklasse steeds in een ruimer ka- der wordt geplaatst en dat er zoveel mogelijk uniformiteit in de functieklassen wordt nagestreefd overheen de gehele Universiteit Gent. Er wordt ook toegelicht dat geen functieklasse A kan worden toegekend omdat de functiehouder onvol- doende verantwoordelijkheden draagt om als functieklasse A te functioneren. De verwijzingen van verzoekster naar de scoreweging dragen evenmin bij tot het onderbouwen van haar standpunt. De scoreweging vormt na- melijk juist een bevestiging van het streven naar uniformiteit, gezien dit de be- doeling heeft om de functiehouder binnen de scoregrenzen van het ATP- reglement in te delen. Het ATP-reglement is toepasselijk op de gehele universi- teit, deze scoregrenzen zijn universiteitsbreed gelijk. De verwerende partij citeert vervolgens uit de bestreden beslis- sing en stelt dat is aangegeven waarom de verantwoordelijkheden van verzoekster verschillen van een functiehouder klasse A. De motivering houdt niet in dat op elk argument van de betrokkene moet worden ingegaan. De verwerende partij stelt vast dat verzoekster niet toelicht wat feitelijk incorrect is aan de vaststelling dat zij kan terugvallen op onafhankelijke IX-8806-14/28 collega’s binnen Intec en Iminds. Evenmin draagt zij bewijsmateriaal voor, dat zij wel de verantwoordelijkheid draagt ten aanzien van haar budgethouders. 11. Verzoekster repliceert dat de puntenscore, waarvan zij voor het eerst kennis neemt in het neergelegde administratief dossier, aantoont dat zij dicht bij de grens kwam die nodig is om in klasse A te worden ingeschaald, zodat het des te meer nodig was te weten welke punten haar op welk criterium werden toe- gekend om met kennis van zaken te kunnen argumenteren. Zij geeft aan dat ze de motieven van de bestreden beslissing kende, doch niet hoe die motieven tot een score leidden die onvoldoende was om de functie te herkwalificeren. 12.1. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat de bestre- den beslissing zowel naar het advies van de functie-evaluatiecommissie als naar het advies van de beroepscommissie verwijst. Beide adviezen werden door ver- zoekster geciteerd in haar verzoekschrift; de formelemotiveringsplicht is dus niet geschonden. 12.2. Zij herhaalt dat verzoekster geen belang heeft bij de kritiek dat zij zonder het puntenwegingsformulier niet met de nodige kennis van zaken haar bezwaarschrift bij de beroepscommissie kon indienen: “Er kan zeker geen sprake zijn van belangenschade nu blijkt uit de woor- delijke motivering van de commissies, overgenomen in de bestreden be- slissing, dat er zelfs géén noodzaak was om de functie te herevalueren. Welke andere argumenten had verzoekende partij dan wel nog kunnen aanvoeren in de hypothese dat zij wel het scoreformulier kende? Dit wordt op geen enkele manier ook maar enigszins aannemelijk gemaakt.” In de bestreden beslissing staat letterlijk te lezen dat verzoek- ster gedurende de procedure heeft kunnen motiveren waarom er wel een nood- zaak tot herclassificatie was, namelijk vanwege een evolutie in het takenpakket. Een aanvullende cijfermatige argumentatie had hierin geen enkel verschil kunnen maken. IX-8806-15/28 Geen wettelijke of reglementaire bepaling verplicht haar om een voorlopig scoreformulier mee te delen, aldus nog de verwerende partij. 12.3. In casu blijft het determinerende weigeringsmotief – het gebrek aan een noodzaak tot herclassificatie – overeind, ook zonder de overtollige mo- tieven, voor zover een scoreformulier, dat precies een cijfermatige uitdrukking is van het gebrek aan dergelijke noodzaak, als dusdanig al een motief uitmaakt. Het normdoel van de materiëlemotiveringsplicht is voldaan. De verwerende partij citeert andermaal uit de bestreden beslis- sing, om aan te geven dat is geantwoord op de argumenten van verzoekster met betrekking tot de complexiteit en het overschrijdend karakter die de evolutie van haar takenpakket kenmerken. Beoordeling a. ontvankelijkheid van de middelen 13.1. De lezing die de verwerende partij geeft aan het ATP- reglement kan niet overtuigen. Overeenkomstig artikel 63 van voornoemd reglement is het de taak van de functie-evaluatiecommissie om een functie-evaluatie door te voeren. Zij moet daarbij niet eerst nagaan of er een “vermoeden” is dat de totaalscore veranderd is, laat staan zich ervan verzekeren dat er een “noodzaak tot herclassi- ficatie” is, maar integendeel desgevraagd de functie aan een beoordeling onder- werpen. Het woord ‘vermoeden’ in artikel 67 van het ATP-reglement slaat minstens ook op het personeelslid dat, zoals verzoekster, vermoedt dat zijn functie is gewijzigd en om die reden een herclassificatie vraagt. IX-8806-16/28 13.2. Dit betekent dat de excepties van de verwerende partij die op deze verkeerde interpretatie van het ATP-reglement steunen om verzoekster be- lang bij de middelen te ontzeggen, worden verworpen. 13.3. Dit betekent al evenzeer dat de verwerende partij faalt in haar betoog dat het ontbreken van een noodzaak tot herclassificatie het determinerende motief is van de bestreden beslissing die de andere motieven overtollig maakt. 14. Verzoekster voert de schending aan van de formelemotive- ringsplicht in de mate dat zij meent dat bepaalde motieven ontbreken die volgens haar noodzakelijk zijn hetzij om de beslissing te dragen, hetzij om haar in staat te stellen zich met kennis van zaken te weren, hetzij om het antwoord te kennen op de door haar intern geformuleerde argumenten en bezwaren; zij voert de schen- ding van de materiëlemotiveringsplicht aan voor zover zij in de bestreden beslis- sing dan toch sommige motieven kan lezen waarmee zij het evenwel oneens is. Anders dan de verwerende partij dit stelt, valt in die pro- ceshouding geen tegenspraak te bespeuren die tot de onontvankelijkheid van het ene of het andere middel moet leiden. Ook die exceptie wordt verworpen. 15. De verwerende partij heeft het wel bij het rechte eind dat van een schending van de formelemotiveringsplicht geen sprake is, voor zover het die welbepaalde motieven betreft die verzoekster leest in de bestreden beslissing en die zij inhoudelijk bekritiseert in het vijfde middel. In die mate is de exceptie gegrond. IX-8806-17/28 b. ten gronde 16. Vanuit een principiële benadering heeft de verwerende partij het bij het rechte eind als zij argumenteert dat een uitdrukkelijk onder woorden gebrachte motivering die de beslissing kan dragen, volstaat uit het oogpunt van de formelemotiveringsplicht en dat in zo een geval de scores of quoteringen die slechts de in cijfers uitgedrukte neerslag vormen van die reeds meer omstandig uitgeschreven beoordeling niets bijbrengen met het oog op het verweer dat in rechte kan worden ingebracht tegen die motieven. 17. In de gegeven omstandigheden evenwel kan dit verweer niet zonder meer worden bijgevallen. 18. Niet de uitgeschreven beoordelingen, maar net de punten zijn immers determinerend voor de wijziging van klasse: om tot klasse A te komen, moet verzoekster minstens 205 punten behalen. In de adviezen noch in de beslissing kan zij lezen dat zij achter- eenvolgens meer punten kreeg, om uiteindelijk toch niet aan de vereiste 205 pun- ten te geraken. De bewering van verzoekster dat zij haar verweer bij de be- roepscommissie niet nuttig kon voorbereiden en dat zij ook geen deugdelijk ge- motiveerde beslissing meegedeeld kreeg, verdient daarom nader onderzoek. 19. Zoals reeds is opgemerkt in het feitenrelaas, heeft verzoekster de beroepscommissie pogen te overtuigen aan de hand van een “geannoteerd” functiewegingsscoreformulier. Dit laat al toe vast te stellen dat verzoekster reeds op dat ogen- blik kennis had van de criteria en subcriteria, van de wijze waarop de inschaling IX-8806-18/28 in punten wordt omgezet en van de puntenscore die haar vroeger was toegekend en die zij gewijzigd wou zien worden. In zoverre is het doel van de formelemotiveringsplicht alvast bereikt. Verzoekster betwist voorts niet de pertinentie van deze criteria, noch hun relatieve gewicht of de gebruikte rekenmethode; de aangevoerde schen- ding van de materiëlemotiveringsplicht heeft hierop dus geen betrekking. 20. Verzoekster heeft aan de beroepscommissie voorgelegd welke (sub)criteria volgens haar niet langer actueel waren ingeschaald en tot een nieuwe classificatie moesten leiden. Zoals sub 3.4 reeds is vermeld, vraagt zij een herzie- ning van het criterium ‘studieniveau’ voor ‘ervaringstijd’ (“hier C (meer dan 3 jaar)”) en ‘complexiteit’ (“hier 5”); van het criterium ‘verantwoordelijkheid’ voor ‘zelfstandigheid’ (“hier V”) en van het criterium ‘leidinggeven’ voor ‘indirect leidinggeven’ (“hier B”). 21. Aangezien verzoekster in de loop van de ganse herzieningspro- cedure zelf geen argumenten voorlegt om de andere (sub)criteria te herzien en de adviezen die criteria ook niet bespreken, moet zij in redelijkheid veronderstellen dat die hun initiële score hebben behouden. Zij heeft geen belang om dit formeel op een scoreformulier bevestigd te zien worden en voert er ook bij de toelichting van de materiëlemotiveringsplicht geen grieven tegen aan. 22. Met betrekking tot het subcriterium ‘indirect leidinggeven’ heeft verzoekster gekregen wat zij vroeg: een wijziging naar “B” (indirect lei- dinggeven aan 1 tot 25 personen) en een overeenkomstige verhoging van haar puntenscore. De materiëlemotiveringsplicht is bijgevolg niet geschonden voor dit criterium. IX-8806-19/28 Daargelaten of zij voor dit onderdeel dan nog belang heeft bij het aanvoeren van de schending van de formelemotiveringsplicht, dient te worden vastgesteld dat de beroepscommissie die aanpassing van de score ook in haar advies kenbaar maakt, waar zij stelt dat “[de] functie […] indirect leiding [geeft] aan 5 personeelsleden die instaan voor de verwerking van onkostennota’s, bestel- bonnen, visa-afschriften, personeelsvoorstellen en uitgaven kasboek in SAP” en dat zij “beslist om de functie op gebied van indirect leidinggeven opnieuw te sco- ren als indirect leidinggeven aan 1 tot 25 personen zoals weergegeven in het overzicht van puntenverdeling functie (sub)criteria en schalen”. Er valt niet in te zien welke bijkomende baat verzoekster dan nog zou hebben bij de formele me- dedeling van de scorewijziging naar “B” op het scoreformulier, die hiervan het logische gevolg is. 23. Over de aanpassing van het subcriterium ‘ervaringstijd’, dat volgens haar gewijzigd moet worden in C (meer dan 3 jaar), kan in de adviezen van de evaluatiecommissie niets worden gelezen. Impliciet maar zeker kon ver- zoekster dus aannemen, dat die commissie de score niet heeft aangepast. In het advies van de beroepscommissie kan worden gelezen dat de direct leidinggevende stelt dat de functie een ervaringstijd vereist van meer dan drie jaar, dat de beroepscommissie erkent dat de functiehouder door haar ervaring een hoog niveau van expertise aanlevert maar dat zij niettemin van oor- deel is dat deze functie universiteitsbreed gezien start in een functieklasse B waarbij van personeelsleden in een functieklasse B verwacht wordt dat zij stel- selmatig een expertise opbouwen. Verzoekster kon hieruit ongetwijfeld afleiden dat haar score voor ‘ervaringstijd’ steeds ongewijzigd is gebleven, ook zonder dat haar daartoe het scoreformulier moest worden meegedeeld. In zoverre heeft zij geen belang bij kritiek over het niet-mededelen. IX-8806-20/28 24. Over de aanpassing van het subcriterium ‘complexiteit’, dat volgens verzoekster een score 5 (in plaats van 3) moet krijgen, is in de adviezen van de evaluatiecommissie te lezen dat de omvang en de complexiteit van het interuniversitaire budgetbeheer in een andere vakgroep (EA06) van een andere orde is dan wanneer er budgetbeheer gedaan moet worden binnen één vakgroep, dat een kwantitatieve toename van taken/projecten/budgetten geen argument is voor functieherclassificatie maar voor een verdeling van de workload en dat er nog steeds een verschil is in complexiteit van financiële projectopvolging voor functiehouders functieklasse A. De beroepscommissie van haar kant gaat niet specifiek in op de complexiteit van de functie. Verzoekster kon hieruit ongetwijfeld afleiden dat haar score voor ‘complexiteit’ steeds ongewijzigd is gebleven, ook zonder dat haar daartoe het scoreformulier formeel werd meegedeeld. In zoverre heeft zij geen belang bij kritiek over het niet-mededelen. 25. Over het subcriterium ‘zelfstandigheid’, dat verzoekster van III (activiteiten in overleg met leidinggevende) opgewaardeerd wil zien naar V (acti- viteiten onder algemeen toezicht), is te lezen in het advies van de evaluatiecom- missie dat er nog steeds een verschil is in verantwoordelijkheden voor functie- houders functieklasse A en dat verzoekster kan terugvallen op onafhankelijke collega’s/evenknieën binnen Intec en Iminds. De beroepscommissie overweegt van haar kant dat verzoekster haar medewerkers functioneel aanstuurt, maar dat zij op basis van de voorliggen- de informatie niet kan besluiten dat verzoekster hiervoor de finale verantwoorde- lijkheid draagt; de formele verantwoordelijkheid hiervoor ligt niet bij de functie- houder. IX-8806-21/28 Verzoekster kon hieruit ongetwijfeld afleiden dat haar score voor ‘zelfstandigheid’ steeds ongewijzigd is gebleven, ook zonder dat haar daar- toe het scoreformulier werd meegedeeld. In zoverre heeft zij geen belang bij kri- tiek over het niet-mededelen. 26. Besluit van deze vaststellingen sub 21 tot 25 is dat uiteindelijk, maar middels een andere redenering, de verwerende partij hierin wordt bijgeval- len dat verzoekster geen belang heeft om in de niet-mededeling van het scorefor- mulier, hetzij ter voorbereiding van haar bezwaar bij de beroepscommissie, hetzij ter voorbereiding van haar annulatieberoep, een schending van de formelemotive- ringsplicht te zien of van het recht om haar standpunt nuttig te kunnen doen gel- den, aangezien het doel van die verplichting casu quo van dat recht bereikt is en niet valt in te zien hoe de bijkomende kennis van het scoreformulier aan verzoek- ster méér had opgeleverd. 27. Een tussentijdse conclusie van wat voorafgaat, is dat het derde middel en het vierde middel niet de gevraagde nietigverklaring kunnen verant- woorden. 28. Dan blijft nog het vijfde middel te beoordelen. In dat middel overloopt verzoekster de motieven, die volgens haar geen (formelemotiverings- plicht) ofwel een verkeerd (materiëlemotiveringsplicht) antwoord geven op haar argumentatie. 29. De criteria om een functie onder te brengen in klasse A of klas- se B zijn voor de gehele universiteit dezelfde, zonder onderscheid naar faculteit of departement, zonder onderscheid naar de persoon. De functie-evaluatie- commissie onderstreept dat het belangrijk is “om de functie te beoordelen en niet de prestaties van de functiehouder”; zij “wenst uniformiteit te bewaken en gelijk- aardige functies te identificeren”. Door aldus aan te geven dat de criteria “univer- siteitsbreed” worden toegepast, geeft de verwerende partij inderdaad nog geen antwoord op de concrete argumenten van verzoekster maar schetst zij wel de IX-8806-22/28 principiële context waarin de classificatie gebeurt en een aanvraag wordt beoor- deeld: gekeken wordt naar de functie en een gelijke behandeling van alle perso- neelsleden bij de toepassing van de criteria. Verzoekster toont niet aan dat dit een met het ATP-reglement strijdig of anderszins onwettig motief is, ook al kan het op zich niet volstaan voor de weigering tot herclassificatie. In zoverre is het middel niet gegrond. 30. De gevraagde wijziging van ‘ervaringstijd’ naar meer dan drie jaren wordt door de beroepscommissie niet aangenomen, omdat “deze functie universiteitsbreed gezien start in een functieklasse B waarbij van personeelsleden in een functieklasse B verwacht wordt dat zij stelselmatig een expertise opbou- wen”. Het bestuurscollege heeft zich dat motief eigen gemaakt. Verzoekster is het met deze beoordeling niet eens, maar zij weerspreekt niet waarom het motief dat het voor een personeelslid zoals zij tot de verwachtingen behoort dat het in zijn functie stelselmatig een expertise opbouwt, wat betekent dat de expertise die zij aanlevert niet terug te brengen is tot erva- ringstijd in de zin van het bedoelde criterium. In zoverre is het middel niet gegrond. 31. Met betrekking tot haar verantwoordelijkheid – ‘zelfstandig- heid’ – voert verzoekster aan dat haar direct leidinggevende op de zitting van de beroepscommissie bevestigde dat zij wel degelijk die verantwoordelijkheid draagt en zij verwijst ook naar haar bezwaardocument waarin zij had aangevoerd dat zij ten aanzien van haar budgethouders de verantwoordelijkheid van een vakgroep- voorzitter draagt. Die kritiek betreft de materiëlemotiveringsplicht. IX-8806-23/28 De beroepscommissie is verzoekster hierin niet gevolgd. Zij heeft – althans “[o]p basis van de voorliggende informatie” – niet tegengesproken dat verzoekster voor de bedoelde taken verantwoordelijkheid draagt, maar met betrekking tot de mate van zelfstandigheid geoordeeld dat verzoekster de functio- neel verantwoordelijke is, terwijl de formele en finale verantwoordelijkheid niet bij de functiehouder ligt en zij heeft daarbij gesteld “dat het organigram van de vakgroep op dit punt met de nodige aandacht moet onderzocht worden en des gevallend aan de reële situatie op de werkvloer zou worden aangepast”. Om die beoordeling te weerleggen, volstaat het niet om louter terug te wijzen naar de argumenten die de beroepscommissie net met dit ant- woord heeft weersproken. Het valt immers niet aan de Raad van State toe om in de plaats van de verwerende partij de functie van verzoekster te evalueren. Ook de functie-evaluatiecommissie had overigens reeds over- wogen dat de betrokken functiehouders voor het budgetbeheer kunnen “terugval- len op SAP procedures, ondersteuning van de centrale directie Financiën en de finale verantwoordelijkheid van de betrokken/leidinggevende professor”. Ook op dit punt faalt het middel. 32. Met betrekking tot de ‘complexiteit’ van de functie overwoog de functie-evaluatiecommissie dat er nog steeds een verschil in complexiteit van financiële projectopvolging is voor functiehouders functieklasse A en dat ver- zoekster “kan terugvallen op onafhankelijke collega’s/evenknieën binnen Intec en Iminds”. Verzoekster heeft daarop als volgt geargumenteerd: “Voor het item vakgroepoverschrijdend/ universiteitsoverschrijdend kan aangegeven worden : Ik zorg voor de volledige invulling van ±195 personen op de projecten op UGent rekening houdend met: o Het personeelsverloop tussen Imec (extern) en UGent IX-8806-24/28 o Het personeelsverloop tussen IMinds (extern) en UGent o Het budget op UGent dat vrijgehouden dient te worden voor eventuele inplanning van iMinds personeelsleden op het SRA-budget o Het personeelsverloop tussen de vakgroep WE (vakgroepoverschrij- dend), de KUL (extern) en IBCN+voor het personeel van prof. […] o Bij langere verlofperiodes of bijv. zwangerschapsverlof (van collega’
  2. s)dien ik ook de taken qua financiële opvolging van de iMinds (extern) budgetten op mij te nemen Naar complexiteit toe: - Bovenstaand overzicht geeft aan dat het om meer dan louter alleen UGent budgetten gaat qua inplanning van personeel - Bij het werken met nieuwe projecttypes zoals de projecten van Novem Sempter en loT) werk ik mij volledig in in het projecttype en ben dan het aanspreekpunt voor wat het financiële aspect betreft - Beleidsondersteunend werken ttz: o Op de hoogte blijven van alle nieuwe regelgeving ivm de diverse pro- jectmogelijkheden en administratie • doornemen van de wijzigingen en ook zorgen dat de wijzigingen over- gedragen worden aan de ZAP-leden • deelnemen aan werk- en infosessies ivm de diverse projecttypes • op de hoogte blijven van alle nieuwe reglementeringen van UGent bijv de Ruling... • alles ivm overheidsopdrachten opvolgen o Aangeven van nieuwe mogelijkheden ivm projectfinanciering o Volledige invulling van het personeelsbudget bij de diverse projecttypes o Opmaak van de meerjarenbegroting: • Nagaan welke de ruimte is naar de toekomst toe qua personeel • Nagaan welke de ruimte is naar de toekomst toe qua grote aankopen • Bijhouden en bijsturen van eventuele grote uitgaveposten • De proffen adviseren welke uitgaven nodig zijn - Qua talenkennis kan ik vooral in het Engels, maar ook in het Frans in- dien nodig,onze projectpartners te woord staan.” In haar advies erkent de beroepscommissie dat het takenpakket van verzoekster “sterk geëvolueerd” is, maar gaat zij in het geheel niet in op deze argumenten, noch op het criterium ‘complexiteit’ in het algemeen, om uit te leg- gen waarom de aanpassing niettemin afgewezen wordt. Gelet op de aangehaalde concrete argumenten van verzoekster, kunnen de algemene overweging van de functie-evaluatiecommissie dat er nog steeds een verschil is met de klasse A en dat verzoekster kan terugvallen op col- lega’s bij Intec en Iminds – overigens eerder een motief met betrekking tot ‘ver- IX-8806-25/28 antwoordelijkheid’ dan ‘complexiteit’ – niet volstaan om de gevraagde aanpas- sing van dit criterium te weigeren. Verzoekster speurt vergeefs in de adviezen naar een beoorde- ling die aantoont dat haar argumenten in overweging zijn genomen en naar de redenen waarom ze niet hebben kunnen overtuigen. In zoverre is de in het vijfde middel aangevoerde schending van de formelemotiveringsplicht aangetoond. 33. Het vijfde middel is – enkel – in de aangegeven mate gegrond. C. Tweede middel 34. Het tweede middel is genomen uit de schending van de artike- len 10 en 11 van de Grondwet. Verzoekster legt uit dat zij bij de functie- evaluatiecommissie en de beroepscommissie erop heeft gewezen dat de functie van een collega werd geherclassificeerd naar functieklasse A en haar functie niet. Nochtans zijn de functies vergelijkbaar. De collega was proxy voor een zestal budgethouders en beheerde een budget van 6 miljoen euro terwijl verzoekster proxy was voor 31 budgethouders en een budget van 12,5 miljoen euro beheerde. Verzoekster wenst de vergelijking concreter te maken aan de hand van documen- ten uit het functie-herkwalificatiedossier van haar collega en zij verzoekt dit dos- sier toe te voegen aan het administratief dossier. 35. De verwerende partij heeft het dossier van de collega, op uit- drukkelijk verzoek van de met het onderzoek van de zaak belast lid van het audi- toraat, neergelegd met verzoek om deze stukken als vertrouwelijk te behandelen. 36. Het auditoraatsverslag bespreekt de aangevoerde motieven waarvoor de vertrouwelijkheid wordt ingeroepen en besluit dat “niet [valt] in te zien waarom verzoekster inzage in deze stukken zou moeten worden ontzegd”. IX-8806-26/28 37. In haar laatste memorie dringt verzoekster niet aan om het dos- sier te vervolledigen, de vertrouwelijkheid te lichten en haar in de gelegenheid te stellen om het tweede middel aan te vullen. Zij reageert evenmin op de argumen- ten in de laatste memorie van de verwerende partij, over de vertrouwelijkheid van de stukken enerzijds en over de grond van het middel anderzijds. 38. Aldus wordt vastgesteld dat het auditoraat het tweede middel ten gronde niet heeft onderzocht, dat verzoekster niet aandringt op de aanvullende stappen in de rechtspleging die noodzakelijk aan de beoordeling van het middel door de Raad van State moeten voorafgaan en dat verzoekster niet dupliceert op de in laatste memorie aangevoerde argumenten van de verwerende partij. Ook op de terechtzitting dringt verzoekster niet aan op een on- derzoek van het tweede middel. Met die gegevens voor ogen, mede in acht genomen de ouder- dom van de zaak en de vaststelling dat uit de bespreking van de overige middelen reeds volgt dat de bestreden beslissing vernietigd moet worden, ziet ook de Raad af van een beoordeling van het tweede middel en de eventueel daaruit volgende heropening van het debat. V. Rechtsplegingsvergoeding 39. De verzoekende partij vraagt om de verwerende partij te ver- oordelen tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding begroot op 700 euro. De rechtsplegingsvergoeding een tegemoetkoming zijnde in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij, wordt te dezen het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding ten behoeve van verzoekster bepaald op het minimum van 140 euro, gelet op het gebrek aan complexiteit van de zaak, althans voor de advocaat. IX-8806-27/28 Immers heeft verzoeksters advocaat zich beperkt tot het indie- nen van enkel een laatste memorie met het louter verzoek tot voortzetting en de verschijning op de terechtzitting. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van het bestuurscollege van de Universiteit Gent van 30 oktober 2015 om de functie van Bernadette Becue niet te herclassificeren. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nie- tigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings- vergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie januari tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-8806-28/28 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.547 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.