id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.595 Rolnummer: A. 218595/IX-8832 Zaak: Arrest 246595 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 09/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-01-14 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-25 22:38 Fiche Arrest nr 246.595 van 9 januari 2020 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 246.595 van 9 januari 2020 in de zaak A. 218.595/IX-8832 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Greet Louwet kantoor houdend te 3800 Sint-Truiden Tongersesteenweg 60 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP die woonplaats kiest bij de juridische cel van de afdeling Advies en Ondersteuning onderwijsPersoneel gevestigd te 1210 Brussel Hendrik Consciencegebouw Koning Albert II-laan 15 Tussenkomende partij: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep 16 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Günther L’heureux en Roel Meeus kantoor houdend te 1200 Brussel Gulledelle 96 bus 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 29 februari 2016, strekt tot de nietig- verklaring van “de beslissing dd. 14 januari 2016 van de Kamer van Beroep van het Gemeenschapsonderwijs, met kenmerk GO/2016/01/XXXX”. IX-8832-1/31 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 235.230 van 27 juni 2016 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Het Gemeenschapsonderwijs, vertegenwoordigd door scholen- groep 16 heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 2 september
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenko- mende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 november
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Greet Louwet, die verschijnt voor de verzoekende partij, adjunct van de directeur Frederik Stevens, die verschijnt voor de verwe- rende partij en advocaat Günther L’heureux, die verschijnt voor de tussenkomen- de partij, zijn gehoord. IX-8832-2/31 Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is ten tijde van de bestreden beslissing als vastbe- noemd personeelslid werkzaam als coördinator aan het koninklijk atheneum Plus te Hasselt, onderwijsinstelling behorend tot scholengroep 16 ‘Midden-Limburg’ van het Gemeenschapsonderwijs. 3.
- Op 4 mei 2012 ondertekent verzoekster een “Fiche van Vast- stelling” waarin de directrice van het koninklijk atheneum Plus het volgende stelt: “Op 03 mei 2012 werd vastgesteld dat jij het bureau van de opvoedster […] betrad (tussen 7u45 en 8u30). Op dat moment hield de opvoedster […] toezicht op speelplaats 3,
- Je hebt de handtas van de opvoedster open gedaan en je bent in haar hand- tas op zoek gegaan naar haar geldbeugel. Uit de geldbeugel van de op- voedster zijn 2 biljetten van 50 euro ontvreemd.” 3.
- Op 14 mei 2012 leggen de directrice en de benadeelde opvoed- ster klacht neer bij de lokale politie. Op 21 mei 2012 beslist de raad van bestuur van de scholen- groep om een tuchtprocedure met het oog op ontslag op te starten. Op 30 oktober 2012 legt de scholengroep klacht neer met bur- gerlijke partijstelling in handen van de onderzoeksrechter te Hasselt. 3.
- Verzoekster wordt op 27 mei 2015 door het hof van beroep te Antwerpen schuldig verklaard aan het ten laste gelegde feit van huisdiefstal, ge- IX-8832-3/31 pleegd op 3 mei
- Zij wordt veroordeeld “wegens het bewezen verklaarde feit tot een gevangenisstraf van 3 maanden [met uitstel] en een geldboete van 50,00 euro, te verhogen met 50 opdeciemen en alzo gebracht op 300,00 euro”. Het cassatieberoep van verzoekster tegen voormeld arrest wordt op 20 augustus 2015 door het Hof van Cassatie ontoelaatbaar verklaard. 3.
- Op 30 juni 2015 wordt verzoekster uitgenodigd voor een hoor- zitting op 17 september 2015 “in het kader van de tuchtprocedure ‘het ontslag’” voor de volgende tenlastelegging: “op 3 juni 2012 als personeelslid van het KA1 Hasselt een geldsom van 100 euro bedrieglijk te hebben weggenomen uit de handtas van [de] col- lega, [X.]” De oproeping citeert onder meer de voormelde vaststellings- fiche van 3 mei 2012 en het voormelde arrest van het hof van beroep van 27 mei
- 3.
- Op 17 september 2015 beslist de raad van bestuur van de scho- lengroep om verzoekster voor de tenlastelegging “op 3 mei 2012 als personeelslid van het KA1 Hasselt een geldsom van 100 euro bedrieglijk te hebben weggeno- men uit de handtas van [de] collega [X.]” de tuchtstraf ‘ontslag’ op te leggen. 3.
- De kamer van beroep voor het Gemeenschapsonderwijs beves- tigt op 14 januari 2016 met de thans bestreden beslissing deze tuchtmaatregel. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in een eerste middel de schending aan van artikel 33novies, §1, vierde, vijfde en zesde lid, van het besluit van de Vlaamse IX-8832-4/31 regering van 22 mei 1991 ‘omtrent de evaluatie, maatregelen van orde en de tucht in het gemeenschapsonderwijs’ (hierna: het tuchtbesluit), van de rechten van ver- dediging en “van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het onpartijdigheidsbeginsel”. Zij stelt dat in de bestreden beslissing wordt erkend dat de vormvoorschriften van artikel 33novies, § 1, zesde lid, van het tuchtbesluit wer- den miskend, doch ten onrechte wordt geoordeeld dat er geen reden is om het verweerschrift van de scholengroep uit het debat te weren. De tuchtoverheid is als onafhankelijke en onpartijdige overheid gehouden de rechten van verdediging te waarborgen en bij vaststelling van een inbreuk op een substantieel vormvoor- schrift de door de wetgever vastgestelde sanctie toe te passen, zonder onderscheid of zonder daaraan bijkomende voorwaarden te verbinden. Verzoekster licht toe dat de raad van bestuur van de scholen- groep haar toelichtende memorie bij de kamer van beroep heeft ontvangen op 16 november 2015, hetgeen impliceert dat hij uiterlijk op 9 december 2015, zijn- de twintig werkdagen later, aan verzoekster aangetekend of tegen ontvangstbe- wijs zijn verweerschrift diende te bezorgen. De raad van bestuur heeft dit ver- weerschrift enkel verzonden aan de kamer van beroep en niet aan verzoekster. De procespartijen dienen zich te houden aan de substantiële regels. Het standpunt van de kamer van beroep dat deze sanctie enkel zou kunnen worden toegepast indien verzoekster aantoont waaruit haar nadeel zou bestaan, voegt een voorwaarde toe aan de wet, die er niet staat. Tot slot merkt verzoekster op dat zij geen enkele mogelijkheid meer had tot repliek op het verweerschrift, nu haar termijn om een toelichtende memorie in te dienen reeds was verstreken. IX-8832-5/31 Beoordeling
- Verzoekster gaat in de toelichting bij het middel in op hetgeen artikel 33novies, § 1, van het tuchtbesluit regelt inzake de procedure voor de ka- mer van beroep. Aan de eveneens aangevoerde schending van de rechten van verdediging en het onpartijdigheidsbeginsel geeft zij geen ruimere of nadere in- vulling, zodat moet worden aangenomen dat het middel in zoverre samenvalt met de aangevoerde schending van het tuchtbesluit. Heeft verzoekster er toch wat anders mee beoogd, dan is het middel in zoverre onontvankelijk obscuri libelli.
- Artikel 33novies, § 1, van het tuchtbesluit luidt, voor zover als van belang: “De partijen worden met een aangetekende brief opgeroepen voor de zit- ting van de kamer van beroep die plaatsvindt binnen zestig werkdagen na de ontvangst van het beroepschrift. Als het einde van die termijn tussen 15 juli en 15 augustus valt, dan wordt de termijn verlengd tot 31 augustus. De partijen kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman. Het personeelslid of zijn raadsman kan een toelichtende memorie indie- nen tot uiterlijk 20 werkdagen nadat het beroepschrift is ingediend. Die memorie mag aanvullende middelen bevatten. De tuchtoverheid of haar raadsman kan een verweerschrift indienen tot ui- terlijk 20 werkdagen na de ontvangst van de toelichtende memorie van het personeelslid of tot uiterlijk 20 werkdagen na het verstrijken van de ter- mijn ingeval het personeelslid geen toelichtende memorie heeft ingediend. De toelichtende memorie en het verweerschrift worden aangetekend of tegen ontvangstbewijs verstuurd naar de kamer van beroep en naar de te- genpartij. Verweerschriften en toelichtende memories die na de gestelde termijn zijn bezorgd, worden uit de debatten geweerd.”
- De kamer van beroep heeft als volgt geantwoord op de vraag van verzoekster om het verweerschrift uit het debat te weren: “De verzoekster zet niet uiteen welk nadeel zij heeft ondergaan doordat de verwerende partij de vormvoorschriften, neergelegd in voormeld artikel 33novies, §1, vijfde lid, ten dele heeft miskend. Zij erkent dat zij het ver- weerschrift vanuit het secretariaat van de Kamer van Beroep heeft door- gestuurd gekregen en zij zet niet uiteen waarom enkel die toezending haar IX-8832-6/31 mogelijkheden van tegenspraak op een of andere wijze zou verminderd hebben. Er is geen reden om het verweerschrift uit de debatten te weren.”
- Ook in de huidige procedure voor de Raad van State verklaart verzoekster niet welk concreet nadeel zij heeft geleden door de miskenning van het bewuste vormvereiste. Het verweerschrift is alleszins tijdig aan het secretari- aat van de kamer van beroep bezorgd. Verzoekster heeft een afschrift van het verweerschrift ontvangen, uiterlijk op 16 december 2015 en de zitting van de kamer van beroep vond plaats op 14 januari
- Verzoekster beschikte derhalve nog over voldoende tijd om haar verweer voor te bereiden. In een mogelijkheid tot schriftelijke repliek op het verweer- schrift is, anders dan verzoekster beweert, hoe dan ook niet voorzien in het tucht- besluit; reageren op een verweerschrift zou in ieder geval enkel nog kunnen ge- beuren op de hoorzitting. De algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar arrest nr. 234.869 van 26 mei 2016 geoor- deeld dat het verbinden van een zware sanctie aan de miskenning van een forma- liteit die in een welbepaalde zaak niet meer de doelstelling dient waarvoor ze is ingesteld, het recht van een verzoekende partij op toegang tot de rechter op een onevenredige wijze zou beperken. Alhoewel dat arrest betrekking heeft op de rechtspleging voor de Raad van State en op een verzoekende partij, is de Raad van State met de kamer van beroep van oordeel dat de miskenning van een niet op straffe van nietigheid aan een verwerende partij voorgeschreven formaliteit in een georganiseerd administratief beroep niet strenger moet worden beteugeld in het licht van haar rechten van verdediging, als die formaliteit niets bijbrengt aan de behoorlijke rechtsbedeling door de kamer van beroep en als het procedurever- loop de rechten van de verzoekende partij in niets heeft aangetast dan wanneer ze wel ware vervuld. IX-8832-7/31 De kamer van beroep heeft in deze zaak op grond van de con- crete gegevens dan ook terecht geoordeeld dat het verweerschrift niet uit het de- bat geweerd moest worden.
- Het middel kan de gevraagde nietigverklaring niet verantwoor- den en wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In een tweede middel voert verzoekster de schending aan van artikel 69 van het decreet van 27 maart 1991 ‘betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs’ (hierna: het rechtspo- sitiedecreet), in samenhang met een schending van artikel 19, § 1, vierde lid, van het tuchtbesluit, van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelin- gen’. Volgens verzoekster is artikel 19, § 1, van het tuchtbesluit niet nageleefd aangezien zij nooit, laat staan binnen de verjaringstermijn van zes maanden, een aangetekend schrijven heeft ontvangen met de mededeling van de beslissing van de raad van bestuur van 21 mei 2012 om een tuchtprocedure op te starten. Er ligt geen enkel bewijs of stuk voor van een rechtsgeldige kennisgeving van het opstarten van een tuchtprocedure. Bij gebrek aan mededeling aan het be- trokken personeelslid werd de tuchtrechtelijke procedure niet ingesteld binnen de wettelijke verjaringstermijn van zes maanden na kennisname of vaststelling van het betrokken feit. Verzoekster is meer dan 3,5 jaar in onzekerheid gelaten. De raad van bestuur kan deze onwettige handelswijze niet corrigeren door te verwij- IX-8832-8/31 zen naar artikel 19, § 5, vierde lid, van het tuchtbesluit. De raad van bestuur kan niet ernstig stellen dat hij met betrekking tot het ten laste gelegde feit van 3 mei 2012 het resultaat van het strafonderzoek kon en mocht afwachten, nu blijkens de motieven van zijn beslissing tot preventieve schorsing verzoekster toch al schul- dig was aan dit feit als tuchtfeit en de sanctie die het bestuur daaraan ging koppe- len al definitief vaststond. Het slechts initiëren van een tuchtrechtelijke vervolging 3,5 jaar na kennisname van het tuchtfeit, namelijk op 30 juni 2015, is manifest laat- tijdig en de tuchtvervolging is verjaard. Beoordeling
- Verzoekster brengt in de toelichting van het middel de wet van 29 juli 1991 en de formelemotiveringsplicht geheel niet meer ter sprake. In die mate is het middel onontvankelijk obscuri libelli.
- Artikel 69 van het rechtspositiedecreet luidt, voor zoveel als hier van belang: “Het [tucht]besluit garandeert de rechten van verdediging.” Artikel 19, § 1, vierde lid, van het tuchtbesluit luidt: “De tuchtoverheid deelt onmiddellijk per aangetekende brief aan het per- soneelslid mee dat ze een tuchtonderzoek instelt, alsook de reden die daar- toe aanleiding geeft. De tuchtrechtelijke vervolging begint op de datum van verzending van de aangetekende brief.” Artikel 19, § 4, van het tuchtbesluit luidt: “Indien het betrokken personeelslid strafrechtelijk wordt vervolgd voor dezelfde feiten kan de tuchtoverheid de behandeling van de tuchtvorde- ring opschorten tot na de kennisgeving bedoeld in § 5, laatste lid.” IX-8832-9/31 Artikel 19, § 5, derde en vierde lid, van het tuchtbesluit luidt: “De tuchtoverheid kan geen tuchtrechtelijke vervolging meer instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennis- name van de strafbare feiten. In geval van strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten, begint deze termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke over- heid ervan in kennis wordt gesteld dat er een onherroepelijke beslissing uitgesproken is of dat de strafrechtelijke procedure niet voortgezet wordt.” 13.
- De tuchtmaatregel is aan verzoekster opgelegd voor hetzelfde feit als datgene waarvoor een strafrechtelijk onderzoek is opgestart en waarvoor zij strafrechtelijk is veroordeeld – de diefstal op 3 mei
- In dat geval is artikel 19, § 4 iuncto § 5, vierde lid, van het tuchtbesluit van toepassing. Hiervoor is overigens niet van belang op wiens initia- tief de strafrechtelijke vervolging is ingesteld of uitgelokt. Van een strafrechtelij- ke vervolging in de zin van het tuchtbesluit is voorts sprake zodra de politie ten behoeve van de procureur des Konings een proces-verbaal over de feiten redi- geert. Dit betekent dat sinds 14 mei 2012 er sprake is van strafrechte- lijke vervolging in de zin van het tuchtbesluit. Als de tuchtoverheid vervolgens op 21 mei 2012 beslist om toch reeds de tuchtprocedure op te starten “mits het respecteren van de wettelijke termijnen”, mag zij aldus overeenkomstig artikel 19, § 4, van het tuchtbesluit dadelijk “de behandeling van de tuchtvordering opschorten”. Dit omvat de in artikel 19, § 1, vierde lid, van het tuchtbesluit bedoelde mededeling van het in- stellen van het tuchtonderzoek. 13.
- De tuchtoverheid heeft na het definitief geworden arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 mei 2015 verzoekster met een brief van 30 juni 2015 uitgenodigd voor een hoorzitting op 17 september
- De termijn van zes maanden is dus gerespecteerd. IX-8832-10/31 Overigens heeft verzoekster zowel in het inleidend verzoek- schrift als in de memorie van wederantwoord die brief van 30 juni 2015 bestem- peld als het “initiëren van een tuchtrechtelijke vervolging”. Slechts voor het eerst in haar laatste memorie voert zij aan dat die brief met oproeping voor het tucht- verhoor niet zou gelden als formele kennisgeving van het instellen van de tucht- rechtelijke vervolging. Dergelijke kritiek kan zij niet meer op ontvankelijke wijze aan de Raad van State voorleggen in een laatste memorie. Louter ten overvloede daarom merkt de Raad op dat geen regel verbiedt om de kennisgeving van de tuchtvervolging en de oproeping voor het tuchtverhoor in één brief te combine- ren. 13.
- Artikel 19, §§ 4 en 5, vierde lid, van het tuchtbesluit is in alge- mene termen gesteld en bevat geen uitzonderingen. Het is voor de vaststelling van de verjaringstermijn dus niet relevant wat verzoekster – al dan niet correct – gelezen meent te hebben in de motivering van de algemeen directeur ten tijde van haar preventieve schorsing en vervolgens – al dan niet terecht – aan de raad van bestuur toeschrijft.
- In zoverre de schending is aangevoerd van artikel 19 van het tuchtbesluit, inzonderheid wegens de verjaring van de tuchtvervolging, is het middel ongegrond. 15.
- De verjaringstermijn is in deze zaak overeenkomstig artikel 19 van het tuchtbesluit beginnen te lopen “de dag dat de tuchtoverheid door de ge- rechtelijke overheid ervan in kennis wordt gesteld dat er een onherroepelijke be- slissing uitgesproken is”. Dat zou niet anders zijn geweest ingeval de tuchtover- heid haar beslissing om een tuchtonderzoek in te stellen wél dadelijk en formeel aan verzoekster had gemeld en slechts daarna zou hebben beslist de nadere af- handeling van de tuchtvordering op te schorten. Verzoekster betoogt echter dat zij door dit stilzitten in de waan verkeerde dat het bestuur verzaakte aan enige tuchtvervolging. Hiermee voert zij IX-8832-11/31 dus niet een schending aan van het tuchtbesluit – dat zoals gezien is nageleefd – maar wel van het vertrouwensbeginsel. 15.
- Verzoekster weet of wordt geacht te weten dat het tuchtstatuut dat op haar van toepassing is aan de tuchtoverheid hoe dan ook toelaat met het instellen of voortzetten van de tuchtprocedure te wachten tot de afloop van de strafprocedure haar bekend is. Bovendien kan het haar niet zijn ontgaan dat zij preventief geschorst was ingevolge “het gedrag dat [zij] op 3 mei 2012 etaleer- de”. Luidens artikel 17, § 2, van het tuchtbesluit mag een preventieve schorsing “ten hoogste zes maanden bedragen als er binnen die periode geen tuchtprocedure is ingesteld” en dit “[b]ehoudens strafrechtelijk onderzoek of strafrechtelijke ver- volging”, zodat verzoekster uit het door haar niet bestreden voortduren van haar preventieve schorsing kon en moest afleiden dat het bestuur de uitkomst van de strafzaak wou afwachten met het oog op de tuchtprocedure. Het stilzitten van de tuchtoverheid gedurende 3,5 jaar liet ver- zoekster dus niet toe, erop te vertrouwen dat zij niet meer riskeerde het voorwerp te zijn van een tuchtprocedure. Verzoekster toont voorts niet aan, welke “funda- mentele rechten van de tuchtonderhorige” door dit stilzitten van de tuchtoverheid geschonden zijn. Dat de beslissing van de raad van bestuur van 21 mei 2012 haar niet is meegedeeld, heeft voor verzoekster dan ook geen schadelijke gevolgen en verhindert alleszins niet dat de verjaringstermijn hoe dan ook pas opnieuw is be- ginnen te lopen bij de kennisgeving aan de tuchtoverheid van het definitief wor- den van de strafrechtelijke veroordeling.
- Een schending van de rechten van verdediging of van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel is niet aangetoond. In zoverre is het middel ongegrond. IX-8832-12/31
- Het middel is deels onontvankelijk, deels ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Het derde middel is genomen uit de schending van artikel 69 van het rechtspositiedecreet, in samenhang met artikel 19, § 1, eerste lid, en § 3, eerste lid, van het tuchtbesluit, van het onpartijdigheidsbeginsel en het zorgvul- digheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur en van de arti- kelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet van 29 juli
- Verzoekster klaagt aan dat in haar dossier gedurende 3,5 jaar geen enkele vaststelling is gedaan of verhoor is gebeurd door de tuchtoverheid. Nochtans mocht de tuchtoverheid volgens verzoekster de uitkomst van het straf- onderzoek niet afwachten. Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel als le crimi- nel tient le civil en état en de raad van bestuur, die immers al van in den beginne overtuigd was van de schuld van verzoekster en van het ontslag als op te leggen tuchtsanctie, had terstond moeten handelen. Voorts zet verzoekster uiteen dat het tuchtdossier niet op zorg- vuldige en grondige wijze is samengesteld, onder meer omdat bewijsstukken à décharge ontbreken. Het tuchtdossier is bovendien niet gezuiverd van onrechtma- tig verkregen bewijsmateriaal, namelijk de videobeelden van de camerabewaking. Het is ten slotte vervolledigd in de loop van de beroepsprocedure zodat zij daar- tegen geen repliek kon voeren. Beoordeling
- Verzoekster geeft geen enkele toelichting omtrent de aange- voerde schending van het onpartijdigheidsbeginsel of van de formelemotive- ringswet. IX-8832-13/31 Het middel is in zoverre onontvankelijk obscuri libelli.
- Verzoekster zet evenmin uiteen waarom de in dit middel aan- gevoerde onderdelen van artikel 19 van het tuchtbesluit de bij artikel 69 van het rechtspositiedecreet door de decreetgever aan de regering gegeven opdracht om de rechten van verdediging reglementair te waarborgen zouden miskennen. Ook in die mate is het middel niet ontvankelijk.
- Artikel 19, § 1, eerste lid, van het tuchtbesluit luidt: “De bevoegde tuchtoverheid gaat over tot de nodige vaststellingen en ver- horen zodra de feiten, die de toepassing van een tuchtmaatregel kunnen verantwoorden, haar ter kennis worden gebracht.” Artikel 19, § 3, eerste lid, van het tuchtbesluit luidt: “De tuchtoverheid stelt een tuchtdossier samen.”
- Hiervóór is vastgesteld dat de tuchtoverheid, met toepassing van de mogelijkheid haar geboden bij artikel 19, §§ 4 en 5, vierde lid, van het tuchtbesluit, heeft gewacht op de uitkomst van de strafrechtelijke vervolging.
- De kamer van beroep heeft de tuchtmaatregel van het ontslag aan verzoekster opgelegd wegens het door de strafrechter bewezen verklaard ple- gen van een diefstal op 3 mei
- Zij mocht ermee volstaan, om dit feit bewezen te achten, te steunen op het gezag van gewijsde van het arrest van het hof van beroep te Ant- werpen van 27 mei
- De kamer van beroep heeft in de bestreden beslissing reeds terecht opgemerkt dat “veroordeling door de strafrechter [inhoudt] dat sindsdien erga omnes vast staat dat [verzoekster] de feiten gepleegd heeft en dat het bestuur ter zake geen ander standpunt meer mag of kan innemen”. IX-8832-14/31 Bijkomende onderzoeksmaatregelen om de juiste toedracht van de zaak te kennen, waren dan ook overbodig en het stellen van eigen onderzoeks- daden of toevoegen of uitzuiveren van andere gegevens aan het tuchtdossier zou voor verzoekster geen zoden aan de dijk brengen.
- Voor zover verzoekster in de toelichting bij het middel nog opmerkt dat in de procedure voor de kamer van beroep laattijdig stukken aan het dossier zijn toegevoegd en dat zij geen kans heeft gekregen om hierop repliek te voeren, weerspreekt zij niet de tussenkomende partij die verklaart dat geen van deze “nieuwe” stukken gegevens bevat “die medebepalend zijn voor de beslissing omtrent het tuchtfeit” en verduidelijkt zij niet op welke wijze die beweerd laattij- dig toegevoegde stukken anders zouden moeten doen aanzien tegen dit bij arrest vastgestelde feit. Verzoekster weerspreekt voorts niet dat alle stukken van het dossier voor de kamer van beroep haar werden bezorgd door het secretariaat van de kamer van beroep op 2 december 2015 – en al eerder op 27 november 2015 door de tuchtoverheid – zodat zij ruim de gelegenheid had om eventuele argu- menten met betrekking tot de inhoud van het dossier op de zitting van de kamer van beroep te laten gelden. Dat die stukken niet in het tuchtdossier lagen ten tijde van de tuchtprocedure in eerste aanleg is al helemaal rechtens niet relevant gezien de devolutieve werking van het beroep, die er onder meer net op is gericht dit soort gebreken recht te zetten.
- Verzoekster stelt terecht dat het tuchtbesluit enkel de mogelijk- heid en niet de verplichting bevat om de tuchtvervolging uit te stellen. Als zij op grond daarvan aanklaagt dat de tuchtoverheid te lang heeft gewacht, heeft die kritiek evenwel betrekking op de redelijke termijn en niet op de in dit middel aangevoerde bepalingen en beginselen.
- Het middel, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. IX-8832-15/31 D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- Het vierde middel is geput uit de schending van artikel 6 EVRM, van artikel 69 van het rechtspositiedecreet, van artikel 19, §§ 3 en 5, van het tuchtbesluit, van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van be- hoorlijk bestuur en van de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet van 29 juli
- In het kader van het waarborgen van de rechten van verdedi- ging, heeft de wetgever het volgens verzoekster van fundamenteel belang geacht dat een personeelslid minstens tien dagen vóór de hoorzitting inzage krijgt in het tuchtdossier en daarvan een kosteloos afschrift kan verkrijgen. Het is te dien ein- de dat de plaats waar en de termijn waarbinnen het tuchtdossier kan worden inge- zien in de oproepingsbrief dienen te worden vermeld. Dit is volgens verzoekster niet, minstens niet voldoende duidelijk gebeurd wat de plaats betreft en helemaal niet wat de termijn betreft tijdens de zomervakantie. Bovendien stelt verzoekster dat haar, zelfs na herhaald verzoek, geen kosteloze kopie van het tuchtdossier is bezorgd. Het gaat niet op dat een personeelslid enkele dagen voor de hoorzitting via een e-mail verplicht wordt om zelf het dossier te downloaden via een niet compatibele applicatie en dit op eigen kosten moet afdrukken. Ook op de hoorzitting van 17 september 2015 was geen kopie van het tuchtdossier beschikbaar. Een papieren versie heeft zij pas gekre- gen op 30 november 2015 in de beroepsprocedure. Tot slot dient de oproepingsbrief ook een correcte omschrijving van de tenlastelegging te bevatten. Verzoekster werd verzocht zich te verdedigen omtrent één feitelijkheid gepleegd op 3 juni 2012, die als strafrechtelijk feit is omschreven. Op de hoorzitting werd, ondanks de opmerking van verzoekster, geen aanpassing of correctie gedaan van de tenlastelegging. IX-8832-16/31 Beoordeling 28.
- Verzoekster geeft geen enkele toelichting bij de vermeende schending van artikel 6 EVRM of van de formelemotiveringswet, zodat het mid- del in zoverre onontvankelijk is obscuri libelli. 28.
- Verzoekster zet evenmin uiteen waarom de in dit middel aan- gevoerde onderdelen van artikel 19 van het tuchtbesluit de bij artikel 69 van het rechtspositiedecreet door de decreetgever aan de regering gegeven opdracht om de rechten van verdediging reglementair te waarborgen zouden miskennen. Ook in die mate is het middel niet ontvankelijk.
- Artikel 19, § 3, derde lid, van het tuchtbesluit biedt het perso- neelslid dat dat wenst het recht om kosteloos “een kopie van het dossier” te krij- gen. Een digitale kopie is ook een kopie. De bewering dat verzoekster het digitale dossier niet kon inkij- ken is onbewezen en volstrekt ongeloofwaardig. Niet alleen heeft verzoekster dit nooit aan de tuchtoverheid of de kamer van beroep laten weten vóór of tijdens de hoorzittingen, maar bovendien verwijst zij reeds in de verweernota die zij heeft neergelegd op de hoorzitting van 17 september 2015 expliciet naar stukken van het tuchtdossier, met vermelding van hun nummering.
- Luidens artikel 19, § 5, tweede lid, inleidende zin en 5°, van het tuchtbesluit moet de oproeping “op straffe van nietigheid” melding maken van “de plaats waar en de termijn waarbinnen het tuchtdossier kan worden ingezien”. Deze bepaling moet worden gelezen in samenhang met artikel 19, § 3, tweede lid, van het tuchtbesluit dat de belanghebbende en zijn raadsman laat “beschikken over een termijn van tenminste tien werkdagen na ontvangst van de oproepings- brief” om het tuchtdossier te raadplegen vooraleer het verhoor plaatsheeft. IX-8832-17/31 De oproepingsbrief voor de hoorzitting van 17 september 2015 vermeldt het recht op inzage in de volgende bewoordingen: “U kan, indien u dat wenst, uw dossier inkijken. Indien u van dit inzage- recht gebruik wil maken, kan u zich bij mijn ambt aanmelden op hoger vermeld adres. Gelieve echter wel vooraf uw komst telefonisch te melden (tel.: 011 […]).” Het “hoger vermeld adres” luidt “Scholengroep Midden- Limburg, Armand Hertzstraat 2, 3500 Hasselt”. Verzoekster had misschien graag ook het nummer van het lo- kaal meegedeeld gekregen of een liggingsplan, maar zo ver reikt de meldings- plicht over de plaats van inzage niet. De aangehaalde formulering maakt voorts duidelijk dat het dos- sier raadpleegbaar is vanaf de ontvangst van de oproepingsbrief, zonder enige restrictie behalve het verzoek om vooraf telefonisch de komst te melden. Aan de eis om de “termijn” van inzage mee te delen is alzo eveneens voldaan; het tucht- besluit schrijft geen sacrale bewoordingen voor, zolang de mededeling maar dui- delijk is en ten minste tien werkdagen voor inzage biedt. De termijn van tien werkdagen is ruimschoots gerespecteerd, zelfs indien de school tijdens de zomermaanden gesloten was, wat verzoekster overigens niet bewijst en de verwerende partij formeel tegenspreekt.
- Wat de ten laste gelegde feiten betreft, die luidens artikel 19, § 5, tweede lid, 1°, van het tuchtbesluit eveneens op straffe van nietigheid in de oproeping vermeld moeten zijn, kon verzoekster in de bestreden beslissing lezen wat volgt: “De oproepingsbrief voor het verhoor vermeldt, wat de aanwijzing van de ten laste gelegde feiten betreft, inderdaad dat de feiten gebeurden op 3 juni
- Het betreft onmiskenbaar een louter materiële vergissing die bij de verzoekster geen enkele verwarring heeft kunnen veroorzaken: de oproeping verwijst immers ook naar – citeert zelfs – het arrest van het Hof IX-8832-18/31 van Beroep en herneemt de gehele procedure die tot dan werd gevolgd en waarin altijd gesproken wordt van de feiten d.d. 3 mei
- De materiële vergissing heeft de verzoekster niet kunnen misleiden, zoals overigens ook blijkt uit haar gehele verweer.” Verzoekster zet niet uiteen waarom dit antwoord niet volstaat en de Raad van State sluit zich erbij aan.
- Het middel, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
- Het vijfde middel is afgeleid uit de schending van artikel 69 van het rechtspositiedecreet, van artikel 19, §§ 6 en 8, van het tuchtbesluit, van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en van de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet van 29 juli
- Volgens verzoekster is het opstellen van een proces-verbaal van verhoor een substantieel na te leven vormvereiste, nu het fundamenteel geacht wordt dat de betrokkene in de gelegenheid wordt gesteld het proces-verbaal te lezen om na te gaan of de erin opgetekende verklaringen juist zijn en hij door zijn handtekening bewijskracht kan geven aan dit proces-verbaal. Dit proces-verbaal van verhoor dient derhalve opgesteld te worden ter zitting, dan wel daarna, doch in elk geval vóór een tuchtbeslissing wordt genomen en een tuchtsanctie wordt opgelegd. Verzoekster laat gelden dat zij het proces-verbaal nooit vooraf- gaandelijk heeft ontvangen, laat staan dat dit door haar kon worden nagelezen of ondertekend. Zij is op verzoek van de raad van bestuur weliswaar ermee akkoord gegaan dat dit proces-verbaal niet onmiddellijk ter zitting diende te worden opge- steld, doch zij is geenszins akkoord gegaan met de wijze waarop in concreto is gehandeld. Zij heeft met een brief van 20 oktober 2015 gesteld dat haar de kans IX-8832-19/31 werd ontnomen tot nazicht en dat zij aangaande de juistheid twee bemerkingen had, namelijk dat geen melding werd gemaakt van het stukkenbundel en er evenmin akte werd genomen of toevoeging werd gedaan van de expliciete op- merking dat de raad van bestuur tijdens de hoorzitting geen correctie van de da- tum van het ten laste gelegde feit heeft gedaan. Bij gebrek aan een rechtsgeldig proces-verbaal van hoorzitting, ondertekend door haar en de daartoe bevoegde tuchtoverheid, kon in geen geval een rechtsgeldige tuchtrechtelijke beslissing worden genomen op 17 september
- Zij heeft op deze wijze belangenschade geleden, nu haar reeds a priori het recht ontzegd werd om nog een opmerking te kunnen of te mogen formuleren. Beoordeling
- Met het treffen van een beslissing vooraleer zekerheid bestaat over de juistheid van het verslag van het verhoor schept de tuchtoverheid voor zichzelf het risico dat de betrokkene zich in het kader van haar verzet tegen de tuchtstraf kan beroepen op de onjuistheid van de vermeldingen van het proces- verbaal, maar dit vitieert op zich het tuchtstrafbesluit niet. De zogenaamd devolutieve werking van het beroep bij de ka- mer van beroep is er immers onder meer op gericht dergelijke gebreken recht te zetten. Met de woorden van de kamer van beroep in de bestreden be- slissing, die de Raad bijvalt: “Het ondertekenen van het proces-verbaal van verhoor met de mogelijk- heid om bemerkingen te maken op de tekst die het bestuur heeft opge- maakt, strekt ertoe een tegensprekelijk bewijs te verkrijgen van het ver- loop van het verhoor en van de standpunten die daar worden ingenomen. Zonder ondertekening, al dan niet met opmerkingen omtrent het voorge- legd voorstel, heeft het proces-verbaal slechts de waarde van een eenzij- dige verklaring. Steunt het bestuur zich bij zijn beslissing op gegevens uit een niet-ondertekend proces-verbaal, dan loopt het de kans dat die gege- vens nadien worden ontkend of betwist, hetgeen van belang kan zijn voor bijvoorbeeld het bewijs van de deugdelijke grondslag van de beslissing.” IX-8832-20/31
- Verzoekster had de gelegenheid voor de kamer van beroep alle opmerkingen te doen gelden inzake het proces-verbaal van het verhoor in eerste aanleg en eventuele onjuistheden of onvolmaaktheden aan te kaarten. Zij voert voorts niet aan dat de bestreden beslissing van de kamer van beroep steunt op foutieve gegevens uit dit niet-ondertekend proces-verbaal. Wat de omschrijving van het ten laste gelegde feit van 3 “juni” 2012 betreft, is bij de bespreking van het vierde middel immers al opgemerkt dat de kamer van beroep terecht slechts een materiële vergissing heeft vastgesteld. De kamer van beroep steunt haar oor- deel voorts op de stukken neergelegd in de beroepsprocedure; het is rechtens niet relevant welk stukkenbundel de raad van bestuur in eerste aanleg heeft onder- zocht, laat staan of de neerlegging van die stukken correct is opgetekend in het proces-verbaal van het verhoor.
- Verzoekster heeft dan ook geen belang bij het middel. Het is niet ontvankelijk. F. Zesde middel Uiteenzetting van het middel
- In een zesde middel voert verzoekster de schending aan van artikel 69 van het rechtspositiedecreet, van artikel 19, §§ 4 en 5, van het tuchtbe- sluit, van het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwens- en rechtszekerheidsbe- ginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur en van de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet van 29 juli
- De toelichting van het middel valt uiteen in twee onderdelen, ook al maakt verzoekster niet formeel die indeling. In een eerste onderdeel stelt verzoekster dat op tuchtrechtelijk vlak de verjaring van het ten laste gelegde tuchtfeit is ingetreden en zij verwijst hiervoor naar de bespreking van het tweede middel, die zij bovendien deels her- IX-8832-21/31 haalt. Zij herhaalt dat zij onmiddellijk van de beslissing om de tuchtprocedure te starten in kennis gesteld moest zijn. Bijkomend voert verzoekster aan dat het be- stuur haar minstens op 13 mei 2013 in kennis had dienen te stellen van de tucht- rechtelijke procedure aangezien de raad van bestuur op dat ogenblik geenszins meer in het ongewisse was. In een tweede onderdeel doet zij gelden dat het bestuur het tuchtdossier niet binnen een redelijke termijn heeft behandeld. Het uitnodigen van een personeelslid voor een tuchtverhoor op 17 september 2015, te weten 3,5 jaar nadat zij preventief geschorst werd, is geenszins te beschouwen als het han- delen binnen een redelijke termijn. Het motief dat de raad van bestuur “in het ongewisse was of er sprake was van één diefstal, dan wel of er meerdere waren gepleegd”, is volgens verzoekster geen pertinent motief. Dat de kamer van beroep het “beweerde gebrek aan bekentenis van de feiten” inroept ter rechtvaardiging van de jarenlange passieve houding van het schoolbestuur, strookt niet met de draagwijdte van de beslissing van de raad van bestuur van 21 mei 2012, waarbij “de formele betwisting door verzoekende partij dat zij enige geldsom zou hebben ontvreemd”, niet aanvaard werd en terzijde werd geschoven, aangezien zij aan het feit van 3 mei 2012 door de raad van bestuur toen al onbetwistbaar schuldig werd geacht. Het motief als zou de raad van bestuur zich proactief hebben opge- steld om het strafdossier voortgang te laten vinden, overtuigt evenmin, nu de klacht met burgerlijke partijstelling in hoofdzaak betrekking had op andere feite- lijkheden. Verzoekster herhaalt dat de tuchtoverheid niet zonder enige motivering en louter passief de afloop van de strafrechtelijke procedure kan af- wachten, voordat zij de tuchtprocedure initieert, wanneer deze rechtvaardiging slechts a posteriori werd gegeven en de tuchtoverheid zelfs niet het minste ele- ment aanvoert dat zij enig initiatief zou hebben genomen om een administratief onderzoek te voeren en dat meer dan 3,5 jaar lang, terwijl zij wel is overgegaan tot preventieve schorsing. De overheid is verplicht het nodige te doen om de tuchtprocedure niet te lang te laten aanslepen en om ervoor te zorgen dat binnen IX-8832-22/31 een redelijke termijn een beslissing wordt genomen die een einde maakt aan de onzekere en ongunstige toestand waarin het personeelslid zich bevindt. Beoordeling
- In de toelichting bij het middel werkt verzoekster de beweerde schending van artikel 69 van het rechtspositiedecreet, het zorgvuldigheidsbegin- sel, het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en de formelemotive- ringswet niet nader uit, zodat het middel in die mate onontvankelijk is obscuri libelli.
- In het eerste middelonderdeel voert verzoekster geen argumen- ten aan die nog niet zijn onderzocht en beantwoord bij de beoordeling van het tweede middel, waar is vastgesteld dat de opschorting van de behandeling van de tuchtvordering ingevolge de strafprocedure overeenkomstig artikel 19, §§ 4 en 5, vierde lid, van het tuchtbesluit toelaat om de kennisgeving van het ingestelde tuchtonderzoek uit te stellen en dat de verjaringstermijn is gerespecteerd.
- In het tweede middelonderdeel voert verzoekster onmiskenbaar de schending aan van de redelijke termijn, alhoewel zij die niet vermeldt in het middel zelf, maar enkel in de toelichting. De verwerende partij heeft dit aan de hand van die toelichting van het middelonderdeel echter ook goed begrepen, zo- dat het middelonderdeel zonder schade aan de rechten van verdediging zo mag worden gelezen en hierna zo wordt onderzocht.
- Hiervóór is reeds opgemerkt dat de schorsing van de tuchtver- volging een mogelijkheid is die het tuchtbesluit biedt, maar geen verplichting is voor de tuchtoverheid. De tuchtvordering en de strafvordering zijn in principe onaf- hankelijk van elkaar. De tuchtoverheid kan dan ook over de tuchtvordering uit- spraak doen zonder de definitieve uitspraak van de strafrechter af te wachten. IX-8832-23/31 Meer nog, zo heeft de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State overwogen in haar arrest nr. 190.728 van 20 februari 2009, vereist de redelijke termijn dat de tuchtoverheid de tuchtrechtelijke vervolging alleen mag uitstellen wanneer zij op grond van de onderzoeksmiddelen waarover zij beschikt geen beoordeling kan geven van de feiten die het personeelslid ten laste worden gelegd. Zij mag een personeelslid dat een tuchtmaatregel riskeert niet te lang in onzekerheid laten verkeren aangaande zijn lot. De verplichting om het dossier van het personeelslid met bekwame spoed te behandelen, noodzaakt de tuchtoverheid om het administratieve onderzoek zo grondig mogelijk te voe- ren, zodanig dat zij zich ervan kan vergewissen dat het in voorkomend geval voor haar in redelijkheid onmogelijk is om uitspraak te doen voordat de strafrechter een definitieve beslissing genomen heeft. De mogelijkheid om de tuchtvordering uit te stellen moet dan derhalve worden opgevat als een uitzondering op de regel, waarvan slechts ge- bruik mag worden gemaakt wanneer de tuchtoverheid op basis van een eigen on- derzoek er niet in slaagt om alle gegevens die van wezenlijk belang kunnen zijn voor het tuchtrechtelijk optreden te achterhalen.
- Verzoekster weerspreekt niet de vaststelling in de bestreden beslissing dat zij het ten laste gelegde feit nooit heeft bekend. Zij heeft het plegen van diefstal integendeel zowel tijdens het verhoor in het kader van de preventieve schorsing als in de strafprocedure uitdrukkelijk ontkend. Verzoekster weerspreekt ook niet de opmerking van de tussenkomende partij dat het voor het bestuur niet mogelijk was om zelf gebruik te maken van de camerabeelden; verzoekster heeft zich blijkens de stukken van het dossier integendeel steeds op het standpunt ge- steld dat van die beelden in het geheel geen gebruik gemaakt mag worden, al ze- ker niet door de tuchtoverheid. Uit de stukken van het dossier blijkt ook niet dat de diefstal gepleegd zou kunnen zijn in aanwezigheid van getuigen. De tussenkomende partij vraagt zich dan ook terecht af welke onderzoeksdaden verzoekster verwacht dat zij kon en mocht stellen om de ware IX-8832-24/31 toedracht van het materiële feit vast te stellen. Het is een vraag die verzoekster open laat.
- Verzoekster wordt voorts niet bijgevallen als zij stelt dat de tuchtoverheid reeds op 21 mei 2012 overtuigd was van feit, schuld en sanctie en om die reden niet mocht dralen. Een verondersteld innerlijke overtuiging is immers een wankele basis voor een zware tuchtmaatregel als, zoals in deze zaak, het betrokken perso- neelslid het feit met stelligheid ontkent en het bewijsmateriaal om welke reden ook niet bruikbaar is. Bovendien leest verzoekster over de inzichten en intenties van de tuchtoverheid te veel in de beslissingen van 21 mei
- De beslissing om een tuchtprocedure te starten levert geen be- wijs dat de tuchtoverheid ook de uitkomst van die procedure heeft gedetermi- neerd. Dat die procedure reeds de mogelijkheid van het ontslag vermeldt, stelt het betrokken personeelslid beter in staat haar verweer ook met betrekking tot de voorgenomen strafmaat te voeren. De preventieve schorsing in abstracto is voorts een ordemaat- regel waarbij de overheid vooralsnog geen uitspraak doet over de schuldvraag. Uit het enkele feit dat een ordemaatregel wordt opgelegd, kan niet worden afge- leid dat de tuchtoverheid reeds dan de vereiste kennis heeft of moet hebben over de wezenlijke elementen die in de tuchtzaak aan de orde zijn. De raad van bestuur heeft op 21 mei 2012 in concreto enkel de preventieve schorsing bevestigd, die eerder bij hoogdringendheid was opgelegd door de algemeen directeur. Wat de motieven en inzichten van de algemeen di- recteur ook zijn geweest, deze kunnen niet toegeschreven worden aan de raad van bestuur. IX-8832-25/31 De raad van bestuur van zijn kant bevestigt de preventieve schorsing op grond van het feit dat sedert oktober 2011 tussen zevenhonderd en duizend euro uit de portefeuille van de collega is verdwenen in samenhang met de handelingen van verzoekster die op 3 mei 2012 zijn vastgesteld op de video- beelden van de camerabewaking, die volgens de raad van bestuur duidelijkheid verschaffen “over de vermoedelijke dader van vorige diefstallen”. Voorts “vraagt [de raad van bestuur] zich af wat [verzoekster] in een verduisterd lokaal in de handtas van [X.] te zoeken had, waarom zij met haar hand in de portefeuille van [X.] ging”. Volgens de raad van bestuur is “wat de concrete gebeurtenissen be- treft, weinig discussie mogelijk”. Uit die overwegingen in het kader van een preventieve schor- sing afleiden dat de raad van bestuur, spijts de ontkenning ervan door verzoek- ster, de vereiste zekerheid had of moest hebben over de schuld van verzoekster voor het plegen van huisdiefstal, is voor de Raad van State een stap te ver. Dat de raad van bestuur redenen had om verzoekster te “veroordelen” tot een preventie- ve schorsing, bewijst niet dat zij schuldig verklaard is in het kader van de tucht- vervolging die op dat ogenblik overigens nog maar werd opgestart.
- Ten slotte moet in de beoordeling van de houding van de tucht- overheid het gegeven worden betrokken dat zij klacht heeft neergelegd met bur- gerlijke partijstelling bij de onderzoeksrechter en dat zij meermaals bij de procu- reur des Konings navraag heeft gedaan of laten doen naar de stand van het ge- rechtelijk dossier. Verzoekster noemt die brieven “gemanipuleerd” en in haar laatste memorie zelfs “vals”. Verzoekster heeft die stukken evenwel niet voor de bevoegde rechter van valsheid beticht, zodat met die bewering geen rekening mag worden gehouden. Dat die brieven uitgaan van een ambtenaar van het Gemeen- schapsonderwijs en niet van de tuchtoverheid zelf, doet niet anders besluiten. IX-8832-26/31
- Verzoekster beweert niet dat de tuchtoverheid na de kennisge- ving van de definitief geworden veroordeling of daarna de kamer van beroep no- deloos heeft gedraald.
- Alle hiervóór geschetste elementen samen in overweging ne- mende, kan tot een schending van de redelijke termijn niet worden besloten.
- Het middel is in beide onderdelen ongegrond. G. Zevende middel Uiteenzetting van het middel
- Het zevende middel is geput uit de schending van de “algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel” en van de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet van 29 juli
- Verzoekster betoogt dat uit de bestreden beslissing niet kan worden afgeleid of de tuchtoverheid bij het beoordelen van het ten laste gelegde feit rekening heeft gehouden met alle omstandigheden van het dossier, met inbe- grip van door haar aangehaalde verzachtende omstandigheden. Zij stelt dat het de tuchtoverheid toevalt om te bewijzen dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan de personeelsplichten, die der- mate ernstig en zwaarwichtig is dat haar de tuchtsanctie van het ontslag dient te worden opgelegd. De loutere verwijzing naar een strafrechtelijke uitspraak kan een tuchtrechtelijke beslissing tot ontslag niet schragen. De straf- en tuchtproce- dure staan volledig los van elkaar en de tuchtoverheid is niet gebonden door de beoordeling van de ernst van de feiten door de strafrechter, zodat in die zin de uitspraak van de strafrechter geen gezag van gewijsde heeft ten aanzien van de tuchtoverheid. IX-8832-27/31 Volgens verzoekster bestaat er tussen de ernst van het ten laste gelegde feit en de opgelegde sanctie een “complete wanverhouding, minstens een kennelijke onredelijkheid en onevenredelijkheid waartoe geen enkel ander zorg- vuldig en redelijk handelend bestuur zou hebben besloten”. De motivering door de tuchtoverheid is een stijlformule en wekt de indruk dat de tuchtoverheid, die een vraag tot het horen van getuigen zelfs uitsluit, onvoldoende rekening hield met alle concrete omstandigheden, ook deze ten gunste van verzoekster. De eva- luaties van verzoekster bewijzen dat er over een periode van tien jaar functione- ren in de scholengroep geen enkele aanwijzing bestaat dat er een probleem was in haar relatie met het bestuur, de leerlingen, ouders of collega’s. Zij wijst erop dat de strafrechter de gunst van de opschorting heeft toegekend en leidt hieruit een verzwaarde motiveringsplicht af als het bestuur niettemin de zware sanctie van het ontslag oplegt. Beoordeling
- Een tuchtoverheid beschikt bij het opleggen van een tuchtstraf voor feiten die zij als tuchtrechtelijk te beteugelen beschouwt, over een grote be- leidsvrijheid. Die discretionaire bevoegdheid is begrensd door het redelijkheids- beginsel, wat inzake tucht impliceert dat een tuchtstraf in een redelijke verhou- ding van evenredigheid moet staan tot de tuchtfeiten. Bij het beoordelen van de evenredigheid van een tuchtmaatre- gel mag de Raad van State zich niet in de plaats stellen van de tuchtoverheid. Enkel mag de Raad van State in het kader van zijn wettigheidscontrole nagaan of het oordeel van de verwerende partij binnen de grenzen is gebleven van wat nog als redelijk kan worden aangezien. Dat een tuchtmaatregel streng is, bewijst niet dat ze onredelijk is. Er kan slechts dan sprake zijn van schending van het evenre- digheidsbeginsel, wanneer de beslissing, waarvan vastgesteld wordt dat ze op deugdelijke grondslagen berust, inhoudelijk dermate van het normale beslissings- patroon afwijkt dat het ondenkbaar is dat enige andere zorgvuldige overheid in dezelfde omstandigheden die beslissing zou nemen. De vraag of er door de over- IX-8832-28/31 heid binnen de perken van de redelijkheid mogelijk ook een andere – lichtere – straf kon zijn opgelegd, doet niet ter zake.
- De uiteenzetting van verzoekster gaat voorbij aan de motieven ter rechtvaardiging van de gekozen tuchtstraf. De kamer van beroep stelt het volgende: “De verzoekster meent met getuigenverklaringen de Kamer van Beroep een beter inzicht te kunnen geven in ‘de feitelijke omstandigheden waar- binnen dit tuchtdossier dient gesitueerd’. Indien zij daarmee bedoelt dat de getuigen zullen bevestigen dat zij niet gestolen heeft, dan botst haar vraag af op het gezag van gewijsde van de strafrechtelijke uitspraak. In- dien zij daarmee beoogt aan te duiden dat de bewezen diefstal geen reden moet zijn om haar de straf van het ontslag op te leggen, dan wordt verwe- zen naar de hierna volgende bespreking van de strafmaat. […] De Kamer van Beroep is van oordeel dat diefstal ten nadele van een col- lega binnen het werkmilieu, een zeer ernstig vergrijp uitmaakt dat op zich elke vertrouwensrelatie met het bestuur en de collega’s verbreekt en dat de verzoekster de nodige autoriteit ontneemt om nog met leerlingen en ouders in contact te komen. De omstandigheid dat de verzoekster tot nog toe haar opdracht met volle inzet en tot ieders tevredenheid vervuld heeft en dat zij nog geen tuchtrechtelijke veroordeling opliep, staat er niet aan in de weg dat het vergrijp onmiddellijk resulteert in de definitieve verwij- dering uit de dienst. Getuigen horen over de wijze waarop de verzoekster haar opdracht vervulde of over de wijze waarop de feiten vastgesteld zijn kunnen worden, is derhalve niet relevant. Daarbij komt dat de verzoekster op geen enkele wijze refereert aan enige omstandigheid die de tuchtover- heid er had kunnen toe brengen haar schuld aan het misdrijf in enige mate te relativeren.”
- Verzoekster herhaalt in het middel louter dezelfde, reeds voor de kamer van beroep ingeroepen elementen waarmee volgens haar rekening dien- de te worden gehouden bij de straftoemeting. Verzoekster maakt op deze wijze niet aannemelijk dat de kamer van beroep, gegeven de discretionaire bevoegdheid waarover zij beschikt bij de straftoemeting, de grenzen van de redelijkheid te buiten is gegaan wanneer zij verzoekster de tuchtstraf van het ontslag oplegt. De kamer van beroep blijkt luidens de aangehaalde motivering immers al die ele- menten in haar beoordeling betrokken te hebben. IX-8832-29/31 In die omstandigheden overtuigt verzoekster niet van het onre- delijke om de door haar gepleegde huisdiefstal met ontslag te bestraffen.
- Het zevende middel is niet gegrond. V. Kosten
- Het verzoek van de tussenkomende partij om haar een rechts- plegingsvergoeding van 700 euro toe te kennen ten laste van verzoekster, wordt niet ingewilligd. Artikel 30/1, § 2, vierde lid, in fine, van de gecoördineerde wet- ten op de Raad van State schrijft immers voor dat de tussenkomende partijen niet kunnen worden gehouden tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding “of ervan genieten”. VI. Anonimisering
- Met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 ‘betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State’ vraagt verzoekster dat bij de publica- tie van het arrest haar identiteit niet wordt opgenomen. Dit verzoek wordt ingewilligd. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 400 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. IX-8832-30/31
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen januari tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-8832-31/31 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.595 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.235.230 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div