← België

Arrest 246625 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/01/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.625 Rolnummer: A. 225136/XIV-37709 Zaak: Arrest 246625 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-01-21 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-25 23:11 Fiche Arrest nr 246.625 van 15 januari 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 246.625 van 15 januari 2020 in de zaak A. 225.136/XIV-37.709 In zake :

  1. XXX
  2. XXX
  3. XXX
  4. XXX
  5. XXX
  6. XXX
  7. XXX
  8. XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Oriane Todts kantoor houdend te 1000 Brussel Kolenmarkt 83 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, thans de minister van Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Orchideestraat 61 A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
  9. Het cassatieberoep, ingesteld op 7 mei 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 201.803 van 28 maart 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. XIV-37.709-1/13 II. Verloop van de rechtspleging
  10. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 12.888 van 12 juni
  11. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De verzoekers hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure ten einde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 mei
  12. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Oriane Todts, die verschijnt voor de verzoekers, en advocaat Laurent Bracke, die loco advocaat Carmenta Decordier verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  13. XIV-37.709-2/13 III. Feiten
  14. De staatssecretaris voor Asiel en Migratie neemt op 3 oktober 2017 in hoofde van de verzoekers een beslissing waarmee hun aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) van 4 maart 2010 ongegrond wordt verklaard en twee beslissingen waarmee respectievelijk aan eerste verzoekster en tweede verzoeker een bevel om het grondgebied te verlaten wordt gegeven. Op 16 november 2017 stellen de verzoekers tegen de drie voornoemde beslissingen van 3 oktober 2017 een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Met een arrest van 28 maart 2018 verwerpt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring. Dit is het bestreden arrest. IV. Ontvankelijkheid van het beroep – actueel belang
  15. Met een brief van haar raadsman van 4 april 2019 deelt de verwerende partij mee dat de verzoekers een tijdelijk verblijfsrecht kregen ingevolge een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet. Bij die brief is een kopie gevoegd van de beslissing van machtiging tot verblijf van 29 januari
  16. De verwerende partij “stelt zich derhalve de vraag” naar het belang van de verzoekers bij het cassatieberoep omdat de huidige procedure de verzoekers “immers niet meer rechten [kan] verschaffen dan de rechten die zij inmiddels o.b.v. de ingewilligde aanvraag [hebben] verkregen”. Ter terechtzitting bevestigt de verwerende partij het standpunt dat de verzoekers geen belang bij het cassatieberoep hebben gezien de voornoemde beslissing van 29 januari 2019 op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet. XIV-37.709-3/13
  17. Daargelaten de vaststelling dat de door de verwerende partij overgelegde beslissing van 29 januari 2019 geen melding maakt van huidige achtste verzoekster, kan uit de toekenning van een verblijfsrecht van één jaar ingevolge een aanvraag op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet niet worden afgeleid dat de verzoekers geen belang meer zouden hebben bij het cassatieberoep tegen een arrest waarmee hun beroep tot nietigverklaring werd verworpen tegen een beslissing waarmee hun aanvraag op grond van artikel 9ter van de vreemdelingenwet ontvankelijk doch ongegrond werd bevonden. De exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens gebrek aan belang wordt niet aanvaard. V. Onderzoek van de middelen Enig middel Uiteenzetting van het middel
  18. De verzoekers werpen in een enig middel de schending op van artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 9ter, 39/2, 39/60 en 39/65 van de vreemdelingenwet, van de artikelen 3 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991), van richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 ‘betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus’ (hierna: richtlijn 2005/85) en van “de bewijskracht en draagwijdte van een akte” overeenkomstig de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. XIV-37.709-4/13 In een eerste middelonderdeel voeren de verzoekers aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de aanvankelijk bestreden beslissing als afdoende gemotiveerd beschouwt wat de beschikbaarheid van de medische zorgen betreft. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt vast dat de aanvankelijk bestreden beslissing verwijst naar een bijlage 2 waarvan de verzoekers kennis zouden hebben kunnen nemen in het kader van de passieve openbaarheid van bestuur en dat de verzoekers ter terechtzitting hebben verklaard die bijlage 2 te hebben ontvangen, en daarmee volgens het bestreden arrest “de nodige informatie vermeld in de bijlage 2 om zich daartegen met alle middelen van recht te verdedigen”. Volgens de verzoekers komt evenwel uit de lezing van het verzoekschrift ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen naar voor dat zij geen kennis hadden van die bijlage aan het advies van de ambtenaar-geneesheer. Hun raadsvrouw heeft ter terechtzitting verklaard dat zij slechts na het indienen van het verzoekschrift kennis heeft genomen van de bijlage 2 maar op basis van dit document niet in staat was te begrijpen hoe daaruit kan blijken dat er analoge medicijnen bestaan die beschikbaar zouden zijn. De verzoekers hebben gevraagd om, in het kader van de passieve openbaarheid van bestuur, kennis te nemen van het administratief dossier maar dit werd hen pas overgemaakt op 22 november 2017, dus buiten de beroepstermijn. De verzoekers achten de draagwijdte van hun verzoekschrift geschonden door de overweging in het bestreden arrest dat zij kennis hadden kunnen nemen van de bijlage 2 “om zich daartegen met alle middelen van recht te verdedigen”, terwijl zij uitdrukkelijk in hun verzoekschrift hadden aangegeven geen kennis te hebben van die bijlage
  19. Vermits artikel 39/60 van de vreemdelingenwet voorziet dat de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen schriftelijk is en de verzoekers geen nieuwe schriftelijke akte konden indienen, beschikten zij niet over de mogelijkheid om de inhoud van de voornoemde bijlage 2 te bestrijden. De verzoekers voeren verder aan dat in het bestreden arrest niet wordt geantwoord op de aangevoerde schending van artikel 62 van de vreemdelingenwet en van de wet van 29 juli
  20. Het feit dat de analoge medicijnen voor de benzodiazepine zouden zijn vermeld in een bijlage aan het medisch advies, neemt niet weg dat het medisch advies niet afdoende is gemotiveerd aangezien niet wordt betwist dat deze elementen niet XIV-37.709-5/13 inbegrepen zijn in dit advies. Volgens de verzoekers gaat het niet om een wettige motivering door verwijzing aangezien bijlage 2 hen niet ter kennis is gebracht. Bovendien kan die bijlage 2 niet worden beschouwd als afdoende gemotiveerd vermits niet op duidelijke en concrete wijze is vermeld welke medicijnen als analoog met de benzodiazepine worden beschouwd en in welke mate ze beschikbaar zijn. In een tweede middelonderdeel laten de verzoekers gelden dat zij in hun verzoekschrift hebben aangevoerd dat de aanvankelijk bestreden beslissing niet vermeldde dat de medische aandoening van eerste verzoekster onlosmakelijk is verbonden met haar land van herkomst. De verzoekers citeren de motivering dienaangaande uit het bestreden arrest en stellen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet bevoegd is om nieuwe motieven toe te voegen aan de aanvankelijk bestreden beslissing noch om de opportuniteit ervan te beoordelen. Het bestreden arrest betwist niet dat het advies van de ambtenaar- geneesheer geen motivering inhield over het feit dat de medische aandoening van eerste verzoekster onlosmakelijk verbonden was met de situatie in haar herkomstland. Volgens de verzoekers hanteert de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen een post factum-motivering door het middel te verwerpen op grond van een motivering over de grond van de zaak en niet over de wettelijkheid.
  21. In de memorie van wederantwoord herhalen de verzoekers het middel. Wat het eerste middelonderdeel betreft, voegen de verzoekers toe dat artikel 9ter van de vreemdelingenwet een gedeeltelijke toepassing vormt van richtlijn 2005/85 en van het in artikel 3 van het EVRM vervatte verbod op foltering, onmenselijke en vernederende behandeling. De verzoekers achten “de draagwijdte van de akte” geschonden omdat, in tegenstelling tot de motivering van het bestreden arrest, uit geen enkel stuk blijkt dat de verzoekers kennis hebben kunnen nemen van bijlage 2 bij de aanvankelijk bestreden beslissing, zodat zij er zich ook niet op hebben kunnen verdedigen. Zij benadrukken dat zij slechts na het XIV-37.709-6/13 indienen van het beroep tot nietigverklaring kennis hebben genomen van dit element. Doordat de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen schriftelijk is en de verzoekers geen nieuwe schriftelijke akte konden indienen om de inhoud van de kwestieuze bijlage 2 te bestrijden, is de motivering dat de verzoekers over “alle middelen” beschikten om zich te verdedigen in strijd met artikel 39/60 van de vreemdelingenwet. Vermits niet wordt betwist dat de elementen betreffende de beschikbaarheid van medische zorgen zich niet in de aanvankelijk bestreden beslissing of in het medisch verslag bevinden en vermits deze gegevens zich bevonden in een ander document dat niet samen met de aanvankelijk bestreden beslissing ter kennis werd gebracht van de verzoekers, achten de verzoekers ook de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 geschonden. Wat het tweede middelonderdeel betreft, voegen de verzoekers toe dat de verwerende partij niet betwist dat in de aanvankelijk bestreden beslissing geen rekening is gehouden met het verslag van de behandelende geneesheer van eerste verzoekster van 1 maart
  22. De verzoekers stellen vast dat de motieven van het bestreden arrest om te oordelen dat dit element niet in aanmerking moet worden genomen, de grond van de zaak betreffen, zodat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn bevoegdheid als annulatierechter heeft geschonden. Beoordeling Wat het eerste middelonderdeel betreft
  23. De verzoekers zetten in het verzoekschrift tot cassatie niet uiteen op welke wijze zij de artikelen 3 en 13 van het EVRM en richtlijn 2005/85 geschonden achten. Zij lichten dit slechts voor het eerst in de memorie van wederantwoord toe, zonder aan te geven, laat staan aannemelijk te maken, dat zij daartoe niet in de mogelijkheid waren bij het indienen van het cassatieberoep. XIV-37.709-7/13 Bijgevolg is het eerste middelonderdeel in die mate niet-ontvankelijk.
  24. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 en artikel 62 van de vreemdelingenwet zijn als dusdanig niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Wel kan de Raad van State als administratieve cassatierechter het middel onderzoeken waarin wordt opgeworpen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter bij de beoordeling van de aanvankelijk bestreden beslissing de inhoud van die bepalingen zou hebben geschonden, zonder dat de Raad voor State zich daarbij echter in de plaats van de annulatierechter kan stellen om zelf te oordelen of de motivering van die beslissing afdoende is of niet. De verzoekers hebben voor de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen de schending van de voornoemde bepalingen opgeworpen omdat de ambtenaar-geneesheer in zijn medisch advies stelt dat niet alle benzodiazepines beschikbaar of voldoende voorradig zijn in het land van herkomst doch dat analoge medicatie wel beschikbaar is, zonder evenwel de naam van die analoge medicatie en de naam van de niet beschikbare benzodiazepines te vermelden. In het bestreden arrest wordt daarop geantwoord dat de ambtenaar-geneesheer in zijn advies van 2 oktober 2017 inderdaad aangeeft dat niet alle benzodiazepines beschikbaar zijn of voldoende voorradig zijn en dit niet impliceert dat eerste verzoekster niet kan worden behandeld vermits analoge medicatie beschikbaar is. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt vast dat de verzoekers uit het oog verliezen dat de ambtenaar-geneesheer in de aanhef van de betreffende alinea uitdrukkelijk verwijst naar de “bijlage 2” en vermeldt dat in die bijlage de opzoeking naar de nodige medicatie voor de behandeling van de betrokkene wordt gevonden, doch dat de verzoekers hierover het stilzwijgen bewaren. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgt dat uit het betoog van de verzoekers en uit de aanvankelijk bestreden beslissing blijkt dat zij een kopie van het medisch advies hebben ontvangen zodat zij kennis hadden van de XIV-37.709-8/13 uitdrukkelijke verwijzing naar de voornoemde “bijlage 2” waarop het advies van de ambtenaar-geneesheer is gesteund. Volgens de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen beschikken de verzoekers dus over de nodige informatie om zich daartegen met alle middelen van recht te verdedigen. Hij merkt op dat het volstaat dat duidelijk, maar desnoods bondig, in de aanvankelijk bestreden beslissing zelf of in casu in het medisch advies van de ambtenaar-geneesheer, wordt aangegeven op welke gronden zij berust en dat verder blijkt dat deze informatie is opgenomen in het administratief dossier. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt dat het de verzoekers vrij stond, in het kader van de passieve openbaarheid van bestuur, inzage te vragen van het administratief dossier en dat de raadsvrouw van de verzoekers ter terechtzitting ook heeft toegegeven inzage van de meergenoemde “bijlage 2” te hebben gevraagd en deze ook te hebben verkregen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit dat de verzoekers dus over de nodige informatie uit “bijlage 2” beschikten om zich daartegen met alle middelen van recht te verdedigen. Om te voldoen aan de formelemotiveringsplicht, kan de verwijzing in de motivering van een beslissing naar een advies (of, zoals te dezen, de verwijzing in een advies naar een ander stuk) volstaan. Daartoe is echter vereist dat de inhoud van het advies waarnaar wordt verwezen ter kennis is gebracht van de bestuurde, dat het advies waarnaar wordt verwezen zelf afdoende is gemotiveerd, dat het advies wordt gevolgd in de uiteindelijke beslissing en dat geen tegenstrijdige adviezen zijn uitgebracht. Te dezen heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vastgesteld dat in de aanvankelijk bestreden beslissing wordt verwezen naar het advies van de ambtenaar-geneesheer, waarvan de verzoekers een kopie hebben ontvangen, en dat in het advies uitdrukkelijk wordt verwezen naar een “bijlage 2” met de vermelding dat in die bijlage de opzoeking naar de nodige medicatie voor de behandeling van eerste verzoekster wordt gevonden. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt ook op dat de bewuste “bijlage 2” zich in het administratief dossier bevindt zodat de verzoekers er inzage van konden vragen en dat de verzoekers, volgens de verklaring van hun raads- vrouw ter terechtzitting, er ook effectief inzage van hebben gekregen. Er is nergens XIV-37.709-9/13 sprake van een ander advies of van andere stukken die strijdig zouden zijn met het advies van de ambtenaar-geneesheer of met de “bijlage 2”. Bijgevolg heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de draagwijdte van de formele- motiveringsplicht niet miskend. Voor zover de verzoekers in het verzoekschrift tot cassatie aanvoeren dat zij slechts na het indienen van het verzoekschrift tot nietigverklaring kennis hebben gekregen van de inhoud van de voornoemde “bijlage 2”, zodat zij er omwille van het bepaalde in artikel 39/60 van de vreemdelingenwet geen kritiek op konden uitbrengen, blijkt niet dat zij deze grief voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hebben opgeworpen. In het bestreden arrest wordt vastgesteld dat de raadsvrouw van de verzoekers heeft verklaard inzage van het bewuste stuk te hebben gevraagd en gekregen, maar uit niets blijkt dat de verzoekers ook hebben gesteld slechts laattijdig kennis te hebben gekregen van dat stuk en niet meer de mogelijkheid te hebben gehad om op te komen tegen de inhoud ervan. De verzoekers kunnen deze kritiek derhalve niet voor het eerst aanvoeren in de graad van administratieve cassatie. Anders dan de verzoekers aanvoeren, wordt de bewijskracht van het verzoekschrift tot nietigverklaring niet geschonden met het bestreden arrest. Met de overweging dat de verzoekers ter terechtzitting toegaven kennis te hebben genomen van de “bijlage 2”, houdt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen rekening met een na het verzoekschrift afgelegde verklaring en antwoordt hij op het argument uit het verzoekschrift dat de analoge medicatie niet is vermeld in het advies, evenmin als de naam van de benzodiazepines die niet beschikbaar zijn. Waar de verzoekers betogen dat de ”bijlage 2” zelf niet afdoende is gemotiveerd, komt het de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toe in de plaats van de annulatierechter zelf het al dan niet afdoende karakter van de gegeven motivering te beoordelen. XIV-37.709-10/13
  25. Het eerste onderdeel van het enige middel, voor zover ontvankelijk, ongegrond. Wat het tweede middelonderdeel betreft
  26. De verzoekers hebben voor de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen in het derde onderdeel van het enige middel onder meer aangevoerd dat in het advies van de ambtenaar-geneesheer geen rekening wordt gehouden met het feit dat de gebeurtenissen is het land van herkomst, Tsjetsjenië, aan de basis liggen van eerste verzoeksters aandoening en er “onlosmakelijk” mee verbonden zijn. De verzoekers lieten gelden dat in het advies van de ambtenaar-geneesheer wel het attest van dr. W. van 1 maart 2010 wordt vermeld “met als informatie van bestaan van chronische aandoening met de notie dat een terugkeer naar het land van herkomst is tegenaangewezen omdat de oorzaak van het probleem daar ligt” doch dat “dit […] niettemin geen antwoord [krijgt] in het advies van de arts-adviseurs”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen antwoordt hierop in het bestreden arrest dat “door de asielinstanties reeds werd vastgesteld dat de verklaringen die [eerste] verzoekster en haar echtgenoot aflegden omtrent de gebeurtenissen die er hen toe brachten naar België te komen niet aannemelijk zijn”, dat “het gegeven dat verzoekster aan een arts zou hebben verklaard dat haar belevenissen in haar land van herkomst mee aan de basis liggen van haar gespannen toestand en deze dit acteerde, […] iets [zegt] over de goedgelovigheid van deze arts, doch […] geen objectieve medische vaststelling [is] waarmee de ambtenaar-geneesheer rekening dient te houden”. Anders dan de verzoekers voorhouden, geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hiermee geen eigen post factum-motivering aan de aanvankelijk bestreden beslissing. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zet enkel uiteen waarom de ambtenaar-geneesheer geen rekening diende te houden met en derhalve niet moest motiveren over het feit dat eerste verzoeksters behandelende arts in een attest vermeldt dat haar problemen onlosmakelijk verbonden zijn met de toestand in haar land van herkomst. Daarmee XIV-37.709-11/13 heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen derhalve ook niet zijn bevoegdheid als annulatierechter overschreden.
  27. Het tweede onderdeel van het enige middel is ongegrond. Conclusie
  28. Het enige middel kan niet tot cassatie leiden. VI. Begroting van de kosten - rechtsplegingsvergoeding
  29. Met een tijdig ingediende nota tot vereffening van de kosten vraagt de verwerende partij de verzoekers te veroordelen tot de kosten van het geding, waaronder een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 700 euro. Met toepassing van artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt dat bedrag herleid tot 140 euro. BESLISSING
  30. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  31. De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 1600 euro, elk voor een achtste, en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XIV-37.709-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien januari tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, met bijstand van Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.709-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.625 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.