← België

Arrest 246598 - Overheidsopdrachten - 09/01/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.598 Rolnummer: A. 219284/XII-8143 Zaak: Arrest 246598 - Overheidsopdrachten - 09/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-01-20 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-25 22:39 Fiche Arrest nr 246.598 van 9 januari 2020 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 246.598 van 9 januari 2020 in de zaak A. 219.284 /XII-8143 In zake: de BVBA AANNEMINGEN NORRE - BEHAEGEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jo Goethals kantoor houdend te 8800 Roeselare Kwadestraat 151 B/41 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de GEMEENTE MIDDELKERKE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Barteld Schutyser en Tom Villé kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 17 mei 2016, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Middelkerke van 15 maart 2016 houdende de toe- wijzing van de overheidsopdracht houdende de renovatie van de Onderwijsstraat, Camerlinckstraat en Smidsestraat volgens bestek nr. T/PVE/2016/0080.029 aan nv Penninck […] en mitsdien de weigering van de gunning aan de eerste regelmatige inschrijver, zijnde [de bvba Aannemingen Norré-Behaegel]”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XII-8143-1/15 Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 oktober
  3. Staatsraad Patricia De Somere heeft de stand van de zaak uiteengezet. Advocaat Jo Goethals, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Saul Janssens, die loco advocaat Barteld Schutyser verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht voor werken uit met als voorwerp de renovatie van de Onderwijsstraat, Camerlinckstraat en Smidsestraat. De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen van 27 november
  6. Het betreft een openbare aanbesteding. De raming bedraagt 806.313,69 euro, btw inbegrepen. XII-8143-2/15 Het bijzonder bestek met referentienummer 1854w is van toepassing op de opdracht. 3.
  7. De opening van de offertes is voorzien op 22 januari
  8. De volgende inschrijvers dienen een offerte in, btw inbegrepen: - de nv Penninck 685.683,04 euro; - de bvba Aannemingen Norré-Behaegel 766.278,44 euro; - de nv Verhelst Aannemingen 805.565,88 euro; - de bvba Vanlerberghe 857.329,28 euro. 3.
  9. In het kader van het onderzoek van de offertes verzoekt de verwerende partij aan de nv Penninck een prijsverantwoording voor zijn eenheidsprijzen voor de posten 32, 44, 51 en
  10. Deze inschrijver dient een prijsverantwoording in. Na onderzoek van de verstrekte prijsverantwoording, verzoekt de verwerende partij om een bijkomende prijsverantwoording aan de nv Penninck voor de posten 32, 44 en
  11. 3.
  12. Op 1 maart 2016 wordt een gunningsverslag opgesteld. Wat het prijsonderzoek van de offerte van de nv Penninck betreft, luidt het gunningsverslag als volgt: “De inschrijving van de laagste bieder werd nagekeken op de aanwezigheid van abnormale eenheidsprijzen Uit nazicht van de eenheidsprijzen […] kunnen volgende posten als mogelijk abnormaal beschouwd [worden]: Voor de posten 32,44,51 en 99 werd een bijkomende prijsanalyse opgevraagd bij inschrijver Penninck (zie schrijven dd 10/02/2016 […]). Na onderzoek werd beslist voor de posten 32,44 en 51 de aannemer te herbevragen (zie schrijven dd 22/02/2016 […]). Post 32: rioleringsbuizen di 400 mm De opgeven prijzen (aankoop buizen) en regietarieven zijn realistisch en aanvaardbaar. (De ordegrootte van eenheidsprijs van de betonbuis wordt XII-8143-3/15 aangetoond aan de hand van een factuur van de leverancier) Na herbevraging van de aannemer werd bevestigd dat de prijsopbouw en de rendementen rekening houdt met het uitvoeren van de aanvulling en de aanleg fundering. (materiaalkost volgens post 44 en 99) Rekening houdend met alle handelingen noodzakelijk voor de aanleg van de buizen op palen, het uitvoeren van de aanvulling en de aanleg schraalbeton is het opgegeven rendement hoog, maar aanvaardbaar. Post 44: aanvulling met zand 3m De aannemer heeft deze gronden ter beschikking. De beschikbaarheid werd na herbevraging, aan de hand van de nodige stukken (verwijzing naar werven waar grond opgehaald wordt), bevestigd door de aannemer. Enkel transportkost wordt in rekening gebracht. We stellen voor deze prijs te aanvaarden. Post 51: afvoer en verwerken van grondoverschotten De aannemer heeft een zeer nabij gelegen terrein ter beschikking waar de gronden kunnen afgevoerd worden. De aannemer toont aan, na herbevraging, aan de hand van de nodige stukken, naar welke locatie deze gronden kunnen afgevoerd worden. Gezien de codes 211 is vrij gebruik toegestaan. De kosten voor het ter plaatse te verwerken is tevens inbegrepen. We stellen voor deze prijs te aanvaarden. Post 99: schraalbeton - draagvloer riolering De opgegeven prijzen voor aankoop schraalbeton en transport zijn aanvaardbaar. (De ordegrootte van eenheidsprijs van schraalbeton wordt aangetoond aan de hand van een factuur van de betonleverancier). Voor de aanleg verwijst de aannemer naar de post
  13. Zie ook bemerking betreffende het behaalde rendement. Uit de herbevraging van post 32 is duidelijk dat de plaatsing van de draagvloer in post 32 is inbegrepen. We stellen voor deze prijs te aanvaarden.” Vervolgens wordt voorgesteld om de opdracht te gunnen aan de nv Penninck. 3.
  14. Op grond van dit gunningsverslag beslist de verwerende partij op 15 maart 2016 de opdracht aan de nv Penninck te gunnen voor het bedrag van 685.683,04 euro, btw inbegrepen. Dit is de bestreden beslissing. 3.
  15. Met een aangetekende brief van 16 maart 2016 deelt de verwe- rende partij aan de verzoekende partij mee dat het college van burgemeester en schepenen op 15 maart 2016 de opdracht heeft gegund aan de nv Penninck. Een XII-8143-4/15 kopie van het gunningsverslag is bijgevoegd, maar geen afschrift van de bestreden beslissing zelf. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  16. De verzoekende partij vraagt naast de nietigverklaring van de beslissing om de offerte aan een andere inschrijver te gunnen, ook de nietigverklaring van “de weigering van de gunning aan de eerste regelmatige inschrijver, zijnde verzoekende partij”.
  17. De verzoekende partij laat evenwel geheel na om in haar verzoekschrift aannemelijk te maken dat er uitzonderlijke omstandigheden voorhanden zijn die rechtvaardigen dat de Raad van State te dezen gebruik zou maken van de bijzondere jurisprudentiële techniek van de bijkomende vernietiging van de impliciete weigering om de opdracht aan haar te gunnen. Het beroep is in die mate niet ontvankelijk. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  18. De verzoekende partij voert in het eerste middel de schending aan van “[a]rt. 2 en 3 van de Formele motiveringswet van 29 juli 1991; [h]et zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur”. Zij betoogt dat haar het gunningsverslag werd toegestuurd samen met een brief waarin wordt gesteld dat de opdracht is gegund aan “Penninck”, maar dat zij het raden heeft naar de reden van deze gunning en “hoe en of” de verwerende partij zich heeft aangesloten bij het advies van de ontwerper. De verzoekende partij heeft de beslissing nog opgevraagd maar deze is niet binnen de nuttige termijn verkregen. XII-8143-5/15 Artikel 51 van het Gemeentedecreet bepaalt dat de notulen van het college van burgemeester en schepenen worden goedgekeurd op de eerstvolgende zitting, en er principieel wekelijks een zitting plaatsvindt, maar de motivering te dezen is nog steeds niet ter kennis gebracht. De verzoekende partij stelt dat ze er evident belang bij heeft om te weten waarom de verwerende partij zich heeft aangesloten bij het advies van de ontwerper.
  19. In haar memorie van wederantwoord benadrukt de verzoekende partij dat de formelemotiveringsplicht niet enkel vereist dat de bestreden beslissing formeel wordt gemotiveerd, maar ook dat deze motivering ter kennis wordt gebracht van de bestuurde. Dat de verzoekende partij in de loop van de procedure kennis heeft kunnen nemen van deze beslissing, die blijkbaar verwijst naar het gunningsverslag en deze tot de hare maakt, is volgens haar naast de kwestie. Ze heeft geen kennis kunnen nemen van de beslissing en van de motieven ervan vooraleer zij zich tot de Raad van State kon wenden en aldus is niet voldaan aan de formelemotiveringsplicht. Het feit dat de verzoekende partij “goed gegokt” heeft door zich tegen de overwegingen van het gunningsverslag te verzetten, kan haar het belang bij het eerste middel niet ontnemen.
  20. In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij dat het ongebruikelijk is dat een aannemer een procedure voor de Raad van State moet opstarten om alsnog inzage te kunnen krijgen in de formele motivering, en het in die omstandigheden billijk is de kosten van de procedure ten laste van de verwerende partij te leggen. Beoordeling
  21. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet) verplichten de overheid ertoe in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dit op een “afdoende” wijze. XII-8143-6/15 De formelemotiveringsplicht is een doelnorm. Om te oordelen of de formelemotiveringsplicht is geschonden, dient ermee rekening te worden gehouden of de verzoekende partij belangenschade heeft geleden. Wanneer de bestuurde langs nog andere wegen dan uit de bestuurshandeling de motieven ervan kent en deze in zijn verzoekschrift aan de Raad van State heeft kunnen betrekken, heeft hij zich met kennis van zaken kunnen verweren tegen de beslissing en is het doel van de formele motiveringsplicht bereikt. In dat geval moet een gebeurlijke schending van de motiveringswet niet worden gesanctioneerd. De bestuurde is immers in dat geval niet in zijn belangen geschaad.
  22. Met de kennisgeving van 16 maart 2016 werd de verzoekende partij van het volgende op de hoogte gesteld: “Het college van burgemeester en schepenen, in zitting bijeen op 15/03/2016, heeft bovengenoemde werken gegund aan Aannemingen Penninck nv […] voor een totaal bedrag van 685.683,04 [euro] (btw incl.). Gelieve als bijlage een kopie van het gunningsverslag te vinden.” Met deze kennisgeving werd de verzoekende partij wel degelijk onmiddellijk en in afdoende mate op de hoogte gebracht van het bestaan van de bestreden beslissing, de aard en de draagwijdte ervan, alsook van de motieven die eraan ten grondslag liggen. Na de kennisname van het administratief dossier met daarin de bestreden beslissing, voert de verzoekende partij niet aan dat er een verschil zou bestaan tussen het gunningsverslag en de bestreden beslissing, noch doet zij gelden dat uit de bestreden beslissing zou blijken dat deze op andere motieven berust dan deze die in het gunningsverslag zijn opgenomen. Evenmin doet de verzoekende partij gelden dat de bestreden beslissing zelf niet afdoende formeel gemotiveerd zou zijn. De verzoekende partij heeft aan de hand van deze kennisgeving met kennis van zaken kunnen uitmaken of het opportuun is de beslissing om de opdracht aan een andere inschrijver en niet aan haar te gunnen met een annulatieberoep te bestrijden. Zij heeft zulks ook gedaan, getuige het tweede XII-8143-7/15 middel waarin zij een kritiek doet gelden op het prijsonderzoek van de offerte van de gekozen inschrijver. Het normdoel van de formelemotiveringsplicht werd te dezen in elk geval bereikt.
  23. Het eerste middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  24. De verzoekende partij voert in het tweede middel de schending aan van “[a]rt. 24 van de wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten van 15 juni 2006; [a]rt. 95, §3 juncto art. 21,§3 en art. 99, §1 en §2 KB Plaatsing, overheidsopdrachten klassieke sectoren van 15 juli 2011; [h]et bestek met meetstaat ‘Renovatie Onderwijsstraat, Camerlinckstraat en Smidsestraat’ en het principe ‘Patere legem…’; [d]e algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name de zorgvuldigheidsplicht, alsook het materieel motiveringsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel”. In dit middel bekritiseert de verzoekende partij het prijsonderzoek van de offerte van de gekozen inschrijver en het aanvaarden van diens prijsverantwoording voor de eenheidsprijzen voor post 32 (het plaatsen van rioleringsbuizen), post 44 (het aanvullen met zand op de hoogte tussen -4 m en -3 m) en post 99 (het leveren van een onderfundering in schraalbeton). Blijkens het gunningsverslag heeft de gekozen inschrijver aangegeven alle kosten met betrekking tot het “werk” onder te brengen in post 32, terwijl voor post 44 enkel het transport van het zand werd in rekening gebracht en in post 99 enkel de aankoop van het schraalbeton en het transport. Bij de verantwoording wordt echter geen van de elementen opgesomd in artikel 21, § 3, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 ‘plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren’ (hierna: koninklijk besluit plaatsing 2011) naar voor gebracht. De gekozen inschrijver blijkt zich niet in een bijzondere omstandigheid te bevinden die de XII-8143-8/15 kostprijs van het werk beïnvloedt. Het ter beschikking hebben van “gratis” zand blijkt het enige specifieke voordeel te zijn waarover de gekozen inschrijver beschikt, maar volgens het bestek moet zand in diverse lagen worden aangebracht die apart moeten worden verdicht, en moet er dus werk verricht worden, dat niet in rekening is gebracht. Te dezen is het duidelijk dat de gekozen inschrijver geen prijs per post heeft geboden, maar enkel materiaal (en transport) bij posten 44 en 99 heeft opgegeven, en al het werk zou hij dan in post 32 hebben opgenomen. Deze werkwijze is niet conform het bestek dat eist dat er een prijs per post wordt geboden. De verzoekende partij wijst erop dat het precies is om speculatie tegen te gaan dat ook de eenheidsprijzen op hun abnormaliteit kunnen worden getoetst. De prijzen werden door de ontwerper (en bij uitbreiding blijkbaar door het bestuur) als schijnbaar abnormaal beschouwd en eens is vastgesteld dat de prijs abnormaal is, moet de offerte worden afwezen als onregelmatig. Er moet werkelijk worden aangetoond dat diegene wiens eenheidsprijzen abnormaal geacht worden daadwerkelijk over bijzondere omstandigheden beschikt waardoor de schijnbaar abnormale prijzen toch niet abnormaal, maar wel marktconform zijn. De gekozen inschrijver geeft niet aan over een “bijzonder doelmatig bouwproces” of over een originele bouwmethode te beschikken. Het vermoeden van abnormaliteit is niet weerlegd. De opdracht is dan ook niet gegund aan de laagste regelmatige inschrijver, namelijk de verzoekende partij. Bovendien heeft het bestek in de meetstaat in posten voorzien waarvoor een specifiek prijsaanbod wordt verwacht. Door zich niet aan de postenindeling te houden, heeft de gekozen inschrijver geen regelmatige offerte ingediend. Door diens offerte toch als regelmatig te aanvaarden, is gehandeld in strijd met het bestek en het principe patere legem.
  25. In de memorie van antwoord betoogt de verwerende partij dat de motivering voor de aanvaarding van de eenheidsprijzen steun vindt in de brief van de gekozen inschrijver van 10 februari 2016, waarbij deze laatste de nodige bewijsstukken (facturen enzovoort) aan de verwerende partij heeft overgemaakt waaruit de door hem gekozen technische oplossingen blijken – keuze voor XII-8143-9/15 bepaalde materialen – en de uitzonderlijk gunstige omstandigheden waarvan hij kan profiteren bij de uitvoering van de werken en de levering van de nodige producten: aanvullingsmateriaal van zeer nabij gelegen terreinen waarover hij beschikt. Voorts wijst de verwerende partij erop dat een eenheidsprijs voor een bepaalde post door de verwijzing naar een andere post kan worden ver- antwoord – de kosten voor werkzaamheden kunnen al vervat zijn in een andere post – en dat uit de prijsverantwoording van de gekozen inschrijver zeer duidelijk blijkt dat voor de aanvulling met zand in een kraan, evenals in een geschoolde arbeider wordt voorzien en dat zij in de opgegeven prijs zijn inbegrepen.
  26. In de memorie van wederantwoord werpt de verzoekende partij tegen dat de verantwoording van de prijs door de verwijzing naar andere posten die er samen een cluster mee zouden vormen niet zomaar kan worden aanvaard. In het gunningsverslag wordt enkel vastgesteld dat een cluster wordt toegepast, niet waarom die aanvaardbaar is. Er valt niet in te zien hoe werk dat moet gepresteerd worden plots niet in rekening moet worden gebracht omdat er op dezelfde plek nog ander werk gebeurt. De verwerende partij weerlegt niet “dat door de VH van de riolen te kiezen voor het werk van de opvulling van het zand en het plaatsen van [het] schraalbeton, de kans bestaat dat deze post onderschat wordt zodat er middels meerwerken op die post een verhoging van de prijs zal komen voor het werk van het zand en [het] schraalbeton die mogelijks wel correct is ingeschat”. Deze hypothese volstaat om vast te stellen dat de vergelijkbaarheid van de prijsverantwoordingen/de prijzen is aangetast en dus ook de mededinging. Als er een prijs voor een werk gevraagd wordt voor een bepaalde post, dan moet men niet verwijzen naar werk van een andere post, zeker als niet wordt betwist dat het werk sowieso moet worden uitgevoerd. In wezen parafraseert de verwerende partij het gunningsverslag en beweert zij dat men bij de verantwoording der prijzen vlotjes mag wisselen met posten, wat dus niet mag. XII-8143-10/15
  27. In de laatste memorie benadrukt de verzoekende partij dat het aanvullen van zand en het plaatsen van schraal beton apart uit te voeren werken zijn met andere machines en ander personeel, en deze werken dus niet in één beweging gebeuren, zoals de verwerende partij lijkt te aanvaarden. Voorts benadrukt zij dat een clustering met andere eenheidsprijzen niet “per definitie” verboden is, maar dat de verwerende partij wel moet onderzoeken of het verantwoord is om de posten te clusteren, en dit te motiveren, wat zij te dezen heeft nagelaten. Voor de verwerende partij volstaat de conclusie dat het opgegeven rendement hoog maar aanvaardbaar is. De essentie van de clustering is dat er een prijsvoordeel kan worden verkregen door bepaalde posten samen te nemen omdat één post reeds de uitvoering van de andere impliceert, wat hier precies niet het geval is, minstens wordt dat niet gemotiveerd. Het blijkt ook niet dat de gekozen inschrijver de drie posten geclusterd heeft en de gemiddelde prijs voor het werk aan de drie posten heeft toegerekend, wel dat voor twee posten gewoonweg geen werk werd toegerekend.
  28. In de laatste memorie benadrukt de verwerende partij nog dat de posten 32, 44 en 99 op eenzelfde onderdeel van de opdracht betrekking hebben (plaatsen van rioleringsbuizen), zodat de clustering van de eenheidsprijzen voor die samenhangende posten door de verwerende partij mocht worden aanvaard. In het gunningsverslag verwijst zij naar de concrete en cijfermatige onderbouwing uit de prijsverantwoording van de gekozen inschrijver, op grond waarvan zij rechtmatig tot het niet-abnormaal karakter van deze prijzen mocht besluiten. Beoordeling
  29. Een aanbestedende overheid beschikt over een aanzienlijke beoordelingsruimte om de in het kader van een onderzoek naar abnormale prijzen gegeven verantwoordingen al dan niet te aanvaarden. Het komt niet aan de Raad van State toe om een eigen beoordeling in de plaats van deze van het bestuur te stellen, doch enkel om desgevraagd na te gaan of de betrokken motieven in rechte ter verantwoording van de bestreden beslissing in aanmerking mogen worden XII-8143-11/15 genomen, wat onder meer vereist dat ze naar behoren zijn bewezen, en dat daarbij de appreciatie van het bestuur de perken van een zorgvuldige beoordeling niet te buiten is gegaan.
  30. Op grond van de sub 3.4 weergegeven motieven in het gunningsverslag, heeft de verwerende partij de door de gekozen inschrijver verstrekte prijsverantwoording voor de drie posten 32, 44 en 99 aanvaard. Uit deze motieven blijkt dat de gekozen inschrijver in zijn offerte en in zijn prijsverantwoording de drie voornoemde posten in belangrijke mate heeft samengenomen en dat hij de component van de uitvoering inzake het plaatsen van het schraal beton en de aanvulling met zand heeft ondergebracht in post
  31. De verwerende partij heeft die werkwijze aanvaard en geoordeeld dat, “[r]ekening houdend met alle handelingen noodzakelijk voor de aanleg van de buizen op palen, het uitvoeren van de aanvulling en de aanleg schraalbeton”, het voor post 32 opgegeven rendement hoog, maar aanvaardbaar is. Voor de posten 44 en 99 worden respectievelijk de transportkost, en de materiaal- en transportkost beoordeeld als aanvaardbaar. De verzoekende partij betwist niet dat de drie posten betrekking hebben op eenzelfde onderdeel van de opdracht, namelijk het plaatsen van rioleringsbuizen, maar stelt dat dit apart uit te voeren werken betreft, met andere machines en ander personeel. Uit de prijsverantwoording van de gekozen inschrijver en de bij die prijsverantwoording gevoegde stukken waarvan de Raad vermag kennis te nemen, blijkt dat deze de gehanteerde clusteringmethode concreet en cijfermatig onderbouwt en staaft aan de hand van stukken. Wat het werk betreft, vermeldt de prijsverantwoording uitdrukkelijk bij de posten 44 en 99 dat het uitvoeren met kraan en geschoolde arbeider is vervat in post
  32. De verwerende partij stelt vast dat de drie posten betrekking hebben op eenzelfde onderdeel, namelijk het plaatsen van rioleringsbuizen, en aanvaardt daarom een zogenoemde clustering XII-8143-12/15 van eenheidsprijzen ten opzichte van deze drie samenhangende posten. De verzoekende partij toont niet aan waarom dit motief ondeugdelijk zou zijn, noch dat het besluit dat de verwerende partij daaruit heeft getrokken, namelijk dat de prijzen voor de betrokken posten kunnen worden aanvaard, “[r]ekening houdend met alle handelingen noodzakelijk voor de aanleg van de buizen op palen, het uitvoeren van de aanvulling en de aanleg schraalbeton”, onzorgvuldig zou zijn. De loutere bewering dat deze werken niet in één beweging zouden gebeuren, volstaat daartoe niet. De verzoekende partij concretiseert ook niet welk ander personeel of welke andere machines voor die werken nodig zouden zijn.
  33. Voor zover de verzoekende partij in het verzoekschrift aanvoert dat de prijsverantwoording niet werd betrokken op de verklarende factoren opgesomd in artikel 21, § 3, van het koninklijk besluit plaatsing 2011, stelt de Raad van State vast dat de aanbestedende overheid te dezen de samenhang tussen de drie betrokken posten in aanmerking heeft genomen. Ook verwijst het gunningsverslag naar de omstandigheid dat de aannemer de gronden voor het aanvullingsmateriaal ter beschikking heeft, en aldus naar de uitzonderlijk gunstige omstandigheden waaruit de nv Penninck voordeel kan halen bij de levering van de nodige producten.
  34. De verzoekende partij maakt voorts niet in concreto aannemelijk dat er gevaar zou bestaan voor speculatie. Het louter poneren van een mogelijk risico op speculatie volstaat niet om het vermoeden van wettigheid dat aan de gunningsbeslissing kleeft onderuit te halen.
  35. Voor zover de verzoekende partij betoogt dat de gevolgde werkwijze strijdig is met het bestek, blijkt de gekozen inschrijver in zijn offerte wel degelijk opgave te hebben gedaan van de eenheidsprijzen en totaalprijzen voor elk van de voormelde posten. Anders dan de verzoekende partij opwerpt, blijkt niet dat de gekozen inschrijver zich niet zou hebben gehouden aan de postenindeling in de meetstaat bij het bestek, dat hij de posten zou hebben gewijzigd, of bepaalde posten niet zou hebben ingevuld. XII-8143-13/15
  36. Uit het voorgaande kan worden besloten dat niet blijkt dat de verwerende partij bij de aanvaarding van de prijsverantwoording van de gekozen inschrijver voor de eenheidsprijzen voor de posten 32, 44 en 99 de grenzen van een zorgvuldige en redelijke beoordeling te buiten is gegaan, noch dat daarbij is gesteund op ondeugdelijke motieven.
  37. Ten slotte verduidelijkt de verzoekende partij niet op welke wijze artikel 99 van het koninklijk besluit plaatsing 2011 – luidens de laatste memorie samengenomen met artikel 96 van het voornoemde besluit – werd geschonden. Voor zover deze schending dient te worden afgeleid uit de kritiek die de verzoekende partij aanvoert bij het gevoerde prijsonderzoek kan worden verwezen naar hetgeen hiervoor werd uiteengezet. Bijgevolg wordt die schending niet aangetoond.
  38. Het tweede middel is niet gegrond. VI. Kosten
  39. De verzoekende partij toont niet aan dat haar annulatieberoep enkel werd uitgelokt door het in het eerste middel aangevoerde formele motiveringsgebrek. Zij doet integendeel in het tweede middel kritiek gelden op het prijsonderzoek van de offerte van de gekozen inschrijver. Haar verzoek om de kosten ten laste te leggen van de verwerende partij wordt bijgevolg verworpen. BESLISSING
  40. De Raad van State verwerpt het beroep. XII-8143-14/15
  41. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsple- gingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen januari tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Dierk Verbiest XII-8143-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.598 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.