id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.614 Rolnummer: A. 222014/X-16908 Zaak: Arrest 246614 - Wegenwezen - 14/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-01-20 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-25 22:51 Fiche Arrest nr 246.614 van 14 januari 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Wegenwezen Beslissing : Verwerping Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 246.614 van 14 januari 2020 in de zaak A. 222.014/X-16.908 In zake :
- Geert VAN WAEG
- de VZW WOLU-INTER-QUARTIERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Jongbloet kantoor houdend te 3010 Leuven Oude Diestsesteenweg 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJKE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Philippe Coenraets en Christophe Lépinois kantoor houdend te 1000 Brussel Ter Kamerenlaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 20 april 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de gemachtigde ambtenaar van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 24 maart 2017 waarbij de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend aan Mobiel Brussel voor de heraanleg van: - de Woluwelaan tussen, enerzijds, de Vootstraat en, anderzijds, de Emile Vanderveldelaan en de Paul Hymanslaan, en - de Paul-Henri Spaakpromenade tussen, enerzijds, de Woluwelaan en, anderzijds, de parking van Roodebeek en de Paul Hymanslaan. X-16.908-1/16 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 238.110 van 5 mei 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing verworpen. Eerste verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en eerste verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. Eerste verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 november
- Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pieter Jongbloet, die verschijnt voor eerste verzoeker, is gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- X-16.908-2/16 III. Feiten
- Er wordt voor de feiten verwezen naar ’s Raads arrest nr. 238.110 van 5 mei
- IV. Afstand tweede verzoekende partij 4.
- Na de verwerping van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid bij arrest nr. 238.110 van 5 mei 2017 heeft de tweede verzoekende partij geen verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. Gelet op het bepaalde in artikel 17, § 7, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt in hoofde van de tweede verzoekende partij de afstand van geding vastgesteld. 4.
- Onder verzoeker wordt hierna enkel de eerste verzoeker begrepen. V. Het eerste middel Uiteenzetting van het middel 5.
- Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 177/1 van het Brussels Wetboek Ruimtelijke Ordening (hierna: BWRO) en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de motiveringswet). 5.
- Verzoeker wijst er op dat met toepassing van artikel 177/1 BWRO, na afronding van het openbaar onderzoek en advies van de overlegcommissie, op initiatief van de aanvrager gewijzigde plannen werden ingediend die middels het bestreden besluit worden vergund. Eén van de doorgevoerde wijzigingen bestaat erin het aantal rijstroken vanwaar men het shoppingcenter kan oprijden te verminderen van twee naar één teneinde een X-16.908-3/16 gevaarlijke interactie tussen voetgangers/fietsers en automobilisten te vermijden bij een dubbele kruising van het fietspad/voetpad. De halvering van de rijstroken van waarop men vanuit het noorden toegang kan nemen tot de parking van het shoppingcenter heeft, aldus verzoeker, een evident effect op de verkeersafwikkeling in de omgeving en zal leiden tot enorme files aangezien het autoverkeer slechts beschikt over één lichtengeregelde rijstrook om het shoppingcenter te betreden. Volgens verzoeker kan deze wijziging niet als bijkomstig worden beschouwd, minstens is niet afdoende gemotiveerd waarom dit het geval zou zijn. Beoordeling
- Het toentertijd geldende artikel 177/1 BWRO bepaalt: “Voorafgaand aan de beslissing van de gemachtigde ambtenaar kan de aanvrager gewijzigde plannen indienen evenals, in voorkomend geval, een aanvulling bij het effectenverslag. Wanneer die gewijzigde plannen niet het voorwerp van het project wijzigen, van bijkomstig belang zijn en tegemoetkomen aan de bezwaren die het oorspronkelijke project opriep […], wordt de vergunning afgeleverd zonder dat het gewijzigde project opnieuw moet worden onderworpen aan de reeds verrichte onderzoekshandelingen. […].” De vraag of een wijziging “van bijkomstig belang” is in de zin van de hiervoor geciteerde bepaling moet concreet en geval per geval worden beoordeeld.
- De in het middel geviseerde wijziging komt hierdoor tot uiting dat op het grafisch plan in de tweede rijstrook aan het zebrapad voor het shoppingcenter onderstaande wegmarkering is weggelaten: X-16.908-4/16 De bedoeling is om, anders dan in de initiële plannen, de betrokken rijstrook exclusief voor te behouden voor rechtdoor rijdende autovoertuigen.
- Zoals in de uitdrukkelijke overwegingen van het bestreden besluit wordt uiteengezet is deze wijziging ingegeven door de tijdens het openbaar onderzoek uitgebrachte opmerking dat het toelaten van rechts afslaand autoverkeer vanuit de betrokken rijstrook gevaarlijk voor fietsers en voetgangers zou zijn. Dezelfde overwegingen zetten uiteen dat het een wijziging van bijkomstig belang betreft, onder meer omdat het aanbrengen van wegmarkeringen in beginsel een handeling is die vrijgesteld is van een stedenbouwkundige vergunning, omdat het profiel van de weg onveranderd blijft en omdat de organisatie van het verkeer niet op significante manier wordt gewijzigd.
- Met zijn enkele bewering dat de wijziging zal leiden tot “enorme files” slaagt verzoeker er niet in om het afdoende karakter te ontkrachten van de in het vorige randnummer aangehaalde motivering. Met de verwerende partij neemt de Raad van State aan dat de in het middel geviseerde wijziging “van bijkomstig belang” is.
- Het eerste middel wordt verworpen. VI. Het tweede middel Uiteenzetting van het middel 11.
- Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 146 en 147 BWRO, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, evenals van “de formaliteit van het openbaar onderzoek als substantiële pleegvorm”. X-16.908-5/16 11.
- Verzoeker stelt dat het effectenverslag, dat zij neerlegt als stuk 22, “dateert van 20 maart 2017, en derhalve geen deel uitmaakte van het openbaar onderzoek”, dat liep van 18 januari 2017 tot 16 februari
- Volgens verzoeker heeft de verwerende partij dit effectenverslag pas op 20 maart 2017 aan het dossier toegevoegd om “de inhoud ervan te onttrekken aan het openbaar onderzoek”. Ook de aanvulling op het effectenverslag van 23 december 2016 werd bij het openbaar onderzoek niet voorgelegd.
- In zijn memorie van wederantwoord zet verzoeker uiteen dat hij tijdens het openbaar onderzoek de plannen is gaan inzien en toen heeft vastgesteld dat het effectenverslag dat toen ter inzage werd gelegd van 5 juli 2012 was. Verzoeker legt een foto voor die hij bij die inzage heeft gemaakt om te staven dat het effectenverslag van 28 juli 2014 nooit ter openbaar onderzoek heeft voorgelegen. Verzoeker voegt er aan toe dat hij geen kennis had van het effectenverslag van 28 juli 2014, hetgeen blijkt uit het feit dat hij er niet op is ingegaan in zijn bezwaarschrift. Tevens stelt verzoeker zich de vraag of vóór 20 maart 2017 het effectenverslag van 28 juli 2014 wel bestond. Noch de bestreden vergunning, noch het verslag van de overlegcommissie van 3 maart 2017 bevat enige verwijzing naar een effectenverslag van 28 juli
- Verzoeker meent dat de overlegcommissie niet beschikte over een effectenverslag van 28 juli 2014, maar enkel over het effectenverslag van 5 juli 2012, hetgeen blijkt uit de verwijzingen die gemaakt worden naar dit verslag. Door het ontbreken van het bewuste effectenverslag in het openbaar onderzoek, en in het bijzonder van de hierin vervatte foutieve en misleidende informatie over het al dan niet mogelijk zijn van een “u-bocht”, werd een situatie gecreëerd waarbij niet enkel het publiek maar ook de adviserende instanties geen toegang hadden tot de misleidende informatie waarop de gemachtigde ambtenaar zijn besluit baseerde, en dus ook niet de mogelijkheid X-16.908-6/16 hadden om deze te beoordelen en indien nodig kritisch te bespreken en de fouten ervan bloot te leggen. Zo kon de overlegcommissie haar taak niet ten gronde vervullen en werd verzoeker geschonden in zijn democratische rechten.
- In zijn laatste memorie erkent verzoeker dat het “inderdaad waarschijnlijk [lijkt] dat het [effectenverslag van 28 juli 2014] bestaan heeft” en dat de aanvulling op het effectenverslag van 23 december 2016 voorlag bij het van 18 januari 2017 tot 16 februari 2017 gehouden openbaar onderzoek. Verzoeker blijft er evenwel “ten stelligste” bij dat het effectenverslag van 28 juli 2014 niet aanwezig was in het dossier dat voorlag bij het laatstgenoemde openbaar onderzoek. Beoordeling
- Zoals blijkt uit zijn laatste memorie betwist verzoeker niet langer dat het effectenverslag van 28 juli 2014 reeds vanaf die datum bestaat en dat de aanvulling op het effectenverslag van 23 december 2016 voorlag bij het van 18 januari 2017 tot 16 februari 2017 gehouden openbaar onderzoek.
- Het stuk dat verzoeker als bijlage bij zijn verzoekschrift heeft neergelegd als zijnde het effectenverslag waarop de bestreden beslissing steunt, is volledig identiek aan het als stuk van het administratief dossier neergelegde effectenverslag van 28 juli 2014, zij het dat daar waar op het eerstgenoemde stuk de datum 20 maart 2017 voorkomt op het laatstgenoemde stuk de datum 28 juli 2014 is vermeld. Met de verwerende partij neemt de Raad van State aan dat het voorkomen van de datum 20 maart 2017 op het stuk van verzoeker louter te verklaren is door het feit dat dit van vóór het openbaar onderzoek daterende document op de laatstgenoemde datum nogmaals is afgedrukt. X-16.908-7/16
- Uit onderzoek van het auditoraat blijkt dat de door verzoeker voorgebrachte foto die hij bij zijn inzage tijdens het openbaar onderzoek gemaakt heeft, een stuk uit het administratief dossier van de vergunning van 5 augustus 2014 betreft en dat het laatstgenoemde administratief dossier deel uitmaakte van de stukken die tijdens dit openbaar onderzoek ter inzage lagen. Hetzelfde onderzoek heeft uitgewezen dat het meergenoemde administratief dossier zowel het effectenverslag van 5 juli 2012 als het effectenverslag van 28 juli 2014 bevat. Een en ander brengt er de Raad van State toe met de verwerende partij aan te nemen dat tijdens het openbaar onderzoek van 18 januari 2017 tot 16 februari 2017 zowel het effectenverslag van 5 juli 2012 als het effectenverslag van 28 juli 2014 ter inzage lagen. De juistheid van het uitgangspunt van verzoeker, als zou het laatgenoemde effectenverslag niet ter inzage hebben gelegen, blijkt dus niet.
- Het tweede middel wordt verworpen. VII. Het derde middel Uiteenzetting van het middel 18.
- Het derde middel is afgeleid uit de schending van artikel 146 BWRO, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, evenals van “de formaliteit van het openbaar onderzoek als substantiële pleegvorm”. 18.
- Verzoeker wijst er op dat hij in zijn tijdens het openbaar onderzoek ingediend bezwaarschrift een zeer concreet alternatief heeft uitgewerkt om een “u-bocht” voor (vracht)autoverkeer te voorzien. Volgens verzoeker heeft de verwerende partij dit alternatief verworpen op basis van onjuiste informatie. Er wordt immers niet ingegaan op de haalbaarheid van de “u-bocht” op de plaats waar hij deze in zijn bezwaarschrift had ingetekend. Volgens het verzoekschrift is er als manoeuvreerruimte op de Woluwelaan “minstens 25,4 meter beschikbaar […], mits het opgeven van een tiental parkeerplaatsen”. X-16.908-8/16 Verzoeker voegt er aan toe dat de verwerende partij haar toevlucht heeft genomen tot gemeenplaatsen en zodoende zijn bezwaren omtrent de “u-bocht” niet afdoende heeft beantwoord.
- In zijn memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat hij pas op 19 maart 2017 toegang heeft kunnen krijgen tot de in het effectenverslag gebruikte afbeelding van een mogelijke “u-bocht”, zodat hij om reden van tijdsgebrek werd gedwongen tot een beperktere analyse dan wat wenselijk was, temeer daar vele elementen, zoals maatvoering en aanduiding van de plaats zeer onduidelijk waren. Verzoeker benadrukt dat er voor de “u-bocht” in werkelijkheid 19,30 + 4,60 = 23,90 meter beschikbaar is. Verzoeker meent dat de stelling dat een “u-bocht” ter plaatse niet zonder opstoppings- of ongevalsrisico mogelijk zou zijn, geënt is op een reeks onjuistheden en intentionele misrekeningen, die de vergunningverlenende overheid hebben misleid. Beoordeling
- De verplichting om een openbaar onderzoek te houden en het recht van de betrokkenen om bezwaren in te dienen, brengt voor de overheid wel de verplichting mee om de aangevoerde bezwaren te onderzoeken, maar niet om deze noodzakelijkerwijze in te willigen. Het komt de Raad van State, die bevoegd is voor het wettigheidstoezicht, niet toe om, in de plaats van het bestuur, te bepalen wat verkeerstechnisch de beste wegaanleg is.
- In zijn bezwaarschrift heeft verzoeker aangegeven dat het voor vrachtwagens mogelijk is op de Woluwelaan rechtsomkeert te maken als er 22,5 meter vrije manoeuvreerruimte beschikbaar is. X-16.908-9/16 De verwerende partij heeft vastgesteld dat de vrije manoeuvreerruimte op de Woluwelaan beperkt zal zijn tot 18 meter. Voor zijn stelling dat er niet 18 meter, maar meer dan 22,5 meter beschikbaar zou zijn, gaat verzoeker zonder meer uit van de schrapping van een tiental parkeerplaatsen. Verzoeker slaagt er niet in aan te tonen dat de verwerende partij zich op onjuiste informatie gesteund zou hebben, daar zij er precies voor gekozen heeft de voornoemde parkeerplaatsen te behouden. Met betrekking tot het door verzoeker in zijn bezwaarschrift voorgestelde alternatief wordt in de uitdrukkelijke overwegingen van het bestreden besluit erkend dat het rechtsomkeert maken mogelijk zou zijn voor bepaalde vrachtwagens, maar wordt dit niet wenselijk geacht omwille van het feit dat dit vertraging in het verkeer en opstopping teweegbrengt, met ongeregelde bewegingen van zwaar vrachtverkeer waarbij personenwagens ontweken moeten worden, hetgeen aanleiding kan geven tot ongelukken. Er kan niet ingestemd worden met de stelling van verzoeker dat deze argumenten slechts “gemeenplaatsen” zouden zijn. Aldus heeft de verwerende partij afdoende aangegeven wat de redenen zijn waarom niet gekozen is voor de alternatieve wegaanleg die verzoeker in zijn bezwaarschrift heeft voorgesteld.
- Uit hetgeen verzoeker aanvoert, blijkt niet dat het bestreden besluit zou steunen op onjuiste informatie of dat verzoekers bezwaar niet afdoende zou zijn weerlegd.
- Het derde middel wordt verworpen. X-16.908-10/16 VIII. Het vierde middel Uiteenzetting van het middel 24.
- Het vierde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 190 en 188 BWRO, van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet alsook van het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel 24.
- Volgens verzoeker is er geen afdoende antwoord gegeven op zijn bezwaren omtrent de verkeersveiligheid, onder meer inzake de ontoereikende bescherming van de voetgangers, het gebrekkig comfort voor fietsers en het niet voorzien in de mogelijkheid om rechtsomkeert te maken voor leveringen aan het shoppingcenter. Het door hem tijdens het openbaar onderzoek bijgebrachte verkeersveiligheidsrapport wordt niet besproken of vermeld. Er is ook geen rekening gehouden met het interne verkeersveiligheidsrapport dat Mobiel Brussel heeft laten opmaken.
- In de memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat het niet opgaat om een lange tekst te schrijven over de inspanningen die de vergunningverlenende overheid bij de beoordeling van de aanvraag heeft geleverd om de belangen van de verschillende weggebruikers tegen elkaar af te wegen en vervolgens te stellen dat de bezwaarindieners in deze tekst maar de beantwoording van hun bezwaar dienen te vinden. De verwerende partij komt niet verder dan het aangeven van de reden waarom naar haar oordeel de ter vergunning voorliggende plannen vanuit het standpunt van de verkeersveiligheid aanvaardbaar zijn, zonder concreet te antwoorden op de bezwaren die daarover door de bezwaarindieners worden aangekaart. Concreet voert verzoeker aan dat het plaatsen van een oranje knipperlicht een verbetering lijkt, maar dat dit in wezen betekent dat er wordt toegegeven dat de gebouwde infrastructuur verkeersonveilig is, doch dat er geweigerd wordt ze veilig te maken. Zowel de externe als de interne verkeersveiligheidsaudit identificeerden dit punt als uiterst gevaarlijk, terwijl het wijkcomité met een alternatief plan een mogelijkheid heeft aangebracht om dit zwart punt volledig weg te werken. X-16.908-11/16 Beoordeling
- Het komt de Raad van State niet toe de ingediende bezwaarschriften zelf te onderzoeken en in de plaats van verzoeker na te gaan op welke punten deze al dan niet afdoende zijn beantwoord. In zoverre verzoeker er voor het eerst in zijn memorie van wederantwoord toe komt om enkele bezwaren op concrete wijze in de uiteenzetting te betrekken, is deze uiteenzetting laattijdig en derhalve onontvankelijk.
- Er bestaat voor het bestuur geen verplichting elk bezwaar afzonderlijk en punt voor punt te beantwoorden. Het volstaat dat een bezwaarindiener een antwoord kan vinden in een algemene stellingname die begrijpelijk op zijn bezwaar van toepassing is, hetzij in een stellingname over een bezwaar of opmerking van een andere bezwaarindiener of over een advies van een overheidsinstantie.
- De tijdens het openbaar onderzoek over het bestreden besluit uitgebrachte bezwaren inzake de verkeersveiligheid worden in de randnummers 66 tot 70 en 77 van dit besluit in detail besproken. In het verzoekschrift wordt nagelaten de inhoud van deze randnummers bij de uiteenzetting van het middel te betrekken. Aldus is het middel gebrekkig geadstrueerd in zoverre erin wordt aangevoerd dat geen afdoende antwoord zou zijn gegeven op de bezwaren inzake de verkeersveiligheid.
- Dat er in het bestreden besluit geen rekening zou zijn gehouden met het interne verkeersveiligheidsrapport dat Mobiel Brussel heeft laten opmaken, is een loutere bewering van verzoeker die onvoldoende aannemelijk wordt gemaakt. X-16.908-12/16 Hoe dan ook is blijkens de uitdrukkelijke overwegingen van het bestreden besluit de in de randnummers 7 en 8 vermelde planwijziging ingegeven door een tijdens het openbaar onderzoek uitgebrachte opmerking inzake de verkeerveiligheid voor fietsers en voetgangers.
- Het enkele feit dat het door verzoeker bijgebrachte verkeersveiligheidsrapport niet als zodanig vermeld wordt, tast de wettigheid van het bestreden besluit niet aan.
- Het vierde middel wordt verworpen. IX. Het vijfde middel Uiteenzetting van het middel 32.
- Een vijfde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 2, 143 en 188 BWRO, de artikelen 5, 6 en 8 van richtlijn 2011/92/EU van 13 december 2011 van het Europees Parlement en de Raad ‘betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten’, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. 32.
- Verzoeker stelt dat hij in zijn tijdens het openbaar onderzoek ingediend bezwaarschrift een “redelijk alternatief” heeft uitgewerkt om in een “u-bocht” voor (vracht)autoverkeer te voorzien. Volgens verzoeker bevat het effectenverslag dienaangaande onjuiste informatie, zodat het geen inzicht biedt om dit alternatief te onderzoeken. Verzoeker meent dat het bestreden besluit niet afdoende motiveert waarom niet is ingegaan op het voorgestelde alternatief en op zijn bezwaren omtrent de verkeersveiligheid. X-16.908-13/16 32.
- In zijn memorie van wederantwoord beperkt verzoeker zich tot een verwijzing naar het derde middel. Beoordeling
- Het uitgangspunt van het vijfde middel is de deugdelijkheid van de argumenten die verzoeker heeft aangevoerd ter ondersteuning van zijn derde en vierde middel (randnrs. 18.2, 19, 24.2 en 25). Hiervoor (randnrs. 20-21 en 26-30) is echter gebleken dat verzoeker niet van die deugdelijkheid kan overtuigen.
- Het vijfde middel wordt verworpen. X. Het zesde middel Uiteenzetting van het middel 35.
- Een zesde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en het zorgvuldigheidsbeginsel, evenals uit “het gebrek aan rechtens vereiste feitelijk[e] grondslag”. 35.
- Volgens verzoeker leidt het gebruik van de bewoordingen “gewijzigde aanvraag” in de tekst van het bestreden besluit tot onduidelijkheid, omdat dit de indruk wekt dat de adviesinstanties advies zouden hebben uitgebracht over de wijzigingen die de aanvrager, na het openbaar onderzoek, met toepassing van artikel 177/1 BWRO heeft aangebracht, terwijl dit niet strookt met de werkelijkheid. Beoordeling
- De verwerende partij doet op goede gronden gelden dat de lezing van de integrale tekst van het bestreden besluit duidelijk maakt dat de X-16.908-14/16 adviesinstanties advies hebben uitgebracht vóór de indiening van de met toepassing van artikel 177/1 BWRO aangebrachte wijzigingen, wat overeenstemt met de werkelijkheid.
- Het zesde middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State stelt de afstand van het beroep tot nietigverklaring vast in hoofde van de tweede verzoekende partij.
- De Raad van State verwerpt het beroep van eerste verzoeker.
- De verzoekende partijen worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 400 euro, en op een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verwerende partij. Eerste verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, en op de supplementaire rechtsplegingsvergoeding van 140 euro die verschuldigd is aan de verwerende partij. X-16.908-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien januari tweeduizend twintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-16.908-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.614 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.110 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div