id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.628 Rolnummer: A. 225295/XIV-37727 Zaak: Arrest 246628 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-01-21 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-25 23:01 Fiche Arrest nr 246.628 van 15 januari 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 246.628 van 15 januari 2020 in de zaak A. 225.295/XIV-37.727 In zake : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alexander Loobuyck kantoor houdend te 8000 Brugge Langestraat 46/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, thans de minister van Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tine Bricout en Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Oostakker Orchideestraat 61 A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 24 mei 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 202.634 van 18 april 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 12.912 van 12 juli
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-37.727-1/8 Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 mei
- Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Martine Kiwakana, die loco advocaat Alexander Loobuyck verschijnt voor verzoeker, en advocaat Laurent Bracke, die loco advocaten Carmenta Decordier en Tine Bricout verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoeker, die verklaart van Somalische nationaliteit te zijn, dient op 27 juni 2017 bij de Belgische ambassade te Kampala een aanvraag in voor het verkrijgen van een visum voor lang verblijf (type D) met het oog op gezins- hereniging met zijn Somalische echtgenote, die in België is erkend als vluchteling. Op 30 november 2017 neemt de staatssecretaris voor Asiel en Migratie in hoofde van verzoeker een beslissing tot weigering van het gevraagde visum. XIV-37.727-2/8 Verzoeker stelt op 8 januari 2018 tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwerpt het beroep tot nietigverklaring tegen de voornoemde beslissing van 30 november 2017 met een arrest van 18 april
- Dit is het bestreden arrest. IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Standpunten van de partijen
- Verzoeker werpt in een enig middel, dat hij in de memorie van wederantwoord herhaalt, de schending op van artikel 74/20, § 1, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) en van de materiëlemotiveringsplicht. Verzoeker benadrukt eerst dat de materiëlemotiveringsplicht, al is deze als dusdanig niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen, de bodemrechter verbiedt om een beslissing “juridisch incorrect te motiveren”. In de graad van administratieve cassatie moet kunnen worden nagegaan of de vreemdelingenrechter in het kader van zijn wettigheidscontrole onterecht heeft geoordeeld dat artikel 74/20, § 1, van de vreemdelingenwet niet zijn geschonden met de aanvankelijk bestreden beslissing. Verzoeker voert hierna aan dat volgens het bestreden arrest artikel 74/20, § 1, van de vreemdelingenwet geen vertaling zou zijn van het beginsel fraus omnia corrumpit en dus geen intentioneel aspect zou bevatten. Om toepassing te maken van die bepaling, zou het volstaan dat frauduleuze documenten werden voorgelegd, onafgezien van het feit of verzoeker daar al dan niet kennis van had. In de memorie van toelichting bij het ontwerp van wet dat tot XIV-37.727-3/8 artikel 74/20, § 1, van de vreemdelingenwet heeft geleid, staat nochtans uitdrukkelijk dat deze bepaling het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit weergeeft en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft dit in andere rechtspraak bevestigt. Verzoeker vervolgt dat het de Raad van State als administratieve cassatierechter toekomt te oordelen of de bewijslast inzake de vermeende valsheid van een document op de verwerende partij rust, dan wel of verzoeker het tegendeel moet bewijzen. Anders dan het bestreden arrest lijkt in te houden, rust die bewijslast op de verwerende partij en dient verzoeker niet te bewijzen dat hij geen frauduleus document voorlegde.
- De verwerende partij stelt in de memorie van antwoord dat uit de omschrijving van artikel 74/20, § 1, van de vreemdelingenwet blijkt dat de wetgever een duidelijk onderscheid heeft gemaakt tussen enerzijds het gebruik van valse of misleidende informatie of documenten en anderzijds fraude. Deze bepaling is deels gebaseerd op het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit voor zover fraude is gepleegd, doch ook op het gebruik van een vals document, zoals in casu. In het laatste geval moet in hoofde van de vreemdeling geen wil om te bedriegen worden aangetoond. Waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft geoordeeld dat de bewijslast bij verzoeker ligt, mag de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de feiten treden en zelf het al dan niet redelijke karakter van de aanvankelijk bestreden beslissing beoordelen. Beoordeling
- De materiëlemotiveringsplicht is als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Het feit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter ten onrechte geen schending van artikel 74/20, § 1, van de vreemdelingenwet zou hebben vastgesteld, houdt niet in dat dit rechtscollege de inhoud van de materiëlemotiveringsplicht zou hebben miskend. XIV-37.727-4/8 Het enige middel is in die mate niet-ontvankelijk.
- Met de aanvankelijk bestreden beslissing wordt, om verzoekers aanvraag voor een visum type D af te wijzen, artikel 74/20, § 1, van de vreemdelingenwet geciteerd waarna wordt overwogen dat, “door het voorleggen van een vervalst document, de verzoeker de Belgische autoriteiten tracht te misleiden met het zicht op het verkrijgen van een machtiging tot verblijf en alle sociale voordelen hieraan verbonden”. Verzoeker heeft hiertegen voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen laten gelden dat hij niet eens wist dat het document niet “correct” was, dat er geen authentieke Somalische documenten bestaan en dat een frauduleuze handeling de wil om te frauderen impliceert. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest onder meer: “Nu er geen authentieke Somalische documenten bestaan, meent verzoeker dat geen gebruik kon worden gemaakt van artikel 74/20, § 1 van de vreemdelingenwet omdat er geen sprake is van fraude en van de wil om te frauderen. Verzoeker ontkent echter niet dat er enerzijds bij gebrek aan legalisatie geen zekerheid is over de authenticiteit van een document, en hij ontkent niet dat anderzijds de stempels op de huwelijksakte werden aangebracht met een kleurenprinter, wat er volgens de verwerende partij op wijst dat de stempels niet door de lokale autoriteiten werden aangebracht zodat het document niet authentiek is. Bijgevolg kon wel degelijk gebruik gemaakt worden van artikel 74/20, § 1 van de vreemdelingenwet, omdat verzoeker valse of vervalste documenten heeft gebruikt. Waar verzoeker aanvoert dat hij niet zou geweten hebben dat het document vals was, wordt opgemerkt dat dit geen afbreuk doet aan het feit dat hij een vals of vervalst document heeft voorgelegd. De thans bestreden beslissing werd niet genomen op basis van het rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit, maar wel op grond van artikel 74/20, § 1 van de vreemdelingenwet, omdat verzoeker valse of vervalste documenten heeft gebruikt. Er blijkt niet dat ingevolge artikel 74/20, § 1 van de vreemdelingenwet de gemachtigde van de bevoegde staatssecretaris in elk geval dient aan te tonen dat er in hoofde van verzoeker een wil was om te bedriegen. Waar verzoeker aanvoert dat er geen authentieke Somalische documenten zijn en bijgevolg ook geen valse, wordt opgemerkt dat verzoeker hiermee voorbijgaat aan het feit dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen voorgelegde documenten die duidelijk nagemaakt en frauduleus zijn, enerzijds, en andere documenten die uitgaan van de autoriteiten van het land die niet worden gelegaliseerd omdat België de regering van Somalië niet erkent, anderzijds. De verwijzing naar artikel 74/20 van de vreemdelingenwet is bijgevolg correct.” XIV-37.727-5/8
- Artikel 74/20, § 1, van de vreemdelingenwet luidt: “Behoudens bijzondere bepalingen van de wet, kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging of toelating tot verblijf, aangevraagd krachtens deze wet, weigeren wanneer de aanvrager, voor het verkrijgen van deze machtiging of voor de erkenning van deze toelating, valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt, of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt die bijdragen tot het verkrijgen van het verblijf. Wanneer de minister of zijn gemachtigde een dergelijke beslissing overweegt te nemen, houdt hij rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokkene, met de duur van zijn verblijf in het Rijk alsmede met het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst.” In de memorie van toelichting bij het ontwerp van wet dat heeft geleid tot artikel 74/20 van de vreemdelingenwet, wordt gesteld: “Het artikel 74/20 geeft het algemeen rechtsbeginsel ‘fraus omnia corrumpit’ weer. Dit beginsel is door het Hof van Cassatie omschreven (zie het arrest van 6 november 2002 - Cass., 6 november 2002, J.T., 2003/16, nr. 6094, 310-314, of het arrest van 3 maart 2011 www.cass.be). Dit beginsel verbiedt elk bedrog of elke oneerlijkheid met het oogmerk te schaden of winst te behalen. Zo sluit een bedrieglijke gedraging, of een opzettelijke fout, uit dat de bedrieger sommige regels van het positieve recht die normaal van toepassing zijn en waaruit hij een voordeel zou halen, kan doen gelden. Annekatrien Lenaerts, referendaris bij het Hof van Cassatie, verduidelijkt dat dit algemene rechtsbeginsel uit twee bestanddelen bestaat: een foutieve gedraging (handeling of onthouding, opzettelijke oneerlijkheid of misleiding waarbij de werkelijkheid op een onjuiste manier wordt voorgesteld) en een intentie om te schaden (wil van de bedrieger om een onrechtmatig voordeel te halen uit de toepassing van een rechtsregel). Dit beginsel heeft als rechtsgevolg dat uit een bedrieglijke gedraging geen enkel recht kan voortvloeien (A. Lenaerts ‘Le principe général de droit fraus omnia corrumpit: une analyse de sa portée et de sa fonction en droit privé belge’, T.B.B.R., 2014/3, 98-115).” (Parl. St. Kamer, 2015-2016, DOC 54 1696/001, 10) Verder wordt in de memorie van toelichting bij de artikels- gewijze bespreking vermeld dat de desbetreffende artikelen van het ontwerp “passen in het kader van de invoeging in de wet van 15 december 1980 van een algemene bepaling inzake fraude”. (Parl. St. Kamer, 2015-2016, DOC 54 1696/001, 34)
- Uit het voorgaande blijkt dat voor de toepassing van artikel 74/20, § 1, van de vreemdelingenwet wel degelijk de intentie om te schaden is vereist. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft in strijd hiermee XIV-37.727-6/8 overwogen dat de verwerende partij geen wil om te bedriegen diende aan te tonen in hoofde van verzoeker.
- Het enige middel is in die mate gegrond en deze vaststelling volstaat voor de cassatie van het bestreden arrest. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het arrest nr. 202.634 van 18 april 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
- Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
- De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 220 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. XIV-37.727-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien januari tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.727-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.628 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div