id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.549 Rolnummer: A. 228165/V-1991 Zaak: Arrest 246549 - Personeel van de rechterlijke orde - 03/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-01-14 Raadplegingen: 102 - laatst gezien 2026-06-25 21:59 Versie(s): Vertaling FR Fiche Arrest nr 246.549 van 3 januari 2020 Justitie - Personeel van de rechterlijke orde Beslissing : Vernietiging Inwilliging tussenkomst bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Ve KAMER nr. 246.549 van 3 januari 2020 in de zaak A. 228.165/V-1991 In zake:
- de VZW NEDERLANDSTALIGE VERENIGING VAN MAGISTRATEN
- Dirk VAN OVERLOOP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Fernand Keuleneer kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Emmanuel Jacubowitz en Anthony Poppe kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Marc DALLEMAGNE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat François Tulkens kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp
- Het beroep, ingesteld op 20 mei 2019, strekt tot de nietigverkla- ring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 13 april 2019 waarbij Marc Dallemagne wordt benoemd tot raadsheer in het ar- V-1991-1/14 beidshof te Brussel en tevens wordt aangewezen tot het mandaat van eerste voor- zitter van het arbeidshof te Brussel voor een termijn van vijf jaar. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Marc Dallemagne heeft een verzoekschrift tot tussenkomst in- gediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van arti- kel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟. Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 november
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Fernand Keuleneer, die verschijnt voor de verzoe- kende partijen, advocaat Anthony Poppe, die tevens loco advocaat Emmanuel Jacubowitz verschijnt voor de verwerende partij en advocaat François Tulkens, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. V-1991-2/14 Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven, behalve wat de omvang van de uit te spreken nietigverklaring betreft. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 15 mei 2013 verschijnt in het Belgisch Staatsblad een me- dedeling aangaande vacante betrekkingen in de magistratuur. Een van de vacante betrekkingen is die van eerste voorzitter van het arbeidshof te Brussel, vanaf 2 april
- De mededeling vermeldt dat met toepassing van artikel 43ter, § 3, van de wet van 15 juni 1935 „op het gebruik der talen in gerechtszaken‟, in deze plaats dient te worden voorzien door de benoeming van een Franstalige kandi- daat. Bij koninklijk besluit van 26 januari 2014, dat in werking treedt op de datum van de eedaflegging, welke niet mag gebeuren vóór 2 april 2014, wordt A.S. aangewezen tot het mandaat van eerste voorzitter van het arbeidshof te Brussel, voor een termijn van vijf jaar. Niet wordt betwist dat A.S. behoort tot het Franse taalstelsel. 3.
- Op 1 juni 2018 deelt A.S. mee dat zij geen verlenging van haar mandaat zal vragen. 3.
- Hierop verschijnt in het Belgisch Staatsblad van 21 september 2018 (ed. 2, 73381) een bericht betreffende de vacante betrekking van eerste voorzitter van het arbeidshof te Brussel. Het bericht bevat nog de volgende me- dedeling: V-1991-3/14 “In toepassing van artikel 259quater, § 6 van het Gerechtelijk Wetboek dient dit mandaat voor de hernieuwingsperiode te worden toegekend aan een kandidaat die door zijn diploma bewijst de examens van doctor, licen- tiaat of master in de rechten in het Frans te hebben afgelegd.” 3.
- Marc Dallemagne wordt bij het thans bestreden koninklijk be- sluit van 13 april 2019 benoemd tot raadsheer in het arbeidshof te Brussel en te- vens wordt hij aangewezen tot het mandaat van eerste voorzitter van het arbeids- hof te Brussel voor een termijn van vijf jaar. 3.
- Bij arrest nr. 244.845 van 18 juni 2019 vernietigt de Raad van State het sub 3.3 genoemde vacaturebericht. IV. Tussenkomst
- Marc Dallemagne blijkt voordeel te halen uit het bestreden be- sluit en heeft er belang bij dat het beroep wordt afgewezen. Bijgevolg moet zijn verzoek worden ingewilligd. V. Ontvankelijkheid van het beroep ratione personae A. Verzoekster vzw Nederlandstalige Vereniging van Magistraten
- In het inleidend verzoekschrift merkt verzoekster op dat zij overeenkomstig haar statuten als doelstelling heeft, “de beroepsbelangen [van de (Nederlandstalige) magistraten] te verdedigen en te bevorderen”. Zij ziet haar belang hierin, dat de bestreden beslissing tot ge- volg heeft “dat de beroepsbelangen van Nederlandstalige magistraten ernstig ge- schaad worden” en dat zij “kan […] blijk geven van een voldoende en rechtmatig belang, aangezien zij een vereniging van (Nederlandstalige) magistraten betreft die ondermeer tot doel heeft de beroepsbelangen van haar leden te verdedigen”. V-1991-4/14
- Gelet op die uiteenzetting voert verzoekster met andere woor- den niet haar persoonlijk belang aan, noch een ideëel belang dat zij als vereniging zou nastreven en dat door het bestreden besluit wordt geraakt; zij beroept zich uitdrukkelijk en uitsluitend op een collectief belang, namelijk de verdediging van “de beroepsbelangen van haar leden”.
- In zoverre verzoekster beoogt zich te beroepen op het collectief belang van de groep die zij wordt geacht te vertegenwoordigen, kan haar toege- staan worden – zoals de Raad van State reeds overwoog in zijn arrest nr. 244.845 van 18 juni 2019 – om ter verdediging van dit belang op te komen tegen onper- soonlijke besluiten die haar groep nadelig treffen. Hierdoor wordt zij niet geacht op te komen voor een belang dat samenvalt met dit van de aanwijsbare kandida- ten voor de functie.
- Evenwel is er in beginsel geen voldoende rechtstreeks verband tussen dat collectief belang en de individuele beslissing die een welbepaalde be- noeming inhoudt.
- Het bestreden besluit stelt de rechtstoestand vast van een wel- bepaalde magistraat en benadeelt in de eerste plaats dan ook individualiseerbare magistraten die zich door deze beslissing persoonlijk achteruit gesteld kunnen voelen. Het zijn zij die de hoedanigheid hebben om desgewenst voor hun belan- gen in rechte op te komen. In zoverre verzoekster thans claimt op te treden ter verdediging van de zuiver individuele belangen van haar leden, is het haar als belangen- vereniging niet toegestaan – bij gebreke aan een wettelijke bepaling die haar uit- drukkelijk machtigt om in een dergelijk geval op te treden – om zich in de plaats te stellen van haar leden bij het in rechte aanvechten van een individuele akte zoals die in de huidige zaak voorligt en aldus het individueel belang te laten op- gaan in een collectief belang. V-1991-5/14
- Uit wat voorafgaat volgt, desnoods ambtshalve, dat het beroep niet ontvankelijk is ingesteld door de vzw Nederlandse Vereniging van Magistra- ten. Het wordt hierna enkel nog onderzocht met betrekking tot ver- zoeker. B. Verzoeker Van Overloop
- Ten aanzien van verzoeker werpt de verwerende partij op dat nergens uit blijkt dat hij zijn kandidatuur had willen indienen. Hij heeft nooit eni- ge interesse laten blijken voor het vacante ambt door dit te melden bij de FOD Justitie.
- In beginsel doet diegene die kennis heeft gekregen van de op- roep tot de kandidaten voor een vacante betrekking, maar zich niet kandidaat heeft gesteld, niet blijken van het rechtens vereiste belang bij de nietigverklaring van de benoeming die in die betrekking wordt gedaan. In dat geval ontbreekt im- mers het geïndividualiseerde verband tussen de verzoekende partij en de bestre- den benoeming. De zaken liggen anders wanneer de verzoekende partij deugde- lijke redenen had om zich geen kandidaat te stellen. In casu mag van verzoeker, behorende tot het Nederlandstalige taalstelsel, niet worden verwacht dat hij zich kandidaat zou stellen voor een vacant mandaat waarvan in de oproep wordt aan- gegeven dat het is voorbehouden aan kandidaten behorende tot het Franstalige taalstelsel. Ten overvloede mag worden vastgesteld dat hij daarenboven dit vaca- turebericht ook met een beroep bij de Raad van State heeft aangevochten, wat des te minder twijfel laat over zijn belangstelling voor het ambt.
- De exceptie faalt. V-1991-6/14
- Voor zover de verwerende partij opwerpt dat verzoeker geen wettig belang nastreeft omdat hij een voordeel nastreeft dat hij, gelet op de toe- passelijke rechtsregels niet wettig kan verkrijgen, hangt deze exceptie samen met de grond van de zaak. VI. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de partijen
- Volgens verzoeker schendt het bestreden besluit artikel 43ter, § 3, derde lid, van de wet van 15 juni 1935 „op het gebruik der talen in gerechts- zaken‟ (Taalwet Gerechtszaken) ten gevolge van een foute toepassing van artikel 259quater, § 6, van het Gerechtelijk Wetboek (GerW), “aangezien de vacante betrekking voor eerste voorzitter van het arbeidshof te Brussel voorbehouden werd aan kandidaten behorend tot het Franse taalstelsel […] terwijl conform arti- kel 43ter, § 3, lid 3 Taalwet gerechtszaken een magistraat behorend tot het Neder- landse taalstelsel benoemd had moeten worden”. Verzoeker licht toe dat op 21 september 2018 een vacature voor het opengevallen mandaat van eerste voorzitter van het arbeidshof te Brussel is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Deze vacature stelt het opengevallen mandaat open voor kandidaten behorend tot het Franse taalstelsel, hetgeen strij- dig is met artikel 43ter, § 3, derde lid, Taalwet Gerechtszaken. Verzoeker heeft deze vacature aangevochten met een beroep tot nietigverklaring, gekend onder rolnummer A. 226.697/V-
- Op grond van deze onwettige vacature werd ver- volgens het eveneens onwettige bestreden besluit genomen waarbij de tussenko- mende partij benoemd werd tot eerste voorzitter van het arbeidshof te Brussel.
- In de nota met opmerkingen antwoordt de verwerende partij dat een mandaat in beginsel rechtstreeks eenmaal wordt verlengd en dat zulks een gebonden bevoegdheid is van de Koning. Na een termijn van tien jaar dient het V-1991-7/14 mandaat door iemand anders te worden ingevuld; iemand anders die behoort tot een verschillend taalstelsel. De verwerende partij argumenteert dat het voortijdig openval- len van het mandaat ook de situatie inhoudt waarin de korpschef ervoor kiest na het verstrijken van de eerste mandaattermijn van vijf jaar het mandaat stop te zetten en niet te verlengen voor de gehele periode van tien jaar. Het bestaan van een periode van tien jaar volgt uit artikel 259quater, § 1, tweede lid, GerW. Artikel 259quater GerW dient bovendien in het licht van zijn normdoel te worden geïnterpreteerd, namelijk het garanderen van het taaleven- wicht op het niveau van alle verschillende korpschefs. Om die reden dient onder de woorden “voortijdig openvalt” alle redenen van voortijdige beëindiging te worden begrepen.
- De tussenkomende partij stelt in haar verzoekschrift tot tussen- komst dat de wetteksten niet zo klaar zijn als verzoeker het beweert en dat in het licht van de voorbereidende werken niet kan worden besloten tot de gegrondheid van het aangevoerde middel. Daaruit blijkt integendeel dat de wetgever een paral- lellisme in het taalevenwicht bij de Brusselse hoven en rechtbanken voor ogen stond en dat hij een taalkundige beurtwisseling gewild heeft na een mandaatperi- ode van tien jaar. De absurditeit van de stelling van verzoeker blijkt volgens haar ook uit het feitelijk gegeven dat wanneer een korpschef na een eerste periode van vijf jaar toch de verlenging van zijn mandaat vraagt en krijgt, en hij na één dag van de tweede periode van vijf jaar ontslag zou nemen, de resterende periode door een magistraat behorend tot hetzelfde taalstelsel vervuld moet worden. V-1991-8/14 Beoordeling
- Over de wettigheid van het vacaturebericht op grond waarvan de thans bestreden aanwijzing is gedaan, heeft de Raad van State uitspraak ge- daan bij arrest nr. 244.845 van 18 juni
- In dat arrest heeft de Raad uiteengezet waarom, naar zijn oor- deel, de lezing van artikel 259quater, § 6, zesde lid, GerW over de korpschef “wiens mandaat voortijdig openvalt” die de verwerende partij en de tussenko- mende partij erop nahouden, niet kan worden bijgevallen. De Raad heeft dan het middel, geput uit de schending van arti- kel 43ter, § 3, derde lid, Taalwet Gerechtszaken gegrond bevonden en het vacatu- rebericht vernietigd. Ten overvloede kan aanvullend bij de overwegingen uit voor- meld arrest nog worden opgemerkt dat de minister tijdens de parlementaire be- spreking van het ontwerp dat heeft geleid tot de besproken bepaling van het Ge- rechtelijk Wetboek in de bevoegde commissie het volgende heeft verklaard (Parl.St. Senaat 2005-06, nr. 3-1707/5, 68): “De minister beantwoordt de opmerkingen van de leden als volgt. De beurtwisseling van taalrol is opgenomen in de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken (art. 43 e.v.). Het wetsontwerp wijzigt die regels niet.”
- Uit de overwegingen van arrest nr. 244.845, die de Raad ook voor de huidige zaak bijvalt, volgt dat op grond van de van toepassing zijnde wet- telijke bepalingen enkel een eerste voorzitter in het arbeidshof te Brussel mocht worden aangewezen die tot het Nederlandstalige taalstelsel behoort. Uit die vast- stelling volgt eveneens dat de door de verwerende partij opgeworpen exceptie in verband met het wettig belang van verzoeker moet worden verworpen. V-1991-9/14
- De vernietiging van het vacaturebericht heeft tot gevolg dat de oproep tot kandidaten met terugwerkende kracht uit het rechtsverkeer is verdwe- nen en dat de daarop gesteunde aanwijzing van de tussenkomende partij tot eerste voorzitter van het arbeidshof onregelmatig is en vernietigd moet worden. Het auditoraat heeft terecht gemeend dat een kort debat volstaat om de zaak op te lossen. VII. Omvang van de uit te spreken nietigverklaring Standpunt van de partijen
- Volgens de tussenkomende partij omvat het bestreden besluit twee onderdelen, namelijk haar benoeming als raadsheer in het arbeidshof te Brussel en haar aanwijzing als korpschef van dat hof. Volgens de tussenkomende partij is het verzoeker er enkel om te doen dat die functie van korpschef ditmaal moet toevallen aan een Nederlandstalige magistraat. Volgens haar is het beroep niet ontvankelijk, voor zover het is gericht tegen haar benoeming tot raadsheer. Zij vraagt de nietigverklaring te beperken tot de woorden “et est en outre désigné au mandat de premier président de la cour du travail de Bruxelles, pour un terme de cinq ans, en remplacement de Mme […] dont le mandat prend pris fin” [sic].
- De verwerende partij verzet zich tegen een gedeeltelijke nietig- verklaring, Volgens haar is het besluit één en ondeelbaar, wat ook volgt uit artikel 259quater, § 5, GerW. V-1991-10/14 Beoordeling
- Het bestreden besluit luidt (vertaling): Artikel
- De heer Dallemagne Marc (…), rechter in de Franstalige ar- beidsrechtbank te Brussel, wordt benoemd tot raadsheer in het arbeidshof te Brussel, en wordt daarenboven aangewezen tot het mandaat van eerste voorzitter van het arbeidshof te Brussel, voor een termijn van vijf jaar, ter vervanging van (…) van wie het mandaat is geëindigd. Art.
- Het mandaat neemt een aanvang op de datum van de eedaflegging, die niet mag plaatsvinden vóór 2 april
- Art.
- De minister bevoegd voor Justitie is belast met de tenuitvoerleg- ging van dit besluit.
- Een benoemingsbesluit is in beginsel één en ondeelbaar. Wanneer de Raad van State heeft vastgesteld dat in een ontvan- kelijk annulatieberoep een gegrond middel wordt aangevoerd, vernietigt hij in beginsel het aangevochten besluit in zijn geheel. Om bij wege van uitzondering te kunnen overgaan tot een slechts gedeeltelijke vernietiging volstaat het niet, zoals de tussenkomende partij argumenteert, dat met die gedeeltelijke vernietiging aan de verzoekende partij volledige genoegdoening wordt gegeven in het licht van het door haar aange- voerde belang. Ook moet vaststaan dat het vernietigde gedeelte kan worden afgesplitst van de rest van het benoemingsbesluit en dat de overheid, ook afge- zien van het afgesplitste gedeelte, voor het overige dezelfde beslissing zou heb- ben genomen. Er anders over oordelen zou tot gevolg hebben dat de Raad van State zich op het domein van de beleidsuitoefening van de betrokken overheid zou begeven en zou overgaan tot hervorming van de beslissing waarvan het be- treffende gedeelte een onlosmakelijk onderdeel is, vermits het besluit voor het overige hoe dan ook zou blijven bestaan. V-1991-11/14
- Zoals de verwerende partij terecht opmerkt, is de benoeming van de tussenkomende partij tot raadsheer in het arbeidshof het noodzakelijke corollarium van haar aanwijzing als eerste voorzitter en dit met toepassing van artikel 259quater, § 5, eerste lid, GerW dat bepaalt dat “[d]e aanwijzing in de functie van korpschef van een kandidaat van buiten het rechtscollege […] aanlei- ding [geeft] tot een gelijktijdige benoeming, in voorkomend geval tijdelijk in overtal, in dat rechtscollege […] zonder dat artikel 287sexies van toepassing is”. De verwerende partij heeft, met andere woorden, de tussenkomende partij in arti- kel 1 van het bestreden besluit uitsluitend benoemd tot raadsheer in het arbeids- hof opdat zij haar zou kunnen aanwijzen als eerste voorzitter van dat hof. Zonder die aanwijzing, ook geen benoeming. Hieruit volgt dat de Raad het verzoek tot gedeeltelijke vernieti- ging van artikel 1 van het bestreden besluit niet mag inwilligen, omdat hij zich aldus op het domein van het bestuur zou begeven en zou overgaan tot een her- vorming van het bestreden besluit. De Raad van State heeft daartoe geen be- voegdheid.
- Ten overvloede zij nog vastgesteld dat de benoeming van de tussenkomende partij tot raadsheer in het arbeidshof ingevolge de nietigverkla- ring van het vacaturebericht in die mate door dezelfde onwettigheid is aangetast als haar aanwijzing tot eerste voorzitter. VIII. Vordering tot schorsing
- De nietigverklaring van het bestreden besluit heeft tot gevolg dat de door verzoekers ingediende vordering tot schorsing van de tenuitvoerleg- ging ervan geen voorwerp meer heeft. V-1991-12/14 IX. Slotopmerking
- In een zaak met betrekking tot de aanwijzing van de eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel heeft de Raad van State bij arrest nr. 246.548 van heden het debat heropend, om op vraag van de tussenkomende partij in die zaak het Grondwettelijk Hof te ondervragen over de verenigbaarheid van de regeling van taalevenwicht en taalalternatie met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De Raad merkt op dat noch de verwerende partij, noch de tus- senkomende partij in de procedure die heeft geleid tot arrest nr. 244.845 van 18 juni 2019 de Raad van State verzocht heeft om het Grondwettelijk Hof over een beweerd ongelijke behandeling te ondervragen en dat, aangezien het gelijk- heidsbeginsel niet de openbare orde raakt, er ook geen reden was om dit ambts- halve te doen. Ook moet voor de oplossing van de huidige zaak niet worden gewacht op het antwoord van het Grondwettelijk Hof. Wat ook dat antwoord zal zijn, kan immers niets veranderen aan de vaststelling dat in de huidige procedure het vacaturebericht uit het rechtsverkeer is verdwenen en dat, wegens het gezag van gewijsde van dat arrest, de aanwijzing alleen reeds om die reden fataal is aangetast. BESLISSING
- Het verzoek van Marc Dallemagne tot tussenkomst wordt ingewilligd.
- De Raad van State vernietigt het koninklijk besluit van 13 april 2019 waarbij Marc Dallemagne wordt benoemd tot raadsheer in het arbeidshof te Brussel en tevens wordt aangewezen tot het mandaat van eerste voorzitter van het arbeidshof te Brussel voor een termijn van vijf jaar. V-1991-13/14
- De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
- De verwerende partij en de eerste verzoekende partij worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 400 euro en een bijdrage van 40 euro, elk voor de helft. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 3 januari 2020, door de Raad van State, Ve kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Luc Cambier, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren V-1991-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.549 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.