← België

Arrest 246627 - Wapens - 15/01/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.627 Rolnummer: A. 226637/XIV-37868 Zaak: Arrest 246627 - Wapens - 15/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-01-23 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-25 23:01 Fiche Arrest nr 246.627 van 15 januari 2020 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 246.627 van 15 januari 2020 in de zaak A. 226.637/XIV-37.868 In zake : Ronny EVENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hans-Kristof Carême kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 8 november 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 15 oktober 2018 houdende de intrekking van de beslissing van de gemachtigde van de minister van 14 september 2018 en van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 31 oktober 2018 inzake het beroep van verzoeker tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Limburg van 3 augustus
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-37.868-1/11 Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 december
  4. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sarah Brouwers, die loco advocaat Hans-Kristof Carême verschijnt voor verzoeker, en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Verzoeker heeft als sportschutter een aantal vuurwapens voorhanden. 3.
  7. Op 3 augustus 2017 beslist de gouverneur van de provincie Limburg verzoekers vergunningen tot bezit en zijn recht tot het voorhanden houden van de in zijn beslissing opgesomde vuurwapens in te trekken. XIV-37.868-2/11 3.
  8. Verzoekers beroep tegen die beslissing wordt op 14 september 2018 door de gemachtigde van de minister van Justitie ingewilligd. De beslissing vermeldt dat verzoeker “bijgevolg […] opnieuw over [zijn] vergunningen en [zijn] recht tot het voorhanden houden van [zijn] vuurwapens [kon] beschikken.” 3.
  9. Met een brief van 15 oktober 2018 deelt de gemachtigde van de minister van Justitie aan verzoeker mee dat hij de onder punt 3.
  10. vermelde beslissing van 14 september 2018 intrekt en dat op grond van de volgende overwegingen: “Met verwijzing naar uw beroepschrift d.d. 11 september 2017 tegen de beslissing van de gouverneur van Limburg d.d. 3 augustus 2017, inzake uw cliënt de heer Ronny Evens en de beslissing in beroep van de minister van Justitie van 14 september 2018 kan ik meedelen dat de federale wapendienst in kennis werd gesteld van nieuwe elementen in vermeld dossier. Gelet op het voorgaande beslist de minister om de beslissing in beroep gegeven op 14 september 2018 in te trekken. Bijgevoegd vindt u de aanvullende stukken die wij van het parket mochten ontvangen. U wordt hierbij de mogelijkheid geboden hierop te reageren uiterlijk tegen 19 november 2018 vooraleer een nieuwe beslissing wordt genomen.” Dit is de eerste bestreden beslissing. 3.
  11. Op 31 oktober 2018 verwerpt de gemachtigde van de minister van Justitie in een nieuwe beslissing verzoekers administratief beroep tegen de voornoemde beslissing van de gouverneur van 3 augustus
  12. Dit is de tweede bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Betreffende de eerste bestreden beslissing Enig middel XIV-37.868-3/11 Standpunt van de partijen
  13. Verzoeker voert in het verzoekschrift onder meer de schending aan van het rechtszekerheidsbeginsel. In een eerste onderdeel zet verzoeker uiteen dat het rechtszekerheidsbeginsel inhoudt dat een rechtsverlenende individuele administratieve rechtshandeling niet voor intrekking vatbaar is. De beslissing van 14 september 2018 waarbij verzoekers georganiseerd administratief beroep tegen de beslissing van de gouverneur van 3 augustus 2017 ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en op basis waarvan verzoeker opnieuw het recht heeft om wapens voorhanden te hebben, is een dergelijke rechtsverlenende beslissing. De eerste bestreden beslissing die alsnog de begunstigende beslissing van 14 september 2018 intrekt, schendt dus het rechtszekerheidsbeginsel.
  14. Inzake het eerste onderdeel wijst de verwerende partij in de memorie van antwoord er vooreerst op dat de mogelijkheid om tot intrekking van een beslissing over te gaan een prerogatief is van het bestuur dat zelfs ontstaat bij ontstentenis van enige wettelijke bepaling in die zin. Voorts kent volgens haar de beslissing van 14 september 2018 waarbij het hoger beroep van verzoeker wordt ingewilligd en de beslissing van de gouverneur wordt hervormd, als dusdanig geen individuele rechten toe aan verzoeker: ze verklaart alleen maar het hoger beroep gegrond tegen de beslissing tot intrekking van verzoekers recht. Na te hebben gewezen op de draagwijdte van de materiëlemotiveringsplicht, stelt de verwerende partij dat zij kennis nam van aanvullende informatie waarover zij niet eerder kon beschikken. Uit die informatie bleek dat de beslissing van 14 september 2018 niet meer kon worden verantwoord op het vlak van de feitelijke motivering ervan. Mocht de procureur des Konings de aanvullende strafdossiers eerder naar verwerende partij hebben gezonden, dan had de gemachtigde van de minister van Justitie de beslissing van 14 september 2018 nooit genomen. Het ging immers om essentiële informatie die de beslissing van 14 september 2018 deed berusten op dermate onvolledige informatie, waardoor die beslissing gegrond was op onjuiste want onvolledige informatie en dus bijgevolg als onwettig te aanzien was. XIV-37.868-4/11 In haar laatste memorie betoogt de verwerende partij dat zij uit de door de procureur des Konings aangebrachte elementen moest besluiten dat het geleverde advies onvolledig was, vermits er meerdere andere strafdossiers waren waarin verzoeker was betrokken. Het advies was niet actueel toen het werd gegeven. De verschillende feitelijke en/of juridische elementen van het eerder geleverde advies waren onvolledig. Bijgevolg moest de verwerende partij vaststellen dat het verplicht door haar verkregen advies van de procureur des Konings niet aan de voorwaarden ter zake voldeed bij gebrek aan actualiteit, dat de onderzochte feitelijke gegevens na het oorspronkelijk uitgebrachte advies substantieel waren gewijzigd, zodat het in overweging genomen advies niet actueel, volledig en behoorlijk gemotiveerd was, en bijgevolg onregelmatig was gegeven. Daarom mag volgens de verwerende partij worden geconcludeerd dat de basis van de beslissing van 14 september 2018 onregelmatig was. Voorts was het voor haar onmogelijk te weten dat haar van belang zijnde informatie ontbrak. Het tekort aan informatie kan dus niet aan de verwerende partij worden verweten. Zij was in de veronderstelling dat het gegeven en ontvangen advies volledig en actueel was, en alle nuttige informatie bevatte voor de te nemen beslissing, terwijl het onregelmatig was. Beoordeling
  15. In het eerste onderdeel van het middel gaat verzoeker ervan uit dat de gemachtigde van de minister van Justitie met de eerste bestreden beslissing zijn beslissing van 14 september 2018 niet rechtmatig vermocht in te trekken omdat dit een regelmatige beslissing was die verzoeker rechten verleende. Het middel wordt vanuit dat oogpunt onderzocht.
  16. Een onregelmatige administratieve rechtshandeling die rechten doet ontstaan, kan op geldige wijze worden ingetrokken indien en voor zover een uitdrukkelijke wetsbepaling de intrekking toelaat. Bij ontstentenis van enige wetsbepaling kan ze slechts worden ingetrokken, enkel op rechtmatigheidsgronden, hetzij binnen de termijn bepaald voor, te dezen, het XIV-37.868-5/11 instellen van een annulatieberoep bij de Raad van State en, indien een ontvankelijk annulatieberoep is ingesteld, tot de sluiting van de debatten, hetzij te allen tijde als die handeling door bedrog is uitgelokt of door een zodanige onregelmatigheid is aangetast dat zij voor onbestaande moet worden gehouden.
  17. De door de eerste bestreden beslissing ingetrokken beslissing van 14 september 2018 willigt verzoekers administratief beroep in, waardoor verzoeker opnieuw over de vergunningen en het recht tot het voorhanden houden van zijn vuurwapens beschikt die waren ingetrokken door de in administratief beroep bestreden beslissing van de gouverneur van 3 augustus
  18. Dat wordt overigens met zoveel woorden gesteld in de beslissing van 14 september 2018 zelf (zie supra, punt 3.3.). De ingetrokken beslissing heeft derhalve een rechtsverlenend karakter. In de mate dat de verwerende partij uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt die derhalve in rechte.
  19. De formele motivering van de eerste bestreden beslissing is hiervoor weergegeven (zie supra, punt 3.4). Het enige in de eerste bestreden beslissing opgenomen motief is dat tot de intrekking is beslist omdat “de federale wapendienst in kennis werd gesteld van nieuwe elementen in vermeld dossier.” Die nieuwe elementen betreffen twee geseponeerde strafdossiers die de beroepsinstantie met een brief van 9 oktober 2018 heeft ontvangen van de procureur des Konings Limburg, afdeling Tongeren. Dat blijkt overigens ten overvloede ook uit de formele motivering van de tweede bestreden beslissing. Aan de intrekking van de beslissing van 14 september 2018 liggen derhalve nieuwe feitelijke elementen ten grondslag waarvan de gemachtigde van de minister van Justitie stelt pas kennis te hebben genomen na zijn beslissing in administratief beroep van 14 september
  20. De verwerende partij stelt in de memorie van antwoord dat, gelet op de materiëlemotiveringsplicht, de beslissing van 14 september 2018, na kennisneming van de aanvullende informatie, niet meer kon worden verantwoord XIV-37.868-6/11 op het vlak van de feitelijke motivering: mocht de procureur des Konings haar de aanvullende strafdossiers eerder hadden bezorgd, dan had zij de ingetrokken beslissing nooit genomen, zodat de ingetrokken beslissing onwettig is omdat ze steunt op onjuiste want onvolledige informatie. Dit verweer wordt niet bijgevallen. De enkele omstandigheid dat de beroepsinstantie in kennis wordt gesteld van nieuwe informatie die zij heeft verkregen of verworven nadat zij haar bevoegdheid heeft uitgeput, brengt op zich niet de onwettigheid of onregelmatigheid met zich mee van de ingetrokken beslissing: de vraag of een administratieve rechtshandeling al dan niet - te dezen - de materiëlemotiveringsplicht schendt, wordt immers beoordeeld op basis van de gegevens uit het dossier die voorliggen op het ogenblik van het nemen ervan. Het verwerven van nieuwe feitelijke inzichten die zouden maken dat de initieel gemaakte beoordeling niet opnieuw zou worden gemaakt, maakt de ingetrokken beslissing niet onwettig of onregelmatig. Het is niet omdat nieuwe verkregen informatie tot een andere beslissing zou leiden, zulks bij weeromstuit met zich meebrengt dat de beslissing genomen op grond van de feiten zoals ze voorlagen op het ogenblik van het nemen ervan, onwettig is. Alvast maakt de verwerende partij op wie de bewijslast rust van de (on)deugdelijkheid van de motieven van de ingetrokken beslissing, zulks niet aannemelijk. Het feit dat de verwerende partij geen kennis had of kon hebben van die informatie, doet hieraan niets af. Het door de verwerende partij aangevoerde motief dat de ingetrokken beslissing nooit zou zijn genomen mocht zij de informatie vroeger hebben ontvangen, betreft derhalve de opportuniteit van de ingetrokken beslissing en niet de wettigheid of de regelmatigheid ervan. Voorts blijkt niet en de verwerende partij beweert zulks ook niet, dat het op grond van enige wettelijke of reglementaire bepaling aan haar toekomt die nieuwe elementen te beoordelen en op grond daarvan een genomen beslissing in te trekken. In dat verband wijst verzoeker er overigens terecht op dat het desgevallend aan de gouverneur toekwam om na kennisneming van die nieuwe feiten te handelen overeenkomstig de artikelen 11 en 13 van de wapenwet. XIV-37.868-7/11
  21. In de laatste memorie doet de verwerende partij voor het eerst nog een ander motief gelden dat volgens haar de onwettigheid van de ingetrokken beslissing aantoont, met name dat het volgens haar verplichtend advies van het parket onregelmatig was omdat het niet volledig en actueel was. De verwerende partij maakt niet aannemelijk dat deze voor het eerst in haar laatste memorie aangevoerde reden van onwettigheid of onregelmatigheid steun vindt in de bestreden beslissing. Niet blijkt noch wordt door de verwerende partij aannemelijk gemaakt dat de gemachtigde van de minister van Justitie zich op dit motief heeft gesteund om zijn eerdere beslissing van 14 september 2018 in te trekken. Het kan derhalve niet op zijn merites worden getoetst. Deze vaststelling volstaat op zich om dit verweer niet bij te vallen.
  22. Uit wat voorafgaat volgt dat de verwerende partij niet aannemelijk maakt dat er enige onwettigheid of onregelmatigheid kleeft aan de ingetrokken beslissing. Door een regelmatige rechtsverlenende beslissing aldus in te trekken, schendt zij derhalve het rechtszekerheidsbeginsel.
  23. Het enige middel is in de aangegeven mate gegrond. B. Betreffende de tweede bestreden beslissing Eerste middel Standpunt van de partijen
  24. Verzoeker voert in het verzoekschrift onder meer de onbevoegdheid van de steller van de akte aan, alsook de schending van de artikelen 11, § 1, tweede lid, 13, eerste lid, 30 en 31 van de wapenwet. Hij doet gelden dat het gegrond bevinden van het middel gericht tegen de eerste beslissing noopt tot de gegrondheid van het voorliggende middel. Verzoeker zet uiteen dat de bevoegdheid om iemands recht om wapens voorhanden te hebben in te trekken, XIV-37.868-8/11 alleen aan de gouverneur toekomt en niet aan de minister van Justitie die enkel bevoegd is in het kader van het overeenkomstig artikel 30 van de wapenwet georganiseerd administratief beroep. Indien er nieuwe feiten na de beslissing van 14 september 2018 aan de minister van Justitie ter kennis worden gebracht, dan diende de minister die voor beslissing aan de gouverneur te bezorgen. De minister was zelf onbevoegd om de tweede bestreden beslissing te nemen.
  25. De verwerende partij antwoordt in de memorie van antwoord dat het middel voortgaat op het middel tegen de eerste bestreden beslissing. Zij verwijst dan ook naar de bespreking aldaar om te besluiten dat de beroepsinstantie wel degelijk over rechtsmacht beschikte om de tweede bestreden beslissing te nemen. De intrekking van de beslissing van 14 september 2018 geldt immers ex tunc zodat de ingetrokken beslissing wordt geacht niet meer te hebben bestaan. Bij gebrek aan een beslissing in het kader van de administratieve beroepsprocedure, vermocht de verwerende partij zich nog steeds uit te spreken over het dossier zoals dat werd aangevuld door de procureur des Konings. De minister van Justitie kon zich derhalve op grond van de devolutieve kracht van het administratief beroep, op de bevoegdheden in de artikelen 11 en volgende van de wapenwet beroepen. In haar laatste memorie verwijst de verwerende partij inzake deze wettigheidskritiek in essentie naar haar eerder verweer. Beoordeling
  26. Indien blijkt dat het voorhanden hebben van wapens de openbare orde kan verstoren, kan de gouverneur, naargelang het geval, de verleende vergunningen en het recht om het wapen voorhanden te hebben beperken, schorsen of intrekken (artikelen 11, § 1, tweede lid en 13, eerste lid, van de wapenwet). Behalve tegen beslissingen inzake niet-ontvankelijke aanvragen, staat op grond van artikel 30, eerste lid, van de wapenwet tegen deze beslissingen van de gouverneur tot weigering, beperking, schorsing of intrekking een georganiseerd administratief beroep open bij de minister van Justitie of bij zijn gemachtigde. XIV-37.868-9/11 De minister van Justitie of zijn gemachtigde heeft derhalve enkel in het raam van een voor hem aanhangig administratief beroep, de bevoegdheid om verleende vergunningen en/of het recht om wapens voorhanden te hebben, te beperken, schorsen of intrekken.
  27. Op 3 augustus 2017 beslist de gouverneur van de provincie Limburg verzoekers recht tot het voorhanden houden van de in zijn beslissing opgesomde vuurwapens in te trekken (zie supra, punt 3.2). Met de beslissing van 14 september 2018 wordt verzoekers beroep tegen die beslissing door de gemachtigde van de minister van Justitie ingewilligd. Met deze eindbeslissing over het administratief beroep heeft die aldus zijn in artikel 30 van de wapenwet toegewezen bevoegdheid uitgeput. Uit wat voorafgaat blijkt dat de intrekking van die beslissing van 14 september 2018 onwettig is. De voornoemde beslissing van 14 september 2018 wordt derhalve geacht nooit te zijn ingetrokken zodat ze nog steeds bestaat. Hieruit volgt dat door met de tweede bestreden beslissing opnieuw te beslissen over het administratief beroep, de gemachtigde van de minister zijn in artikel 30 van de wapenwet bepaalde materiële bevoegdheid miskent.
  28. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
  29. Raad van State vernietigt de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 15 oktober 2018 houdende de intrekking van de beslissing van de gemachtigde van de minister van 14 september 2018 en van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 31 oktober 2018 inzake het beroep van verzoeker tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Limburg van 3 augustus
  30. XIV-37.868-10/11
  31. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien januari tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.868-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.627 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.