← België

Arrest 246548 - Personeel van de rechterlijke orde - 03/01/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.548 Rolnummer: A. 227545/V-1987 Zaak: Arrest 246548 - Personeel van de rechterlijke orde - 03/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-01-14 Raadplegingen: 103 - laatst gezien 2026-06-25 21:59 Versie(s): Vertaling FR Fiche Arrest nr 246.548 van 3 januari 2020 Justitie - Personeel van de rechterlijke orde Beslissing : heropening debatten Inwilliging tussenkomst prejudiciële vraag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Ve KAMER nr. 246.548 van 3 januari 2020 in de zaak A. 227.545/V-1987 In zake:

  1. de VZW NEDERLANDSTALIGE VERENIGING VAN MAGISTRATEN
  2. Dirk VAN OVERLOOP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Fernand Keuleneer kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Emmanuel Jacubowitz en Anthony Poppe kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Laurence MASSART bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean Bourtembourg kantoor houdend te 1060 Brussel Zwitserlandstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp
  3. Het beroep, ingesteld op 1 maart 2019, strekt tot de nietigver- klaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 30 januari 2019 waarbij Laurence Massart wordt aangewezen tot het mandaat van eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel voor een termijn van vijf jaar. V-1987-1/28 II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Laurence Massart heeft een verzoekschrift tot tussenkomst in- gediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van arti- kel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟. Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 november
  5. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Fernand Keuleneer, die verschijnt voor de verzoe- kende partijen, advocaat Anthony Poppe, die tevens loco advocaat Emmanuel Jacubowitz verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Jean Bourtembourg, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft ad- vies gegeven. V-1987-2/28 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten
  7. Op 15 mei 2013 verschijnt in het Belgisch Staatsblad een me- dedeling aangaande vacante betrekkingen in de magistratuur. Een van de vacante betrekkingen is die van eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel, vanaf 1 april
  8. De mededeling vermeldt dat met toepassing van artikel 43bis, § 4, van de wet van 15 juni 1935 „op het gebruik der talen in gerechtszaken‟ (hierna: Taalwet Gerechtszaken), in deze plaats dient te worden voorzien door de benoe- ming van een Franstalige kandidaat. Bij koninklijk besluit van 26 januari 2014, dat in werking treedt op de datum van de eedaflegging, welke niet mag gebeuren vóór 1 april 2014, wordt L.M. aangewezen tot het mandaat van eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel, voor een termijn van vijf jaar. Niet wordt betwist dat L.M. be- hoort tot het Franse taalstelsel. 3.
  9. L.M. heeft niet verzocht om de verlenging van zijn mandaat, dat einde maart 2019 afloopt. 3.
  10. Hierop verschijnt in het Belgisch Staatsblad van 1 juni 2018 een bericht betreffende de vacante betrekking van eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel. Het bericht bevat nog de volgende mededeling: “In toepassing van artikel 259quater, § 6 van het Gerechtelijk Wetboek dient dit mandaat voor de hernieuwingsperiode te worden toegekend aan een kandidaat die door zijn diploma bewijst de examens van doctor, licen- tiaat of master in de rechten in het Frans te hebben afgelegd.” V-1987-3/28 3.
  11. Laurence Massart wordt bij het thans bestreden koninklijk be- sluit van 30 januari 2019 aangewezen tot het mandaat van eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel voor een termijn van vijf jaar. IV. Tussenkomst
  12. Laurence Massart is de begunstigde van het bestreden besluit en heeft er belang bij dat het beroep wordt afgewezen. Bijgevolg moet haar ver- zoek tot tussenkomst worden ingewilligd. V. Regelmatigheid van de rechtspleging
  13. Met het oog op de terechtzitting heeft de tussenkomende partij aan de Raad van State een pleitnota bezorgd. In die nota verzoekt zij om aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen.
  14. De verzoekers wijzen erop dat de zittingsnota gebruikt wordt om de schriftelijke procedurestukken aan te vullen en nieuwe argumenten aan de Raad van State ter kennis te brengen. Zij vragen om de nota uit het debat te weren. 7.
  15. Artikel 93 van het algemeen procedurereglement bepaalt dat het auditoraat verslag uitbrengt aan de voorzitter van de kamer belast met de zaak, indien blijkt dat het beroep tot nietigverklaring “slechts korte debatten ver- eist”. Deze bepaling wijkt af van de normale procedure, die hoofdza- kelijk schriftelijk verloopt, zodat de bedoelde zaken sneller kunnen worden afge- handeld. V-1987-4/28 In een mogelijkheid voor de partijen om dan nog schriftelijk te reageren op het auditoraatsverslag is in het procedurereglement niet voorzien, tenzij dan specifiek met het oog op de aanvragen, bedoeld in artikel 93, tweede en derde lid, van het algemeen procedurereglement. 7.
  16. Bij de toepassing van artikel 93 van het algemeen procedurere- glement moet rekening worden gehouden met de eminente rol die het recht op een eerlijk proces, daarin begrepen het respect voor woord en wederwoord, in een democratische samenleving vervult. Weliswaar belet de mondelinge fase van het debat de partijen geenszins om tegenargumenten aan te voeren en om vrijelijk de rechtspunten te bespreken die worden uiteengezet in het auditoraatsverslag. De rechten van ver- dediging kunnen evenwel des te doeltreffender worden uitgeoefend indien de partij die door het auditoraat in het ongelijk wordt gesteld een nota met opmer- kingen indient in de loop van de rechtspleging ex artikel
  17. Het gewicht van een mondeling pleidooi kan niet worden vergeleken met dat van een geschrift. 7.
  18. De pleitnota is neergelegd door een partij die in het ongelijk gesteld dreigt te worden. Ze is tijdig aan de andere partijen ter kennis gebracht. In de gegeven omstandigheden mag ze in aanmerking worden genomen.
  19. Op de vraag om de pleitnota uit het debat te weren wordt niet ingegaan. V-1987-5/28 VI. Ontvankelijkheid van het beroep A. Proceshoedanigheid en belang van de vzw Nederlandstalige Vereniging van Magistraten Exceptie
  20. De tussenkomende partij werpt op dat verzoekster wel kan op- komen ter verdediging van de collectieve belangen van haar leden, maar niet voor de eigen of persoonlijke belangen van sommige van haar leden. Beoordeling
  21. In het inleidend verzoekschrift merkt verzoekster op dat zij overeenkomstig haar statuten als doelstelling heeft, “de beroepsbelangen [van de (Nederlandstalige) magistraten] te verdedigen en te bevorderen”. Zij ziet haar belang hierin, dat de bestreden beslissing tot ge- volg heeft “dat de beroepsbelangen van Nederlandstalige magistraten ernstig ge- schaad worden” en dat zij “kan […] blijk geven van een voldoende en rechtmatig belang, aangezien zij een vereniging van (Nederlandstalige) magistraten betreft die ondermeer tot doel heeft de beroepsbelangen van haar leden te verdedigen”.
  22. Gelet op die uiteenzetting voert verzoekster met andere woor- den niet haar persoonlijk belang aan, noch een ideëel belang dat zij als vereniging zou nastreven en dat door het bestreden besluit wordt geraakt; zij beroept zich uitdrukkelijk en uitsluitend op een collectief belang, namelijk de verdediging van “de beroepsbelangen van haar leden”.
  23. In zoverre verzoekster beoogt zich te beroepen op het collectief belang van de groep die zij wordt geacht te vertegenwoordigen, kan haar toege- staan worden om ter verdediging van dit belang op te komen tegen onpersoonlij- V-1987-6/28 ke besluiten die haar groep nadelig treffen. Hierdoor wordt zij niet geacht op te komen voor een belang dat samenvalt met dit van de aanwijsbare kandidaten voor de functie.
  24. Evenwel is er in beginsel geen voldoende rechtstreeks verband tussen dat collectief belang en de individuele beslissing die een welbepaalde be- noeming inhoudt. Het bestreden besluit stelt de rechtstoestand vast van een wel- bepaalde magistraat en benadeelt in de eerste plaats dan ook individualiseerbare magistraten die zich door deze beslissing persoonlijk achteruit gesteld kunnen voelen. Het zijn zij die de hoedanigheid hebben om desgewenst voor hun belan- gen in rechte op te komen. In zoverre verzoekster thans claimt op te treden ter verdediging van de zuiver individuele belangen van haar leden, is het haar als belangenvere- niging niet toegestaan – bij gebreke aan een wettelijke bepaling die haar uitdruk- kelijk machtigt om in een dergelijk geval op te treden – om zich in de plaats te stellen van haar leden bij het in rechte aanvechten van een individuele akte zoals die in de huidige zaak voorligt en aldus het individueel belang te laten opgaan in een collectief belang.
  25. Uit wat voorafgaat volgt dat het beroep niet ontvankelijk is ingesteld door de vzw Nederlandse Vereniging van Magistraten. De exceptie is gegrond.
  26. Het beroep wordt hierna enkel nog onderzocht met betrekking tot verzoeker. V-1987-7/28 B. Belang van verzoeker Van Overloop Excepties
  27. In de nota betwist de verwerende partij het belang in hoofde van verzoeker. Zij argumenteert in de eerste plaats dat zijn belang onwettig is: de vacature exclusief openstellen voor kandidaten die behoren tot het Nederlands- talig taalstelsel zou immers strijdig zijn met artikel 259quater, § 6, van het Ge- rechtelijk Wetboek (GerW) en artikel 43bis, § 4, zevende lid, Taalwet Gerechts- zaken. Voorts werpt de verwerende partij op dat verzoeker nooit enige interesse heeft laten blijken voor het vacante ambt door bijvoorbeeld de va- cantverklaring aan te vechten of te melden bij de FOD Justitie dat hij geïnteres- seerd was in de betrekking. Verzoeker beweert enkel dat hij zich niet kandidaat meer kan stellen voor het mandaat en dat daaruit een voldoende en rechtmatig belang zou volgen. De onderliggende stelling dat hij zijn kandidatuur had willen indienen blijkt echter nergens uit. Er is geen enkel gegeven voorhanden dat toe- laat om te besluiten tot het bestaan van enig werkelijk nadeel in hoofde van ver- zoeker. Het aangevoerde belang is volgens de verwerende partij niet geloofwaar- dig.
  28. De tussenkomende partij betwist het belang van verzoeker om- dat hij zich geen kandidaat heeft gesteld voor de vacante betrekking. Ook zij wijst erop dat verzoeker heeft nagelaten de vacantverklaring, of haar eigen voordracht, aan te vechten. De eventuele vernietiging van het thans bestreden besluit kan vol- gens de tussenkomende partij niet leiden tot de benoeming van een Nederlandsta- lige kandidaat. V-1987-8/28 Beoordeling
  29. De verwerende partij betwist niet dat verzoeker, die raadsheer is in het hof van beroep te Antwerpen, voldoet aan de voorwaarden om zich kan- didaat te mogen stellen voor het mandaat van eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel. De tussenkomende partij betwist dit wel, maar zij komt niet verder dan een niet onderbouwde bewering.
  30. In beginsel doet diegene die kennis heeft gekregen van de op- roep tot de kandidaten voor een vacante betrekking, maar zich niet kandidaat heeft gesteld, niet blijken van het rechtens vereiste belang bij de nietigverklaring van de benoeming die in die betrekking wordt gedaan. In dat geval ontbreekt im- mers het geïndividualiseerde verband tussen de verzoekende partij en de bestre- den benoeming. De zaken liggen anders wanneer de verzoekende partij deugde- lijke redenen had om zich geen kandidaat te stellen. In casu mag van verzoeker, behorende tot het Nederlandse taalstelsel, niet worden verwacht dat hij zich kan- didaat zou stellen voor een vacant mandaat waarvan in de oproep wordt aangege- ven dat het is voorbehouden aan kandidaten behorende tot het Franse taalstelsel.
  31. Dat verzoeker in die omstandigheden heeft nagelaten zich kan- didaat te stellen, volstaat ook niet om zijn belang “niet geloofwaardig” te noe- men.
  32. De bekendmaking van een vacante betrekking en een voor- dracht zijn voorbereidende beslissingen die kaderen in een complexe rechtshan- deling die beëindigd wordt met de aanwijzing van een kandidaat in die betrek- king. Van een verzoekende partij wordt niet geëist dat zij die voorbereidende V-1987-9/28 beslissingen aanvecht, om haar belang bij het bestrijden van de eindbeslissing aan te tonen.
  33. Onregelmatigheden die kleven aan een voorbereidende beslis- sing en die geacht kunnen worden een determinerende invloed op de eindbeslis- sing te hebben gehad, mogen als middel worden aangevoerd in een annulatie- beroep tegen de eindbeslissing. Het is daarbij zonder belang of de onwettig ge- achte schakel in de keten van voorbereidende handelingen al dan niet zelf ont- vankelijk met een annulatieberoep kon zijn bestreden en of de termijn waarin dat nuttig kon gebeuren intussen al dan niet reeds verstreken is. Verzoeker voert in het enige middel aan dat de aanwijzing van de tussenkomende partij strijdig is met de Taalwet Gerechtszaken. Uit de ge- grondheid van dat middel volgt dat ook aan de oproep tot kandidaten en de voor- dracht van de tussenkomende partij, als voorbereidende beslissingen, dezelfde onregelmatigheid kleeft.
  34. Voor zover de verwerende partij opwerpt dat verzoeker geen wettig belang nastreeft omdat hij een voordeel nastreeft dat hij, gelet op de toe- passelijke rechtsregels niet wettig kan verkrijgen, valt deze exceptie samen met de grond van de zaak. Voor het overige zijn de excepties om de hiervóór gegeven redenen ongegrond. VII. Onderzoek van het enige middel Wettelijk kader
  35. Het past, voor een goed begrip van het middel, om eerst het wettelijk kader in herinnering te brengen. V-1987-10/28
  36. Artikel 43bis, § 4, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken luidt: “Bovendien moeten de opeenvolgende procureurs-generaal bij het hof van beroep te Brussel, de opeenvolgende eerste voorzitters bij datzelfde hof en de opeenvolgende federale procureurs, luidens hun diploma, behoren tot een verschillend taalstelsel.”
  37. Artikel 259quater, § 3bis, GerW luidt: “Uiterlijk op het einde van de 52e maand van de uitoefening van het man- daat brengt de korpschef bedoeld in § 1, tweede lid, de minister van Justi- tie ervan op de hoogte of hij al dan niet de verlenging van het mandaat vraagt. Indien hij deze verlenging niet vraagt, valt het mandaat open. [...] Indien de betrokkene de verlenging van het mandaat heeft gevraagd, zendt de minister van Justitie uiterlijk 60 dagen voor het verstrijken van het mandaat, het verlengingsdossier dat de stukken bevat bedoeld in arti- kel 259novies, § 10, veertiende lid, over aan de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie. De benoemings- en aanwijzingscommissie hoort de korpschef. De voordracht door de benoemings- en aanwijzingscommissie neemt de vorm aan van een met redenen omklede beslissing tot aanvaarding of weigering van de verlenging van het mandaat van korpschef. Zij wordt ui- terlijk 30 dagen voor het verstrijken van het mandaat overgezonden aan de Minister van Justitie. De verlenging van het mandaat of het openvallen van het mandaat vindt plaats binnen 30 dagen voor het verstrijken van het mandaat. In geval van aanwijzing van een korpschef bedoeld in § 6, derde lid, lo- pen de in deze paragraaf bedoelde termijnen volgens het tijdschema dat van toepassing zou geweest zijn op zijn voorganger. Indien het mandaat van een korpschef niet wordt verlengd, wordt het mandaat, tot de aanwijzing van de opvolger, uitgeoefend door een ad- junct-mandaathouder naar orde van dienstanciënniteit of bij ontstentenis van deze door een ander magistraat naar orde van dienstanciënniteit.”
  38. Artikel 259quater, § 6, GerW luidt: “Het openvallen van een mandaat van korpschef leidt tot toepassing van artikel 287sexies. Indien het mandaat van eerste voorzitter van het Hof van Cassatie of van procureur-generaal bij het Hof van Cassatie voortijdig openvalt, wordt ar- tikel 287sexies enkel toegepast voor zover de normale einddatum van het mandaat ten minste twee jaar verwijderd is van het tijdstip waarop het mandaat openvalt. Indien deze termijn korter is dan twee jaar, wordt het V-1987-11/28 mandaat voltooid door de vervanger bedoeld in artikel 319, tweede lid, tweede zin. Indien op het tijdstip waarop een mandaat van federale procureur, van eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel, van procureur- generaal bij het hof van beroep te Brussel of van eerste voorzitter van het arbeidshof te Brussel voortijdig openvalt, de normale einddatum van het mandaat ten minste twee jaar verwijderd is, wordt artikel 287sexies toe- gepast. Indien op het tijdstip waarop een mandaat bedoeld in het derde lid voor- tijdig openvalt, de normale einddatum van het mandaat minder dan twee jaar verwijderd is, wordt het mandaat voltooid door de vervanger bedoeld in artikel 319, tweede lid, tweede zin. Indien de vervanging bedoeld in het vierde lid in de loop van het eerste mandaat gebeurt, wordt artikel 287sexies toegepast voor de toekenning van een mandaat voor de hernieuwingsperiode of voor het resterende deel van deze periode. In geval van een oproep tot de kandidaten met toepassing van het twee- de, derde en vijfde lid, kunnen op straffe van onontvankelijkheid enkel degenen die voldoen aan dezelfde taalvoorwaarden als de korpschef wiens mandaat voortijdig afloopt, zich kandidaat stellen. De duur van het mandaat van degene die met toepassing van het tweede, derde of vijfde lid, tot korpschef wordt aangewezen, wordt in afwijking van § 1 beperkt tot de resterende duur van het mandaat dat voortijdig af- loopt. Indien de aanwijzing in een mandaat bedoeld in het derde lid even- wel gebeurt in de loop van het eerste mandaat, wordt voor de hernieu- wingsperiode § 3bis toegepast.” Artikel 287sexies GerW, waarnaar het geciteerde artikel meer- maals verwijst, regelt de wijze van bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad en de wijze van kandidaatstelling. Standpunt van de partijen
  39. Volgens verzoeker schendt het bestreden besluit artikel 43bis, § 4, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken ten gevolge van een foute toepassing van artikel 259quater, § 6, GerW, aangezien de vacante betrekking van eerste voorzit- ter van het hof van beroep te Brussel voorbehouden werd aan kandidaten beho- rend tot het Franse taalstelsel, terwijl een magistraat behorend tot het Nederlandse taalstelsel benoemd had moeten worden. V-1987-12/28 Verzoeker wijst erop dat de vorige eerste voorzitter, die tot het Franse taalstelsel behoort, niet heeft verzocht om de hernieuwing van zijn man- daat. Overeenkomstig artikel 259quater, § 3bis, GerW valt dan het mandaat open. Uit artikel 43bis, § 4, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken volgt dan weer dat de volgende eerste voorzitter moet behoren tot het Nederlandse taalstelsel. Het bestreden besluit is volgens hem het gevolg van een foutie- ve interpretatie van artikel 259quater, § 6, GerW door een onjuiste lezing van de voorbereidende werken van de wet van 18 december 2006, waarbij de verweren- de partij de vervanging ingevolge het voortijdig openvallen van een mandaat verwart met een mandaat dat openvalt omdat, zoals in casu, de betrokkene geen hernieuwing vraagt. Het initiële wetsontwerp bepaalde dat in geval van een oproep tot de kandidaten op straffe van verval zich enkel de personen kandidaat kunnen stellen die beantwoorden aan dezelfde taalkundige voorwaarden als de korpschef van wie het mandaat “voortijdig wordt beëindigd of niet is verlengd” (Parl.St. Senaat 2005-06, nr. 3-1707/1, 17). Dit zou inhouden dat de huidige voorzitter van het hof van beroep te Brussel enkel door een kandidaat van het Franstalige taal- stelsel opgevolgd zou kunnen worden aangezien hij geen verlenging van zijn mandaat verzocht had. Het ontwerp werd evenwel ingrijpend gewijzigd door amende- ring in het parlement (amendement nr. 2 van de regering, Parl.St. Senaat 2005- 06, nr. 3-1707/2, 4) en de uiteindelijke wetsbepaling bevat niet langer die taal- voorwaarden, aangezien enkel nog bij voortijdige beëindiging van het mandaat van de korpschef – “de korpschef wiens mandaat voortijdig afloopt” – en niet langer bij niet-verlenging van zijn mandaat, vereist is dat zijn opvolger tot het- zelfde taalstelsel behoort. Artikel 259quater, § 6, GerW bepaalt derhalve nergens dat bij het niet verlengen van het mandaat van een korpschef te Brussel, zoals de eerste V-1987-13/28 voorzitter van het hof van beroep te Brussel, diens betrekking voorbehouden dient te worden voor kandidaten behorend tot hetzelfde taalstelsel. Bijgevolg dient, wanneer een eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel zijn man- daat niet verlengt, het opengevallen mandaat, conform artikel 43bis, § 4, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken, voorbehouden te worden aan een kandidaat van een verschillend taalstelsel. Volgens verzoeker volgt uit artikel 43bis, § 4, zevende lid, Taalwet Gerechtszaken enkel dat “bij wijze van overgang” en “bij hun eerste aanwijzing” van de korpschefs in een taalevenwicht is voorzien. Voor de daarop- volgende benoemingen en aanwijzingen geldt artikel 43bis, § 4, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken.
  40. In haar nota antwoordt de verwerende partij dat een mandaat van eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel verleend wordt voor een termijn van vijf jaar en in beginsel overeenkomstig artikel 259quater, § 3bis, GerW rechtstreeks eenmaal wordt verlengd. De verlenging betreft geen opportu- niteitsbeoordeling, maar is een gebonden bevoegdheid van de Koning. Na een termijn van tien jaar dient het mandaat vervolgens door iemand anders te worden ingevuld; iemand anders die behoort tot een ander taalstelsel. Aangezien het mandaat rechtstreeks eenmalig kan worden ver- lengd, wordt de eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel in principe steeds voor een periode van tweemaal vijf jaar, zijnde tien jaar, aangesteld. De verwerende partij stelt dat het voortijdig openvallen van het mandaat als bedoeld in artikel 259quater GerW óók de situatie inhoudt waarin de korpschef ervoor kiest na het verstrijken van de eerste mandaattermijn van vijf jaar de uitoefening van het mandaat stop te zetten en het mandaat bijgevolg niet te verlengen voor de gehele periode van tien jaar. Artikel 43bis, § 4, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken moet in casu niet worden toegepast, door de omstandig- heid dat de nieuwe aanwijzing plaatsvindt voor de hernieuwingsperiode van vijf V-1987-14/28 jaar van het mandaat van tien jaar dat aan een Franstalige was toegewezen om het taalevenwicht te bewaren met het parket-generaal. Artikel 259quater GerW dient immers in het licht van zijn normdoel te worden geïnterpreteerd, namelijk het garanderen door “taalalterna- tie” van het taalevenwicht op het niveau van alle verschillende hogere korpschefs te Brussel. De aanvang en het einde van de mandaten van de verschillende korps- chefs lopen de facto gelijk. Zowel het mechanisme van het taalevenwicht als dat van de taalalternatie werden door de wetgever bevestigd in de verschillende sta- dia van de wijziging van artikel 259quater, § 6, GerW sinds de invoeging ervan met de wet van 22 december
  41. De tussenkomende partij verwijst naar het oorspronkelijke wetsvoorstel betreffende de wijziging van artikel 43bis Taalwet Gerechtszaken, naar het amendement op dat voorstel van H. Vandenberghe (Parl.St. Senaat 1998-99, nr.1-1066/5) alsook naar het antwoord van de minister van Justitie op vragen dienaangaande (Parl.St. Senaat 1998-99, nr.1-1066/6, 180). Daaruit leidt zij af dat het de wil van de wetgever is om een taalevenwicht te bewaren door een alternerend taalsysteem in te voeren. Aldus moet ook artikel 259quater, § 6, GerW worden begre- pen. Ook in de voorbereidende werken tot de wet van 19 juli 2012 wordt verwe- zen naar hetzelfde alternerend taalsysteem als bedoeld in de Taalwet Gerechtsza- ken. Volgens de tussenkomende partij is de verwijzing naar “opeen- volgende eerste voorzitters” in de Taalwet Gerechtszaken dubbelzinnig. Om de draagwijdte te begrijpen moet dan ook rekening worden gehouden met de wil van de wetgever zoals die blijkt uit de parlementaire voorbereiding. Een vroegtijdig openvallen van een mandaat kan dan maar op één enkele manier worden geïnter- preteerd, namelijk elke situatie waarin het mandaat vacant wordt en waarbij het V-1987-15/28 taalevenwicht moet worden behouden. Daarbij gaat zij uit van het begrip „volle- dig mandaat‟ waarmee zij bedoelt twee mandaten van vijf jaar. Beoordeling
  42. Luidens artikel 43bis, § 4, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken, moeten de “opeenvolgende” eerste voorzitters van het hof van beroep “behoren tot een verschillend taalstelsel”. De Raad van State kan in deze bepaling geen onduidelijkheid of dubbelzinnigheid ontdekken. In het normale taalgebruik zijn “opeenvolgende” korpschefs de korpschefs die “op elkaar volgen” (Van Dale), “qui se succèdent” (Petit Robert). Het is de ene, na de andere. De huidige korps- chef – de tussenkomende partij – is de opvolger van de vorige korpschef L.M. Zij zijn “opeenvolgende” korpschefs.
  43. Deze bepaling mag dan ondubbelzinnig zijn, een andere vraag is het, te weten of ze een algemene regel stelt waarop de wetgever niettemin in uitzonderingen heeft voorzien, waarbij de opvolger toch mag of zelfs moet beho- ren tot hetzelfde taalstelsel als de korpschef die hij opvolgt. Volgens de verwerende partij en de tussenkomende partij is dat het geval. Zij steunen voor hun stelling op artikel 259quater GerW en zij geven ook grote aandacht aan parlementaire stukken.
  44. Het eerste argument van de verwerende partij, namelijk dat een mandaat van eerste voorzitter van het hof van beroep rechtstreeks wordt verlengd zonder opportuniteitsbeoordeling, kan niet overtuigen om de eenvoudige reden dat het niet strookt met hetgeen bepaald is in artikel 259quater, § 3bis, GerW. De korpschef die een verlenging wenst, moet dit al eerst zelf vragen. Het valt dan aan de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie toe om het verlengingsdossier te onderzoeken en, na de korpschef ge- hoord te hebben, een voordracht te doen in de vorm van een met redenen omkle- V-1987-16/28 de beslissing tot aanvaarding of weigering van de verlenging van het mandaat. De verlenging is dus noch rechtstreeks, noch zonder opportuniteitsbeoordeling.
  45. De verwerende partij verantwoordt haar beslissing voorts op grond van artikel 259quater, § 6, zesde lid, GerW: enkel zij die voldoen aan de- zelfde taalvoorwaarden als “de korpschef wiens mandaat voortijdig afloopt”, mo- gen zich kandidaat stellen en aangezien L.M. Franstalig is, is de vacature voorbe- stemd voor een Franstalige. Artikel 259quater, § 6, zesde lid, GerW bevat inderdaad een uitzondering op de taalalternatie die is voorgeschreven in de Taalwet Gerechtsza- ken. Voormeld zesde lid verwijst evenwel naar het tweede, derde en vijfde lid van die paragraaf en ziet dus op de vervanging van een korpschef wiens mandaat “voortijdig openvalt” – het zij méér dan wel minder dan twee jaar vóór de normale einddatum ervan.
  46. Het mandaat van L.M. is evenwel niet voortijdig opengevallen: hij heeft zijn mandaat tot de normale einddatum uitgeoefend. Artikel 259quater, § 6, zesde lid, GerW is bijgevolg op de voorliggende situatie niet van toepassing. De mandaatperiode duurt vijf jaar, ze is éénmaal verlengbaar, en nu de betrokke- ne zijn mandaatperiode ook effectief uitdoet, is er van een voortijdige stopzetting van het mandaat geen sprake.
  47. Volgens de verwerende partij druist dit in tegen de bedoeling van de wetgever. Haar betoog kan de Raad evenwel niet overtuigen om de in het geding zijnde bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek en van de Taalwet Ge- rechtszaken tegen hun uitdrukkelijke bewoordingen in te interpreteren. V-1987-17/28
  48. De verwijzing door de verwerende partij, in haar bespreking van het wettelijk kader, naar wetgevingsstuk 3-1707/2 waarin vier perioden on- derscheiden worden waarin een mandaat voortijdig kan worden beëindigd, is niet relevant. De gegeven voorbeelden betreffen aldaar ook telkens de voortijdige beëindiging van het mandaat vóór de normale einddatum. In casu wordt het man- daat niet voortijdig beëindigd in de loop van de twee jaar die voorafgaan aan het normale einde van het eerste mandaat. Het eerste mandaat wordt immers volledig uitgedaan, of nog, het bereikt zijn normale einde.
  49. De verwerende partij ondersteunt haar zienswijze voorts met een verwijzing naar artikel 43bis, § 4, zevende lid, Taalwet Gerechtszaken. Dit argument kan evenmin overtuigen, integendeel. De genoemde bepaling luidt: “Onverminderd de bepalingen van de voorgaande leden moeten, bij wijze van overgang, in voorkomend geval, bij hun eerste aanwijzing bedoeld in artikel 102, § 1, eerste lid, van de wet van 22 december 1998 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoering van een evaluatiesysteem voor magistra- ten, de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel en de eerste voorzitter bij datzelfde hof, luidens hun diploma behoren tot een verschil- lend taalstelsel.” Zoals de verwerende partij terecht opmerkt, voert deze bepaling een taalevenwicht in tussen de ambten van procureur-generaal en eerste voorzitter van het hof van beroep. Zoals verzoeker even terecht tegenwerpt, is dit taalevenwicht naar luid van deze bepaling voorgeschreven “bij wijze van overgang” en “bij hun eerste aanwijzing”. Indien het een permanent systeem moest zijn, dan had deze bepaling de volgende redactie gekregen: V-1987-18/28 “Onverminderd de bepalingen van de voorgaande leden moeten de procu- reur-generaal bij het hof van beroep te Brussel en de eerste voorzitter bij datzelfde hof, luidens hun diploma behoren tot een verschillend taalstel- sel.” Met andere woorden, en anders dan wel het geval is voor de magistraten van de zetel en van het parket van het Hof van Cassatie, ontbreekt voor de magistraten bij het hof van beroep een bepaling, analoog aan arti- kel 43quater, tweede en derde lid, Taalwet Gerechtszaken: “De eerste voorzitter en de procureur-generaal moeten, luidens hun di- ploma, behoren tot een verschillend taalstelsel. De opeenvolgende eerste voorzitters en procureurs-generaal moeten, lui- dens hun diploma, behoren tot een verschillend taalstelsel.”
  50. De door de verwerende partij verdedigde interpretatie van het begrip „voortijdig openvallen‟ in artikel 259quater, § 6, GerW is des te minder bij te vallen omdat uit de parlementaire bespreking blijkt dat ze door de wetgever is afgewezen – meer bepaald is de vermeende bedoeling van de wetgever door de wetgever nu net afgewezen door het overnemen van een regeringsamendement. In het ontwerp dat aan de Senaat was voorgelegd, was effectief een regeling voorgesteld die tegemoet kwam aan de huidige zienswijze van de verwerende partij (Parl.St. Senaat 2005-06, nr. 3-1707/1, 17; de Raad cursiveert): “In geval van een oproep tot de kandidaten overeenkomstig het tweede of derde lid, kunnen op straffe van verval zich enkel de personen kandidaat stellen die beantwoorden aan dezelfde taalkundige voorwaarden als de korpschef van wie het mandaat voortijdig wordt beëindigd of niet is ver- lengd.” In die initiële versie van het wetsontwerp werd derhalve inder- daad bepaald dat zowel bij het voortijdig openvallen als bij het niet verlengen van een mandaat van korpschef te Brussel, dit mandaat enkel toegekend kon worden aan een kandidaat van hetzelfde taalstelsel: “[i]ndien een mandaat van korpschef te Brussel niet wordt verlengd, wordt het mandaat verplicht toegekend aan een V-1987-19/28 korpschef van dezelfde taalrol als de uittredende korpschef” (Parl.St. Senaat 2005-06, nr. 3-1707/1, 9). Daarop echter heeft de regering haar ontwerp zelf middels een amendement gewijzigd (Parl.St. Senaat 2005-06, nr. 3-1707/2, 4) tot de tekst die de huidige paragraaf 6 is: er is nog enkel sprake van de korpschef “wiens man- daat voortijdig afloopt” en niet meer van de korpschef wiens mandaat “niet is verlengd”. De verantwoording bij dit amendement is beperkt, zoals hiervóór reeds is opgemerkt, tot het onderscheiden van vier perioden “tijdens welke een mandaat voortijdig kan worden beëindigd” en bespreekt niet de (taalalternatie bij de) niet-verlenging ervan. Deze verantwoording leert dus enkel wat reeds in de tekst is te lezen, namelijk dat de vervanger van wie het mandaat voortijdig beëin- digt, tot hetzelfde taalstelsel moet behoren en dat bij een eventuele verlenging van het mandaat van die vervanger zijn of haar mandaat in ieder geval tien jaar na het begin van het eerste mandaat ten einde zal lopen.
  51. De vermeende bedoeling van de wetgever biedt geen soelaas indien de wettekst in weerwil van die bedoeling wat anders zegt. In dat geval ligt het op de weg van de wetgever om zijn wetgevend werk over te doen. Maar ten overvloede kan nog worden opgemerkt dat ook de parlementaire voorbereiding zeker niet zo eenduidig is als door de tussenkomende partij wel wordt beweerd. Wat haar citaten betreft uit de stukken en bespreking bij de totstandkoming van de wet van 22 december 1998, die artikel 259quater in het Gerechtelijk Wetboek heeft ingevoerd, verliest de tussenkomende partij uit het oog dat het mandaat van korpschef initieel zeven jaar zou duren en, vooral, niet onmiddellijk hernieuwbaar was in hetzelfde rechtscollege of binnen hetzelfde parket (artikel 259quater, § 1, GerW zoals ingevoegd bij de wet van 22 december 1998). Er was toentertijd met andere woorden geen sprake van hernieuwbare mandaten en elke verklaring in het parlement had uiteraard dan ook enkel betrek- king op de situatie van een mandaat dat “voortijdig openvalt” omwille van een korpschef die zijn eenmalige, niet verlengbare mandaat voortijdig neerlegt. Die V-1987-20/28 verklaringen kunnen geen inzicht verschaffen over de wil van de wetgever over een toen onbestaande situatie of om te helpen bij de interpretatie van een toen nog niet bestaande regel. Bij wet van 18 december 2006 is paragraaf 3bis ingevoegd in artikel 259quater GerW. De mandaten, die nu herleid zijn tot vijf jaar, zijn her- nieuwbaar. Dezelfde wet van 18 december 2006 heeft artikel 259quater, § 6, GerW volledig vervangen. De bedoelde paragraaf is gewijzigd op de wijze zoals hiervóór beschreven. Nog steeds bevat deze paragraaf een regeling, zoals voorheen, met betrekking tot het mandaat dat voortijdig openvalt. In zoverre res- pecteert deze paragraaf overigens nog steeds de bedoeling van de wetgever van 1998, die ook enkel betrekking had op voortijdig opengevallen mandaten. Ter gelegenheid van die wijziging, heeft de minister tijdens de parlementaire bespreking van het ontwerp dat heeft geleid tot de besproken bepa- ling van het Gerechtelijk Wetboek in de bevoegde commissie ook het volgende verklaard (Parl.St. Senaat 2005-06, nr. 3-1707/5, 68): “De minister beantwoordt de opmerkingen van de leden als volgt. De beurtwisseling van taalrol is opgenomen in de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken (art. 43 e.v.). Het wetsontwerp wijzigt die regels niet.” Ingevolge de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel is bij wet van 19 juli 2012 artikel 259quater, § 6, derde lid, aangepast. Die aanpassing komt er louter op neer dat de vermelding van de magistraten van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Brussel uit de opsomming zijn weggelaten, omdat hun taalrol voortaan vaststaat.
  52. Artikel 259quater GerW was bij zijn invoering in 1998 en is nog steeds een uitzondering op de taalalternatie die is voorgeschreven door de Taalwet Gerechtszaken voor zover het de vervanger betreft van een korpschef V-1987-21/28 waarvan het mandaat voortijdig openvalt, dat wil zeggen vóór het normale einde ervan. De Raad van State kan er evenwel niet toe komen om arti- kel 259quater, § 6, zesde lid, GerW, zoals deze bepaling is gewijzigd bij de wet van 18 december 2006, zo te lezen dat het ook van toepassing is bij de niet- hernieuwing van het mandaat en aldus impliciet artikel 43bis, § 4, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken zou wijzigen.
  53. In tegenstelling tot hetgeen in het bekendmakingsbericht wordt vermeld, is er geen sprake van een hernieuwingsperiode, maar van een daadwer- kelijk nieuw mandaat. Het mandaat van L.M. kan niet worden hernieuwd om de vrij eenvoudige reden dat hij geen verlenging ervan vraagt. Het mandaat valt dan open. Met toepassing van artikel 43bis, § 4, tweede lid, Taalwet Ge- rechtszaken moet de opeenvolgende eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel, luidens zijn of haar diploma, behoren tot een verschillend taalstelsel, met andere woorden in casu het Nederlandse.
  54. Het auditoraat heeft in zoverre terecht gemeend dat een kort debat volstaat om de zaak op te lossen. VIII. Prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof Verzoek
  55. In haar pleitnota stelt de tussenkomende partij vast dat de Raad van State recent een interpretatie heeft gegeven aan de in het geding zijnde of gelijkluidende bepalingen, namelijk in arrest nr. 244.845 van 18 juni 2019 dat betrekking heeft op de aanwijzing van een eerste voorzitter van het arbeidshof te Brussel en waarin dezelfde rechtsvragen aan bod zijn gekomen. V-1987-22/28 De tussenkomende partij voert in haar pleitnota geen inhoude- lijke argumenten aan waarmee zij de Raad ertoe zou willen brengen om die inter- pretatie te heroverwegen. Wel verzoekt zij de Raad om het Grondwettelijk Hof te ondervragen over de overeenstemming van artikel 43bis, § 4, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken, gelezen in samenhang met artikel 259quater, § 6, GerW, met artikel 10 en 11 van de Grondwet, in de interpretatie dat voor het mandaat van eerste voorzitter bij het hof van beroep te Brussel, de kandidatuur van een magi- straat die aan dezelfde taalvoorwaarden voldoet als de titularis van de mandaat- houder wiens mandaat afloopt, ontvankelijk is wanneer laatstgenoemde, wiens mandaat kan worden hernieuwd en die erom heeft gevraagd, niet wordt her- nieuwd, terwijl de kandidatuur van een magistraat die aan dezelfde taalvoorwaar- den voldoet als de titularis van de mandaathouder wiens mandaat afloopt, niet ontvankelijk is wanneer deze laatste, wiens mandaat kan worden hernieuwd, niet zou hebben gevraagd om zijn hernieuwing. Beoordeling
  56. Met de referentie aan “de kandidatuur van een magistraat die aan dezelfde taalvoorwaarden voldoet als de titularis van de mandaathouder wiens mandaat afloopt”, die “niet ontvankelijk is wanneer deze laatste, wiens mandaat kan worden hernieuwd, niet zou hebben gevraagd om zijn hernieuwing”, verwijst de tussenkomende partij naar haar eigen situatie. Zoals hiervóór is vastgesteld, is die kandidatuur inderdaad on- ontvankelijk.
  57. Indien een mandaathouder met toepassing van artikel 259quater, § 3bis, GerW om een verlenging verzoekt van zijn mandaat en dat wordt geweigerd, dan valt het mandaat evengoed open en volgt luidens het acht- ste lid van die paragraaf een “aanwijzing van de opvolger”. Ook in dit geval is het mandaat niet voortijdig opengevallen, oefent de korpschef het mandaat effectief uit tot de normale einddatum, maar wordt het niet hernieuwd. V-1987-23/28 Die situatie verschilt dus niet van de situatie van de mandaat- houder die niet om een hernieuwing verzoekt, wat de toepassing van artikel 43bis, § 4, derde lid, Taalwet Gerechtszaken op de “opeenvolgende” mandaat- houders betreft. De kandidatuur van de magistraat “die aan dezelfde taalvoor- waarden voldoet als de titularis van de mandaathouder wiens mandaat afloopt”, “wanneer laatstgenoemde, wiens mandaat kan worden hernieuwd en die erom heeft gevraagd, niet wordt hernieuwd” is met andere woorden eveneens onont- vankelijk.
  58. In de beide door de tussenkomende partij genoemde gevallen is de kandidatuur van de magistraat die aan dezelfde taalvoorwaarden voldoet als de vorige titularis dus onontvankelijk. Aangezien tussen beide genoemde situaties geen verschil in behandeling bestaat, steunt de voorgestelde formulering van de vraagstelling op een verkeerde premisse. Ze is dan ook niet prejudicieel aan het voorliggende geschil en moet in de voorgestelde bewoordingen niet worden ge- steld.
  59. De tussenkomende partij verliest voorts uit het oog dat geen enkele bepaling van het Gerechtelijk Wetboek of de Taalwet Gerechtszaken thans een korpschef die, zoals de tussenkomende partij, voor een volle periode van vijf jaar wordt aangewezen verbiedt om bij afloop van haar mandaat met toepassing van artikel 259quater, § 3bis, GerW om een hernieuwing te vragen. Dit zou ertoe kunnen leiden dat het mandaat van korpschef in het hof van beroep te Brussel gedurende drie mandaatperiodes wordt ingevuld door magistraten die aan dezelfde taalvoorwaarde voldoen, wat het door de tus- senkomende partij beoogde taalevenwicht tussen de eerste voorzitter en de procu- reur-generaal opnieuw doet verbreken. V-1987-24/28 De Raad van State bedenkt in dat verband dat de beleidskeuze om de taalalternatie ondergeschikt te maken aan een taalevenwicht tussen de korpsoversten van de zetel en het parket op het niveau van het hof van beroep te Brussel, zoals reeds is opgemerkt sub 38, naar zijn oordeel in voorkomend geval gerealiseerd moet worden op een sluitende wijze – dus zonder op termijn een nieuwe verstoring van het taalevenwicht te creëren – door een wetgevend optre- den. Ondertussen past het evenwel om het Grondwettelijk Hof te ondervragen over de huidige wettelijke regeling. Daarbij dient ook artikel 259quater, § 3bis, GerW te worden betrokken. Indien het Hof zou besluiten tot een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, ligt het op de weg van dit Hof om hetzij aan de wet- gever een richtsnoer te bieden om de wettelijke lacune aan te passen, hetzij de Raad van State de handvaten aan te reiken voor de grondwetsconforme interpre- tatie die het Hof toelaatbaar acht. IX. Vordering tot schorsing
  60. Verzoeker vordert tevens de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden aanwijzingsbesluit. Nu de Raad van State geen einduitspraak doet in het geschil ten gronde, dient die vordering te worden onderzocht.
  61. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima fa- cie kan verantwoorden. V-1987-25/28
  62. Om de spoedeisendheid te verantwoorden, verwijst verzoeker in het inleidend verzoekschrift naar de inhoud van het gepubliceerde bericht in het Belgisch Staatsblad van 15 februari 2019 waarmee de aanwijzing van de tus- senkomende partij werd bekendgemaakt. Aangezien de tussenkomende partij effectief het mandaat zal uitoefenen, kan dit volgens verzoeker tot ernstige pro- blemen leiden met betrekking tot de werking van het hof van beroep te Brussel. Voorts wijst hij op het openbare-ordekarakter van de Taalwet Gerechtszaken. De tussenkomende partij, aldus verzoeker, is benoemd op basis van een beslissing die strijdig is met de openbare orde.
  63. Verzoeker verliest uit het oog dat de ernst van het middel en de spoedeisendheid twee afzonderlijke schorsingsvoorwaarden zijn. Voorts maakt verzoeker, die op dit ogenblik als magistraat zelfs niet betrokken is bij de werking van het hof van beroep te Brussel, in zijn uiteen- zetting in het geheel niet inzichtelijk waarom hij de door hem geschetste situatie niet kan ondergaan tot aan de einduitspraak in de procedure ten gronde.
  64. De spoedeisendheid is niet aangetoond. Die vaststelling vol- staat om de gevraagde schorsing te verwerpen. X. Verloop van de procedure
  65. Ten gevolge van de verwerping van de vordering tot schorsing zal verzoeker zich erover moeten beraden of hij de voortzetting van de procedure vraagt. In bevestigend geval zal de prejudiciële vraag aan het Grond- wettelijk Hof worden voorgelegd en zal de zaak ten gronde volgens de gewone procedure voortgezet worden. Dit betekent dat, na ontvangst van het antwoord van het Grondwettelijk Hof, de partijen de gelegenheid zullen krijgen om een memorie van antwoord en een memorie van wederantwoord in te dienen. V-1987-26/28 BESLISSING
  66. Het verzoek van Laurence Massart tot tussenkomst wordt ingewilligd.
  67. De Raad van State verwerpt het beroep voor zover het is ingesteld door de vzw Nederlandstalige Vereniging van Magistraten.
  68. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
  69. De Raad van State heropent het debat.
  70. Aan het Grondwettelijk Hof wordt de volgende vraag voorgelegd: Schendt artikel 43ter, § 3, tweede en zevende lid, van de wet van 15 juni 1935 ‘op het gebruik der talen in gerechtszaken’, gelezen in samenhang met artikel 259quater, §§ 3bis en 6, van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door, afwijkend op de in de taalwetgeving voorgeschreven taalalternatie tussen opeenvol- gende mandaathouders, in een taalevenwicht te voorzien tussen de eerste voorzitter van het hof van beroep en de procureur-generaal bij datzelfde hof bij wijze van overgangsmaatregel bij hun eerste aanwij- zing als bedoeld in voormeld artikel 43ter, § 3, zevende lid, of bij het voortijdig openvallen als bedoeld in voormeld artikel 259quater, maar niet bij hun aanwijzing nadat het (eerste) mandaat van hun voorgan- ger is beëindigd zonder verlenging?
  71. Het beroep tot nietigverklaring wordt na ontvangst van het antwoord van het Hof behandeld volgens de gewone procedure.
  72. De eerste verzoekende partij wordt, wat haar betreft, verwezen in de kos- ten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. V-1987-27/28 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 3 januari 2020, door de Raad van State, Ve kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Luc Cambier, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren V-1987-28/28 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.548 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.