id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.626 Rolnummer: A. 219042/XIV-37006 Zaak: Arrest 246626 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 15/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-01-23 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-25 23:11 Fiche Arrest nr 246.626 van 15 januari 2020 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 246.626 van 15 januari 2020 in de zaak A. 219.042/XIV-37.006 In zake : Dieter VAN DER CAPELLEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Siegfried De Mulder kantoor houdend te 1730 Asse Stationsstraat 35/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5339 BRUSSEL HOOFDSTAD - ELSENE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frédéric Van De Gejuchte kantoor houdend te 1030 Brussel de Jamblinne de Meuxplein 41 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 20 april 2016, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van het Politiecollege Brussel-Hoofdstad-Elsene van 11/04/2016 […] houdende verlenging van voorlopige schorsing voor een duur van 4 maanden, van 23/4/2016 tot en met 22/08/2016, alsmede van de parallelle inhouding van wedde van 20%”. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 234.599 van 28 april 2016 is de vordering tot schorsing (bij uiterst dringende noodzakelijkheid) van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. XIV-37.006-1/33 Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. Bij arrest nr. 236.032 van 10 oktober 2016 is tevens de (gewone) vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, ingediend op 13 juni 2016, verworpen. Verzoeker heeft hierna, op 18 oktober 2016, opnieuw een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 december
- Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dieter Vanelverdinghe, die loco advocaat Siegfried De Mulder verschijnt voor verzoeker en advocaat Daisy Daniels, die loco advocaat Frédéric Van De Gejuchte verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. XIV-37.006-2/33 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De feitelijke gegevens zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 234.599 van 28 april
- Er wordt naar verwezen. IV. Ontvankelijkheid Exceptie
- In haar laatste memorie beroept de verwerende partij zich op een exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens gebrek aan belang in hoofde van verzoeker. Zij verwijst daartoe naar rechtspraak die dateert van na het indienen van haar memorie van antwoord, namelijk „s Raads arresten nr. 239.337 van 9 oktober 2017 en nr. 238.558 van 19 juni 2017 waarin werd geoordeeld dat het personeelslid dat de nietigverklaring van de verlenging van een voorlopige schorsing vordert, geen belang bij zijn beroep heeft wanneer hij de initiële voorlopige schorsing en de daaropvolgende verlengingen niet had aangevochten. Verzoeker bevindt zich in een gelijkaardige situatie als die van het personeelslid waarvan sprake is in het arrest nr. 239.337 van 9 oktober
- Hij heeft de initiële voorlopige schorsing niet aangevochten, noch de vijf daaropvolgende verlengingen. Hij heeft evenmin “de verlengingen aangevochten van de voorlopige schorsingen, van na de verlenging van 11 april 2016, die beslist werden op 8 augustus 2016, 19 december 2016, 18 april 2017, 22 augustus 2017, 19 december 2017, 13 april 2018, 13 augustus 2018 et 17 december 2018 door het [p]olitiecollege” zodat hij het door de wet vereiste belang ontbeert. XIV-37.006-3/33 Beoordeling
- Luidens artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een annulatieberoep zoals bedoeld in artikel 14, § 1, van deze wetten, voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. Een verzoeker beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: hij dient door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden en de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling moet hem een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook. Het staat aan de Raad van State te oordelen of een verzoeker die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij zijn beroep. De Raad van State dient er evenwel over te waken dat de belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt B.4.3).
- Bij zijn arrest nr. 243.406 van 15 januari 2019 heeft de Algemene Vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat er voor een verzoekende partij geen stelplicht is om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven. Doet een verzoekende partij zulks, dan heeft zij daarmee ook de contouren geschetst waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden. In het genoemde arrest wordt daaraan nog toegevoegd dat de Raad van State hierbij lering trekt uit het arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 17 juli 2018 inzake Vermeulen tegen België. In dit arrest heeft het Hof eraan herinnerd dat de invulling door de Raad van State, in zijn rechtspraak, van het XIV-37.006-4/33 begrip “belang‟ als ontvankelijkheidsvereiste niet tot gevolg mag hebben de kern zelf aan te tasten van het recht van eenieder op toegang tot de rechter, dat inherent is aan de waarborgen geboden bij artikel 6 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens (EVRM). Te dezen, repliceert verzoeker in zijn laatste memorie dat het door hem ingediende verzoekschrift en de erin vervatte middelen zijn gericht tegen zowel de schorsingsmaatregel, als de inhouding van wedde van 20%. Zelfs al werd de initiële schorsingsmaatregel niet bestreden dan staat het “buiten kijf” dat de vernietiging ervan het financieel nadeel van verzoeker voor de betwiste periode zou teniet doen, en hem een aanzienlijk financieel voordeel zou opleveren. Verzoeker herhaalt daarbij dat het niet enkel gaat om een inhouding van 20% op de basiswedde, maar ook 100% van de overuren, weekendprestaties, bijzondere vergoedingen voor werk in de hoofdstad, en overige premies, zodoende dat in werkelijkheid geen 20% maar eerder 40 tot 50% van de wedde wordt ingehouden. De door de verwerende partij aangehaalde rechtspraak weerlegt niet dat alleen al dit financieel nadeel, zoals aangetoond door verzoeker, voldoende belang kan vormen voor een ontvankelijk beroep tot vernietiging. Daarnaast wordt met de aangevoerde middelen ook aangetoond, aldus verzoeker, dat de opeenvolgende ordemaatregelen, waarbij de maatregelen die volgden na augustus 2016 en na de periode waartegen voorliggend beroep werd ingesteld verlengingen zijn van de thans betwiste periode, een effectieve tuchtsanctie betreffen zodat verzoeker minstens een moreel nadeel lijdt. Indien verzoeker, door de bestreden rechtshandeling, een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel nadeel lijdt, waarbij een vernietiging van de bestreden beslissing herstel biedt van zijn rechten en het geleden nadeel, hetzij gedeeltelijk, hetzij volledig, dan heeft verzoeker wel degelijk een actueel belang bij de gevraagde vernietiging. Zoals de Raad van State ook reeds heeft geoordeeld in zijn arrest nr. 243.973 van 19 maart 2019 waarbij de door de verwerende partij geciteerde rechtspraak (zie supra, punt 4) niet langer wordt bijgevallen, vloeit uit de bijzondere omstandigheden van een zaak zoals de voorliggende voort dat XIV-37.006-5/33 verzoeker wel degelijk een persoonlijk, rechtstreeks, zeker en actueel nadeel lijdt door de bestreden beslissing en een eventueel tussen te komen vernietiging ervan, zal het geleden nadeel in hoofde van verzoeker minstens voor de betrokken periode kunnen herstellen en, voorts, de verwerende partij ertoe aanzetten om bij nog eventuele toekomstige verlengingen van de ordemaatregel ten aanzien van verzoeker, rekening te houden met het gezag van gewijsde van het tussen te komen arrest. In die omstandigheden zou het getuigen van een al te restrictieve benadering van het begrip “belang” indien aan verzoeker elk belang bij het voorliggende beroep zou worden ontzegd omdat hij de initiële ordemaatregel en de daaropvolgende verlengingen niet zou hebben aangevochten en zijn recht op toegang tot de rechter zoals dat wordt gewaarborgd door artikel 6, § 1, van het EVRM op een onevenredige wijze inperken. De exceptie is ongegrond. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In een eerste middel voert verzoeker een schending aan van de formele- en de materiëlemotiveringsplicht. Verzoeker acht de formelemotiveringsplicht geschonden omdat tal van essentiële elementen uit zijn verdediging onbeantwoord worden gelaten en zelfs niet zijn onderzocht. De verzoeker verwijst daarbij naar de impact van de inhouding van wedde, alsook naar zijn verzoek om naar een andere (binnen)dienst overgeplaatst te worden: de overheid gaat niet na of dit mogelijk is, en motiveert evenmin waarom dit niet mogelijk is. Zij vergenoegt zich met algemene standpunten die zij sinds twee jaar herhaalt, “zonder dat er enige aftoetsing gebeurt naar publiek of personeel toe”. In de mate zou worden aangenomen dat de bestreden beslissing wel degelijk voldoende is gemotiveerd, rijst de vraag naar de wijze van motivering. Wanneer XIV-37.006-6/33 immers de motivering is gebaseerd op dogmatische standpunten en vooroordelen die niet werden onderzocht, “dan is er evenmin sprake van een motivering”. De verwerende partij heeft het over de “zwaarwichtigheid van de feiten” maar het staat geenszins vast of er feiten bewezen zijn, ten laste kunnen worden gelegd, en of de fysieke geweldpleging de grenzen van het toelaatbare in het kader van politietussenkomsten heeft overschreden. Volgens de bestreden beslissing betreft het “feiten die van aard zijn om het vertrouwen dat de overheid in [verzoeker] heeft gesteld, zwaar te schaden” maar er zijn geen feiten bewezen, laat staan of deze niet verschoonbaar zijn. De overheid betwist verder wel het argument van verzoeker dat de overheid zich reeds een definitieve opinie over de feiten heeft gevormd, hetgeen dan in tegenspraak is met haar eigen opinies in de pers. In zoverre de verwerende partij stelt dat de ordemaatregel niet is gesteund op laakbaar gedrag maar op het vrijwaren van de goede orde van de dienst, blijkt uit niets dat de goede orde zou zijn verstoord, noch dat het opnieuw in dienst gaan de goede orde zou verstoren. Er werd geen enkel onderzoek gevoerd, twee jaar na de ten laste gelegde feiten. De bestreden beslissing verwijst naar de mogelijke perceptie door andere personeelsleden en het publiek. Het is duidelijk dat zij bang is verzoeker in dienst te houden, vermits dit zou indruisen tegen de standpunten die zij in de pers heeft ingenomen. Uit niets blijkt evenwel dat de bevolking een probleem zou hebben met het voorlopig in dienst houden van verzoeker. De overheid verwijst naar de mogelijke imagoschade wanneer een agent “die werd veroordeeld van opzettelijke slagen en verwondingen” gedurende de strafprocedure in functie gehouden wordt: niet alleen spreekt de overheid zich tegen (aangezien ze een definitieve opinie formuleert), maar ook vertrekt zij van dogma‟s. Uit niets blijkt dat haar imago zou worden geschaad door verzoeker in dienst te houden, desnoods op een andere dienst totdat er definitief uitspraak is over zijn schuld of onschuld. In zoverre de verwerende partij in de bestreden beslissing verwijst naar artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: het EVRM) en daarop betrekking hebbende rechtspraak, blijkt hieruit andermaal een definitieve opinie, en schrijft zij quasi het tuchtrechtelijk eindverdict hoewel zij moet uitgaan van het vermoeden van onschuld. Ook inzake de wraking neemt de verwerende partij in de XIV-37.006-7/33 bestreden beslissing geen ondubbelzinnig standpunt in dat door de rechtsonderhorige zou kunnen worden begrepen. Zij heeft dit niet onderzocht, noch op afdoende wijze weerlegd. Bij de beoordeling of de verdere voorlopige schorsing zich opdringt legt zij de goede staat van dienst, de afwezigheid van een gerechtelijk verleden en het vermoeden van onschuld volledig naast zich neer, omdat zij meent dat deze aspecten thuis horen in de straf- of tuchtprocedure. Zij verantwoordt niet waarom deze elementen niet in aanmerking genomen worden bij het opleggen van de voorlopige schorsing. In zijn memorie van wederantwoord, zoals hij dat ook doet in zijn laatste memorie, herhaalt verzoeker wat hij eerder in zijn enig verzoekschrift heeft uiteengezet. In zijn memorie van wederantwoord voegt hij wel nog toe dat hij in zijn verweerschrift voor het politiecollege heeft uiteengezet welke de impact van de inhouding op de werkelijke wedde is, namelijk, kort samengevat, dat hij “in realiteit een loonverlies [lijdt] van ongeveer 40 %, basiswedde en bijkomende vergoedingen samengenomen. Het gezin van verzoeker diende plannen tot gezinsuitbreiding uit te stellen. De mindere kosten door het zich niet moeten verplaatsen omwille van zijn functie zijn verwaarloosbaar. De kosten van verweerster ingevolge de schorsing zijn niet bewezen. De schorsing is disproportioneel.” Het verzoek tot overplaatsing naar een binnendienst werd in datzelfde verweerschrift eveneens uiteengezet. De verwerende partij gaat in de bestreden beslissing nergens na of dit eventueel mogelijk is, noch waarom dit dan specifiek niet mogelijk zou zijn. Beoordeling
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. XIV-37.006-8/33 Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden.
- De te dezen bestreden beslissing berust op de volgende overwegingen: “Gelet op de feitelijke elementen vervat in het dossier, Overwegende dat, tijdens zijn verhoor van 4 december 2015, INP Van Der Capellen volledig naar de inhoud van zijn vorige verhoren of verweren op de hoorzittingen van 25 april, 12 augustus en 3 december 2014 en 14 april en 28 juli 2015 heeft verwezen; Overwegende, enerzijds, dat INP Van Der Capellen het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk dossier [BR.43.97.XXXX/XX] en dat hem een dagvaarding voor de correctionele rechtbank werd betekend; Overwegende dat de Procureur des Konings een ordemaatregel ten opzichte van INP Van Der Capellen opportuun acht tijdens en in het belang van het verdere onderzoek; dat het politiecollege zijn eigen onderzoek van het dossier gedaan heeft doordat van delegatie aan het Parket geen sprake is; dat het feit dat het Politiecollege zich bij het standpunt van de Procureur des Konings aangesloten heeft niet betekent dat het College zich door het advies van de Procureur gebonden achtte; dat bovendien de motivering van de beslissing uitlegt waarom de voorlopige schorsing dient verlengd te worden; Overwegende dat wat het onpartijdigheidsbeginsel betreft, het politiecollege alleen in een meergemeentezone bevoegd is om een personeelslid van de lokale politie voorlopig te schorsen; Overwegende dat het geciteerde beginsel van toepassing is op de bevoegde overheid inzake voorlopige schorsing voor zover het niet onverenigbaar is met de eigen aard, inzonderheid de eigen structuur van de overheid; Overwegende dat het onpartijdigheidsbeginsel de uitoefening van de bevoegdheid van het politiecollege niet kan verhinderen; Overwegende dat de heer [Y.M.], burgemeester van de stad Brussel, wiens verklaringen in de pers verspreid werden, niet aan de beraadslaging deelgenomen heeft; Overwegende dat het optreden als burgerlijke partij vanwege de politiezone alleen bewarend is; dat deze burgerlijke partijstelling geen afbreuk aan de onpartijdigheid van de politiezone doet; dat de Raad van State geoordeeld heeft dat de burgerlijke partijstelling van de tuchtoverheid op zich niet kan doen besluiten tot een partijdigheid jegens het personeelslid die het de overheid onmogelijk zou XIV-37.006-9/33 maken als tuchtoverheid tegen hem op te treden en hem in dat kader ook een ordemaatregel op te leggen [...]; Overwegende dat een voorlopige schorsing van een tuchtstraf verschilt; dat het over een bewarende maatregel gaat die in het belang van de dienst genomen wordt zonder uitspraak te doen over de schuld van het personeelslid; dat een tuchtmaatregel beoogt boeten te doen voor een gedrag dat als laakbaar beschouwd wordt in hoofde van de personeelslid aan wie de maatregel opgelegd werd; dat een ordemaatregel, zoals een voorlopige schorsing, daarentegen niet gesteund op laakbaar gedrag is doch zijn motief in de verstoring van de goede orde van de dienst vindt. Overwegende dat uit artikel 59, eerste lid van de wet van 13/05/1999 volgt dat voor het opleggen van een voorlopige schorsing bij ordemaatregel twee voorwaarden vervuld dienen te zijn; dat vooreerst een tuchtprocedure of een opsporingsonderzoek moet lopen of een strafvordering moet ingesteld zijn; dat voorts de aanwezigheid van het personeelslid bij de politiekorps onverenigbaar met het belang van de dienst moet zijn; Overwegende dat in het huidige geval de eerste voorwaarde vervuld is omdat INP Van Der Capellen het voorwerp van een gerechtelijk dossier met een dagvaarding voor de correctionele rechtbank uitmaakt; Overwegende dat voor wat de tweede voorwaarde betreft, de aanwezigheid van INP Van Der Capellen in het korps niet opportuun is zolang de toestand waarin hij zich bevindt, zijnde het voorwerp uitmakend van een gerechtelijk dossier, en zijn schuld over de feiten die hem ten laste worden gelegd, niet uitgeklaard zijn door een rechterlijke uitspraak doende over de strafvordering, zodat de situatie niet verkeerd kan begrepen worden door andere personeelsleden, noch verspreid kan geraken onder de bevolking; dat het imago van de waardigheid en eerbiedwaardigheid van het politiekorps in de ogen van de burgers ernstig zou aangetast worden als het mocht blijken dat een personeelslid, schuldig aan opzettelijke slagen en verwondingen verklaard werd, gedurende de strafprocedure in functie behouden werd; Overwegende dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld heeft dat wanneer een individu van zijn vrijheid beroofd wordt, of, meer algemeen, met agenten van de ordediensten geconfronteerd wordt, tast het gebruik van fysiek geweld wanneer dit niet strikt noodzakelijk wordt gemaakt door het gedrag van die persoon de menselijke waardigheid aan en vormt het in beginsel een schending van het door art. 3 ERVM gewaarborgde recht. De woorden „in beginsel‟ kunnen niet worden geïnterpreteerd als een aanduiding dat er situaties zouden bestaan waarin men niet tot een dergelijke schending zou moeten concluderen omdat deze niet voldoende ernstig zou zijn. Wanneer de menselijke waardigheid wordt aangetast, raakt men aan het wezen van het verdrag zelf. Daarom vormt elk gedrag van de ordediensten tegen een persoon dat de menselijk waardigheid aantast een schending van art. 3 EVRM. Dat geldt in het bijzonder voor het gebruik van fysiek geweld jegens een individu wanneer dat niet strikt noodzakelijk wordt gemaakt door het gedrag van die persoon, ongeacht de impact die dat overigens op de betrokkene heeft gehad (EHRM (grote kamer), 28 september 2015, Bouyid t. België, § 88); dat het voornoemd arrest, uitgesproken in Grote kamer, het bewijs is van het belangrijk karakter van de plichten ten laste van de personeelsleden voor wat betreft het gebruik van fysiek geweld; Overwegende, anderzijds, dat in afwachting van het resultaat van het gerechtelijk dossier en rekening houdend met de zwaarwichtigheid van de feiten, die hem ten laste worden gelegd, de aanwezigheid van INP Van Der Capellen bij de lokale politie van de zone Brussel-Hoofdstad-Elsene, niet verenigbaar is met het belang van de dienst, omdat de feiten die INP Van Der Capellen betreffen van aard XIV-37.006-10/33 zijn om het vertrouwen dat de overheid in INP Van Der Capellen heeft gesteld zwaar schaden; Overwegende dat de feiten die hem ten laste worden gelegd (zie punt 2) van zwaarwichtige aard zijn; dat wanneer ze kracht van gewijsde krijgen door een strafrechtelijke uitspraak, ze onverenigbaar zou kunnen zijn met de uitoefening van zijn functies als inspecteur van politie; Overwegende dat het aanmerken van de feiten waarvoor INP Van Der Capellen strafrechtelijk vervolgd wordt als ernstig in het kader van een voorlopige schorsing houdt niet in dat het Politiecollege daarmee INP Van Der Capellen ook schuldig acht aan die feiten; dat ten onrechte beweert INP Van Der Capellen dat de motivering van de voorlopige schorsing op definitieve opinies over de feiten gesteund is; Overwegende dat de Raad van State heeft geoordeeld dat een maatregel van voorlopige schorsing, zelfs indien zij de agent zwaar treft, voorzien is in het belang van de dienst en dus niet uitsluitend dient beoordeeld te worden op grond van de inbreuk op de belangen van de agent. Het is niet onredelijk om het behoud in functie van een personeelslid te beschouwen als in strijd met het belang van de dienst, als het personeelslid ervan verdacht wordt, zij het ten onrechte, betrokken te zijn in ernstig geweld tegen personen in het kader van zijn functies en gedagvaard om te verschijnen uit dien hoofde voor de correctionele rechtbank, dat de INP [L.] in dezelfde strafrechtelijke procedure is betrokken als diegene die de INP Van Der Capellen betreft; Overwegende dat de argumenten ingeroepen door INP Van Der Capellen betreffende de redelijke termijn, de afwezigheid van gerechtelijk verleden alsook de goede staat van dienst en de afwezigheid van schuld niet relevant in het kader van een procedure van voorlopige schorsing; dat INP Van Der Capellen dergelijke argumenten voor de strafrechtelijke rechter of in een eventuele tuchtprocedure kan gebruiken; Overwegende dat, gezien de waarschijnlijke duur van de strafprocedure, het Politiecollege van oordeel is dat de duur van de verlenging van de voorlopige schorsing op vier maanden moet vastgesteld worden; een brief van de Procureur des Konings van 30 oktober 2015 blijkt dat het gerechtelijk onderzoek gestart bij burgerlijke partijstelling in een eindfase zit, zodat kan verwacht worden dat de behandeling voor de correctionele rechtbank spoedig kan hernomen worden; dat het onwaarschijnlijk is dat een vonnis in de volgende maanden kan worden uitgesproken en in kracht van gewijsde gaan; Overwegende dat de duur van de strafrechtelijke procedure niet aan de politiecollege te wijten is; Overwegende dat de wetgever uitdrukkelijk de mogelijkheid voorzien heeft om aan de voorlopige schorsing bij ordemaatregel een inhouding van wedde te koppelen; Overwegende dat het raadzaam is om niet alleen de gevolgen te onderzoeken van een dergelijke maatregel, maar eveneens de gevolgen die zouden voortvloeien uit de afwezigheid van een dergelijke beslissing; Overwegende dat een voorlopige schorsing invloed heeft op zijn levenswijze en een inhouding van wedde, gelet op het wegvallen van de verplaatsingskosten en de kosten eigen aan de uitoefening van zijn beroep, gerechtvaardigd is; Overwegende dat de overheid een maatregel dient te nemen die enerzijds de goede werking van de dienst garandeert en anderzijds de andere personeelsleden niet demotiveert: dit laatste kan met name het geval zijn wanneer blijkt dat een personeelslid dat voorlopig geschorst wordt, en zodoende vrijgesteld van iedere dienstverplichting, een identieke wedde behoudt; Overwegende dat de Raad van State dit principe meerdere malen aanvaard heeft XIV-37.006-11/33 [...]; Overwegende dat de betrachtingen van de overheid niet kunnen gegarandeerd worden door een symbolische inhouding van wedde, dat daarentegen, om het personeel niet te demotiveren, een maatregel met enige impact vereist is; Overwegende dat, door de bepalingen geldend in de tuchtwetgeving en meer bepaald in het KB van 30/03/2001, het behoud gegarandeerd wordt van de wedde die tijdens de voorlopige schorsing werd uitbetaald, met uitzondering van het eventueel ingehouden percentage; Overwegende dat het aldus ontvangen bedrag niet meer beantwoordt aan de feitelijke betekenis van de term „wedde‟, als zijnde de tegenprestatie van de uitoefening van de dienst; dat het artikel VIII.II.6 van het KB van 30/03/2001 bepaalt overigens dat tijdens de periode van de voorlopige schorsing, het personeelslid in de administratieve stand van non-activiteit geplaatst wordt; Overwegende dat de opdrachten die INP Van Der Capellen gewoonlijk worden toevertrouwd door andere collega‟s zullen moeten worden uitgevoerd en aldus bijkomende prestaties met zich zullen brengen die door de overheid financieel zullen moeten bekostigd worden; Overwegende dat INP Van Der Capellen ter gelegenheid van zijn verhoor van 3 december 2014 de overheid van zijn inkomsten en lasten in kennis gesteld heeft; Overwegende dat volgens de gegevens overgemaakt door INP Van Der Capellen, het maandelijks inkomen van zijn gezin 3.077 € (1.234 € na inhouding van wedde van 25 % + 1.843 €) bedraagt; dat de maandelijkse lasten 3.068,03 € (2.633,94 € + 434,09 € [jaarlijkse lasten/12] bedragen; dat het inkomen met de lasten overeenkomt; dat echter rekening dient gehouden te worden met het feit dat de inhouding van wedde thans is vastgesteld op 20 % en niet meer op 25 %; Overwegende dat, tijdens zijn verhoor van 23/03/2016, INP Van Der Capellen geen nieuwe elementen over zijn financiële toestand meegebracht heeft; Overwegende dat, in deze omstandigheden de inhouding van wedde op 20 % kan vastgesteld worden om rekening te houden met de eventuele wijzigingen van het loon van de echtgenote van INP Van Der Capellen; Overwegende dat aan de wettelijke voorwaarden inzake de voorlopige schorsing is voldaan.”
- Artikel 59 van de wet van 13 mei 1999 “houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten” (hierna: de tuchtwet) luidt: “Onverminderd andere ordemaatregelen bepaald door de minister van Binnenlandse Zaken die onder meer ter gelegenheid van een tuchtvordering kunnen getroffen worden, kan de burgemeester of, naar gelang van het geval, het politiecollege, het personeelslid van de lokale politie tegen wie een tuchtprocedure of een opsporingsonderzoek loopt of een strafvervolging werd ingesteld en wiens aanwezigheid bij de lokale politie onverenigbaar is met het belang van de dienst, bij ordemaatregel voorlopig schorsen. […]”. XIV-37.006-12/33 Uit deze bepaling volgt dat voor het opleggen van een voorlopige schorsing bij ordemaatregel twee cumulatieve voorwaarden vervuld dienen te zijn, in het bijzonder moet in de eerste plaats een tuchtprocedure of een opsporingsonderzoek lopen of een strafvervolging ingesteld zijn, en moet ten tweede de aanwezigheid van het betrokken personeelslid bij de lokale politie onverenigbaar zijn met het belang van de dienst. In zoverre verzoeker aanvoert dat de feiten niet werden onderzocht, dat zij niet bewezen zijn, en dat derhalve ook niet kon worden beoordeeld of zij buiten proportie waren, dient vastgesteld dat het middel niet tot vernietiging van de bestreden beslissing kan leiden. Voor het opleggen van de voorlopige schorsing bij ordemaatregel is niet vereist dat de feiten bewezen zijn. Het is derhalve ook niet vereist dat de overheid zich een oordeel zou moeten kunnen vormen over de vraag of in casu de feiten van fysieke geweldpleging buiten proportie waren alvorens die ordemaatregel te kunnen opleggen. In de bestreden beslissing wordt uitdrukkelijk overwogen dat te dezen de eerste voorwaarde is vervuld nu verzoeker het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk dossier [BR.43.97.XXXX/XX] en dat hem - wat door verzoeker niet wordt betwist - een dagvaarding voor de correctionele rechtbank werd betekend, wat volstaat opdat de eerste voorwaarde van artikel 59 van de tuchtwet is vervuld.
- De tweede in artikel 59 van de tuchtwet voorziene voorwaarde houdt in dat verzoekers aanwezigheid bij de lokale politie Brussel-Hoofdstad-Elsene onverenigbaar is met het belang van de dienst. De verwijdering uit de dienst is slechts mogelijk wanneer het bestuur redenen heeft om aan te nemen dat de aanwezigheid van de betrokkene in de dienst, wegens de feiten waarvan zij op dat ogenblik kennis heeft, onverenigbaar is met het belang van de dienst. Zij beschikt ter zake over een discretionaire bevoegdheid. Het komt aan de Raad van State in het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf deze beoordeling te maken. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de overheid is uitgegaan van de XIV-37.006-13/33 juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de voormelde bepalingen en binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. De verwerende partij geeft in de bestreden beslissing (zie supra, punt 9) de redenen aan waarom volgens haar aan die voorwaarde is voldaan. Zij overweegt dat zolang de toestand waarin verzoeker - die het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk dossier -, zich bevindt en zijn schuld over de feiten die hem ten laste worden gelegd niet zijn uitgeklaard door een rechterlijke uitspraak over de strafvordering, de aanwezigheid van verzoeker in het korps niet in het belang van de dienst is zodat de situatie niet verkeerd kan worden begrepen door andere personeelsleden, noch verspreid kan geraken onder de bevolking. Zij meent dat het imago, evenals de waardigheid en de eerbiedwaardigheid van het politiekorps in de ogen van de burgers ernstig zou worden aangetast mocht blijken dat een personeelslid van het politiekorps, mocht het schuldig worden verklaard aan het toebrengen van opzettelijke slagen en verwondingen, gedurende de strafprocedure in functie wordt gehouden. In de bestreden beslissing wordt nog de aard van de gebeurlijke inbreuken en de zwaarwichtigheid daarvan wanneer zij worden gepleegd door agenten van de ordediensten in de uitoefening van hun functie benadrukt, evenals de impact daarvan op het vertrouwen dat het publiek in de ordehandhaving moet kunnen hebben. Hieruit blijkt dat de verwerende partij wel degelijk een eigen onderzoek verricht naar wat de invloed is van verzoekers aanwezigheid in het politiekorps op het belang van de dienst. De verwerende partij is op grond van de informatie waarover zij beschikte immers tot het besluit gekomen dat de ten laste gelegde feiten mochten zij worden bewezen een invloed kunnen hebben op de goede werking van de dienst omdat moet worden vermeden dat verzoekers blijvende tewerkstelling binnen de lokale politiezone het vertrouwen van het publiek en de rust in de organisatie in het gedrang zou brengen. De beslissing berust derhalve op draagkrachtige motieven zodat geen schending van de materiële motiveringsplicht voorligt. XIV-37.006-14/33
- In zoverre verzoeker in het middel nog aanvoert dat de overheid zich reeds een definitieve mening over de feiten heeft gevormd, in die zin dat zij de feiten reeds bewezen acht, blijkt uit de motivering van de bestreden beslissing nergens dat de overheid zich reeds definitief een mening heeft gevormd over de feiten, met name in die zin dat zij deze zou bewezen achten en aan verzoeker toegerekend. Er wordt daarentegen uitdrukkelijk gesteld dat de feiten nog moeten worden uitgeklaard door een rechterlijke uitspraak over de strafvordering, waaraan wordt toegevoegd, in de voorwaardelijke wijs, dat het imago van het korps in de ogen van de burgers ernstig zou worden geschaad “als het mocht blijken dat een personeelslid, schuldig aan opzettelijke verwondingen verklaard werd, gedurende de strafprocedure in dienst behouden werd”. Hieruit blijkt geen definitieve beoordeling of definitief gevormde mening. Er wordt slechts uitgegaan van feiten die het voorwerp uitmaken van de strafzaak, zonder zich uit te spreken over de schuld van verzoeker zodat verzoeker evenmin kan worden bijgetreden waar hij stelt dat het vermoeden van onschuld is geschonden. Dat de overheid die feiten (indien ze zouden worden bewezen) als “zwaarwichtig” aanmerkt, is niet onredelijk en in die zin is, anders dan verzoeker dat ziet, de verwijzing in de bestreden beslissing naar artikel 3 van het EVRM en het arrest van 28 september 2015 (Bouyid t. België) van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) alleszins pertinent. In de mate verzoeker nog aanvoert dat de motivering in de bestreden beslissing tegenstrijdig is met de verklaringen in de pers, met name dat daaruit zou blijken dat de overheid zich reeds een definitieve mening over de feiten heeft gevormd, bedenkt de Raad van State dat in zoverre verzoeker doelt op de verklaringen van de burgemeester van de stad Brussel, alvast moet worden vastgesteld - zoals uit de bestreden beslissing blijkt - dat deze niet heeft deelgenomen aan de beraadslaging over de op te leggen maatregel. Verzoekers betoog dat uit de motivering van de bestreden beslissing niet blijkt dat rekening werd gehouden met verzoekers goede staat van dienst en de afwezigheid van een gerechtelijk verleden is niet relevant ten aanzien XIV-37.006-15/33 van het opleggen van een voorlopige schorsing bij ordemaatregel nu, zoals hiervoor is gebleken, wat telt is de vraag of de aanwezigheid van de betrokkene in de dienst verenigbaar is met het belang en de goede werking ervan zonder dat rekening moet worden gehouden met eventuele verzachtende omstandigheden.
- Verzoekers grief tot slot dat zijn vraag tot wraking niet werd onderzocht en dat niet afdoende wordt gemotiveerd waarom die vraag is verworpen, mist feitelijke grondslag. Uit de overwegingen van de bestreden beslissing blijkt dat die vraag wel degelijk is onderzocht doch niet is ingewilligd, wat in de bestreden beslissing wordt uitgelegd door er op te wijzen enerzijds dat het onpartijdigheidsbeginsel slechts van toepassing is voor zover het niet onverenigbaar is met de eigen aard en de eigen structuur van het bestuur, en dat het de uitoefening van de tuchtbevoegdheid van het politiecollege niet mag verhinderen, en anderzijds doordat er op is toegezien dat de burgemeester van de stad Brussel, wiens verklaringen in de pers zijn verschenen, niet heeft deelgenomen aan de beraadslagingen.
- Tot slot, in zoverre verzoeker eerst in de memorie van wederantwoord uiteenzet waarom hij de formele- en materiëlemotiveringsplicht geschonden acht wat betreft de inhouding van wedde en het niet onderzoeken van de mogelijkheid tot overplaatsing, namelijk omdat hij in zijn verweerschrift voor het politiecollege heeft uiteengezet welke de impact van de inhouding op de werkelijke wedde is, dat derhalve de schorsing disproportioneel is en dat in de bestreden beslissing nergens wordt nagegaan of zijn verzoek tot overplaatsing naar een binnendienst eventueel mogelijk is, noch waarom dit niet mogelijk zou zijn, toont hij niet aan dat hij dit argument niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Het kan derhalve niet tot nietigverklaring leiden.
- Het eerste middel is, in zoverre ontvankelijk, ongegrond. XIV-37.006-16/33 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In het verzoekschrift wordt een schending aangevoerd van “het recht op een eerlijk proces - machtsafwending/overschrijding - partijdigheid van de tuchtoverheid - gebrek aan objectiviteit en neutraliteit van de overheid -wraking - ordemaatregel is verkapte tuchtstraf”. Verzoeker zet in essentie uiteen dat het in artikel 6 van het EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces is geschonden omdat naar zijn oordeel het onpartijdigheidsbeginsel en het vermoeden van onschuld is geschonden waarbij hij voorhoudt dat de opgelegde maatregel niet langer kan worden aanzien als een ordemaatregel doch kwalificeert als een verkapte tuchtstraf, mede omwille van de inmiddels opgelopen duur van de opeenvolgende schorsingen met inhouding van wedde en de ruchtbaarheid die eraan is gegeven in de pers. Na een omstandige uiteenzetting concludeert hij, wat dit middel betreft, in zes besluiten die als volgt luiden. Verzoeker stelt vooreerst dat de tuchtoverheid een voorlopige ordemaatregel van schorsing met inhouding van wedde motiveert op grond van definitieve opinies over de feiten, hetgeen de voorlopige maatregel tot een definitieve tuchtsanctie verheft, wat niet toegelaten is. De tuchtoverheid motiveert de voorlopige ordemaatregel aan de hand van de impact van de feiten op het personeel en de bevolking. Echter, door haar eigen verklaringen aan de pers, haar eigen ingediende klacht en haar eigen burgerlijke partijstelling op een openbare correctionele zitting (in een fase waarin er over de schuld nog niet werd geoordeeld), heeft de tuchtoverheid zelf reeds de opinie van het personeel en het publiek (volstrekt ten onrechte) gevormd zodat de voorlopige maatregel tot een definitieve tuchtsanctie is verheven. Voorts meent hij dat “[d]e overheid zich ondermeer [laat] leiden door beslissingen van het parket, waardoor zij haar bevoegdheden op onwettelijke wijze delegeert, of anders gesteld, dat er sprake is van machtsafwending of machtsoverschrijding”. Ten derde, doordat verzoeker momenteel voorlopig is geschorst waarbij de overheid de verdere voorlopige schorsing blijft viseren, zelfs in het kader van de hiervoor geschetste omstandigheden, zogenaamd in afwachting van de gerechtelijke procedure en in XIV-37.006-17/33 afwachting van een definitieve tuchtprocedure ten gronde, kan verzoeker geen eerlijk (tucht)proces ten gronde meer krijgen en kan de beoordeling over ordemaatregelen niet meer objectief, neutraal en onpartijdig geschieden. De opgelegde voorlopige maatregel gaat bijgevolg voorbij aan zijn strikte doel aangezien verzoekers schuld voor zijn werkgever vaststaat. Het recht op een eerlijk (tucht)proces is geschonden. Het recht op een verdediging is dermate geschonden, en de schijn van partijdigheid is dermate acuut, dat de bestreden maatregel volstrekt nietig is. Ten vierde, heeft de tuchtoverheid reeds partij gekozen, te weten door zich samen met [E.B.] en [A.] burgerlijke partij te stellen tegen verzoeker op een ogenblik dat over diens schuld nog geen uitspraak werd gedaan, alsmede door de uitlatingen in de pers. De tuchtoverheid kan bijgevolg niet meer onpartijdig, objectief, neutraal en evenwichtig oordelen over de maatregelen ten aanzien van verzoeker, niet wat de voorlopige ordemaatregelen betreft, maar evenmin wat de latere tuchtprocedure ten gronde betreft. De verdere verlenging van de maatregel zou bijgevolg een schending uitmaken van deze principes, en gaat andermaal haar doel volledig voorbij. Ten vijfde, stelt verzoeker dat het politiecollege werd en wordt gewraakt, en dat daaraan geen gevolg werd gegeven zodat de bestreden beslissing slechts nietig kan worden verklaard. Ten zesde, tot slot, kan de verwerende partij gelet op alle standpunten die zij in de pers en in de gerechtelijke procedure voor de correctionele rechtbank reeds heeft ingenomen door zich onmiddellijk burgerlijke partij te stellen zonder het strafproces af te wachten om, nadien, te beslissen of zij al dan niet enige schadevergoeding zou viseren, onder geen beding nog objectief oordelen over een voorlopige ordemaatregel. Verzoeker herneemt in zijn memorie van wederantwoord het middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift en repliceert nog, wat de aangevoerde schending van artikel 6 van het EVRM betreft, dat uit het arrest Vilho-Eskelinen van het EHRM volgt dat “artikel 6 EVRM van toepassing is op het ambtenarencontentieux”, en dat “[i]ndien het orgaan van het actief bestuur niet beantwoord[t] aan de vereisten van artikel 6 EVRM, minstens beroep [dient] mogelijk te zijn bij een rechterlijk orgaan met volle rechtsmacht dat wel beantwoord[t] aan artikel 6 EVRM, zoals Uw Raad”, wat volle rechtsmacht XIV-37.006-18/33 impliceert zodat de Raad van State zich “niet [moet] beperken tot een controle van de voorgeschreven rechtsvormen maar het bestaan van de aangevoerde feiten [kan] verifiëren, hun juridische kwalificatie, of de ordemaatregel geen verkapte tuchtmaatregel vormt, of er geen sprake is van onevenredigheid, …”. Voorts stelt hij dat de in het middel aangevoerde schendingen niet enkel schendingen zijn van het genoemde artikel 6 “maar tevens van verschillende beginselen van behoorlijk bestuur en de rechten van verdediging als algemeen rechtsbeginsel van toepassing zijn in tuchtzaken. Minstens in deze optiek kan het middel dan ook in al zijn onderdelen door Uw Raad worden beoordeeld”. Inzake de aangevoerde schending van het onpartijdigheidsbeginsel wijst verzoeker erop dat het afleggen van voorafgaande kranteninterviews waarin de schorsing wordt gevraagd, een schending van het onpartijdigheidsbeginsel uitmaakt. De burgemeester van de stad Brussel heeft zich in interviews ongepast uitgelaten en heeft daarin het ontslag van verzoeker gevraagd. Het is niet omdat hij niet aan de beraadslagingen zou hebben deelgenomen dat niet een schijn van partijdigheid is gewekt dat de tuchtoverheid zich een mening heeft gevormd over verzoeker. Dat de burgemeester vervangen werd door een waarnemend burgemeester, “een partijapparatsjik” die “een ondergeschikte van het gewraakte lid” is, neemt de schijn van partijdigheid niet weg. In zoverre de verwerende partij stelt dat uiteindelijk de strafrechter ten gronde zal beslissen en dat de verwerende partij zich hier enkel uitspreekt over de ordemaatregel, repliceert verzoeker dat een ordemaatregel beperkt moet blijven tot hetgeen strikt noodzakelijk is om de verstoring van de orde wet te nemen. Alles wat daarboven gaat moet als een bestraffing worden beschouwd. Er moet nagegaan worden of er geen andere, minder ver reikende, maatregelen zoals een overplaatsing mogelijk zijn. Elke verlenging vereist bovendien een nieuwe, op zich zelf staande, afweging of de voorwaarden voor een voorlopige schorsing nog vervuld zijn. Verzoeker herhaalt dat de maatregel intussen door zijn continuering gedurende quasi drie jaar in werkelijkheid een verdoken tuchtsanctie betreft waarbij de rechten van de verdediging werden geschonden. Wat de aangevoerde “machtsafwending, minstens ongerechtvaardigde onwettelijke delegatie van macht” betreft, repliceert verzoeker op het verweer dat de bevindingen van de procureur des Konings slechts één van de elementen is die de verwerende partij in XIV-37.006-19/33 overweging neemt, dat de getuigenissen van collega‟s, ooggetuigen en verzoekers verklaringen nu net de inhoud van de brief van de procureur des Konings vormen. Om te weerleggen dat zij zich niet enkel laat leiden door die brief, wijst de verwerende partij “dus naar alternatieve elementen die … woordelijk afkomstig zijn uit de brief van de procureur des Konings”. Dit verweer is dus niet pertinent en toont aan dat verwerende partij geen eigen onderzoek van de feiten heeft verricht. In zijn laatste memorie herneemt verzoeker integraal wat hij in zijn eerdere procedurestukken heeft uiteengezet. Beoordeling
- De Raad van State begrijpt uit de uiteenzetting in het verzoekschrift van het tweede middel dat verzoeker beargumenteert, eensdeels, dat de door de verwerende partij opgelegde maatregel geen ordemaatregel is doch wel een verkapte tuchtstraf en, anderdeels, dat de verwerende partij bij het opleggen van die verdoken tuchtmaatregel het in artikel 6 van het EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces van verzoeker heeft geschonden. Het tweede middel wordt hierna vanuit dat oogpunt onderzocht. Het auditoraat besluit tot de ongegrond ervan op grond van de volgende overwegingen: “[…] 2.4.2.1 Een ordemaatregel beoogt het behoud/het herstel van de goede werking van de dienst zonder de schuld van het betrokken personeelslid in acht te nemen, terwijl een tuchtmaatregel beoogt dat personeelslid te sanctioneren voor zijn gedrag/houding. Beide soorten maatregelen hebben bijgevolg een verschillende finaliteit: een ordemaatregel beoogt (louter) de goede werking van de dienst, terwijl een tuchtmaatregel het personeelslid beoogt te straffen. Dat de regels/beginselen die van toepassing zijn in een tuchtprocedure ook van toepassing zijn op ordemaatregelen kan gelet op die verschillende finaliteit niet aangenomen worden. 2.4.2.2 […] In zoverre de verzoeker hier aanvoert dat de verwerende partij niet onpartijdig is en zich reeds een definitief oordeel heeft gevormd over het bewijs van de feiten en de schuld van de verzoeker, en dat hij derhalve geen eerlijk tuchtproces meer kan krijgen (art. 6 EVRM), zijn dit elementen die tegen een eventuele tuchtstraf kunnen aangevoerd worden. […]. XIV-37.006-20/33 2.4.3 […] Wanneer een verzoeker aanvoert dat een opgelegde maatregel, die zich als een ordemaatregel aandient, in werkelijkheid een verkapte tuchtmaatregel is, staat het aan hem om voor de Raad van State geloofwaardig te maken dat, ondanks de schijn, uit de omstandigheden van de zaak kan worden afgeleid dat het werkelijk motief van de maatregel erin bestaat hem te bestraffen (RvS, 21 juni 2013, nr. 224.017, De Smet). De verzoeker geeft in het middel geen duidelijk gestructureerde uiteenzetting van de redenen die hem er toe doen besluiten dat de bestreden beslissing in werkelijkheid een verdoken tuchtsanctie is. Het lijkt veeleer om een persoonlijke overtuiging te gaan die gesteund wordt op alle onwettigheden die hij in het middel aanvoert. Uit het middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift, blijkt dat de verzoeker de stelling dat de bestreden maatregel een verdoken tuchtsanctie is vooreerst steunt op de continuering van de maatregel sinds quasi 2 jaar, waardoor hij nog slechts als een straf kan worden geïnterpreteerd. De loutere vaststelling dat de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat de verzoeker intussen gedurende ongeveer twee jaar voorlopig geschorst is, toont op zich geenszins aan dat de tuchtoverheid de intentie zou hebben om de verzoeker te sanctioneren. De verzoeker meent verder dat de vaststelling dat de feiten „uitgeklaard‟ zijn aantoont dat de bestreden maatregel een verdoken tuchtsanctie inhoudt. Zoals hoger reeds gesteld mist deze stelling feitelijke grondslag vermits de feiten niet „uitgeklaard‟ zijn. Samenhangend met de stelling dat de feiten „uitgeklaard‟ zijn, poneert de verzoeker dat de tuchtoverheid zich reeds een definitieve mening heeft gevormd over het bewezen zijn van de feiten en dat deze zwaarwichtig zijn, en dat ook dit aantoont dat de bestreden maatregel een verdoken tuchtsanctie inhoudt. Zoals uit de beoordeling van het eerste middel is gebleken (1.4.3 en 1.4.4) mist ook deze stelling dat de tuchtoverheid zich reeds een definitieve mening over het bewezen zijn van de feiten feitelijke grondslag. De verzoeker toont bijgevolg niet aan dat de bestreden ordemaatregel in werkelijkheid een verdoken tuchtsanctie inhoudt.”.
- Dit betekent, zoals (ook) reeds bij de beoordeling van het eerste middel is gebleken, dat de opgelegde maatregel een orde- en geen verkapte tuchtmaatregel is. Niet blijkt immers dat de tuchtoverheid zich een definitieve mening heeft gevormd over het bewezen zijn van tuchtfeiten die verzoeker zouden worden toegerekend waarvoor een verkapte tuchtstraf wordt opgelegd. Hieruit volgt dat ook geen schending voorligt van het door verzoeker geschonden geachte recht op een eerlijk (tucht)proces (artikel 6 EVRM). Verzoeker betwist deze conclusie niet. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft hij immers niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Verzoeker verzuimt immers om op de bespreking van het middel in het auditoraatsverslag nog XIV-37.006-21/33 inhoudelijk te reageren en beperkt zich ter zake tot het hernemen van hetgeen hij in zijn eerdere procedurestukken heeft uiteengezet. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middel ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- In zijn op 20 april 2016 ingediend enig verzoekschrift voert verzoeker als een derde middel aan, dat luidt: “onduidelijk hoe en door wie de beslissing exact werd genomen, alsmede of de taalwet in bestuurszaken (KB 1966 inzake het gebruik van talen in bestuurszaken) in samenlezing met de artikelen 25 e.v. op de Wet inzake de Geïntegreerde Politie”. Hij stelt verder nog enkel wat volgt: “[h]et is in toepassing van artikel 59 van de Tuchtwet van 13/5/1999 inzake de politie, het politiecollege dat de beslissingen neemt inzake tucht alsmede inzake dringende (tijdelijke) ordemaatregelen. Het is onduidelijk op welke wijze de hier bestreden beslissing tot stand is gekomen. Eveneens is het onduidelijk of de taalwet in deze wel werd gerespecteerd, en waaromtrent voorbehoud wordt geformuleerd.” In zijn memorie van wederantwoord detailleert verzoeker, hetgeen hij herneemt in zijn laatste memorie, dat in toepassing van artikel 59 van de tuchtwet het politiecollege de beslissingen inzake tucht neemt, alsmede inzake dringende tijdelijke maatregelen doch dat, te dezen, onduidelijk is op welke wijze de bestreden beslissing tot stand is gekomen. Verzoeker stelt, wat de taalwet betreft, dat “uit aanvullende bekomen stukken (A.2 en A.3) [blijkt] dat deze niet werd nageleefd”. Hij zet uiteen dat het een elementair recht is om begrepen te worden door alle leden van de bevoegde overheid in tuchtzaken, en de leden van het orgaan de plicht hebben te begrijpen wat hun wordt medegedeeld door het XIV-37.006-22/33 personeelslid dat voor hen verschijnt. Dit betekent “dat een orgaan, dat bestaat uit politieke mandatarissen waarvan de taalkennis niet vast staat, slechts rechtsgeldig in een tuchtzaak beslissingen kan nemen wanneer blijkt enerzijds dat de verklaringen van de ambtenaar door tolken vertaald worden opdat die verklaringen voor de leden van de beide taalgroepen in al hun nuances begrijpbaar zouden zijn en anderzijds dat de bescheiden die als informatie of als overtuigingsstuk ter beschikking van het collectief orgaan worden gesteld in vertaling voorhanden zijn (RvS 29 maart 2010, nr. 202.431, Verelst)”. Hij vervolgt, met verwijzing “naar een constante rechtspraak van de Raad van State, met bijvoorbeeld het arrest Van Keerberghen nr. 24.422 van 30/5/1984 (waarbij uw raad heeft gesteld dat het bestuur zelf er in ieder geval verantwoordelijk voor is dat een tuchtprocedure verloopt met inachtneming van de rechten van de verdediging zodat, in de gemeenten van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, de vertaling van de stukken en de participatie van een tolk noodzakelijk zijn, ook wanneer de betrokkene er niet om verzoekt), het arrest Verelst nr. 202.431 van 29/3/2010, het arrest Mostaert nr. 201.872 van 15/3/2010 en het arrest De Loecker nr. 227.661 van 10/6/2014, staat de taalaanhorigheid van de deeluitmakende leden van een dergelijk collegiaal orgaan in tweetalig taalgebied, niet vast.”. Zulks betekent, aldus verzoeker, dat het fundamenteel is dat alle stukken van het dossier, door alle leden van het tweetalig collegiaal orgaan moeten worden begrepen, teneinde met inachtneming van de rechten van de verdediging, te kunnen oordelen met inachtneming van alle omstandigheden van de zaak. Meer in het bijzonder impliceert dit dat eentalige stukken, dienen te worden vertaald door een tolk in de andere taal, dat eentalige verklaringen of verweerstukken eveneens door een tolk dienen vertaald in de andere taal, en dat mandatarissen die de andere toepasselijke landstaal onkundig zijn, zich dienen te laten bijstaan door een vertaler-tolk. Hij concretiseert vervolgens dat, te dezen, over het voorstel van ordemaatregel werd beslist door het politiecollege van 14 maart 2016 door de waarnemend burgemeester van Brussel-Hoofdstad. Uit een persartikel van 11 januari 2016 (stuk A.4 bijgebracht door verzoeker) zou blijken dat deze waarnemend burgemeester “het Nederlands volstrekt niet machtig is”. Nochtans werd geen enkel stuk, geen enkel document, noch het verweerschrift, vertaald. Het politiecollege kon dan ook XIV-37.006-23/33 op 14 maart 2016 onmogelijk met kennis van zaken beslissen tot het nemen van een besluit houdende voorstel van verlenging van ordemaatregel. Vervolgens werd aldus het verweerschrift ingediend met verwijzing naar tal van Nederlandstalige stukken. Geen van deze documenten werd vertaald. Het politiecollege, ditmaal met, volgens verzoeker, als enige aanwezige burgemeester de burgemeester van Elsene, “zelf evenmin het Nederlands machtig”, ging nochtans over tot het tekenen van de beslissing van 11 april 2016 waartegen het beroep is gericht. Aangezien zij geen kennis nam van de Nederlandstalige verdediging, noch van de Nederlandstalige stukken waarnaar verwezen, dat deze stukken niet werden vertaald noch een tolk werd ingeschakeld, is verzoeker niet zeker dat oordeelkundig kennis kon worden genomen van het dossier en het verweer van verzoeker. Wat, tot slot, de procedure op zich betreft, werd vastgesteld dat op 21 april 2016, tien dagen na de genomen beslissing, nog geen notulen beschikbaar waren. Verzoeker stelt dat “[v]olgens zeggen van de cel Tucht, deze op 21/4/2016 nog niet [waren] overgemaakt.” Uit telefonische contacten met het secretariaat van het politiecollege “welke werden geregistreerd, blijkt evenwel dat deze op 21/4/2016 zelfs nog niet waren afgewerkt en getekend”. Verzoeker “vroeg toegang tot eventuele andere documenten betreffende zijn dossier, maar werd de toegang daartoe geweigerd. Een en ander doet vermoeden dat de burgemeester van Elsene, Mevr. [D.], bijgevolg zelfs geen kennis heeft genomen van het dossier, ook niet in de Nederlandse taal, teneinde erover te kunnen beslissen. Zij kreeg ongetwijfeld de beslissing voorgekauwd voorgelegd, en heeft deze getekend zonder zelfs te beseffen wat zij heeft getekend, en waarover de achterliggende feiten handelen.”
- In haar laatste memorie repliceert de verwerende partij dat het derde middel niet-ontvankelijk is. Zij stelt dat het verzoekschrift tot (gewone) schorsing dat werd ingeleid op 13 juni 2016 niet kan worden geassimileerd met een bijkomend verzoekschrift die de middelen zou komen te wijzigen die werden uiteengezet in het (enig) verzoekschrift tot nietigverklaring en tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Het is dat laatste verzoekschrift en, meer in het bijzonder, het beroep tot nietigverklaring die het bevat, dat de beperkingen vastlegt van de debatten voor de procedure in nietigverklaring. De (gewone) vordering tot XIV-37.006-24/33 schorsing werd afgewezen door arrest nr. 236.032 van 10 oktober 2016 en is niet langer betrokken door de procedure in nietigverklaring. Anderzijds, aldus de verwerende partij, met verwijzing naar rechtspraak, was de vordering tot voortzetting van de procedure die ingeleid werd na de verwerping van deze (gewone) vordering tot schorsing, niet noodzakelijk. Bovendien, bevestigt artikel 8 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟ dat de in het beroep tot nietigverklaring aangevoerde middelen het kader van de debatten afbakent in de procedure in nietigverklaring. Deze bepaling voorziet niet dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen zou moeten bevatten. Beoordeling
- Betreffende de niet-ontvankelijkheid van het derde middel
- Het feit dat de vordering tot schorsing op elk ogenblik van de procedure ten gronde kan worden ingesteld, doet er niet aan af dat de aangevoerde middelen met het oog op de vernietiging van de bestreden beslissing in het beroep tot nietigverklaring moeten worden uiteengezet. Dat is te dezen in het door verzoeker op 20 april 2016 ingediende enig verzoekschrift waarbij hij de nietigverklaring (en de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid) van de bestreden beslissing vordert. Het is dat verzoekschrift en, meer in het bijzonder, het beroep tot nietigverklaring die het bevat, dat de beperkingen vastlegt van de debatten voor de procedure in nietigverklaring.
- In het door verzoeker bijgebrachte stuk A2 (getiteld “Betreft: Tuchtdossier - afgifte kopie - SP 2014 - 2787”) van 21 april 2016, dat is gericht aan de Cel Tucht van de politiezone Brussel-Hoofdstad-Elsene bevestigt verzoeker dat hij op datum van 21 april 2016 (dit is daags na het indienen van zijn enig verzoekschrift van 20 april 2016) “een afschrift van de stukken 58 tot 66 (laatste oproeping en beslissing van het Politiecollege) en de inventaris te hebben ontvangen van het dossier N° SP 2014-2787”. In datzelfde stuk A2 verklaart hij XIV-37.006-25/33 nog “[i]k neem nota dat de notulen van het Politiecollege van 11 april 2016 ontbreken. Deze waren nog niet overgemaakt aan de Cel Tucht en zullen mij zo vlug mogelijk toegestuurd worden.”. De notulen van 11 april 2016 van het genoemde politiecollege betreffen stuk 63 van het administratief dossier. De verwerende partij betwist de inhoud van stuk A2 niet. De verwerende partij heeft het administratief dossier, inclusief het genoemde stuk 63, neergelegd op de terechtzitting van 28 april 2016 in het kader van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Zij voegde het administratief dossier opnieuw bij haar memorie van antwoord die zij in het kader van de vernietigingsprocedure heeft ingediend op 4 augustus
- Het is pas voor het eerst bij de neerlegging van het administratief dossier op 28 april 2016 dat verzoeker er zich van heeft kunnen vergewissen (stuk 63) dat het Politiecollege in zijn zitting van 11 april 2016, dit is op het ogenblik dat de bestreden beslissing is genomen, is samengesteld uit de burgemeester van Elsene, voorzitter, en de waarnemend burgemeester van Brussel die volgens verzoeker het Nederlands niet machtig zijn en dat het administratief dossier geen enkele vertaling bevat. Uit hetgeen hiervoor werd uiteengezet, volgt dat verzoeker zijn derde middel nog vermocht te ontwikkelen in zijn memorie van wederantwoord in het kader van de vernietigingsprocedure. De exceptie wordt verworpen.
- In zoverre verzoeker in zijn memorie van wederantwoord betreffende het derde middel aanvoert dat een schending voorligt van artikel 59 van de tuchtwet krachtens hetwelk “het politiecollege de beslissingen inzake tucht neemt, alsmede inzake dringende tijdelijke maatregelen doch dat, te dezen, onduidelijk is op welke wijze de bestreden beslissing tot stand is gekomen” bemerkt de Raad van State dat op die wijze verzoekers grief alvast volstrekt onduidelijk is geformuleerd. Op die wijze voldoet hij niet aan de op hem rustende stelplicht en is het middel in die mate niet-ontvankelijk. XIV-37.006-26/33
- Betreffende de gegrondheid van het derde middel
- In zoverre verzoeker in fine van zijn uiteenzetting betreffende het derde middel aanvoert dat, wat de procedure op zich betreft, werd vastgesteld dat op 21 april 2016, tien dagen na de bestreden beslissing, nog geen notulen beschikbaar waren of “zelfs niet waren afgewerkt en getekend”, wordt hij niet bijgetreden in de mate hij daaruit afleidt dat “[e]en en ander doet vermoeden dat de burgemeester van Elsene, Mevr. [D.], bijgevolg zelfs geen kennis heeft genomen van het dossier, ook niet in de Nederlandse taal, teneinde erover te kunnen beslissen” en dat zij “ongetwijfeld de beslissing voorgekauwd voorgelegd [kreeg], en deze getekend [heeft] zonder zelfs te beseffen wat zij heeft getekend, en waarover de achterliggende feiten handelen”. De Raad van State bedenkt daarbij dat zulk een vaag “vermoeden” dat verder niet wordt gestaafd, niet volstaat om te besluiten dat een schending van artikel 59 van de tuchtwet voor zou liggen. Het middel is in die mate ongegrond.
- In zoverre verzoeker in de memorie van wederantwoord doet gelden dat uit de aanvullende stukken blijkt dat de taalwetgeving niet werd nageleefd, duidt hij niet aan welke bepalingen van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 „op het gebruik van de talen in bestuurszaken‟ (hierna: de bestuurstaalwet) hij dan wel geschonden acht. Volgens de bepalingen van de bestuurstaalwet is de politiezone Brussel-Hoofdstad-Elsene een gewestelijke dienst die uitsluitend gemeenten uit Brussel-Hoofdstad bestrijkt. Het taalgebruik binnen die dienst wordt geregeld door artikel 35, § 1, van de bestuurstaalwet, dat de regeling van de plaatselijke diensten van Brussel-Hoofdstad overneemt. Krachtens artikel 17, § 1, B, 1°, van deze wet diende het tuchtdossier tegen verzoeker, die tot de Nederlandse taalrol behoort, in het Nederlands te worden opgesteld en gevoerd, wat te deze is gebeurd en wat verzoeker niet betwist. XIV-37.006-27/33 Het middel is ook in die mate ongegrond.
- In zoverre verzoeker in het derde middel nog aanvoert dat het in tuchtzaken een elementair recht is begrepen te worden door de leden van het bevoegde orgaan, dat het voorstel van ordemaatregel werd ondertekend door de waarnemend burgemeester van Brussel-Hoofdstad, die het Nederlands niet machtig is, dat geen enkel stuk (waaronder het verweerschrift van verzoeker) werd vertaald, dat de bestreden beslissing werd ondertekend (en genomen) door de burgemeester van Elsene, die evenmin het Nederlands machtig is, zonder kennisneming van de Nederlandstalige verdediging en stukken waarnaar werd verwezen, waardoor de bestreden beslissing nietig is, faalt zijn middel, zoals hierna wordt uiteengezet, naar recht. Daargelaten of een (geschonden geachte) regel kan worden afgeleid uit rechtspraak, dient in ieder geval te worden vastgesteld dat het door verzoeker geschonden geachte recht van verdediging (dat impliceert dat iedere persoon die in een tuchtzaak een tweetalig collectief orgaan toespreekt, het recht heeft om begrepen te worden door alle leden van dat collectief orgaan en de leden van dat orgaan de plicht hebben te begrijpen wat hun wordt medegedeeld door het personeelslid dat voor hen verschijnt, wat onder meer impliceert eensdeels dat de verklaringen van de ambtenaar door tolken worden vertaald en anderdeels dat de bescheiden die als informatie of als overtuigingsstuk ter beschikking van het collectief orgaan worden gesteld in vertaling voorhanden zijn), enkel betrekking heeft op een tuchtprocedure waarop het recht van verdediging inderdaad van toepassing is. Te dezen betreft de bestreden maatregel evenwel een ordemaatregel als bedoeld in artikel 59 van de tuchtwet. Bij het opleggen van een voorlopige ordemaatregel tot schorsing in het belang van de dienst in afwachting van de tuchtprocedure en de tuchtbeslissing, geldt niet het recht van verdediging doch de hoorplicht. XIV-37.006-28/33
- Conclusie
- Het derde middel is, in zoverre ontvankelijk, ongegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- In zijn vierde middel roept verzoeker de schending in van het redelijkheids- en het evenredigheids- of proportionaliteitsbeginsel. Hij stelt ter zake wat volgt: “[o]ptreden tuchtoverheid binnen een redelijke termijn en zonder strafonderzoek af te wachten. Gebrek aan proportionaliteit en evenredigheid van de bestreden beslissing”. Dit middel wordt in het verzoekschrift in essentie als volgt toegelicht. Een tuchtoverheid moet steeds actief zoeken naar de waarheid en de feiten waarvan zij kennis krijgt onderzoeken. Zij mag bijgevolg niet zonder meer een beslissing van een gerechtelijke overheid afwachten, gelet op de vereiste van de redelijke termijn. Verzoeker verwijst daarbij naar rechtspraak van de Raad van State. Verzoeker stelt dat hij het slachtoffer is van de volledige immobiliteit van de tuchtoverheid gedurende twee jaar. De overheid stelt zelf weliswaar dat ze benevens de informatie die zij van het openbaar ministerie ontvangt, ook haar eigen onderzoek heeft gevoerd. Welnu, als dit onderzoek haar toelaat definitief standpunt in te nemen over de schuld en onschuld van verzoeker, wat belet haar dan de tuchtprocedure in te leiden? Verzoeker zet uiteen dat het politiecollege sedert april/mei 2014 volledig in kennis is van alle feiten en motieven die deze zaak beroeren. Zij overschrijdt iedere redelijke termijn door de behandeling van de grond van de zaak verder uit te stellen, en zij sanctioneert verzoeker door ingevolge die situatie en houding, een verlenging te viseren van de voorlopige maatregelen van schorsing en inhouding van wedde. Hij meent voorts dat de repliek van de verwerende partij pertinent onjuist is in zoverre de tuchtoverheid in de bestreden beslissing stelt dat deze argumenten niet relevant zijn, en dat zij in een eventuele tuchtprocedure dienstig kunnen zijn. Verzoeker stelt dat de overheid steeds een evenwicht moet bewaren tussen de maatregelen die zij neemt en het XIV-37.006-29/33 geviseerde doel, met inachtneming van de principes van proportionaliteit en evenredigheid. Het respecteren van een redelijke termijn heeft daarop een directe impact. Het sinds meer dan twee jaar laten voortduren van een voorlopige schorsing met inhouding van 20% tot 25% van wedde, kan volstrekt niet meer worden verdedigd ten aanzien van de noodzaak van de goede werking van de dienst, noch voor haar imago. De verwerende partij vergeet dat een schorsing die reeds zo lang aansleept in de politiesector een niet meer te overziene financiële impact heeft, dewelke niet anders meer kan worden geïnterpreteerd dan een effectieve tuchtsanctie, hetgeen onmogelijk is zonder tuchtprocedure. In zoverre de verwerende partij stelt dat het niet aan haar gelegen is dat de strafprocedure zo lang duurt, wijst verzoeker erop dat zij actief naar de waarheid moet zoeken en niet slaafs het resultaat van het strafproces mag afwachten. Indien de overheid via haar eigen onderzoek (dat zij beweert te hebben gevoerd) over voldoende elementen beschikt, dient zij zelf de tuchtprocedure op te starten. Rekening houdende met alle vermelde elementen in huidige akte, kan niet anders worden besloten dan dat de redelijke termijn is overschreden, meer bepaald de tijd die wanneer hij wordt getoetst aan de rechtsbeginselen van evenredigheid en proportionaliteit, ondubbelzinnig maakt dat er niet meer van een redelijke termijn kan worden gesproken, in het bijzonder ook nu in concreto de gevolgen dermate drastisch worden dat de ordemaatregel verwordt tot een verkapte tuchtstraf zonder dat de betrokkene een recht op verdediging heeft genoten via de geijkte procedures (met hun geijkte administratieve controles) die tot een tuchtstraf kunnen leiden. Verzoeker herneemt in zijn memorie van wederantwoord - en herhaalt in zijn laatste memorie - het middel zoals het eerder in het verzoekschrift is uiteengezet en benadrukt slechts dat het principe dat volgens hem in de rechtspraak is uiteengezet, dat de redelijke termijn in acht genomen moet worden en dat de verwerende partij niet slaafs mag blijven wachten, van toepassing blijft. Daarbij moet ook de duurtijd van de voorlopige schorsing in acht worden genomen. Een voorlopige schorsing van meerdere jaren overschrijdt manifest de redelijke termijn. XIV-37.006-30/33 Beoordeling
- Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van dit middel op grond van de volgende overwegingen. “4.4.1 In dit middel wordt in essentie aangevoerd dat de grenzen van de redelijkheid en de redelijke termijn geschonden worden doordat de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat de verzoeker sinds meer dan twee jaar voorlopig geschorst is, terwijl een tuchtoverheid niet slaafs een strafrechtelijke beslissing mag afwachten, en terwijl de tuchtoverheid ook haar eigen onderzoek heeft gevoerd dat haar toelaat een definitief standpunt in te nemen over de (on)schuld van de verzoeker. De verzoeker verwijst daartoe naar drie arresten die een tuchtsanctie als voorwerp hebben. Verder moet vastgesteld worden dat, hoewel het middel aangekondigd wordt als een schending van de redelijke termijn en het evenredigheidsbeginsel, uit de uiteenzetting van verzoeker ook blijkt dat hij van oordeel is dat de bestreden beslissing een verdoken tuchtsanctie inhoudt. Het middel zal dus ook vanuit dat oogpunt onderzocht moeten worden (hoewel de verwerende partij hierop geen repliek biedt in haar memorie van antwoord). 4.4.2 De bestreden beslissing betreft een ordemaatregel, terwijl de door verzoeker aangehaalde arresten een tuchtsanctie als voorwerp [hebben]. Waar een ordemaatregel een bewarend karakter heeft waarbij de schuldvraag niet aan bod komt, beoogt een tuchtmaatregel schuldig gedrag van de betrokkene te sanctioneren. Gelet op die verschillende finaliteit van beide soorten maatregelen, zijn de door verzoeker aangehaalde arresten niet pertinent om zijn standpunt te staven dat de overheid er bij het opleggen van een ordemaatregel toe gehouden is actief met een eigen onderzoek naar de waarheid te zoeken. Voor het opleggen van de ordemaatregel is de overheid er slechts toe gehouden na te gaan of de voorwaarden van artikel 59 van de tuchtwet vervuld zijn, en dit onderzoek strekt niet zo ver dat zij het bewijs van de feiten daarin zou moeten betrekken. Overigens is de stelling van de verzoeker dat de tuchtoverheid zich op basis van eigen onderzoek reeds een definitief oordeel over het bewijs van de feiten heeft gevormd een loutere bewering die door niets gestaafd wordt. De verwerende partij wijst er terecht op dat de verzoeker hier tot op heden de (draagwijdte van de) feiten betwist, met name dat het fysiek geweld dat hij gebruikt heeft de grenzen van het toelaatbare in het kader van een politietussenkomst niet overschrijdt. Ook vanuit dit oogpunt zijn de door verzoeker aangehaalde arresten niet relevant om zijn standpunt te staven vermits de verzoekers in die arresten bekentenissen hadden afgelegd. In zoverre in dit middel de schending van de redelijke termijn en het evenredigheidsbeginsel wordt aangevoerd is het ongegrond. 4.4.3 In zoverre de verzoeker in het middel - quasi terloops – ook aanvoert dat de ordemaatregel in werkelijkheid een verdoken tuchtsanctie inhoudt: […] De verzoeker steunt zijn standpunt hier niet op enig motief in hoofde van de verwerende partij, maar op de gevolgen van de maatregel, met name de duur ervan. Zoals hiervoor uiteengezet, is die duur het gevolg van het feit dat er nog geen strafrechtelijke uitspraak is, waarbij de verzoeker tot op heden ook de draagwijdte van de feiten betwist. Uit de loutere vaststelling dat de verzoeker ingevolge de bestreden beslissing nu meer dan twee jaar voorlopig geschorst is kan niet afgeleid worden dat de verwerende partij de verzoeker in werkelijkheid beoogt XIV-37.006-31/33 tuchtrechtelijk te sanctioneren, nu deze lange duur het gevolg is van het uitblijven van een strafrechtelijke eindbeslissing, waarbij ook moet vastgesteld worden dat de verzoeker tot op heden de draagwijdte van de feiten betwist.”
- Verzoeker betwist deze conclusie niet. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft hij immers niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Hij verzuimt immers om op de bespreking van het middel in het auditoraatsverslag nog inhoudelijk te reageren en beperkt zich ertoe te hernemen hetgeen hij in zijn eerdere procedurestukken heeft uiteengezet. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het vierde middel ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 600 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XIV-37.006-32/33 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien januari tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.006-33/33 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.626 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.234.599 ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.032 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.