id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.648 Rolnummer: A. 218147/VII-39583 Zaak: Arrest 246648 - Milieuvergunningen - 16/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-01-21 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-25 23:20 Fiche Arrest nr 246.648 van 16 januari 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 246.648 van 16 januari 2020 in de zaak A. 218.147/VII-39.583 In zake : de VZW MILIEUFRONT OMER WATTEZ gevestigd te 9700 Oudenaarde Dijkstraat 75 waar woonplaats wordt gekozen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Anthony Roegiers kantoor houdend te 9900 Eeklo Koningin Astridplein 24 tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Meindert Gees kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 21 januari 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 6 november 2015 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 30 september 2010, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de nv Rebuco voor het veranderen van een afvalverwerkend bedrijf, gelegen aan de Gaverstraat 35 te Geraardsbergen, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd. VII-39.583-1/25 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 november 2019. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Anthony Roegiers, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Isabelle Verhelle, die loco advocaten Steve Ronse en Meindert Gees verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De nv Rebuco exploiteert een recuperatie- en sorteerbedrijf voor afval en inerte bouwstoffen te Geraardsbergen. Zij beschikt hiervoor over een VII-39.583-2/25 milieuvergunning verleend door de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 4 april 2002, voor een termijn van 20 jaar. 3.2. Op 10 februari 2010 dient zij een milieuvergunningsaanvraag in voor het veranderen van de inrichting en ter regularisatie van de bestaande toestand. Het betreft onder meer de verandering door uitbreiding met de op- en overslag van afvalstoffen die niet verwerkt zullen worden, een tussentijdse opslagplaats voor grond van niet-gekende oorsprong, het sorteren en opslaan van afvalstoffen en de opslag en mechanische behandeling van inerte materialen. 3.3. De deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen verleent op 30 september 2010 de gevraagde vergunning en legt bijzondere vergunningsvoorwaarden op. 3.4. Tegen deze vergunning stelt de verzoekende partij, net als een aantal buurtbewoners, bestuurlijk beroep in bij de Vlaamse regering. 3.5. Bij arrest nr. 222.102 van 17 januari 2013 vernietigt de Raad van State de milieuvergunning, op verzoek van de huidige verzoekende partij. 3.6. Ingevolge het vernietigingsarrest wordt de beroepsprocedure tegen het deputatiebesluit van 30 september 2010 hernomen. De herneming leidt tot het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur van 19 augustus 2013 waarbij de bestuurlijke beroepen gedeeltelijk gegrond worden verklaard. 3.7. Voormeld ministerieel besluit wordt door de Raad van State vernietigd bij arrest nr. 231.335 van 26 mei 2015. 3.8. Vervolgens wordt de beroepsprocedure tegen de in eerste aanleg genomen beslissing van de deputatie van 30 september 2010 andermaal hernomen. VII-39.583-3/25 De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, het Agentschap voor Natuur en Bos, de afdeling Gebieden en Projecten, de afdeling Milieuvergunningen en de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie brengen een gunstig advies uit over de vergunningsaanvraag. 3.9. Op 6 november 2015 wordt het thans bestreden besluit genomen. De bevoegde Vlaamse minister verleent de gevraagde milieuvergunning met toevoeging van de volgende bijzondere voorwaarden: “20. Geluidshinder
- a)Nieuw materieel voor overslag en transport is geluidsarm.
- b)De breekinstallatie staat volledig onder een betonnen luifelconstructie en er zijn rubberen matten aanwezig ter verdere inkapseling.
- c)De transportbanden en de toevoerbak van de breker zijn bekleed met rubberen platen om het geluid van het vallende steenpuin te dempen.
- d)De breek- en zeefinstallatie wordt correct afgesteld zodat de valhoogte van het steenpuin tot een minimum beperkt wordt.
- e)Er zullen geen breek- en zeefactiviteiten voor 7u en na 19u uitgevoerd worden. 21. Stofhinder
- a)Het sorteren van de afvalstoffen gebeurt uitsluitend binnen.
- b)Er is een veegmachine aanwezig op het terrein die dagelijks wordt ingezet om het terrein te vegen.
- c)Bij het breken en zeven wordt de valhoogte beperkt.
- d)Het sprinklersysteem wordt bij elke breekoperatie gebruikt ter bevochtiging van het puin.
- e)Tijdens de droge periodes wordt het terrein dagelijks besproeid.
- f)De cementsilo’s zijn uitgerust met zelfreinigende stoffilters en een automatische overvulbeveiliging met een automatisch afsluitsysteem. 22. Het terrein is rondom omgeven door gemiddeld 5 m hoge muren. 23. Het bedrijfsterrein is volledig verhard. 24. De lozing in oppervlaktewater gebeurt via een knijpleiding. 25. Alle afvalstoffen, met uitzondering van de inerte, worden opgeslagen onder luifels, zodat het hemelwater niet in contact kan komen met deze afvalstoffen. 26. De opslag van gevaarlijke stoffen vindt plaats op minimum 1 meter hoogte (minimum 19,5 mTAW). Dit betreft de opslag van teerhoudend asfalt, gebonden asbest, zuurhoudende vloeistoffen (mogelijk afkomstig van afgedankte elektrische en elektronische toestellen en autobatterijen), verfpotten en olie”. VII-39.583-4/25 Het bestreden besluit is als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat bij ministerieel besluit van 19 augustus 2013 het bestreden besluit werd gewijzigd; dat meer bepaald de ontvankelijk bevonden beroepen van omwonenden en een milieuvereniging gedeeltelijk gegrond werden verklaard en dat de opgelegde bijzondere voorwaarden in het bestreden besluit werden gewijzigd en aangevuld; Overwegende dat het arrest van de Raad van State van 26 mei 2015 houdende vernietiging van het ministerieel besluit van 19 augustus 2013 voornamelijk is gebaseerd op volgende argumenten: - het ministerieel besluit bevat een MER-screeningparagraaf maar deze gaat voorbij aan de eigenheid van de beoogde voorafgaande screening die inhoudt dat in een eerste beoordeling wordt nagegaan of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben; de ‘voorafgaande overwegingen’ kaderen binnen het onderzoek die de bevoegde overheid overeenkomstig het Milieuvergunningsdecreet en haar uitvoeringsbesluiten moet voeren om na te gaan of de aan de vergunningsplicht onderworpen activiteiten, die in principe verboden zijn, kunnen plaatsvinden in de omstandigheden die vanuit oogpunt van de bescherming van de mens en het leefmilieu aanvaardbaar of toelaatbaar zijn; de voorafgaande screening om te beoordelen of het project al dan niet aanzienlijke milieueffecten kan hebben, kadert binnen de Vlaamse MER-regelgeving die het gevolg is van de omzetting van richtlijn 2011/92/EU, en gebiedt dienvolgens een eigen beoordeling en uitdrukkelijke motivering; - de overwegingen in de bestreden beslissing zijn niet afdoende om te doen besluiten dat de verwerende partij de bijzondere voorwaarde nr. 22 ‘het terrein is rondom omgeven door gemiddeld 5 m hoge muren’ als gepaste voorwaarde kon achten om het schadelijk effect voor het watersysteem in geval van overstroming van het bedrijfsterrein te voorkomen of te beperken; er werd niet onderzocht of de reeds bestaande muren, desgevallend na de nodige aanpassingen, effectief zijn om overstromingswater buiten het bedrijfsterrein te houden (hoe gebeurt dan de aan- en afvoer van vrachtwagens, gebrek aan bewijs van daadwerkelijk waterdicht zijn van de ommuring, de inrijpoorten, deuren, ramen en alle andere openingen); met de ‘overige bepalingen... worden bevestigd’ artikel 3 van de bestreden beslissing houdt alleen in dat de niet gewijzigde bepalingen uit het beschikkend gedeelte van de beslissing in eerste aanleg blijven gelden, doch, gelet op de devolutieve werking van het bestuurlijk beroep, geldt dit niet wat de motivering betreft; Overwegende dat het een recuperatie- en sorteerbedrijf voor afval en inerte bouwstoffen betreft; dat in hoofdzaak puinmateriaal en grond aangevoerd worden afkomstig van selectieve bouw- en sloopwerken; dat daarnaast ook afvalcontainers afkomstig van particulieren en bedrijven aangevoerd worden; dat iedere fractie bekomen na sortering zijn eigen bestemming krijgt; dat er bijkomend ook nog beton geproduceerd wordt; VII-39.583-5/25 Overwegende dat deze aanvraag de verandering door uitbreiding en wijziging van de exploitatie betreft; dat het voornamelijk gaat om de uitbreiding van de op- en overslag van afvalstoffen die niet verwerkt zullen worden, uitbreiding met een tussentijdse opslagplaats voor grond van niet-gekende oorsprong, uitbreiding van het sorteren en opslaan van afvalstoffen en het uitbreiden van de opslag van en mechanische behandeling van inerte materialen; dat er afwijking gevraagd wordt van artikel 5.2.1.2, §3, en 5.2.1.6, §4, van titel II van het VLAREM voor de aan- en afvoer van afvalstoffen en beton/stabilisé vanaf 6u; Overwegende dat de aanvraag een regularisatie betreft van de bestaande toestand; Overwegende dat het bedrijf gelegen is op de Unal-site, de vroegere site van de Swedish Match fabriek, een luciferfabriek; dat op de site verschillende bedrijven aanwezig zijn; Overwegende dat in een straal van 150 m rondom de perceelgrens van de inrichting 15 woningen gelegen zijn; dat de dichtste woning op circa 100 m van de inrichting ligt; dat tijdens het openbaar onderzoek 3 bezwaren, waarvan 1 ondertekend door 424 personen, werden ingediend die betrekking hebben op geluid, verkeer, stof en asbestopslag; Overwegende dat de vergunning verleend werd door de deputatie; dat omwonenden en een milieuvereniging hiertegen in beroep gaan; dat de hoofdredenen van de beroepschriften gaan over geluidshinder, stofhinder, verkeer, asbest- en andere opslag van afval, lozing op oppervlaktewater, de klimaatproblematiek, duurtijd van de milieuvergunning (tot 2022) en de watertoets; Overwegende dat de aanvraag betrekking heeft op een activiteit die voorkomt op de lijst van bijlage II bij de richtlijn 2011/92/EU, meer bepaald in de categorie 11
- b)‘installaties voor de verwijdering van afval’ (niet onder bijlage I vallende projecten); dat de aanvraag onder het toepassingsgebied valt van de Omzendbrief LNE 2011/1 - milieueffectbeoordeling en vergunningverlening voor bepaalde projecten ten gevolge van het arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2011 (C-435/09, Europese Commissie tegen België) van 22 juli 2011 (BS 31 augustus 2011); Overwegende dat de aanvraag moet getoetst worden aan de selectiecriteria zoals opgenomen in bijlage III bij voormelde MER-richtlijn (overgenomen in bijlage II bij het DABM); dat in dit kader het volgende kan gesteld worden: 1) het bedrijf is gelegen in industriegebied, grenzend aan de Dender; het bedrijfsterrein was vroeger volledig bebouwd met de bedrijfspanden van een luciferfabriek; op 100 m van de inrichting is de dichtste woning gelegen in woongebied; er kan gesteld worden dat er voldoende afscherming van het bedrijf is ten aanzien van de dichtste woningen in de Gaverstraat door de eigen bedrijfsommuring en door andere bedrijven/gebouwen; op ca. 350 m van de inrichting is het Nerenmeers gelegen en op ca. 500 m het Boelarebos, zijnde twee onderdelen van het Habitatrichtlijngebied ‘Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen’ en VEN-gebied ‘Vallei van de Dender en de Mark’; deze zijn gelegen aan de overzijde van een verhoogde spoorlijn (op verhoogde berm) en zijn zodoende afgeschermd; het bedrijf ligt volgens de VII-39.583-6/25 watertoetskaart 2014 voor een klein gedeelte ( juist aantonen dat het effectief overstromingsgevoelig gebied nog maar beperkt op het terrein van Rebuco komt (door fijnere rastering op deze kaarten); er wordt geen grondwater gewonnen; er wordt gezuiverd bedrijfsafvalwater geloosd in de Gavergracht; de gevraagde geluidsverstorende activiteiten kunnen mits maatregelen binnen de perken gehouden worden (onder andere door het sorteren en breken binnen en afgeschermd uit te voeren in campagnes - een geluidsstudie toont aan dat aan de geluidsnormen voldaan wordt); maatregelen worden genomen ter beperking van stofhinder (onder andere door de gedeeltelijk overdekte opslag, ommuring, veegmachine, sprinklerinstallatie op breekinstallatie, besproeiing van het terrein tijdens droge periodes, stoffilters op cementsilo’s); het soort van opslag vraagt geen uitwerking van een veiligheidsstudie; er zullen geen bijkomende transporten zijn ten opzichte van de bestaande toestand; een industriegebied veroorzaakt steeds een verkeersimpact, maar kan gezien de voldoende uitgeruste en brede wegen tot aan de N 495 (Edingseweg) afgehandeld worden; er zijn geen gelijkaardige, reeds bestaande projecten in de onmiddellijke omgeving; er is geen relatie met andere projecten in de onmiddellijke omgeving; 2) op basis van de analyse hierboven kan er vastgesteld worden dat in het licht van de kenmerken van het project, de plaatselijke omstandigheden en de kenmerken van zijn potentiële effecten er geen aanzienlijke milieueffecten verwacht worden; dat er voldoende gegevens beschikbaar zijn om de vergunningsaanvraag te beoordelen en een project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten; dat bijgevolg voor onderhavige aanvraag geen milieueffectenrapport moet worden opgemaakt; Overwegende dat in de BBT-studie voor recyclage van bouw- en slooppuin van januari 2005 gesteld wordt dat geluidsemissies afkomstig kunnen zijn van de zeefinstallatie, de breekinstallatie, discontinu lawaai van de bewegingen van vrachtwagens en bulldozers op en rond het terrein, het laden en lossen van de vrachtwagens, het schrapen van de laadbak van de wiellader over de betonnen vloer, het dichtslaan van de laadklep van de laadbak en het lossen van steenpuin in de zeef- en breekinstallatie; Overwegende dat in deze BBT-studie volgende maatregelen gesteld worden ter beperking van de geluidshinder: VII-39.583-7/25 - een geluidswerende berm aanbrengen; - depots opwerpen aan de rand van de vergunde zone als geluidsbuffer; - de deelbronnen geheel of gedeeltelijk omkasten; - de storttrechters en afvoergoten voorzien van rubberen bekledingen, rubberen zeefdekken gebruiken; - geluidsdempers en -roosters gebruiken op de in- en uitlaten van ventilatieopeningen en motoren; - organisatorische maatregelen nemen om geluidshinder te beperken; - geluidsarm materieel gebruiken voor overslag en transport, bijv. silent-kit; - het achteruitrij-alarm aanpassen aan het omgevingsgeluid; - de funderingen ontkoppelen bij trillingen; - lawaai vermijden afkomstig van laadkleppen van vrachtwagens en schrapen van laadbakken van wielladers; Overwegende dat volgende maatregelen in het aanvraagdossier voorgesteld worden om geluidshinder te beperken: - de sortering van het bouw- en sloopafval gebeurt indoor; - het bedrijventerrein is omgeven door een muur van gemiddeld 5 m hoog; - het breken van puin gebeurt binnen; - het gaat hier om activiteiten die niet continu zullen plaatsvinden, het breken van puin gebeurt in breekcampagnes; Overwegende dat naar geluid toe het aangewezen is in een bijzondere voorwaarde op te leggen dat bij aankoop van nieuw materieel voor transport en overslag dit geluidsarm moet zijn; Overwegende dat in navolging van het beroepsdossier van de vorige aanvraag er een geluidstudie werd uitgevoerd door een erkend deskundige op 15 april 2009; dat uit deze geluidstudie blijkt dat de laag en dichtst gelegen woningen afgeschermd zijn door de industriële gebouwen; dat de woningen op middelmatige hoogte, op ongeveer 235 m van Rebuco, de activiteiten wel kunnen waarnemen; dat de woningen die het verst van de inrichting gelegen zijn op ongeveer 342 m van Rebuco, het hoogste liggen en geen afscherming meer hebben van de industriële gebouwen; dat deze hoogste woningen de hoogste geluidsbelasting krijgen (gelegen op de helling van de Buizemont); Overwegende dat uit de studie blijkt dat het hoogste geluidsniveau afkomstig is van de breek- en zeefinstallatie; dat in navolging van deze vaststellingen de volgende maatregelen genomen zijn: - de breekinstallatie werd volledig onder een betonnen luifelconstructie geplaatst en er werden rubberen matten geplaatst ter verdere inkapseling; - de transportbanden en de toevoerbak van de breker werden bekleed met rubberen platen om het geluid van het vallende steenpuin te dempen; - door een correcte afstelling van de installatie wordt de valhoogte van het steenpuin tot een minimum beperkt; Overwegende dat na deze maatregelen de afdeling Milieu-inspectie van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie op 12 augustus 2010 een geluidsmeting uitvoerde in het meetpunt Resteleustraat 8, een hoger gelegen woning; dat uit het verslag van 13 augustus 2010 blijkt dat het geluidsdrukniveau gereduceerd is tot beneden het VLAREM-criterium van 45 dB(A); dat er in het verslag gesteld wordt dat er een bijdrage van VII-39.583-8/25 laagfrequent bedrijfsgeluid aanwezig is in de tertsbanden 20 Hz en 40 Hz met de breekinstallatie in werking; dat hiervoor geen tonale correctie moet worden uitgevoerd gezien 50 Hz de ondergrens is voor tonale correctie en 10.000 Hz de bovengrens; dat er in het verslag gesteld wordt dat het geluidsklimaat tijdens de breekactiviteit gevoelig verbeterd is; Overwegende dat de voorbije jaren (na 2010) geen geluidsklachten meer werden gemeld bij de afdeling Milieu-inspectie en de gemeente Geraardsbergen; Overwegende dat de genomen maatregelen in bijzondere voorwaarden worden opgelegd; dat mits naleving van deze voorwaarden de geluidshinder tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt; Overwegende dat in de aanvraag vermeld staat dat er gemiddeld 50 transporten (heen en weer) per dag zullen plaatsvinden; dat er geen transporten zullen bijkomen gezien de aanvraag een regularisatie is van de bestaande toestand; Overwegende dat in het bestreden besluit een verkeerde route van het vrachtvervoer vermeld werd; dat de vrachtwagens niet via de Gaverstraat, de Resteleustraat, de hoge Buizenmont en de Guilleminlaan naar de N495 rijden, maar via de Gaverstraat en de Guilleminstraat; dat deze wegen grotere wegen zijn en geschikter zijn voor vrachtwagentransport; dat zwaar verkeer geweerd wordt uit het stadscentrum via verbodsborden; Overwegende dat er in toepassing van artikel 5.2.1.2, §3, en artikel 5.2.1.6, §4, van titel II van het VLAREM gevraagd wordt te mogen afwijken van het verbod op afvalstoffenaanvoer vóór 7u en na 19u en het verbod op rustverstorende werkzaamheden op werkdagen vóór 7u en na 19u, en op zon- en feestdagen; dat er gevraagd wordt om de aan- en afvoer van de afvalstoffen en de beton/stabilisé te laten plaatsvinden vanaf 6u tot en met 18u in plaats van vanaf 7u; dat men deze afwijking vraagt om flexibel te kunnen inspelen op de vraag van de klanten gezien de werven reeds om 7u starten; dat er gesteld wordt dat de andere activiteiten zullen plaatsvinden tussen 7u en 19u; Overwegende dat er dus geen breek- en zeefactiviteiten zullen plaatsvinden tussen 19u en 7u; dat uit de geluidsmetingen van de afdeling Milieu-inspectie op 12 augustus 2010 in het meetpunt Resteleustraat 8, een hoger gelegen woning, blijkt dat het geluidsdrukniveau gereduceerd is tot beneden het VLAREM-criterium van 45 dB(A); dat in een woongebied op minder dan 500 m van een industriegebied een geluidsnorm van 45 dB(A) geldt voor de nachtperiode; dat aangezien de afwijking alleen gevraagd wordt voor de af- en aanvoer en niet voor de zeef- en breekactiviteiten, de afwijking kan worden toegestaan op de exploitatie-uren, behalve op zon- en feestdagen; Overwegende dat volgens de BBT-studie voor recyclage van bouw- en slooppuin van januari 2005 de oorzaken van stofontwikkeling de volgende kunnen zijn: het berijden van het terrein en de aan- en afvoerwegen, het afkippen van puin in tijdelijke stockage of in de vulbunker en bij de procesactiviteiten van zeven, transportbanden en afworp; dat ook het breekproces stofemissies kan veroorzaken; dat het transport van fijne materialen, ook buiten het bedrijfsterrein met vrachtwagens, voor een stofemissie verantwoordelijk kan zijn; VII-39.583-9/25 Overwegende dat volgende maatregelen om stofhinder te beperken in de aanvraag voorgesteld worden: - de opslag van ongebroken en gebroken materiaal gebeurt deels in overdekte compartimenten en deels in open lucht; - het terrein is rondom omgeven door gemiddeld 5 m hoge muren; - het bedrijfsterrein is volledig verhard zodat de stofhinder door aan- en afrijdende vrachtwagens wordt beperkt; - er is een veegmachine aanwezig op het terrein die periodiek wordt ingezet om het terrein te vegen; - de sortering van de afvalstoffen gebeurt binnen; - bij het breken en zeven wordt de valhoogte beperkt om zo eventuele stofhinder tot een minimum te beperken; - op de breekinstallatie is een sprinklersysteem aanwezig die het puin kan bevochtigen; - op geregelde tijdstippen, tijdens de droge periodes, wordt het terrein besproeid met recuperatiewater via een waterdarm waarop een sproeisysteem is bevestigd; - de cementsilo’s zijn uitgerust met zelfreinigende stoffilters en een automatische overvulbeveiliging met een automatisch afsluitsysteem; Overwegende dat het aangewezen is de verharding van het terrein, de ommuring, het binnen sorteren van afvalstoffen en de uitrusting van de cementsilo’s met stoffilters en overvulbeveiliging op te leggen in bijzondere voorwaarden; dat in het besluit van 20 november 2008 opgelegd was dat dagelijks geveegd moest worden; dat het aangewezen is om dit opnieuw op te leggen; dat bijkomend opgelegd moet worden dat in droge periodes het terrein dagelijks besproeid moet worden teneinde stofhinder tegen te gaan en dat de sprinklerinstallatie op de breker bij elke breekactiviteit in werking moet zijn; dat mits deze bijzondere voorwaarden de stofhinder tot een aanvaardbaar niveau beperkt kan worden; Overwegende dat de bijzondere voorwaarden inzake het teerhoudend asfalt en de elektrische en elektronische toestellen van het besluit van 20 november 2008, die niet opgenomen zijn in de bestreden beslissing, opnieuw worden opgelegd aangezien het besluit van 20 november 2008 werd opgeheven: - de ingezamelde afgedankte elektrische en elektronische toestellen worden weerbestendig opgeslagen; - de aanwezigheid van teer wordt bij acceptatie van elke partij getest met een teertest (een spraytest met UV-licht, een DMSO/DMSO-test, papierchromatografische methode) of een andere accurate methode. Het teerhoudend asfalt en teervrij asfalt worden afzonderlijk opgeslagen; Overwegende dat het asbest opgeslagen wordt in 2 containers met bigbag; dat alleen gebonden asbestafval aangeleverd wordt; dat geen verdere behandeling plaatsvindt van het asbestafval, zodat geen asbestvezels vrijkomen; dat het aangewezen is met zorg om te gaan met asbestafval; dat dit in een bijzondere voorwaarde moet worden opgelegd; Overwegende dat volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets de inrichting is gelegen in het Denderbekken; dat de inrichting zelf volgens de watertoetskaart 2014 (alsook versie 2011 - www.geopunt.
- be)voor een zeer VII-39.583-10/25 klein deel ( Overwegende dat volgens de kaart met recent overstroomde gebieden (ROG) hetzelfde zeer kleine gedeelte van de inrichting, tussen de loods en de perceelgrens, alsook de omgeving ten noorden en ten westen, als recent overstroomd gebied is aangeduid; Overwegende dat volgens de kaart met risicozones voor overstroming het bedrijf gedeeltelijk gelegen is in een risicozone voor overstroming (verspreide vlekken); dat deze kaart in herziening is aangezien ze uitgaat van gemodelleerde waarden en gedateerd is; Overwegende dat volgens de kaart van de natuurlijke overstromingsgebieden (NOG) het bedrijf grotendeels gelegen is in de zone die kan overstromen door afstromend water en slechts voor een zeer klein deel in de zone die kan overstromen vanuit de waterloop (aangezien het perceel gelegen is naast de Dender); dat het afstromende water overtollig afspoelend hemelwater betreft dat onder andere afkomstig is van de helling van de Buizemont; Overwegende dat uit al deze kaarten kan geconcludeerd worden dat er maar een zeer kleine kans bestaat dat het bedrijfsterrein zal overstromen vanuit de Dender; dat bovendien er maar een kleine kans bestaat voor overstroming van afstromend hemelwater gelet op de recentste data voor wateroverlast waarbij het bedrijfsterrein niet overstroomd is geweest (14-15 november 2010 en 14 oktober 2011); Overwegende dat ondanks de voormelde kleine kans tot overstroming en alleen uit voorzorgsprincipe rekening kan gehouden worden met het feit dat bij een eventuele toekomstige overstroming van het perceel het water in eerste instantie afstroomt richting een waterloop van 2° categorie en een niet-geklasseerde waterloop, die beheerd worden door de provincie en de gemeente; Overwegende dat in het subadvies van de stad Geraardsbergen van 9 juli 2015 in het kader van de watertoets wordt gesteld dat op basis van eerder opgetreden overstromingen in combinatie met het digitaal hoogtemodel blijkt dat het water op deze UNAL-locatie al op 18,50 mTAW heeft gestaan (100-jarige storm met een hemelwaterdebiet 32,2 l/u/m² - berekening waterbouwkundig laboratorium) en dat ergere overstromingen dan in het verleden niet uit te sluiten zijn; dat toegelicht wordt dat teneinde wateroverlastproblemen terug te dringen er werken voorzien zijn aan de Dender, stroomopwaarts van de stuw van Geraardsbergen; dat echter gesteld wordt dat ook na de voltooiing van de werken ergere overstromingen dan in het verleden niet uit te sluiten zijn, zodat geen sluitende garantie kan worden gegeven dat er zich op het perceel geen wateroverlast meer zal voordoen; dat VII-39.583-11/25 door dit mogelijk toekomstig overstromingsrisico gesteld wordt dat het vloerpeil van toekomstig aan te leggen gebouwen voldoende hoog moet gekozen worden om overstromingsvrij te bouwen, zijnde 19 mTAW (= 18,50 mTAW + 50
- cm)en er geen ruimte voor water verloren mag gaan of het ingenomen overstromingsvolume moet gecompenseerd worden; dat huidige aanvraag echter niet gepaard gaat met het aanleggen van extra verhardingen of andere infrastructuurwerken waardoor een bouwhoogte van 19 mTAW niet moet opgelegd worden; dat de gevraagde opslag van afvalstoffen geen vaste constructies of ophogingen betreffen, maar tijdelijke opslag, waarvoor geen compensatie van het ingenomen overstromingsvolume noodzakelijk is, aangezien de ingenomen ruimte voor waterberging als niet significant wordt beschouwd; Overwegende dat in het subadvies van 30 juli 2015 van de provincie Oost-Vlaanderen, directie Leefmilieu, dienst Integraal Waterbeleid, gesteld wordt dat de overwelfde Gavergracht tot op heden nog geen aanleiding heeft gegeven tot wateroverlast; dat de verplaatsbare afvalhopen niet beschouwd worden als een terreinophoging en het effect van de ingenomen ruimte voor waterberging als niet significant te beschouwen is; dat in dit advies ervanuit gegaan wordt dat het ommuurde bedrijfsterrein gelegen is om en bij een hoogte van 18,50 mTAW, zijnde het hoogst waargenomen overstromingspeil, en terreininname boven deze 18,50 mTAW geen ruimte voor berging van overstromingswater inneemt, en indien dit toch het geval zou zijn, het effect ervan als zijnde niet significant ingeschat wordt; Overwegende dat in het subadvies van 20 juli 2015 van de nv Waterwegen en Zeekanaal verduidelijkt wordt dat volgens de NOG-kaart het overstromingsrisico voornamelijk te wijten is aan overtollig afspoelend hemelwater dat, gezien de slechte doorlaatbaarheid van de bodem en de hoge grondwaterstand, op het terrein blijft staan en niet snel genoeg in de bodem infiltreert; dat gesteld wordt dat gezien de kleine kans op overstromingen en het feit dat tijdens de meest recente wateroverlast (november 2010) geen water op het perceel is terecht gekomen, kan aangenomen worden dat de milieuvergunning geen bijkomende impact op het watersysteem en in het bijzonder het overstromingsregime zal teweegbrengen; dat aangezien de milieuvergunning niet gepaard gaat met de bouw van nieuwe constructies of ophogingen en aangezien het perceel praktisch niet in overstromingsgevoelig gebied ligt, geen compensatie voor de ingenomen ruimte noodzakelijk is; Overwegende dat aangaande het grondwaterpeil de site gelegen is in niet-infiltratiegevoelig gebied waardoor geen effect verwacht wordt op het grondwaterpeil; Overwegende dat het volledige bedrijfsterrein verhard is; dat zoals reeds werd vermeld, dit wordt opgelegd als bijzondere voorwaarde; dat zodoende bodem- en grondwaterverontreiniging wordt voorkomen, afkomstig van de opslag van bodemvreemd materiaal; Overwegende dat de stookolie wordt opgeslagen in bovengrondse dubbelwandige tanks zodat bodem- en grondwaterverontreiniging wordt voorkomen; Overwegende dat alle afvalstoffen, met uitzondering van de inerte, worden opgeslagen onder luifels, zodat het hemelwater niet in contact kan komen met VII-39.583-12/25 deze afvalstoffen; dat het aangewezen is dit als bijzondere voorwaarde op te leggen; dat in de bestreden beslissing werd opgelegd dat de constructie en de ruimten waar afvalstoffen tijdelijk zijn opgestapeld, zodanig zijn uitgerust dat accidenteel uit bepaalde recipiënten ontsnappende vloeistoffen, morsvloeistoffen en uitlogingen op een bevloering terechtkomen, die voorzien is van opvanggoten en vervolgens naar één of meerdere opvangputten kunnen geleid worden; dat zodoende bodem- en grondwaterverontreiniging wordt voorkomen; Overwegende dat in het subadvies van de stad Geraardsbergen van 9 juli 2015 in het kader van de watertoets, waarin gesteld wordt dat er geen sluitende garantie kan worden gegeven dat er zich op het perceel geen wateroverlast meer zal voordoen, voorgesteld wordt om de opslag met als inhoud gevaarlijke stoffen te stockeren in boxen die op minimum 1 meter hoogte worden ingericht (19,50 mTAW); dat dit als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd; dat deze gevaarlijke stoffen zijn: teerhoudend asfalt, gebonden asbest, zuurhoudende vloeistoffen (mogelijk afkomstig van afgedankte elektrische en elektronische toestellen en autobatterijen), verfpotten en olie; Overwegende dat in het subadvies van 30 juli 2015 van de provincie Oost-Vlaanderen, directie Leefmilieu, dienst Integraal Waterbeleid, vanuit milieuhygiënisch standpunt preventief dezelfde bijzondere voorwaarde wordt voorgesteld, namelijk dat preventief de boxen voor opslag van schadelijk afval minimum 1 m boven het hoogst waargenomen overstromingspeil van ca. 18,50 mTAW geplaatst moeten worden zodat deze stoffen zich nooit kunnen mengen met overstromingswater (concreet op 19,50 mTAW); dat eveneens vanuit milieuhygiënisch standpunt preventief wordt voorgesteld om het vloerpeil van de opgeslagen afvalhopen voldoende hoog te zetten, namelijk 30 cm boven het hoogst waargenomen waterpeil: 18,50 mTAW + 0,30 m = 18,80 mTAW; dat er vanuit gegaan wordt dat het ommuurde terrein waarop de activiteiten plaatsgrijpen, zich om en bij een hoogte van 18,50 mTAW, zijnde het hoogst waargenomen overstromingspeil, bevindt; dat gesteld wordt dat mits de uitvoering van de hierboven opgesomde preventief te treffen maatregelen inzake milieuhygiëne geen ruimte voor berging van overstromingswater ingenomen wordt, en indien dit toch het geval zou zijn, het effect ervan als zijnde niet significant ingeschat wordt; dat de exploitant echter aan de hand van foto’s aantoont dat het bedrijfsterrein binnen de bedrijfsmuren (waar de afvalhopen gelegen zijn) hoger gelegen is dan 18,50 mTAW (alleen via een verhoogde berm kan het terrein betreden worden); dat het terrein bijgevolg naar schatting op 18,80 mTAW gelegen is; dat 18,80 mTAW hoger is dan het hoogste waargenomen waterpeil van 18,50 mTAW, zodat uit kwantitatief oogpunt hiermee geen overstromingsruimte wordt of werd ingenomen (reeds bestaand vloerpeil); Overwegende dat in het subadvies van 20 juli 2015 van de nv Waterwegen en Zeekanaal - afdeling Bovenschelde - dezelfde bijzondere voorwaarde wordt voorgesteld aangaande het hoger opslaan van gevaarlijke stoffen, om mogelijke grond- of oppervlaktewaterverontreiniging bij eventuele toekomstige overstromingen te voorkomen; dat echter in dit advies gesteld wordt dat gezien de ligging het noodzakelijk is dat gevaarlijke stoffen niet op maaiveldniveau worden opgeslagen, maar op een niveau van minstens VII-39.583-13/25 19,10 mTAW (zijnde het hoogste waterpeil van de Dender + 30 cm marge + 30 cm extra veiligheid voor opslag van gevaarlijke stoffen), aangezien het immers mogelijk is dat het waterpeil in de toekomst hoger komt en de site dan wel wordt aangesproken; dat gesteld wordt dat de muur rond de site het water misschien wel kan tegenhouden, maar het overtollige hemelwater dat bij hevige neerslag via de slibvang vertraagd in de Gavergracht geloosd wordt, anders mogelijks verontreinigd zou kunnen zijn; dat niet deze voorgestelde hoogte voor de opslag van gevaarlijke stoffen wordt opgelegd als bijzondere voorwaarde maar wel de voormelde hogere van 19,50 mTAW die preventief nog meer veiligheid biedt; Overwegende dat de tank- en wasplaats vloeistofdicht is aangelegd en is uitgerust met een afwateringssysteem voorzien van een slibvang, een koolwaterstofafscheider met coalescentiefilter en een opvangput; Overwegende dat overeenkomstig artikel 5, 6°, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid het hemelwater zoveel mogelijk moet worden verdampt of nuttig aangewend of geïnfiltreerd, en dat het overtollige hemelwater en effluentwater gescheiden van het afvalwater en bij voorkeur op een vertraagde wijze via het oppervlaktewaternet moet worden afgevoerd; Overwegende dat overeenkomstig artikel 4.2.1.3, §5, van titel II van het VLAREM het verboden is hemelwater te lozen in de openbare riolering wanneer het technisch mogelijk of noodzakelijk is dit hemelwater gescheiden van het afvalwater te lozen in oppervlaktewater of een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater; Overwegende dat er 20 ondergrondse citernes van 20 m³ aanwezig zijn voor de opvang van hemelwater afkomstig van het verharde bedrijfsterrein; dat dit opgevangen hemelwater gebruikt wordt in de betoncentrale, de wasplaats en voor de besproeiing van het terrein ter bestrijding van stofhinder; dat in het bestreden besluit opgelegd is dat het hemelwater afkomstig van het verharde bedrijfsterrein opgevangen moet worden in een of meerdere regentanks met een gezamenlijke inhoud van minstens 400 m³ en dat dit hemelwater maximaal aangewend moet worden; Overwegende dat de citernes overgedimensioneerd zijn en dat de inhoud ruim voldoende is om al het hemelwater op te vangen (jaargemiddelde regenval 850 l/m²); dat er geen overloop aan de citernes voorzien is; dat de exploitant een dompelpomp aanbrengt in de opvangciternes voor de uitzonderlijke gevallen dat de opvangcapaciteit niet voldoende zou zijn, en het water overpompt naar de slibvang die voorafgaat aan de KWS-scheider; dat dit tot op heden nog niet heeft moeten plaatsvinden; dat het water vervolgens wordt geloosd in de (ingebuisde) Gavergracht; dat in de stedenbouwkundige vergunning met kenmerk 040022 als voorwaarde wordt gesteld dat een knijpleiding moet worden aangebracht op de buffering; dat een knijpleiding als doel heeft een vertraagde afvoer te realiseren; dat het aangewezen is dit als bijzondere voorwaarde op te leggen; Overwegende dat de voormelde maatregelen (hemelwateropvang, hergebruik en vertraagde afvoer) er tevens op gericht zijn om het debiet van de waterloop waarin geloosd wordt, niet te sterk te beïnvloeden en zodoende VII-39.583-14/25 bijdraagt tot de voorkoming of beperking van mogelijke schadelijke effecten in geval van overstroming; Overwegende dat het bedrijf reeds vergund is voor de lozing van 1,65 m³/uur en 3290 m³/jaar bedrijfsafvalwater bij besluit van de deputatie van Oost-Vlaanderen van 4 april 2002; dat het bedrijfsafvalwater wordt geloosd in oppervlaktewater (de ingebuisde Gavergracht); dat het vergunde debiet voldoende is om het afvalwater van de nieuwe wasplaats voor het wassen van 1 voertuig per dag hierbij op te nemen; dat het waswater via een slibvang en een KWS-afscheider met coalescentiefilter geloosd wordt; dat in de praktijk het bedrijfsafvalwater alleen afkomstig is van de vloeistofdichte tank- en wasplaats (50 m³/jaar); dat het vergunde debiet van 3290 m³/jaar dus een maximale hoeveelheid is om in het geval van eventuele onvoorziene omstandigheden (uitzonderlijke gevallen dat de hemelwateropvangcapaciteit niet voldoende zou zijn) het hemelwater afkomstig van het verharde bedrijfsterrein gezuiverd en vertraagd te kunnen lozen in de Gavergracht; Overwegende dat de lozing van huishoudelijk afvalwater van minder dan 600 m³/j niet meer vergunningsplichtig is; dat het perceel grenst aan centraal gebied volgens de definitief vastgelegde zoneringsplannen; dat het huishoudelijk afvalwater wordt geloosd in de riolering; Overwegende dat het terrein rondom omgeven is door 5 meter hoge muren; dat zoals reeds werd vermeld, dit wordt opgelegd als bijzondere voorwaarde in het kader van voorkoming van geluids- en stofhinder; dat hierdoor bij eventuele overstromingen (waarvan de kans zeer klein is zoals hierboven vermeld) het bedrijfsterrein tijdelijk gevrijwaard blijft (maar overstroombaar blijft) en er aldus samen met voormelde maatregelen ten aanzien van gevaarlijke stoffen en de opvang van hemelwater in citernes, de kans dat potentieel verontreinigd water van het terrein vloeit richting de omgeving en de Dender klein tot verwaarloosbaar is; Overwegende dat in de bovenvermelde overwegingen voldoende gemotiveerd wordt wat de mogelijke effecten zijn van de inrichting op het watersysteem; dat gelet op de aard van de aangevraagde activiteiten en mits naleving van de opgelegde voorwaarden er geen schadelijke effecten zullen zijn op het watersysteem; dat er bijgevolg voldaan wordt aan artikel 8 van het decreet betreffende het integraal waterbeleid, meer bepaald de watertoets; Overwegende dat het bedrijf gelegen is op ca. 350 m en 500 m van een gedeelte van het Habitatrichtlijngebied ‘Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen BE2300007)’ en het VEN-gebied ‘Vallei van de Dender en de Mark
(222)’; dat deze deelgebieden op voldoende afstand liggen en bijna volledig afgeschermd worden door de verhoogde spoorweg zodat kan gesteld worden dat, rekening houdend met de voorgestelde remediërende maatregelen inzake stof- en geluidshinder en overstromingsschade, er geen hinder ten aanzien van deze gebieden zal optreden afkomstig van het bedrijf; Overwegende dat de aangevraagde inrichting verenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening; Overwegende dat de hinder voor mens en milieu en de risico’s voor de externe veiligheid, veroorzaakt door de gevraagde inrichting, mits naleving van de milieuvergunningsvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt”. VII-39.583-15/25 IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen 4. In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van “artikel 13 § 1 van het decreet van 23 maart 2012 houdende wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: decreet van 23 maart 2012) iuncto de richtsnoeren van de Omzendbrief LNE 2011/1”, van “artikel 1.2.1 van het decreet houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid van 5 april 1995 (hierna DABM)”, van “artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de motivering van rechtshandelingen” en van “de beginselen van behoorlijk bestuur met name de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel”: “Doordat de Minister een ontoereikende MER-screening heeft uitgevoerd, waarbij ze geen rekening hield met de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de geografische gebieden waarop de projecten een invloed kunnen hebben, door in het bijzonder het bestaande grondgebruik en het opnamevermogen van het natuurlijke milieu in overweging te nemen, meer bepaald met de kwetsbaarheid van de stroomafwaarts gelegen VEN-gebieden en met de kwetsbaarheid van de grondwaterlaag in de gehele Dendervallei en doordat de Minister in die MER-screening eveneens, geen rekening hield met cumulatieve effecten, gelet op de onmiddellijke nabijheid van een vuurwerkbedrijf en de Minister geen enkele maatregel treft om de brandstoffentanks hier beter te beveiligen bij een ramp op dat bedrijf en te vermijden dat andere gevaarlijke stoffen zoals asbest bij een brand het leefmilieu ernstig kunnen aantasten, en doordat verweerster het aspect mobiliteit louter benadert vanuit het oogpunt van de inrichting zelf, hoewel uit een advies voor een ander naastgelegen project blijkt dat er wel problemen zijn met de leefbaarheid van de Gaverstraat (een woonstraat) en met de vervlechting van fiets- en autoverkeer, Terwijl de Omzendbrief LNE 2011/1 voorschrijf dat er een MER-screening dient uitgevoerd te worden volgens de criteria van bijlage II bij het DABM”. In de toelichting bij het middel wijst de verzoekende partij op de vaststelling in het vernietigingsarrest van 26 mei 2015 dat de VII-39.583-16/25 milieuvergunningsaanvraag valt onder het toepassingsgebied van omzendbrief LNE 2011/1 en stelt zij dat de in de bestreden beslissing opgenomen project-MER-screening niet voldoet aan de criteria vermeld in die omzendbrief en het DABM. 5. De verwerende partij antwoordt dat zij voor de beoordeling van de milieueffecten van het voorgenomen project omzendbrief LNE 2011/1 heeft toegepast, dat de bestreden beslissing een “uitvoerige screening” bevat waarin wordt besloten dat “de exploitatie geen aanzienlijke milieueffecten teweeg brengt” en dat het aangevoerde middel louter beperkt is tot het “tegenspreken” van dit standpunt. Ook stelt zij dat het voorgenomen project niet in relatie staat met andere (gelijkaardige) projecten in de onmiddellijke omgeving. De verwerende partij concludeert dat zij “de milieu-impact van het voorgenomen project op een duidelijke, correcte en weloverwogen manier heeft onderzocht en beoordeeld” en “op grond van een afdoende motivering tot het besluit [is gekomen] dat het voorgenomen project geen aanzienlijke milieueffecten teweegbrengt en dat voor de aanvraag dan ook geen milieueffectenrapport diende te worden opgemaakt”. Beoordeling 6. In het bestreden besluit wordt gesteld dat “de aanvraag betrekking heeft op een activiteit die voorkomt op de lijst van bijlage II bij de richtlijn 2011/92/EU, meer bepaald in de categorie 11
- b)‘installaties voor de verwijdering van afval’ (niet onder bijlage I vallende projecten)” en dat “de aanvraag onder het toepassingsgebied valt van de Omzendbrief LNE 2011/1 - milieueffectbeoordeling en vergunningverlening voor bepaalde projecten ten gevolge van het arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2011 (C-435/09, Europese Commissie tegen België ) van 22 juli 2011 (BS 31 augustus 2011)”. 7. Projecten van de categorieën die zijn opgenomen in bijlage II bij het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage, en die VII-39.583-17/25 de daar vastgestelde drempelwaarden niet overschrijden, vallen onder de toepassing van de omzendbrief als ze zijn opgenomen in de lijst die als bijlage bij de omzendbrief is gevoegd. In die lijst staan onder punt 11,
- b)“Installaties voor de verwijdering van afval (niet onder bijlage I vallende projecten)”, en onder punt 13 “wijziging of uitbreiding van projecten van bijlage I of II, waarvoor reeds een vergunning is afgegeven, die zijn of worden uitgevoerd en die aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben”. De omzendbrief stelt onder punt C.2 Richtsnoeren: “[...] Als een project onder het toepassingsgebied valt, moet de vergunningverlenende overheid ervoor zorgen dat voorafgaandelijk aan de beslissing over de vergunningsaanvraag een screening wordt uitgevoerd. De vergunningverlenende overheid moet in de motivering van haar beslissing over de vergunningsaanvraag een duidelijk identificeerbare passage opnemen waaruit op afdoende wijze blijkt dat het project gescreend is. Dit dient te gebeuren voor zowel nieuwe als voor hangende vergunningsaanvragen. [...] Een screening als vermeld in deze omzendbrief houdt in dat voor het concrete project nagegaan wordt of het, in het licht van zijn concrete kenmerken, de concrete plaatselijke omstandigheden en de concrete kenmerken van zijn potentiële milieueffecten, aanzienlijke milieueffecten kan hebben (de zogenaamde beoordeling geval per geval). Als uit de screening voor het concrete project blijkt dat er aanzienlijke milieueffecten kunnen zijn, moet de vergunningsaanvrager een milieueffectrapport opmaken. [...] Daarbij moet rekening worden gehouden met de criteria van bijlage II bij het DABM, onder andere: - de kenmerken van de projecten, waarbij in het bijzonder de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, de verontreiniging en hinder, alsook het risico van ongevallen in overweging moeten worden genomen; - de plaats van de projecten, waarbij rekening wordt gehouden met de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de geografische gebieden waarop de projecten een invloed kunnen hebben, door in het bijzonder het bestaande grondgebruik en het opnamevermogen van het natuurlijke milieu in overweging te nemen; - de kenmerken van het potentiële effect, in het bijzonder met betrekking tot het bereik van het effect (geografische gebied en de grootte van de getroffen bevolking). [...] De vergunningverlenende overheid moet ten slotte in de motivering van haar beslissing over de vergunningsaanvraag een duidelijk identificeerbare passage opnemen waaruit op afdoende wijze blijkt dat het project gescreend is door middel van een toetsing aan de relevante criteria van bijlage II bij het DABM, en waaruit blijkt waarom die screening in voorkomend geval heeft VII-39.583-18/25 geleid tot de conclusie dat voor het project geen milieueffectrapport moest worden opgemaakt. De vergunningverlenende overheid kan de vergunning voor projecten die onder het toepassingsgebied van deze omzendbrief vallen niet verlenen voor ze over voldoende informatie beschikt die een toetsing van het project aan alle relevante screeningscriteria mogelijk maakt én als uit de screening blijkt dat het project geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. [...]”. 8. Zoals wordt aangegeven in de bestreden beslissing moet de screening uitgevoerd worden in het licht van de criteria opgenomen in bijlage II bij het DABM. Deze criteria zijn: “1° de kenmerken van de projecten. Bij de kenmerken van de projecten moeten in het bijzonder de volgende aspecten in overweging worden genomen:
- a)de omvang en het ontwerp van het hele project;
- b)de cumulatie met andere bestaande of goedgekeurde projecten;
- c)het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit;
- d)de productie van afvalstoffen;
- e)verontreiniging en hinder;
- f)de risico’s op zware ongevallen of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie, waaronder rampen die worden veroorzaakt door klimaat-verandering, in overeenstemming met wetenschappelijke kennis;
- g)de risico’s voor de menselijke gezondheid (bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling); 2° de locatie van de projecten. Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn, moeten in het bijzonder de volgende aspecten in overweging worden genomen:
- a)het bestaande en goedgekeurde landgebruik;
- b)de relatieve rijkdom aan en de beschikbaarheid, de kwaliteit en het regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) in het gebied en de ondergrond ervan;
- c)het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende types van gebieden: 1) wetlands, oeverformaties, riviermondingen; 2) kustgebieden en het mariene milieu; 3) berg en bosgebieden; 4) natuurreservaten en parken; 5) gebieden die in de wetgeving van de lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; 6) Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen krachtens het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu; 7) gebieden waarin de milieukwaliteitsnormen die in de wetgeving van de Unie zijn vastgesteld en die relevant zijn voor het project, niet worden nagekomen of worden beschouwd als niet nagekomen; VII-39.583-19/25 8) gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; 9) landschappen en plaatsen van historisch, cultureel of archeologisch belang; 3° de soort en de kenmerken van het potentiële effect. De waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van projecten moeten, in samenhang met de criteria, vermeld in punt 1° en 2°, in aanmerking worden genomen, met aandacht voor het effect van het project op de disciplines, vermeld in artikel 4.3.1, tweede lid, met inachtneming van:
- a)de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden);
- b)de aard van het effect;
- c)het grensoverschrijdende karakter van het effect;
- d)de intensiteit en de complexiteit van het effect;
- e)de waarschijnlijkheid van het effect;
- f)de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect;
- g)de cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande of goedgekeurde projecten;
- h)de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen”. De toetsing aan vermelde criteria moet afdoende aantonen dat het voorgenomen project geen aanzienlijke milieueffecten zal teweegbrengen. Als dergelijke effecten niet kunnen worden uitgesloten moet een milieueffectrapport worden opgemaakt waarin “van een voorgenomen project en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven, de te verwachten gevolgen voor mens en milieu in hun onderlinge samenhang op een systematische en wetenschappelijk verantwoorde wijze worden geanalyseerd en geëvalueerd, en aangegeven wordt op welke wijze de aanzienlijke milieueffecten vermeden, beperkt, verholpen of gecompenseerd kunnen worden” (artikel 4.1.1, 8°, DABM). 9. De passage in de bestreden beslissing waaruit zou moeten blijken dat het project afdoende gescreend werd, luidt als volgt: “1) het bedrijf is gelegen in industriegebied, grenzend aan de Dender; het bedrijfsterrein was vroeger volledig bebouwd met de bedrijfspanden van een luciferfabriek; op 100 m van de inrichting is de dichtste woning gelegen in woongebied; er kan gesteld worden dat er voldoende afscherming van het bedrijf is ten aanzien van de dichtste woningen in de Gaverstraat door de eigen bedrijfsommuring en door andere bedrijven/gebouwen; op ca. 350 m van de inrichting is het Nerenmeers gelegen en op ca. 500 m het Boelarebos, zijnde twee onderdelen van het Habitatrichtlijngebied ‘Bossen van de Vlaamse VII-39.583-20/25 Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen’ en VEN-gebied ‘Vallei van de Dender en de Mark’; deze zijn gelegen aan de overzijde van een verhoogde spoorlijn (op verhoogde berm) en zijn zodoende afgeschermd; het bedrijf ligt volgens de watertoetskaart 2014 voor een klein gedeelte ( voor het geval van een eventuele toekomstige overstroming worden de gevaarlijke stoffen op een berekende hoogte geplaatst; een nieuw stromingsregime door de nog ingenomen oppervlakte door opslag kan als beperkt en niet significant beschouwd worden, aangezien het geen vaste constructies betreft, het terrein in het verleden volgebouwd was en de watertoetskaarten van 2006 ten opzichte van 2014 juist aantonen dat het effectief overstromingsgevoelig gebied nog maar beperkt op het terrein van Rebuco komt (door fijnere rastering op deze kaarten); er wordt geen grondwater gewonnen; er wordt gezuiverd bedrijfsafvalwater geloosd in de Gavergracht; de gevraagde geluidsverstorende activiteiten kunnen mits maatregelen binnen de perken gehouden worden (onder andere door het sorteren en breken binnen en afgeschermd uit te voeren in campagnes - een geluidsstudie toont aan dat aan de geluidsnormen voldaan wordt); maatregelen worden genomen ter beperking van stofhinder (onder andere door de gedeeltelijk overdekte opslag, ommuring, veegmachine, sprinklerinstallatie op breekinstallatie, besproeiing van het terrein tijdens droge periodes, stoffilters op cementsilo’s); het soort van opslag vraagt geen uitwerking van een veiligheidsstudie; er zullen geen bijkomende transporten zijn ten opzichte van de bestaande toestand; een industriegebied veroorzaakt steeds een verkeersimpact, maar kan gezien de voldoende uitgeruste en brede wegen tot aan de N 495 (Edingseweg) afgehandeld worden; er zijn geen gelijkaardige, reeds bestaande projecten in de onmiddellijke omgeving; er is geen relatie met andere projecten in de onmiddellijke omgeving; 2) op basis van de analyse hierboven kan er vastgesteld worden dat in het licht van de kenmerken van het project, de plaatselijke omstandigheden en de kenmerken van zijn potentiële effecten er geen aanzienlijke milieueffecten verwacht worden; dat er voldoende gegevens beschikbaar zijn om de vergunningsaanvraag te beoordelen en een project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten; dat bijgevolg voor onderhavige aanvraag geen milieueffectenrapport moet worden opgemaakt”. 10. De bestreden beslissing gaat in de eerste plaats in op de “locatie” van het project waarbij gewezen wordt op de “voldoende afscherming van het bedrijf” ten aanzien van de “dichtste woningen in de Gaverstraat” en “het Nerenmeers gelegen en op ca. 500 m het Boelarebos, zijnde twee onderdelen van VII-39.583-21/25 het Habitatrichtlijngebied ‘Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen’ en VEN-gebied ‘Vallei van de Dender en de Mark’”. De bestreden beslissing acht die afscherming voldoende, respectievelijk door “de eigen bedrijfsommuring en door andere bedrijven/gebouwen” en door “een verhoogde spoorlijn (op verhoogde berm)”. De beweerde voldoende afscherming kan echter niet los gezien worden van de concrete kenmerken van het project. Dienaangaande maakt de motivering van de bestreden beslissing melding van “geluidsverstorende activiteiten” die “mits maatregelen binnen de perken gehouden [kunnen] worden (onder andere door het sorteren en breken binnen en afgeschermd uit te voeren in campagnes […])” en maatregelen die genomen kunnen worden “ter beperking van stofhinder (onder andere door de gedeeltelijk overdekte opslag, ommuring, veegmachine, sprinklerinstallatie op breekinstallatie, besproeiing van het terrein tijdens droge periodes, stoffilters op cementsilo’s)”. Voor de beperking van mogelijke geluidshinder heeft de verwerende partij het aangewezen geacht dat met bijkomende bijzondere exploitatievoorwaarden wordt opgelegd dat het “nieuw materieel voor overslag en transport […] geluidsarm [is], de breekinstallatie “volledig onder een betonnen luifelconstructie [staat] en er […] rubberen matten aanwezig [zijn] ter verdere inkapseling”, de transportbanden en de toevoerbak van de breker bekleed zijn “met rubberen platen om het geluid van het vallende steenpuin te dempen”, de breek- en zeefinstallatie correct wordt afgesteld zodat “de valhoogte van het steenpuin tot een minimum beperkt wordt” en er “geen breek- en zeefactiviteiten voor 7u en na 19u uitgevoerd [zullen] worden”. Die maatregelen kaderen in de “BBT-studie voor recyclage van bouw- en slooppuin van januari 2005” waarin gesteld wordt dat “geluidsemissies afkomstig kunnen zijn van de zeefinstallatie, de breekinstallatie, discontinu lawaai van de bewegingen van vrachtwagens en bulldozers op en rond het terrein, het laden en lossen van de vrachtwagens, het schrapen van de laadbak van de wiellader VII-39.583-22/25 over de betonnen vloer, het dichtslaan van de laadklep van de laadbak en het lossen van steenpuin in de zeef- en breekinstallatie”. Ter beperking van de stofhinder legt de bestreden beslissing via bijkomende bijzondere voorwaarden op dat “[h]et sorteren van de afvalstoffen [...] uitsluitend binnen [gebeurt]”, een veegmachine “aanwezig [is] op het terrein die dagelijks wordt ingezet om het terrein te vegen”, bij het breken en zeven de valhoogte wordt beperkt, het sprinkersysteem “bij elke breekoperatie [wordt] gebruikt ter bevochtiging van het puin”, het terrein tijdens droge periodes dagelijks wordt besproeid, de cementsilo’s uitgerust zijn met “zelfreinigende stoffilters en een automatische overvulbeveiliging met een automatisch afsluitsysteem”. Die maatregelen sluiten eveneens aan bij de genoemde BBT-studie van januari 2005 volgens dewelke de oorzaken van stofontwikkeling “het berijden van het terrein en de aan- en afvoerwegen, het afkippen van puin in tijdelijke stockage of in de vulbunker en bij de procesactiviteiten van zeven, transportbanden en afworp” kunnen zijn, ook het breekproces stofemissies kan veroorzaken en het transport van fijne materialen “ook buiten het bedrijfsterrein met vrachtwagens, voor een stofemissie verantwoordelijk kan zijn”. 11. Het feit dat tal van bijzondere exploitatievoorwaarden moeten worden opgelegd om de geluids- en stofhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken, vormt eerder een tegenaanwijzing bij het screeningscriterium inzake de ligging van het project, zeker wat betreft de afscherming ervan ten opzichte van de nabijgelegen hindergevoelige gebieden. Bovendien is voor een afdoende MER-screening vereist dat de vergunningverlenende overheid bijzondere aandacht heeft voor de “soort en de kenmerken van het potentiële effect” waarbij inzonderheid rekening moet worden gehouden met de “orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden)”, de aard en intensiteit van het effect en de “verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect”. In dit geval valt uit de MER-screening niet af te leiden dat de verwerende partij VII-39.583-23/25 rekening heeft gehouden met het ruimtelijk bereik van de verwachte geluids- en stofhinder en de intensiteit ervan. Met de in de bestreden beslissing opgegeven motivering wordt derhalve niet op afdoende wijze aangetoond dat het voorgenomen project geen aanzienlijke milieueffecten kan teweegbrengen en dat het bij voorbaat niet nodig is om die effecten in een MER grondiger te analyseren en te evalueren. 12. Het middel is gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 6 november 2015 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 30 september 2010, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de nv Rebuco voor het veranderen van een afvalverwerkend bedrijf, gelegen aan de Gaverstraat 35 te Geraardsbergen, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verzoekende partij. VII-39.583-24/25 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien januari tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-39.583-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.648 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div