← België

Arrest 246623 - Politie (federale reglementen) - 15/01/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.623 Rolnummer: A. 227177/XIV-37917 Zaak: Arrest 246623 - Politie (federale reglementen) - 15/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-01-23 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-25 23:10 Fiche Arrest nr 246.623 van 15 januari 2020 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie (federale reglementen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 246.623 van 15 januari 2020 in de zaak A. 227.177/XIV-37.917 In zake : David HILAERTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Siegfried De Mulder kantoor houdend te 1730 Asse Stationsstraat 35, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5344 SCHAARBEEK - EVERE - SINT-JOOST-TEN-NODE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sebastiaan De Meue en Thomas Eyskens kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 4 maart 2019, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van het Politiecollege van de Politiezone Schaarbeek/Evere/Sint-Joost-ten-Node, ook gekend als politiezone Brussel Noord of BruNo, PZ 5344, van 13/12/2018, ter kennis gebracht aan verzoeker bij ongedateerde brief, per-mail ter kennis gebracht aan diens beroepsorganisatie VSOA op 20/12/2018, houdende de beslissing tot ontslag van ambtswege wegens onregelmatige afwezigheid van meer dan 10 dagen.” XIV-37.917-1/28 II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 243.429 van 17 januari 2019 heeft de Raad van State een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van dezelfde beslissing verworpen. Bij het tussenarrest nr. 245.119 van 9 juli 2019, nadat een verslag werd opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟, is het debat heropend, het beroep tot nietigverklaring verwezen naar de gewone rechtspleging en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek wat de (gewone) vordering tot schorsing betreft. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een aanvullend verslag opgesteld. Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 december
  3. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. XIV-37.917-2/28 Advocaat Dieter Vanelverdinghe, die loco advocaat Siegfried De Mulder verschijnt voor verzoeker, en advocaat Thomas Eyskens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is inspecteur van politie in de Politiezone 5344 Schaarbeek - Evere - Sint-Joost-ten-Node (hierna: POLBRUNO). 3.
  6. Op 10 december 2018 verlaat verzoeker om middernacht vrijwillig, zonder toestemming en zonder verantwoordingsstuk, de dienst terwijl zijn ingeplande prestatie de periode van 10 november 2018 om 19.00u tot 11 november 2018 om 17.00u bestreek. 3.
  7. Op 12 november 2018 neemt de politiezone telefonisch contact op met verzoeker. De dienstverzaking wordt op 21 november 2018 bevestigd door de directeur van het commissariaat van verzoeker. 3.
  8. Op 23 november 2018 meldt verzoekers korpschef aan de voorzitter van het politiecollege dat verzoeker onregelmatig afwezig is sedert 11 november 2018 en, overeenkomstig artikel IX.I.6 van het RPPol, dat de politiezone op 22 november 2018 de procedure tot ontslag van ambtswege zal opstarten ten aanzien van verzoeker. XIV-37.917-3/28 3.
  9. Diezelfde dag wordt een aangetekend schrijven aan verzoeker bezorgd waarbij de korpschef hem ervan op de hoogte stelt dat de personeelsdirectie heeft vastgesteld dat hij afwezig is wegens ziekte sedert 11 november 2018 en dat hij “tot op heden” (dit is 23 november 2018) geen enkel medisch getuigschrift heeft overgemaakt aan de directie. In dat schrijven wordt verzoeker tevens herinnerd aan (onder meer) artikel 125 van de wet van 7 december 1998 „tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus‟ (hierna: de wet van 7 december 1998), en de artikelen IX.I.6 en IX.I.10 van het RPPol waarvan de inhoud wordt geciteerd. Er wordt verzoeker nog meegedeeld dat de termijn van tien dagen bedoeld in artikel 125 van de wet van 7 december 1998 wordt berekend vanaf 11 november
  10. Tevens wordt verzoeker uitgenodigd om binnen de tien dagen na kennisgeving van dit schrijven zijn argumenten of enig ander gegeven aan te reiken dat de overheid toelaat zich uit te spreken “over het al dan niet definitieve karakter van uw afwezigheid”. Tot slot wordt nog gewezen op het rechtsgevolg van het ambtshalve ontslag dat leidt tot verlies van hoedanigheid van personeelslid van de politiezone. Er wordt ook op gewezen dat het politiecollege erover werd ingelicht dat de procedure van ontslag van ambtswege werd opgestart. Kopie van dat schrijven wordt bij de brief gevoegd. 3.
  11. Op 28 november 2018 richt verzoeker een schrijven aan de korpschef met de redenen voor zijn onregelmatige afwezigheid sedert 11 november
  12. Hij stelt dat hij op zondag 11 november 2018 om middernacht de nachtdienst heeft verlaten met als reden “ziekte”. Hij stelt dat hij zijn brigadeoverste heeft ingelicht op het ogenblik dat hij aanstalten maakte om de dienst te verlaten en dat hij daags nadien zijn huisarts heeft geraadpleegd. Hij wijst op zijn mentale toestand die zijn oorsprong vindt in een reeks familiale en professionele tegenslagen en ontgoochelingen die hij toelicht en dat hij zich geconfronteerd zag met werkoverlast en sportblessures. Door de moeilijke thuissituatie is hij daar veel afwezig waardoor de post ongeopend bleef liggen en zijn administratie onaangeroerd. Hij stelt voorts in fine van dat schrijven van XIV-37.917-4/28 28 november 2018 dat hij zich medisch en psychologisch laat opvolgen en dat hij zich klaar voelt om zijn leven “op professioneel en andere vlakken te hervatten”. Bij dit schrijven van 28 november 2018 voegt verzoeker (een kopie van) het medisch getuigschrift (administratief luik) ingevuld en ondertekend op 12 november 2018 door zijn arts, dr. K.M., voor de periode van 11 november 2018 tot 30 november
  13. Tevens wordt een verslag van klinisch psychologe E.C. in het dossier gevoegd. In dat verslag, op datum van 4 december 2018, attesteert E.C. dat verzoeker haar reeds meerdere maanden geleden heeft geconsulteerd om een evenwicht te zoeken tussen zijn privé- en professioneel leven en dat verzoeker “gemotiveerd blijft om te werken”. 3.
  14. In zijn zitting van 13 december 2018 neemt het politiecollege volgende beslissing: “Gelet op […] Overwegende dat, krachtens artikel 125 van de [wet van 7 december 1998], een personeelslid dat meer dan tien dagen onregelmatig afwezig is gebleven, van ambtswege uit zijn ambt ontslagen wordt, onder de voorwaarden bepaald door de Koning.
  15. In feite Overwegende dat [verzoeker] - inspecteur van politie/stamnummer 442[XXX] - zijn dienst zonder toestemming en zonder bewijsstuk vrijwillig heeft verlaten op 10/11/2018 om middernacht, terwijl zijn ingeplande prestatie in principe de periode van 10/11/2018 om 19.00 uur tot 11/11/2018 om 7.00 uur bestreek. Overwegende dat deze dienstverzaking bevestigd wordt door de directeur van het commissariaat van [verzoeker] (verslag van mevrouw [T.F.] dd. 21/22/
  16. Overwegende dat de belanghebbende onafgebroken afwezig is geweest voor een periode van meer dan 10 dagen vanaf 11 november
  17. Overwegende dat de politiezone telefonisch contact heeft onderhouden met de belanghebbende, met name op datum van 12/11/2018, waaruit is gebleken dat er een gesprek heeft plaatsgevonden met [verzoeker] betreffende de verlenging van zijn afwezigheid (ziekteaangifte van 12/11/2018), en op 28/11/2018 met de zonesecretaris. Overwegende dat deze telefonische contacten bevestigd worden door ziektefiches die ingevuld werden door zijn dienst of de dispatching van de zone (ZDP) na rechtstreeks contact opgenomen te hebben met [verzoeker]. Overwegende dat de Personeelsdirectie vaststelt dat de administratieve onregelmatigheden in de afwezigheden van [verzoeker] een hardnekkig repetitief XIV-37.917-5/28 karakter hebben en met name de laattijdige verzending van zijn medische getuigschriften (bijvoorbeeld: het medisch getuigschrift betreffende zijn afwezigheid wegens ziekte dd. 10/10/2018 werd nooit overgemaakt; het medisch getuigschrift voor de periode van 2/10/2017 t.e.m. 6/10/2017 werd ontvangen op 17/10/2017; het medisch getuigschrift voor de periode van 13/11/2017 t.e.m. 16/11/2017 werd ontvangen op 21/11/2017; het medisch getuigschrift voor de periode van 05/02/2018 t.e.m. 8/02/2018 werd ontvangen op 20/02/2018; het medisch getuigschrift voor de periode van 14/05/2018 t.e.m. 15/05/2018 werd ontvangen op 23/05/2018; het medisch getuigschrift voor 24/05/2018 werd ontvangen op 12/06/2018; het medisch getuigschrift voor 3/10/2018 werd ontvangen op 17/10/2018; het medisch getuigschrift voor 2/11/2018 werd ontvangen op 12/11/
  18. Dat er meerdere herinneringen nodig waren voor de regularisatie van de administratieve situatie van de belanghebbende. Overwegende dat er uit de controle van de Personeelsdirectie blijkt dat luik B van het medisch getuigschrift (luik „medisch geheim‟) niet ontvangen werd door de federale politie op het moment waarop de politiezone de procedure tot ontslag van ambtswege wegens onregelmatige afwezigheid van meer dan 10 dagen heeft opgestart (hetzij op 23 november 2018). Overwegende dat op datum van 23/11/2018 een aangetekend schrijven werd verzonden aan [verzoeker], waarin aangegeven wordt dat de directie van de zone beschouwt dat hij meer dan 10 dagen onregelmatig afwezig is geweest en waarin herinnerd wordt aan de inhoud van artikel 125 van de wet van 7/12/1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, evenals de artikelen IX.I.6 en IX.1.10 van het KB RP Pol van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten. Dat er in dit aangetekend schrijven van 23/11/2018, overeenkomstig artikel IX.I.5 van het KB RP Pol, gewezen wordt op de inhoud van artikel 125 van de wet van 7/12/1998 en de artikelen IX.I.6 en IX.I.10 van het KB RP Pol, alsook op de datum vanaf wanneer de termijn van 10 dagen bedoeld in artikel 125 van de wet wordt berekend, hetzij 11/11/
  19. Overwegende dat de belanghebbende in dit schrijven ook uitgenodigd wordt om binnen de 10 dagen na de kennisgeving, ons in kennis te stellen van zijn argumenten of enig ander gegeven dat toelaat zich uit te spreken over het al dan niet definitieve karakter van zijn afwezigheid en dat, bij ontstentenis, zijn afwezigheid als definitief beschouwd zal worden en dat hij van ambtswege uit zijn ambt ontslagen zal worden, waarbij hij de hoedanigheid van personeelslid van de politiezone zal verliezen. Overwegende dat schrijven rechtmatig betekend werd op 27/11/
  20. Overwegende dat de voorzitter van het politiecollege ingelicht werd over de tegen [verzoeker] opgestarte procedure van onregelmatige afwezigheid van meer dan 10 dagen en dat een kopie van de brief bijgevoegd was bij het aangetekend schrijven van 23/11/
  21. Overwegende dat [verzoeker] op datum van 28/11/5018 een schrijven heeft gericht aan de korpschef met de motieven voor zijn onregelmatige afwezigheid sinds 11/11/
  22. Overwegende dat er in dit schrijven gewezen wordt op de privéproblemen waarmee de belanghebbende door zijn scheiding geconfronteerd wordt, alsook op een grote werkdruk. Overwegende dat een verslag van de psychologe [E.C.] erop wijst dat [verzoeker] geconfronteerd werd met privéproblemen en dat hij probeert om een beter evenwicht te vinden tussen privé en werk. XIV-37.917-6/28 Overwegende dat dit schrijven de feiten erkent (afwezigheid wegens ziekte sinds 11/11/2018 zonder overmaking van medisch getuigschrift), zonder een geldig motief of een ontvankelijke verschoningsgrond naar voren te schuiven die de onregelmatige afwezigheid van meer dan 10 dagen rechtvaardigen. Overwegende tevens dat er bij dit schrijven geen enkel medisch verslag werd bijgevoegd dat de vastgestelde feiten en de mogelijke impact op de naleving van de administratieve verplichtingen van de belanghebbende rechtvaardigt. Dat bovendien geen enkel legitiem motief of een motief met betrekking tot een geval van overmacht de onregelmatige afwezigheid van de belanghebbende gedurende meer dan 10 dagen rechtvaardigt; Overwegende ten slotte dat [verzoeker] het medisch getuigschrift (administratief luik) voor de periode van 11/11/2018 t.e.m. 30/11/2018 bijgevoegd heeft bij zijn brief van 28/11/2018, maar dat dit medisch getuigschrift als onontvankelijk beschouwd wordt omdat het overgemaakt werd buiten de wettelijke termijnen (art. X.II.3 KB RP Pol - het medische getuigschrift moet binnen 24 uur worden verzonden naar de medische dienst). Dat geen enkel medisch getuigschrift werd bezorgd aan de federale politie (DMPS) binnen de wettelijke termijnen overeenkomstig de controle die werd uitgevoerd door de Personeelsdirectie op datum van 11/12/
  23. Overwegende tevens dat de belanghebbende een medisch getuigschrift heeft bezorgd aan de Personeelsdirectie voor een afwezigheid van 3/12/2018 tot en met 14/12/
  24. In rechte. Overwegende dat krachtens de artikelen X.II.3 en X.II.4 RP Pol en de omzendbrief GPI 8, het personeelslid in arbeidsongeschiktheid wegens ziekte een medisch getuigschrift (bestaande uit twee luiken) moet versturen om zijn afwezigheid te rechtvaardigen. Overwegende dat het medische getuigschrift (administratieve luik) verzonden moet worden naar de politiezone en dat het medische luik verzonden moet worden naar het centrum DPMS van de federale politie. Overwegende dat artikel X.II.3 van het KB van 30 maart 2001 RP Pol bepaalt dat het medische getuigschrift binnen 24 uur verzonden moet worden of door enig ander middel binnen 24 uur moet worden bezorgd aan de betrokken personeelsdienst. Overwegende krachtens deze wettelijke bepalingen en de hierboven beschreven feitelijke elementen (en met name de telefonische contacten tijdens de betrokken periode) dat [verzoeker] onafgebroken onregelmatig afwezig is voor meer dan 10 dagen sinds 11/11/
  25. Overwegende dat hij tijdens deze telefonische contacten herinnerd werd aan de administratieve verplichtingen van de belanghebbende inzake het versturen van medische getuigschriften en dat [verzoeker] toen geen gewag heeft gemaakt van enige gebeurtenis of situatie die hem verhinderden om zijn administratieve verplichtingen ter zake na te komen. Overwegende dat de politiezone er geen genoegen mee heeft genomen om te wachten op de verklaringen van [verzoeker] voor wat betreft zijn onregelmatige afwezigheid maar reeds herinnerde aan de administratieve en statutaire verplichtingen van de belanghebbende inzake het versturen van de medische getuigschriften via de aanhangigmaking bij de tuchtoverheid voor de laattijdige overdracht van de medische getuigschriften van 1/07/2018 tot 26/08/2018 (ontvangst op 3/08/2018). Overwegende gelet op het schrijven van [verzoeker] ter motivatie van zijn onregelmatige afwezigheid van meer dan 10 dagen, dat er uit de aangehaalde XIV-37.917-7/28 elementen niet blijkt dat zijn staat hem belet zou hebben om zijn medische getuigschriften te bezorgen en om zijn administratieve verplichtingen inzake afwezigheid op het werk na te komen. Dat dit schrijven immers absoluut geen enkel rechtstreeks causaal verband of ontvankelijke rechtvaardiging motiveert tussen de onregelmatige afwezigheid en de persoonlijke situatie van [verzoeker]. Dat de belanghebbende er genoegen mee neemt om gewag te maken van privéproblemen, een hoge werkdruk, een professionele teleurstelling en dat hij opgevolgd wordt door een psychologe om een beter evenwicht te vinden tussen werk en privé, waarbij hij impliciet erkent dat hij gedurende meer dan 10 dagen onregelmatig afwezig is geweest ondanks de contacten met de politiezone en de herinneringen aan de regels ter zake. Overwegende ten slotte dat de feitelijke elementen die eenzijdig werden verklaard in het schrijven van 28 november 2018 in huidig geval de onregelmatige afwezigheid van meer dan 10 dagen niet kunnen rechtvaardigen in de mate waarin er geen enkel rechtstreeks verband kan gelegd worden tussen deze elementen en de niet-naleving van de administratieve procedures jegens de politiezone. Overwegende tevens dat het medisch getuigschrift van 5/12/2018 en met betrekking tot de periode van 3/12/2018 tot en met 14/12/2018 niet rechtmatig kan aanvaard worden door de Personeelsdirectie aangezien dit ontvangen werd op 5/12/2018, ofwel na de betrokken periode en na de eerste termijn van onregelmatige afwezigheid van meer dan 10 dagen die vastgesteld werd vanaf 11/11/
  26. Overwegende derhalve dat de belanghebbende niet het bewijs levert van een element of een gebeurtenis die hem zou belet hebben om zijn afwezigheid te rechtvaardigen en om zijn medische getuigschriften te bezorgen aan de Personeelsdirectie van de politiezone. Dat hij de ten laste gelegde feiten erkent en dat aldus sensu stricto en van rechtswege de passende statutaire bepalingen inzake een onregelmatige afwezigheid van meer dan 10 dagen dienen toegepast te worden. Dat er derhalve uit de elementen die bezorgd werden aan de overheid blijkt dat [verzoeker] geen geldige rechtvaardiging heeft gegeven voor de niet-naleving van de procedure inzake afwezigheid en dat het politiecollege dus rechtmatig kan beschouwen dat de belanghebbende onregelmatig afwezig is geweest gedurende meer dan 10 dagen en dus ambtshalve uit zijn ambt ontslagen dient te worden. Ten slotte gelet op het advies van de korpschef inzake het onregelmatige karakter van de afwezigheid van de belanghebbende gedurende meer dan tien dagen. Stelt de heer korpschef voor aan het politiecollege om: - het ontslag van ambtswege van [verzoeker] wegens onregelmatige afwezigheid van meer dan 10 dagen vast te stellen op datum van 13 december
  27. Het College keurt het punt goed. […].” Dit is de bestreden beslissing waarvan verzoeker thans met een (gewone) vordering de schorsing benaarstigt. Eerder, dit is op 11 januari 2019, heeft verzoeker met een enig verzoekschrift tegen de bestreden beslissing een beroep tot vernietiging ingediend, evenals een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Die vordering tot schorsing werd verworpen bij XIV-37.917-8/28 ‟s Raads arrest nr. 243.429 van 17 januari
  28. Verzoeker heeft op 21 januari 2019 een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. Het beroep tot nietigverklaring heeft inmiddels aanleiding gegeven tot het tussenarrest nr. 245.119 van 9 juli 2019, waarbij het debat is heropend (zie supra, punt 2). IV. Schorsingsvoorwaarden
  29. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  30. In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van het “[o]nzorgvuldig handelen van de tuchtrechtelijke overheid; [m]ateriële motiveringsverplichting van bestuurshandelingen; het vermoeden van vrijwillige uitdiensttreding werd weerlegd; schending van artikel 125 van [de wet van 7 december 1998]”. Verzoeker voert in essentie de schending aan van artikel 125 van de wet van 7 december 1998 krachtens hetwelk “een onregelmatige afwezigheid van minstens tien dagen [kan] leiden tot een ontslag van ambtswege”. Verzoeker verduidelijkt dat het gaat om een gemeenschappelijke bepaling ten aanzien van alle politiepersoneel en dat de voorwaarden nader zijn bepaald in de artikelen IX.I.5 en IX.I.6 van het RPPol. Met verwijzing naar rechtspraak stelt verzoeker dat een aantal duidelijke grenzen aan de toepasbaarheid en draagwijdte van het genoemde artikel 125 worden gesteld. Die rechtspraak is gebaseerd op “het XIV-37.917-9/28 vaste beginsel dat voormelde bepalingen gebaseerd zijn op een (weerlegbaar) vermoeden van het vrijwillig willen verlaten van de dienst”. Verzoeker zet uiteen dat hij in antwoord op het aangetekend schrijven van de korpschef van 23 november 2018, betekend op 27 november 2018, bij brief van 28 november 2018, dit is binnen de termijn van 10 dagen bedoeld in artikel IX.I.6 van het RPPol, zijn argumenten heeft uiteengezet en toelichting heeft gegeven bij zijn afwezigheid “met toevoeging van de nodige medische getuigschriften inzake zijn arbeidsongeschiktheid”. In datzelfde schrijven gaf verzoeker ondubbelzinnig aan in dienst te willen blijven. De bestreden beslissing is weliswaar gemotiveerd onder meer op grond van de vaststelling dat hij zijn medische attesten laattijdig heeft ingediend en dat uit verzoekers schrijven niet blijkt dat hij daartoe in de onmogelijkheid verkeerde zodat hij geen geldige rechtvaardiging heeft verschaft en derhalve onregelmatig afwezig was. Door alzo te oordelen baseert de verwerende partij de bestreden beslissing “niet op enige overweging over of het vermoeden dat [verzoeker] niet langer in dienst wenst te blijven al dan niet is weerlegd of al dan niet als weerlegd dient te worden beschouwd”. De overwegingen van de verwerende partij als zou verzoeker niet hebben gehandeld volgens de voorschriften inzake het bijbrengen van de nodige medische attesten in geval van arbeidsongeschiktheid doet aan die vaststelling niets af zodat een schending van de materiëlemotiveringsplicht en artikel 125 van de wet van 7 december 1998 voorligt. Beoordeling
  31. Het te dezen relevante artikel 125 van de wet van 7 december 1998 bepaalt: “Het statuut van de politieambtenaren waarborgt hun beschikbaarheid. De politieambtenaren moeten gevolg geven aan elke oproep in verband met het vervullen van de dienst en alles vermijden dat het vertrouwen van het publiek in hun beschikbaarheid kan schaden. De politieambtenaren mogen niet zonder toelating of rechtvaardiging van hun dienst wegblijven. Wanneer zij meer dan tien dagen onregelmatig afwezig zijn gebleven, worden zij, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, van ambtswege uit hun ambt XIV-37.917-10/28 ontslagen. Dit ontslag heeft voor de betrokken personen het verlies van hun hoedanigheid van personeelslid van hun politiekorps tot gevolg. Die maatregel wordt genomen door de Koning indien Hij het betrokken personeelslid in zijn laatste graad heeft benoemd en, naargelang van het geval, door de minister van Binnenlandse Zaken, de burgemeester of het politiecollege, in de andere gevallen.” In de memorie van toelichting bij het betrokken wetsartikel kan wat volgt worden gelezen: “[v]oortgaand op hetgeen zopas werd uiteengezet in het raam van de niet-uitvoering van bepaalde bevelen, bepalen het eerste en het tweede lid van dit artikel het beginsel van de bijzondere beschikbaarheid van politieambtenaren en zij formuleren drie gevolgen ervan. Het derde lid bestraft langdurige onregelmatige afwezigheden door middel van de definitieve verwijdering van betrokkene. Een dergelijke bepaling is rechtstreeks geïnspireerd op het analoge statuut van het rijkspersoneel.” (Parl. St., Kamer, 1997-1998, 1676/1, 76). Artikel 125 van de wet van 7 december 1998 dat aldus het beginsel van de bijzondere beschikbaarheid van politieambtenaren formuleert en er de gevolgen van bepaalt, maakt deel uit van afdeling 2 van Hoofstuk I van Titel V van de wet van 7 december 1998 dat de algemene principes van het statuut van de politieambtenaren betreft. Artikel 123 van diezelfde wet van 7 december 1998 bepaalt onder meer dat de politieambtenaren “te allen tijde en in alle omstandigheden bijdragen tot de bescherming van de medeburgers en tot de bijstand die deze laatsten mogen verwachten, alsook, wanneer de omstandigheden het vereisen, tot het doen naleven van de wet en tot het behoud van de openbare orde”. Krachtens artikel 124 ervan “waarborgt het statuut van de politieambtenaren de uitoefening van het gezag”, dit om het bepaalde in artikel 123 van de wet van 7 december 1998 te kunnen realiseren. Het hiervoor aangehaalde artikel 125 waarborgt aldus om diezelfde reden de “bijzondere beschikbaarheid” van de politieambtenaar en voorziet erin dat de politieambtenaar wanneer hij meer dan tien dagen onregelmatig afwezig is gebleven, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, van ambtswege uit zijn ambt wordt ontslagen wat voor de betrokkene het verlies van zijn hoedanigheid van personeelslid van zijn politiekorps tot gevolg heeft. De maatregel van het ontslag XIV-37.917-11/28 wordt genomen door de bevoegde (dit is de benoemende) overheid. Artikel 126 van diezelfde wet tot slot houdt ook verband met die bijzondere beschikbaarheid van politieambtenaren in die zin dat het voorziet in een specifieke wettelijke regeling van (en beperkingen op de uitoefening van) het stakingsrecht door middel van een regeling die de noodzakelijke dienstverlening moet garanderen gepaard gaande met een specifiek wettelijk opvorderingsrecht (bevel) in hoofde van de minister van Binnenlandse Zaken, na overleg met diens collega van Justitie en waarvan de niet-naleving strafrechtelijk wordt gesanctioneerd.
  32. Aan artikel 125 van de wet van 7 december 1998 is, met toepassing van het derde lid ervan, uitvoering verleend bij de artikelen IX.I.5 en IX.I.6 van het RPPol. Deze artikelen, zoals van toepassing op de voorliggende zaak, luiden: “Art. IX.I.
  33. Wanneer een personeelslid onregelmatig afwezig is in de zin van artikel 125 van de wet […], stelt de korpschef, de commissaris-generaal of de door deze aangewezen directeur-generaal, het personeelslid met een aangetekende brief in kennis van de inhoud van artikel 125 van de wet, van de artikelen IX.I.6 en IX.I.10 en van de datum vanaf dewelke de in artikel 125 van de wet bedoelde termijn van tien dagen wordt berekend.” “Art. IX.I.
  34. Wanneer de termijn van tien dagen is verstreken, licht de korpschef of de commissaris-generaal onmiddellijk de burgemeester, het politiecollege of de minister in over de onregelmatigheid van de afwezigheid. Het personeelslid ontvangt met een aangetekende brief eveneens een kopie van de in het eerste lid bedoelde mededeling. Tevens wordt het verzocht uiterlijk binnen de tien dagen na de kennisgeving van deze kopie, aan de korpschef, de commissaris-generaal of de door deze aangewezen directeur-generaal, zijn argumenten of enig ander gegeven mee te delen dat toelaat zich uit te spreken over het al dan niet onregelmatig karakter van zijn afwezigheid. De korpschef of de commissaris-generaal verleent een gemotiveerd advies met betrekking tot het al dan niet onregelmatig karakter van de afwezigheid en stuurt dit, samen met de door het personeelslid in voorkomend geval naar voor gebrachte argumenten of gegevens, door naar de in artikel 125, derde lid, van de wet bedoelde overheid die beslist.” De artikelen X.II.3 en X.II.4 van datzelfde RPPol betreffen de verplichtingen waaraan een personeelslid met verlof wegens ziekte moet voldoen. Zij luiden: “Art. X.II.
  35. Het personeelslid dat wegens medische redenen zijn ambt niet XIV-37.917-12/28 kan uitoefenen, moet zo snel mogelijk en ten laatste bij de geplande aanvang van zijn dienst, zijn dienst daarover inlichten. Het personeelslid mag de eerste ziektedag zijn woonplaats niet verlaten tenzij een medisch getuigschrift van zijn behandelende arts dit toelaat. Het medisch luik van het medisch getuigschrift moet binnen 24 uur worden verzonden of door enigerlei ander middel binnen 24 uur worden bezorgd aan de medische dienst. Het administratief luik van het medisch getuigschrift moet binnen 24 uur worden verzonden of door enigerlei ander middel binnen 24 uur worden bezorgd aan de betrokken personeelsdienst. Het aantal in het tweede lid bedoelde ziektedagen wordt beperkt tot vier per jaar. Die ziektedagen worden niet in aanmerking genomen voor het bepalen van de arbeidsduur bedoeld in artikel VI.I.4, § 1, tweede lid. Zij worden bovendien niet aangerekend op het aantal verlofdagen bedoeld in artikel VIII.X.1.” “Art. X.II.
  36. Vanaf de tweede ziektedag moet het verlof wegens ziekte worden gestaafd aan de hand van een medisch getuigschrift van de behandelende arts, het ware dat die rechtvaardiging al blijkt uit het in artikel X.II.3, tweede lid, bedoelde medisch getuigschrift. Het medisch luik van het in het eerste lid bedoelde medisch getuigschrift moet binnen 24 uur worden verzonden of door enigerlei ander middel binnen 24 uur worden bezorgd aan de medische dienst. Het administratief luik van het in het eerste lid bedoelde medisch getuigschrift moet binnen 24 uur worden verzonden of door enigerlei ander middel binnen 24 uur worden bezorgd aan de betrokken personeelsdienst.” De hiervoor aangehaalde artikelen IX.I.5 en IX.I.6 van het RPPol leggen aldus - anders dan in het algemene ambtenarenrecht het geval is -, op gedetailleerde wijze de procedure vast die moet worden gevolgd bij een onregelmatige afwezigheid van meer dan tien dagen daarin begrepen een reglementair verankerde hoorplicht. Die procedure strekt ertoe om onregelmatige afwezigheden van meer dan tien dagen te controleren en te beoordelen. Deze bepalingen kunnen op het eerste gezicht niet los worden gezien van de artikelen X.II.3 en X.II.4 van het RPPol in die gevallen waarin de ambtenaar zijn onregelmatige afwezigheid beoogt te verantwoorden omwille van ziekte. Wanneer de politieambtenaar zijn afwezigheid van meer dan tien dagen verantwoordt door ziekte, met het oog op het beoordelen van het (al dan niet) onregelmatig karakter van diens afwezigheid lijkt dan ook rekening te moeten worden gehouden met de in die statutaire bepalingen uitgewerkte regeling inzake ziekte en de medische controle daarop, evenals met de daarin uitgewerkte meldingsplicht die op het personeelslid rust. Uit de laatst genoemde bepalingen vloeit voort, eensdeels, dat het personeelslid dat wegens medische redenen zijn ambt niet kan uitoefenen, zo XIV-37.917-13/28 snel mogelijk en ten laatste bij de geplande aanvang van zijn dienst, zijn dienst daarover moet inlichten. Het personeelslid mag de eerste ziektedag zijn woonplaats niet verlaten tenzij een medisch getuigschrift van zijn behandelende arts dit toelaat. Het medisch luik van dat medisch getuigschrift moet binnen 24 uur worden verzonden of door enigerlei ander middel binnen 24 uur worden bezorgd aan de medische dienst. Het administratief luik van dat medisch getuigschrift moet binnen 24 uur worden verzonden of door enigerlei ander middel binnen 24 uur worden bezorgd aan de betrokken personeelsdienst (artikel X.II.3). Artikel X.II.4, eerste lid, van het RPPol voegt daar, anderdeels, nog aan toe dat vanaf de tweede ziektedag het verlof wegens ziekte moet worden gestaafd aan de hand van een medisch getuigschrift van de behandelende arts, het ware dat die rechtvaardiging al blijkt uit het in artikel X.II.3, tweede lid, bedoelde medisch getuigschrift (zie hiervoor). Het medisch luik van het in het eerste lid van artikel X.II.4 bedoelde medisch getuigschrift moet binnen 24 uur worden verzonden of door enigerlei ander middel binnen 24 uur worden bezorgd aan de medische dienst. Het administratief luik van het in het eerste lid bedoelde medisch getuigschrift moet binnen 24 uur worden verzonden of door enigerlei ander middel binnen 24 uur worden bezorgd aan de betrokken personeelsdienst. Wanneer de politieambtenaar, na daartoe te zijn uitgenodigd overeenkomstig artikel IX.I.6 van het RPPol, met inachtneming van de aangehaalde bepalingen, geen (in redelijkheid aanvaardbare) verantwoording kan geven, volgt het door de wetgever eraan gehechte gevolg van het ambtshalve ontslag bij ordemaatregel. Uit het hiervoor aangehaalde artikel IX.I.6 van het RPPol volgt immers dat aan de politieambtenaar die meer dan tien dagen onregelmatig afwezig is gebleven nog de gelegenheid wordt geboden “zijn argumenten of enig ander gegeven mee te delen dat toelaat zich uit te spreken over het al dan niet onregelmatig karakter van zijn afwezigheid”. Vervolgens verleent, te dezen, de korpschef - rekening houdende met de door de politieambtenaar aangevoerde argumenten of gegevens -, een gemotiveerd advies met betrekking tot het al dan niet onregelmatig karakter van die afwezigheid en stuurt dit, samen met de door het personeelslid naar voor gebrachte argumenten of gegevens, door naar XIV-37.917-14/28 de in artikel 125, derde lid, van de wet bedoelde overheid, te dezen het politiecollege. Het is het politiecollege dat - na kennis te hebben genomen van het standpunt van de politieambtenaar en het advies van de korpschef - beoordeelt of de verstrekte gegevens en argumenten de onregelmatige afwezigheid alsnog kunnen verantwoorden. Is de afwezigheid volgens de bevoegde politieoverheid (die daarbij, met inachtneming van het redelijkheidsbeginsel, over een beoordelingsbevoegdheid beschikt) niet regelmatig, dan volgt uit kracht van de wet zelf de in artikel 125, derde lid, van de wet van 7 december 1998 bedoelde ordemaatregel, dit is het ontslag van ambtswege, wat leidt tot het verlies van hoedanigheid van politieambtenaar.
  37. Tot slot, het belang dat door de regelgever is gehecht aan het in artikel 125 van de wet van 7 december 1998 verankerde bijzondere beschikbaarheidsvereiste en de controle daarop met het oog op een goede werking van de politiedienst, wordt nog benadrukt door het feit dat de Koning reeds anticipatief, dit is nog vooraleer de door Hem uit te vaardigen rechtspositieregeling van de politieambtenaren naar aanleiding van de politiehervorming kon worden voltooid, uitvoering aan het genoemde artikel 125 heeft verleend. In de aanhef van het koninklijk besluit van 23 december 1998 „tot uitvoering van artikel 125 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, op de leden van het operationeel kader, en de categorie bijzonder politie personeel van de rijkswacht alsmede de officieren en agenten van de gerechtelijke politie bij de parketten‟ (hierna: het koninklijk besluit van 23 december 1998) kan immers worden gelezen dat de hoogdringendheid ervan verantwoording vindt “door het feit dat de totstandkoming van de geïntegreerde politie nog heel wat reglementair uitvoeringswerk vergt en de wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, derhalve zo snel mogelijk in het Belgisch Staatsblad moet worden bekendgemaakt. Dat onder andere artikel 125 van die wet, m.b.t. de onregelmatige afwezigheid van meer dan tien dagen, in werking zal treden de dag van voormelde bekendmaking en van toepassing zal zijn op de personeelsleden van de actueel bestaande diverse politiediensten. Dat dit evenwel niet kan zonder dat reeds de nadere regels XIV-37.917-15/28 dienaangaande anticipatief worden voorbereid, op risico van de beschikbaarheid van de politiediensten in het gedrang te brengen”.
  38. Uit wat hiervoor is uiteengezet, volgt op het eerste gezicht dat het precies is door te dezen in gebreke te zijn gebleven aan die meldingsplicht te voldoen binnen de door de artikelen X.II.3 en X.II.4 voorziene termijn (zowel wat het medisch luik als wat het administratief luik van de afwezigheid betreft), en dit onafgebroken gedurende meer dan tien dagen, dat verzoeker zich in de situatie heeft geplaatst van “onregelmatige afwezigheid van meer dan tien dagen”. Die situatie leidt ertoe dat hij wordt vermoed aan zijn politieambt te hebben verzaakt. In de huidige stand van het geding moet dan ook worden aangenomen dat het derhalve verzoeker toekwam, na daartoe conform artikel IX.I.6 van het RPPol te zijn uitgenodigd wat te dezen is gebeurd, tekst en uitleg te verschaffen en te verklaren niet alleen waarom hij afwezig was maar bovendien waarom hij (tijdens zijn afwezigheid) niet aan die meldingsplicht heeft voldaan. De meldingsplicht bij ziekte lijkt inderdaad essentieel omdat, wanneer eraan niet of niet binnen de gestelde termijn wordt voldaan, de medische controle en derhalve de controle op de afwezigheid cq. de beschikbaarheid, wordt verhinderd of zelfs onmogelijk wordt gemaakt. Omgekeerd, lijkt prima facie te moeten worden aangenomen, zoals de Raad van State reeds in zijn arresten nr. 212.055 van 15 maart 2011 en nr. 217.770 van 7 februari 2012 heeft beslist, dat de verwerende partij, harerzijds, wanneer zij wordt geconfronteerd met een politieambtenaar die meer dan tien dagen onregelmatig afwezig is, dient te onderzoeken of het afwezige personeelslid dat is om redenen die hem eveneens hebben verhinderd om zijn afwezigheid ter kennis te brengen van de daartoe aangeduide overheid, dit zijn de betrokken personeelsdienst (administratieve luik van het medisch getuigschrift) en de medische dienst (medische luik van het medisch getuigschrift), dan wel of er enig andere reden is die heeft verhinderd dat het afwezige personeelslid aan de op hem rustende meldingsplicht kon voldoen. XIV-37.917-16/28 Te dezen, betwist verzoeker niet dat de verwerende partij de te volgen procedure niet lijdzaam heeft afgewacht doch integendeel verzoeker reeds proactief op 12 november 2018 heeft gecontacteerd met betrekking tot zijn afwezigheid en hem heeft gewezen op zijn statutaire verplichtingen. Bovendien, zoals blijkt uit de feitelijke uiteenzetting, heeft de verwerende partij, wat verzoeker evenmin betwist, verzoeker met een aangetekend schrijven van 23 november 2018 uitgenodigd om zich te verduidelijken omtrent zijn onregelmatige afwezigheid van meer dan tien dagen waarbij hem de mogelijkheid is gegeven, zoals artikel IX.I.6 van het RPPol voorschrijft, “zijn argumenten of enig ander gegeven mee te delen dat toelaat zich uit te spreken over het al dan niet onregelmatig karakter van zijn afwezigheid”. De verwerende partij heeft in dat schrijven ook alle vermeldingen opgenomen zoals vereist bij de artikelen IX.I.5 en IX.I.6 van het RPPol. Uit de feitelijke uiteenzetting is gebleken dat verzoeker met een schrijven van 28 november 2018 zijn argumenten heeft laten kennen. Pas op dat ogenblik voegt hij bij zijn schrijven het medisch getuigschrift (administratief luik) voor de periode van 11 november 2018 tot en met 30 november
  39. Hij laat ook nog een verslag van zijn klinisch psycholoog E.C. van 4 december 2018 aan het dossier toevoegen (zie supra, punt 3.6). Verzoeker betwist niet dat hij aldus in de mogelijkheid is gesteld om schriftelijk de bijzondere omstandigheden aan te voeren die hem in de onmogelijkheid hebben gesteld om zijn medische attesten, conform de artikelen X.II.3 en X.II.4 van het RPPol, in te leveren. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij kennis heeft genomen van de door verzoeker bij zijn schrijven van 28 november 2018 aangedragen gegevens en argumenten en deze ook in ogenschouw heeft genomen. Zij heeft evenwel binnen de haar toekomende beoordelingsbevoegdheid geoordeeld dat uit de door verzoeker aangehaalde argumenten niet blijkt dat “zijn staat hem belet zou hebben zijn medische getuigschriften te bezorgen en om zijn administratieve verplichtingen inzake afwezigheid op het werk na te komen”, wat de verwerende partij in de in punt 3.7 aangehaalde bestreden beslissing omstandig motiveert. XIV-37.917-17/28
  40. Het komt de Raad van State niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van de bevoegde administratieve overheid. Hij is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of de administratieve overheid op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. Verzoeker toont vooralsnog niet aan dat de verwerende partij te dezen een beslissing heeft genomen die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou zijn gekomen. Het volstaat op het eerste gezicht immers op zichzelf niet alsnog (te dezen ruim buiten termijn) het administratief luik van het medisch getuigschrift (afgeleverd door Dr. K.M. op 12 november 2018 voor de periode van 11 tot en met 30 november 2018) of de medische reden van zijn afwezigheid mee te delen (die moest immers al aan de bevoegde diensten zijn meegedeeld binnen de 24 uur volgend op de afwezigheid), tenzij zou blijken dat zijn fysieke of psychische toestand van die aard was dat verzoeker ook niet aan de op hem rustende statutaire meldingsplicht kon voldoen dan wel dat hij zich op enig andere overmachtssituatie kan beroepen. Verzoeker heeft niet tijdig een medisch getuigschrift overgemaakt noch een medisch verslag toegevoegd waaruit blijkt dat verzoekers toestand het hem onmogelijk maakte zijn medische getuigschriften binnen de vereiste termijn over te maken. Het attest van een psychologe waarin gewag wordt gemaakt van “concentratiestoornissen” volstaat daartoe niet. Die beoordeling door de verwerende partij lijkt niet onredelijk, laat staan “kennelijk” onredelijk, mede in het licht van de antecedenten en het “hardnekkig repetitief karakter” waarvan verzoeker blijk heeft gegeven met name wat het niet of laattijdig inleveren van medische getuigschriften betreft. Verzoeker brengt in de voorliggende procedure bij de Raad van State nog (bijkomende) stukken bij die zijn afwezigheid zouden moeten verantwoorden. Daargelaten de vraag of de verwerende partij erover heeft beschikt XIV-37.917-18/28 op het ogenblik van de bestreden beslissing, zijn deze attesten door verzoeker hoe dan ook laattijdig overgelegd. Dat geldt in ieder geval voor het medisch getuigschrift (administratief luik) afgeleverd op 14 december 2018 door dr. A.-S. V.O. nu het dateert van na de bestreden beslissing en betrekking heeft op de periode van 14 december 2018 tot 13 januari
  41. Ook het medisch geschiktheidsattest van 11 december 2018 waarin dr. A.-S. V.O. verklaart dat verzoeker diezelfde dag, dit is op 11 december 2018, door haar is “ondervraagd en onderzocht waarbij diens verklaringen met de werkelijkheid blijken te stroken en te hebben vastgesteld dat [verzoeker] op het moment van consultatie dd 12/11/2018 te lijden had onder problemen in de privésituatie en op dat ogenblik kampte met daarmee gepaard gaande slaap- en concentratiemoeilijkheden” kan niet zo worden gelezen dat verzoeker in de onmogelijkheid was om zijn medisch attest voor de periode van 11 tot en met 30 november 2018 conform de bepalingen van het RPPol te bezorgen of te laten bezorgen aan zijn werkgever, dat geldt des te meer nu hij zelf in zijn schrijven van 28 november heeft aangegeven dat hij in die periode steun van zijn ouders genoot.
  42. In zoverre verzoeker tot slot wijst op het schorsingsarrest nr. 213.493 van 26 mei 2011 en het daaropvolgende vernietigingsarrest nr. 215.962 van 24 oktober 2011 waarin wordt gesteld (1.) dat “het ontslag van ambtswege, bedoeld in artikel 125, derde lid, van de wet van 7 december 1998 een maatregel betreft die genomen wordt in het belang van de dienst en die gestoeld is op de gedachte dat de ambtenaar die zijn dienst verlaat en meer dan tien dagen onregelmatig afwezig blijft, geacht wordt vrijwillig uit dienst te zijn getreden”, (2.) dat slechts tot ontslag kan worden overgegaan “wanneer, gelet op de concrete omstandigheden van de zaak het vermoeden dat de betrokken ambtenaar niet langer in dienst wenst te blijven, niet geacht kan worden weerlegd te zijn” en, tot slot, (3.) dat het daarbij “van geen belang [is] of het door de betrokkene aangebrachte motief ter weerlegging van dat vermoeden de toets van de wettigheid kan doorstaan”, dient te worden vastgesteld dat verzoeker in die zaak reeds de eerste dag van zijn afwezigheid met het bestuur contact heeft genomen en dat hij XIV-37.917-19/28 vervolgens ook regelmatig de medische attesten voor de betrokken periode van 6 tot 15 december 2010 had ingediend, met name reeds op 8 december
  43. Uit het door verzoeker aangehaalde arrest nr. 216.672 van 5 december 2011 blijkt dan weer dat in die zaak decisief is geweest dat - anders dan te dezen het geval is - de procedure zoals bepaald in artikel IX.I.6 van het RPPol niet correct was nageleefd omdat geen bewijs voorlag dat de in die zaak betrokken verzoeker regelmatig was uitgenodigd om zich te verduidelijken omtrent zijn (al dan niet onregelmatige) afwezigheid. In die omstandigheden, met name wanneer de politieambtenaar niet de kans krijgt argumenten aan te dragen die zijn afwezigheid kunnen verantwoorden, is het bestuur niet in de mogelijkheid om uit te maken of de redenen waarop de politieambtenaar zich zou beroepen om zijn afwezigheid te verklaren, verantwoord waren. In een dergelijke situatie is hoe dan ook geen deugdelijke grondslag voorhanden om de betrokkene te ontslaan.
  44. Het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  45. In een tweede middel voert verzoeker een schending van de hoorplicht aan. Hij zet uiteen dat tegen niemand een ernstige maatregel kan worden getroffen, die gegrond is op zijn persoonlijk gedrag en die van aard is om zijn belangen zwaar aan te tasten, zonder dat hem de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de aard, het belang en de draagwijdte van de opgelegde maatregelen. Verzoeker heeft verzocht om door het politiecollege te worden gehoord, wat hem door (de secretaris van) het politiecollege werd geweigerd omdat verzoeker schriftelijk zijn standpunt kon uiteenzetten en het houden van een hoorzitting niet wettelijk is vereist. Deze overwegingen doen volgens verzoeker “niet ter zake, nu de reden voor de afwezigheid van verzoeker, die het vermoeden XIV-37.917-20/28 dat de betrokkene vrijwillig uit dienst is getreden eventueel zou kunnen weerleggen, niet voor eenvoudige vaststelling vatbaar is.” Beoordeling
  46. Het ontslag van ambtswege, bedoeld in artikel 125, derde lid, van de wet van 7 december 1998 is een maatregel die genomen wordt in het belang van de (goede werking van de) dienst, te dezen de politiedienst, en die is gestoeld op de gedachte dat de ambtenaar die meer dan tien dagen onregelmatig afwezig is gebleven, wordt geacht zijn dienst te hebben verlaten en, derhalve, uit dienst te zijn getreden. Het is dan ook geen tuchtmaatregel. In zoverre verzoeker zich beroept op het recht van verdediging, dient te worden vastgesteld dat dat recht in beginsel enkel van toepassing is in straf- en tuchtzaken doch niet bij ordemaatregelen zodat het middel in zoverre het berust op een schending van het recht van verdediging niet-ontvankelijk lijkt.
  47. De hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur houdt in dat in beginsel tegen niemand een ernstige maatregel kan worden genomen die van aard is om zijn belangen ernstig aan te tasten, zonder dat hem vooraf de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op een nuttige wijze te doen kennen. Wanneer de hoorplicht van toepassing is, moet de bestuurde de mogelijkheid krijgen om schriftelijk te reageren. Het is in beginsel niet vereist dat de bestuurde mondeling wordt gehoord. De hoorplicht vereist in beginsel evenmin dat de betrokkene kan afdwingen dat de hoorplicht ten overstaan van de beslissende overheid zelf wordt uitgeoefend. Het volstaat dat die overheid weet welk standpunt de betrokkene inneemt. Te dezen is de door het bestuur in acht te nemen hoorplicht en het daarmee overeenstemmende hoorrecht in hoofde van de politieambtenaar bij een onregelmatige afwezigheid van meer dan tien dagen door de regelgever XIV-37.917-21/28 concreet uitgewerkt in de artikelen IX.I.5 en IX.I.6 van het RPPol zodat de Raad van State de bestreden beslissing daaraan dient te toetsen. Uit de feitelijke uiteenzetting blijkt (zie supra, de punten 3.
  48. tot 3.7.) dat de verwerende partij met haar brief van 23 november 2018 het bepaalde in de artikelen IX.I.5 en IX.I.6 heeft nageleefd, wat verzoeker niet betwist. Verzoeker heeft zijn standpunt schriftelijk en zoals hij zelf aangeeft in zijn vierde middel (zie infra, punt 22), “omstandig” uiteengezet in zijn schrijven van 28 november
  49. De verwerende partij heeft van zijn standpunten en argumenten kennis genomen en in haar beoordeling betrokken, wat blijkt uit de bestreden beslissing. Een schending van de hoorplicht ligt dan ook prima facie niet voor.
  50. Het tweede middel is, in zoverre ontvankelijk, niet ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  51. Het derde middel luidt “3.
  52. Onduidelijk of de taalwet in bestuurszaken (KB 1966 inzake gebruik van talen in bestuurszaken) in samenlezing met de artikelen 25 e.v. op de [wet van 7 december 1998] correct werd toegepast”. Verzoeker stelt dat het onduidelijk is of de taalwet in deze wel werd gerespecteerd en formuleert daaromtrent “voorbehoud”. Hij vervolgt dat het een elementair recht is om begrepen te worden door alle leden van de bevoegde overheid, en de leden van het (bevoegd) orgaan hebben de plicht te begrijpen wat hun wordt medegedeeld door het personeelslid dat voor hen verschijnt. Dit houdt in, aldus verzoeker met verwijzing naar rechtspraak, “dat een orgaan, dat bestaat uit politieke mandatarissen waarvan de taalkennis niet vast staat, slechts rechtsgeldig in een tuchtzaak beslissingen kan nemen wanneer blijkt enerzijds dat de verklaringen van de ambtenaar door tolken vertaald worden opdat die XIV-37.917-22/28 verklaringen voor de leden van de beide taalgroepen in al hun nuances begrijpelijk zouden zijn en anderzijds dat de bescheiden die als informatie of als overtuigingsstuk ter beschikking van het collectief orgaan worden gesteld in vertaling voorhanden zijn”. Alle stukken van het dossier moeten door alle leden van het tweetalig collegiaal orgaan worden begrepen, teneinde met inachtneming van de rechten van de verdediging, te kunnen oordelen met inachtneming van alle omstandigheden van de zaak. Dat impliceert meer in het bijzonder dat eentalige stukken, verklaringen of verweerstukken door een tolk moeten worden vertaald “in de andere taal” en dat mandatarissen die de andere toepasselijke landstaal onkundig zijn, zich dienen te laten bijstaan door een vertaler-tolk. Verzoeker vervolgt dat hij aan de hand van de door hem gekende stukken van het dossier heeft moeten vaststellen dat geenszins blijkt dat een vertaling voor alle stukken werd voorzien zoals vereist door de bestuurstaalwet, noch dat alle stukken van het dossier door alle leden van het tweetalig collegiaal orgaan werden begrepen. Beoordeling
  53. Artikel 2, § 1, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟, schrijft voor dat het verzoekschrift een uiteenzetting van de feiten en de middelen dient te bevatten. Onder middel in de zin van artikel 2, § 1, 3°, van voornoemd besluit moet worden verstaan: de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel of het overtreden rechtsbeginsel en van de wijze waarop die regel of dat rechtsbeginsel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden. Voldoende duidelijk betekent dat het niet nodig is veronderstellingen over de juiste bedoelingen van verzoeker te maken, waardoor in werkelijkheid de verwerende partij, en nadien de Raad van State ertoe worden gebracht in de plaats van de verzoeker het verzoekschrift op te stellen. XIV-37.917-23/28
  54. In het derde middel dat op het eerste gezicht in identieke bewoordingen is gesteld als in het op 11 januari 2019 ingediende beroep tot nietigverklaring van de bestreden beslissing waarvan de voorliggende (gewone) vordering een accessorium is en blijft, zet verzoeker niet uiteen welke bepaling of bepalingen van de bestuurstaalwet hij te dezen geschonden acht. Het komt de Raad van State niet toe in plaats van verzoeker zijn verzoekschrift op te stellen of te gissen waarop verzoeker zou kunnen doelen. Het valt in het kader van een schorsingsprocedure een verzoeker toe prima facie het vermoeden van wettigheid van een administratieve rechtshandeling te weerleggen door aan de hand van een ernstig middel dat duidelijk is geformuleerd uiteen te zetten welke rechtsregels en -beginselen die hij aanduidt, moeten worden geacht te zijn geschonden. Voorts, en daargelaten of een (geschonden geachte) regel kan worden afgeleid uit de rechtspraak, dient in deze stand van het geding te worden vastgesteld dat het arrest nr. 202.431 van 29 maart 2010 van de Raad van State waarnaar verzoeker verwijst en waarin is geoordeeld dat het in die zaak geschonden geachte recht van verdediging (dat impliceert dat iedere persoon die in een tuchtzaak een tweetalig collectief orgaan toespreekt, het recht heeft om begrepen te worden door alle leden van dat collectief orgaan en de leden van dat orgaan de plicht hebben te begrijpen wat hun wordt medegedeeld door het personeelslid dat voor hen verschijnt, wat onder meer impliceert eensdeels dat de verklaringen van de ambtenaar door tolken worden vertaald en anderdeels dat de bescheiden die als informatie of als overtuigingsstuk ter beschikking van het collectief orgaan worden gesteld in vertaling voorhanden zijn), betrekking had op een (quasi-jurisdictionele) tuchtprocedure waarop het recht van verdediging van toepassing is. Verzoeker toont prima facie niet aan, noch maakt hij aannemelijk dat een en ander ook geldt wanneer - zoals te dezen - het nemen van een ordemaatregel als bedoeld in artikel 125, derde lid, van de wet van 7 december 1998 aan de orde is en waarop zoals hiervoor is gebleken het recht van verdediging geen toepassing vindt. XIV-37.917-24/28
  55. Het derde middel is niet ernstig. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  56. In een vierde middel tot slot voert verzoeker een schending aan van het redelijkheids- en het proportionaliteits- of evenredigheidsbeginsel. Verzoeker wijst op de zwaarwichtigheid van de genomen maatregel op persoonlijk, financieel en professioneel vlak en zet uiteen dat hij bij brief van 28 november 2018 omstandig heeft uiteengezet waarom het medische getuigschrift inzake diens afwezigheid, hetgeen reeds vanaf 12 november 2018 voorhanden was, door omstandigheden niet tijdig werd overgemaakt. Daarbij werd aan de verwerende partij duidelijk gemaakt dat artikel 125 van de wet van 7 december 1998 geen toepassing kon vinden nu “vanuit verzoeker geen enkele wil tot beëindiging van de dienstbetrekking bleek, en dergelijk vermoeden in elk geval werd verlegd”. In die omstandigheden is de bestreden beslissing onredelijk, minstens niet proportioneel en onevenredig. Beoordeling
  57. Een schending van het redelijkheidsbeginsel (of van het proportionaliteitsbeginsel dat er een bijzondere toepassing van is) als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij de haar toegekende discretionaire beoordelings- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Van een schending van het redelijkheidsbeginsel (en van het proportionaliteitsbeginsel) kan slechts sprake zijn wanneer een beslissing, waarvan is vastgesteld dat ze berust op deugdelijke grondslagen, inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, zodanige XIV-37.917-25/28 wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. De Raad van State is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of de administratieve overheid op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. Het komt de Raad van State evenwel niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid.
  58. In de mate verzoeker het redelijkheidsbeginsel geschonden acht doordat hij omstandig heeft uiteengezet waarom het medisch getuigschrift “door omstandigheden” niet tijdig werd overgemaakt zodat artikel 125 van de wet van 7 december 1998 “geen toepassing kon vinden nu vanuit verzoeker geen enkele wil tot beëindiging van de dienstbetrekking bleek, en dergelijk vermoeden in elk geval werd weerlegd”, lijkt verzoeker eraan voorbij te gaan dat uit het genoemde artikel 125 en de artikelen IX.I.5 en IX.I.6 van het RPPol prima facie volgt dat wat ter beoordeling van de verwerende partij ligt de vraag is of, rekening houdende met verzoekers argumenten die of enig ander gegeven dat hij heeft medegedeeld, verzoekers afwezigheid van meer dan tien dagen al dan niet onregelmatig was. Zoals reeds uit de beoordeling van het eerste middel is gebleken, heeft verzoeker er alsnog niet van kunnen overtuigen dat de verwerende partij bij die beoordeling het genoemde beginsel heeft geschonden. In de mate verzoeker het redelijkheids- of het proportionaliteitsbeginsel (dat alsdan betrekking heeft op de (onredelijk geachte) verhouding tussen die vastgestelde onregelmatige afwezigheid en de daarvoor opgelegde ordemaatregel) geschonden acht, lijkt verzoeker eraan voorbij te gaan dat de overheid op dat punt elke beoordelingsbevoegdheid ontbeert. Haar bevoegdheid is op dat vlak strikt gebonden nu de ordemaatregel van het ambtshalve ontslag bedoeld in artikel 125 van de wet van 7 december 1998 (en het verlies van hoedanigheid van politieambtenaar) volgt uit kracht van de wet zodra XIV-37.917-26/28 door de verwerende partij is vastgesteld dat het onregelmatig karakter van zijn afwezigheid van meer dan tien dagen door de politieambtenaar niet kon worden weerlegd.
  59. Het vierde middel is niet ernstig.
  60. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. VII.Kosten
  61. Wat de vraag van verzoeker tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien januari tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. XIV-37.917-27/28 De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.917-28/28 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.623 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.429 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.119 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.196 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.