id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.649 Rolnummer: A. 216291/VII-39433 Zaak: Arrest 246649 - Milieuvergunningen - 16/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-01-21 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-25 23:20 Fiche Arrest nr 246.649 van 16 januari 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 246.649 van 16 januari 2020 in de zaak A. 216.291/VII-39.433 In zake : de VZW MILIEUFRONT OMER WATTEZ gevestigd te 9700 Oudenaarde Dijkstraat 75 waar woonplaats wordt gekozen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Anthony Roegiers kantoor houdend te 9900 Eeklo Koningin Astridplein 24 tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bergé en Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47, bus 001 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de BVBA AQUA JET VLERICK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Malfait kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 29 juni 2015, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 27 april 2015 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 16 oktober 2014, houdende het verlenen aan de bvba Aqua Jet Vlerick van de milieuvergunning VII-39.433-1/25 voor het exploiteren van een ruim- en reinigingsdienst, gelegen aan de Sluis 4 te Nazareth, ongegrond wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 8 september 2015. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 november 2019. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Anthony Roegiers, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Jutte Nijs, die loco advocaten Jan Bergé en Kristien Vanderheiden verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Tom Malfait, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-39.433-2/25 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De tussenkomende partij exploiteert een ruim- en reinigingsbedrijf, gelegen te Nazareth, Sluis 4. De basisvergunning dateert van 23 januari 2003. Nadien werden een aantal milieuvergunningen verleend voor de verandering van de inrichting. Het bedrijfsterrein is volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Oudenaarde, vastgesteld bij koninklijk besluit van 24 februari 1977, gesitueerd in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO‟s. 3.2. Op 19 mei 2014 dient de tussenkomende partij een milieuvergunningsaanvraag in voor de verandering van de inrichting. Na de beoogde verandering zou de inrichting het volgende omvatten: - de opslag van 300 m³ (450 ton) septisch materiaal, 80.000 liter olie-water-slibmengsel (1 x 30.000 liter en 1 x 50.000 liter) en de opslag van 1.500 liter afvalolie-watermengsel; - de opslag van 40 ton hechtgebonden asbestafval in bigbags in 2 containers; - de opslag van 500 ton bouw- en sloopafval en het sorteren ervan; - de opslag van 600 ton rioolslib en het ontwateren ervan; - de opslag van 270 m³ (405 ton) vetafval afkomstig uit de horeca en vlees- en voedingsverwerkende industrie; - het inwendig reinigen van eigen bulkwagens die septisch afval en rioolslib hebben bevat; - het inwendig reinigen van eigen bulkwagens die vetafval hebben bevat; - het inwendig reinigen van eigen bulkwagens die olie of mazout hebben bevat; - het stallen van 25 voertuigen andere dan personenwagens; VII-39.433-3/25 - een werkplaats voor het nazicht, het herstellen en onderhouden van voertuigen met 1 schouwput; - een wasplaats voor het reinigen van 9 bedrijfsvoertuigen per week; - 2 compressoren met een geïnstalleerde drijfkracht van respectievelijk 5 en 11 kW; - de opslag van 500 kg schadelijke, oxiderende, corrosieve en irriterende producten in verplaatsbare recipiënten; - de opslag van 500 liter ontvlambare vloeistoffen in verplaatsbare recipiënten; - de opslag van 36.500 liter P3-producten, waarvan 35.000 liter diesel in 3 dubbelwandige bovengrondse houders met een inhoud van respectievelijk 2 x 2.500 liter en 1 x 30.000 liter en 1.500 liter afvalolie in een dubbelwandige bovengrondse houder; - de opslag van 2.500 liter P4-producten, waarvan 500 liter hydraulische olie en 2.000 liter diverse oliën in verplaatsbare recipiënten; - een brandstofverdeelinstallatie voor diesel met maximaal 3 verdeelslangen; - de opslag van 60 liter/kg diverse gevaarlijke producten in kleine recipiënten; - diverse metaalbewerkingstoestellen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 25 kW; - een ontvettingsbad van 200 liter. 3.3. Tijdens het openbaar onderzoek dient de verzoekende partij een bezwaarschrift in, waarin onder meer het volgende wordt gesteld: “Het noordelijk gedeelte van het perceel ligt in overstromingsgevoelig gebied. Volgens het plan bijgevoegd bij de milieuvergunningsaanvraag is daar opslag voorzien voor septisch materiaal, opslag voor mengsel van olie-water-slib en opslag voor vetafval. Aangezien dat gedeelte van het perceel toch overstromingsgevoelig is, brengt dit grote risico‟s met zich mee. Wij wensen dat het gedeelte van overstromingsgebied ofwel terug overstroombaar is, ofwel dat dit voldoende gecompenseerd wordt op een andere plaats. Ook wensen we met het oog op grotere neerslaghoeveelheden volgens verschillende klimaatmodellen dat de stoffen zodanig opgeslagen worden dat er nooit contaminatie kan gebeuren met overstromingswater. Stroomafwaarts gelegen ligt immers VEN gebied en er moet 100% kunnen gegarandeerd worden dat die stoffen hier niet in terecht kunnen komen”. VII-39.433-4/25 3.4. Nog naar aanleiding van het openbaar onderzoek wordt de nv Waterwegen en Zeekanaal, in haar hoedanigheid van openbaar bestuur dat belast is met het beheer van een waterloop binnen een straal van 100 meter rond de inrichting, schriftelijk in kennis gesteld van de vergunningsaanvraag. Zij verleent een gunstig advies als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: “Het projectgebied ligt tot op 27m van de Boven-Schelde (beheerder: W&Z), maar stroomt af via de Moerbeek (beheerder: provincie Oost-Vlaanderen), die aan de achterzijde van het perceel grenst. Temeer gezien de omgeving van de Moerbeek effectief overstromingsgevoelig gebied betreft, is het belangrijk ook watertoetsadvies te vragen aan de provincie. W&Z sluit zich aan bij dit watertoetsadvies. In elk geval dient de geldende regelgeving m.b.t. de waterkwaliteit (VLAREM, ... ) strikt te worden nageleefd. […]”. 3.5. Bij besluit van 16 oktober 2014 verleent de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen de gevraagde vergunning. In de motivering van die beslissing wordt onder het opschrift “Watertoets” het volgende overwogen: “De vergunningsaanvraag heeft onder meer betrekking op de opslag van bodemvreemd materiaal (diverse afvalstoffen). Het bedrijf is gelegen in het „Boven-Scheldebekken‟. Volgens de overstromingsinformatie op www.geo-vlaanderen.gisvlaanderen.be is het bedrijf gedeeltelijk gelegen in een overstromingsgebied of in een risicozone voor overstromingen. Het betreft een gedeelte achteraan het bedrijfsperceel, waarbij er in het verleden sprake is geweest van overstroming vanuit de Moerbeek (kaarten van 2006 en 2011). Voorliggende aanvraag wijzigt echter niets aan de infrastructuur achteraan het bedrijfsperceel. De geplande opslag van bouw- en sloopafval achteraan het terrein wordt uiteindelijk vooraan voorzien vermits anders er sprake zou zijn van de lozing van mogelijks verontreinigd hemelwater afkomstig van het bouw- en sloopafval, hetgeen de exploitant juist wil vermijden. De opslag van bodemvreemd materiaal moet voldoen aan de toepasselijke algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II waardoor bodem- en grondwaterverontreiniging zal voorkomen worden”. VII-39.433-5/25 Onder “Bespreking bezwaren openbaar onderzoek” wordt gesteld: “De aanvraag heeft geen betrekking op infrastructuurwerken die een reductie zouden teweegbrengen van het overstroombaar gedeelte op het bedrijfsterrein. Bijgevolg is er geen nood aan compensatiemaatregelen. De opslag van het septisch materiaal, het afvalolie-watermengsel en het vetafval gebeurt in verplaatsbare bovengrondse tanks. In het geval van een overstroming kunnen zij naar een hoger gelegen zone binnen het bedrijfsterrein verplaatst worden”. 3.6. Tegen voormelde beslissing stelt de verzoekende partij bestuurlijk beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. 3.7. In het kader van de beroepsprocedure worden de volgende adviezen verleend:
- a)de Vlaamse Milieumaatschappij, afdeling Ecologisch toezicht (gunstig);
- b)de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (gunstig);
- c)de afdeling Milieuvergunningen (gunstig);
- d)de afdeling Gebieden en Projecten (gunstig, met uitzondering van de beoogde opslag van asbestafval);
- e)het Agentschap voor Natuur en Bos (voorwaardelijk gunstig);
- f)de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie (gunstig, behoudens wat betreft de opslag van asbestafval). 3.8. Op 27 april 2015 neemt de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw het thans bestreden besluit dat onder meer steunt op de volgende motieven: “Overwegende dat het beroep ingediend door een milieuvereniging betrekking heeft op het verlenen van de milieuvergunning voor het veranderen van een ruim- en reinigingsdienst; dat een uitbreiding van opslag van afvalolie, asbestafval, rioolslib en vetafval wordt aangevraagd; dat het beroep voornamelijk handelt over de risico‟s verbonden aan potentiële overstromingen en de planologische verenigbaarheid; Overwegende dat in een straal van 100 m rondom de perceelgrens van de inrichting geen woningen zijn gelegen; dat de dichtste woning op circa 220 m van de perceelgrens van de inrichting ligt; VII-39.433-6/25 Overwegende dat tijdens het openbaar onderzoek 1 bezwaarschrift werd ingediend dat betrekking heeft op de risico‟s van opslag van olie- en vetafval in een overstromingsgevoelig gebied; dat naar aanleiding van het openbaar onderzoek een voorwaardelijk gunstig advies van Waterwegen en Zeekanaal nv werd uitgebracht; Overwegende dat de exploitant asbestafval in gebonden vorm, zoals bijvoorbeeld golfplaten, wenst op te slaan in bigbags in maximaal 2 containers van elk 20 ton; dat deze bigbags steeds worden gesloten om emissies van asbest naar de omgeving te vermijden; dat het asbestafval louter wordt opgeslagen en niet wordt be- en/of verwerkt; dat de exploitant in de loop van de vergunningsprocedure afstand deed van de vergunning voor de opslag en overslag van asbestafval; dat bijgevolg geen vergunning wordt verleend voor de oorspronkelijk aangevraagde rubriek 2.2.1.c van titel I van het VLAREM; Overwegende dat de opslag van 1.500 liter afvalolie-watermengsel zal gebeuren in een bovengrondse houder van 20 m³; dat de inrichting reeds vergund was voor de opslag van 80.000 liter olie-water-slibmengsel; Overwegende dat de bijkomende opslag van vetafval zal gebeuren in een bovengrondse houder van 20 m³; dat de inrichting reeds vergund was voor de opslag van 250 m³ vetafval; dat ook de bijkomende opslag van rioolslib (+ 100 ton) een uitbreiding betreft van de aanwezige capaciteit (600 ton) in de reeds vergunde slibputten; Overwegende dat het vetafval, het septisch materiaal en het afvalolie-watermengsel worden opgeslagen in gesloten tanks; dat bijgevolg geen verontreinigd hemelwater ontstaat; dat het bouw- en sloopafval alleen wordt opgeslagen en gesorteerd in de verharde zone van de inrichting, waar het verontreinigde hemelwater wordt opgevangen en afgevoerd; Overwegende dat er geen bewerkings- of productieactiviteiten plaatsvinden; dat de geluidsproductie zich beperkt tot aan- en afrijdende voertuigen; dat de activiteiten tijdens werkdagen worden uitgevoerd tussen 7u en 19u en van 8u tot 14u op zaterdagen; dat er een permanentiedienst wordt georganiseerd zodat sporadisch ook ‟s nachts wordt uitgereden; dat in dit geval het voertuig bij terugkomst in de loods wordt geplaatst; dat het legen van de afvalstoffen naar de toepasselijke opslagtanks dan gebeurt op de eerstvolgende werkdag tijdens de normale dagperiode; dat een afwijking op de werktijden werd verleend op 28 augustus 2008; Overwegende dat de inrichting is gelegen in het „Boven-Scheldebekken‟; dat de inrichting niet gelegen is in recent overstroomde gebieden; dat de inrichting niet gelegen is in een risicozone voor overstromingen; dat er in het gebied achteraan het bedrijfsperceel (noordzijde) in het verleden sprake is geweest van overstromingen vanuit de Moerbeek; dat de inrichting volgens de watertoetskaarten van 2006 en 2009 gedeeltelijk is gelegen in overstromingsgevoelig gebied; dat volgens de meest recente watertoetskaart van 2014 dit niet langer het geval is; Overwegende dat voorliggende aanvraag niets wijzigt aan de infrastructuur achteraan het bedrijfsperceel; dat de geplande opslag van bouw- en sloopafval achteraan het terrein conform het inplantingsplan vooraan wordt voorzien vermits er anders sprake zou zijn van lozing van mogelijks verontreinigd hemelwater; VII-39.433-7/25 Overwegende dat de aanvraag geen betrekking heeft op infrastructuurwerken die een reductie zouden teweegbrengen van het overstroombare gedeelte op het bedrijfsterrein; dat de opslag van het septisch materiaal, het afvalolie-watermengsel en het vetafval gebeurt in verplaatsbare bovengrondse tanks; dat in geval van overstroming de tanks naar een hoger gelegen zone binnen het bedrijfsterrein kunnen verplaatst worden; Overwegende dat op circa 70 meter van de perceelgrens het VEN gebied „De Vallei van de Bovenschelde Noord‟ is gelegen; dat het gaat over een VEN-type „grote eenheid natuur‟; dat het valleigebied wordt gekenmerkt door relatief veel open gebieden; dat de typische hoogwaardige vallei-ecotopen grotendeels zijn verdwenen; dat graslanden (vaak gedegradeerd door intensief landbouwgebruik) worden aangevuld met halfnatuurlijk grasland, mesofiele hooilanden, moeras en alluviale bossen; dat vooral de oude meanders op verschillende plaatsen nog beschikken over een hoge natuurwaarde; dat verdroging, vermesting en verontreiniging geïdentificeerd zijn als de grootste risicofactoren voor verdere degradatie van het gebied; Overwegende dat conform artikel 26bis, §1, eerste lid, van het decreet voor Natuurbehoud de overheid geen toestemming of vergunning mag verlenen voor een activiteit die onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken; dat de opvang en afvoer van mogelijks verontreinigd regenwater en de ligging van de inrichting in niet-overstromingsgevoelig gebied voldoende waarborgen bieden om het risico op verontreiniging en onherstelbare schade van het VEN-gebied te vermijden; dat bijgevolg wordt voldaan aan artikel 26bis, §1, eerste lid, van het decreet voor Natuurbehoud; dat door het Agentschap voor Natuur en Bos op 2 februari 2015 een voorwaardelijk gunstig subadvies werd verleend; Overwegende dat in het beroep wordt aangehaald dat de inrichting m.e.r.-plichtig is omdat ze voorkomt op bijlage II van het MER-besluit, namelijk „inrichtingen voor de opslag en fysisch-chemische behandeling van gevaarlijke afvalstoffen voor zover de ermee samenhangende opslag volgens de criteria van rubriek 17.3, van titel I van het VLAREM is ingeschreven in klasse 1‟; dat op de inrichting geen gevaarlijke afvalstoffen in zulke hoeveelheden worden opgeslagen; dat bijgevolg kan gesteld worden dat voor huidige aanvraag geen MER moet worden opgesteld”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Excepties nopens het belang van de verzoekende partij 4. De verwerende partij werpt op dat de verzoekende partij niet over het in rechte vereiste belang beschikt omdat de toelichting van het belang in het verzoekschrift tot nietigverklaring slechts steunt op een aantal hypothesen, meer bepaald “een mogelijke klimaatverandering met mogelijk VII-39.433-8/25 overstromingsgevaar als gevolg, waardoor mogelijk afvalstoffen in het natuurgebied worden verspreid”. Zij meent dat een “zuiver hypothetisch of potentieel belang”, gekenmerkt door een gebrek aan bewijs, geen voldoende belang verschaft bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing en dat door te wijzen op een calamiteit met een onvoorspelbare cyclus -zoals stormen of andere natuurverschijnselen die zich maar om de 100 jaar voordoen- geen zeker nadeel wordt aangetoond. Bovendien zou de verzoekende partij ook niet aantonen dat er onvoldoende waarborgen zijn om bij een overstroming een verspreiding van de opgeslagen stoffen te voorkomen en evenmin dat de opslagplaats effectief overstromingsgevoelig is. Omtrent het zeker karakter van het belang besluit de verwerende partij dat er “geen overeenstemmende aannemelijke vermoedens [zijn] dat het nadeel zich zal realiseren, en al zeker niet omdat zich in de periode tussen vandaag en een eventuele calamiteit wegens de klimaatwijziging vele evoluties kunnen voordoen, bijvoorbeeld een algemene dijkverhoging”. Tot slot merkt zij nog op dat er “geen rechtstreeks causaal verband [is] tussen de bestreden beslissing en het hypothetische nadeel van de verzoekende partij” en dat het beweerde nadeel daarenboven niet voortvloeit uit de bestreden beslissing die slechts een beperkte uitbreiding van de bestaande milieuvergunning tot voorwerp heeft. 5. De tussenkomende partij sluit zich aan bij de door de verwerende partij opgeworpen exceptie en voegt daaraan toe dat het verzoekschrift veeleer gericht is tegen “het fenomeen van de klimaatverandering op zich en de gevolgen die hieruit mogelijk kunnen voortvloeien” dan op de specifiek vergunde activiteiten en dat de verzoekende partij zich feitelijk richt tegen “elke mogelijke milieuvergunning die wordt afgeleverd in haar werkingsgebied en niet specifiek tegen het bestreden besluit”. 6. In de memorie van wederantwoord verwijst de verzoekende partij onder meer naar verscheidene rapporten over de klimaatverandering en de erin beschreven overstromingsrisico‟s en naar het Vlaams Klimaatsbeleidsplan 2013-2020. VII-39.433-9/25 7. De verwerende partij herhaalt in haar laatste memorie dat het ingeroepen belang louter hypothetisch is. 8. In de laatste memorie van de tussenkomende partij wordt erop gewezen dat de verzoekende partij onder meer verwijst naar mogelijke overstromingen in Duitsland en Engeland en in zeer algemene termen stelt dat “de gevolgen van de klimaatverandering op de overstromingsintensiteit in alle delen van de wereld recht evenredig tot licht exponentieel stijgen”, terwijl zij anderzijds “niet aannemelijk [maakt] dat er een reëel gevaar bestaat dat de bewuste bestaande en vergunde inrichting de komende vier jaar zal overstromen, dat de opgelegde maatregelen dan onvoldoende zijn en dat er dan schade zal ontstaan aan natuurgebieden in de omgeving door de beperkte uitbreiding van de vergunning”. 9. In haar laatste memorie benadrukt de verzoekende partij dat in het verzoekschrift wordt gewezen op de bijzondere ruimtelijke context van de inrichting, gelegen in de Scheldevallei, stroomafwaarts “omgeven […] door planologisch beschermde gebieden, alsook VEN-gebieden alsook biologisch waardevolle gebieden” en dat de verwerende en de tussenkomende partij die “ruimtelijk kwetsbare en bijzondere context” niet tegenspreken. Ook stipt zij aan dat zij nooit heeft beweerd dat de vergunde inrichting een impact heeft op de klimaatverandering, maar wel dat “de gevolgen van die klimaatverandering voor de inrichting des te ernstiger kunnen worden en dat gelet op het voorzorgsbeginsel […] er des te meer voorzorgen dienen genomen te worden door de vergunningverleners om schade te voorkomen bij een overstroming van de site”. Beoordeling 10. De verenigingen zonder winstoogmerk kunnen krachtens de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor ze zijn opgericht. Wanneer een vzw, die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor de Raad van VII-39.433-10/25 State optreedt, is vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en derhalve onderscheiden van het algemeen belang, dat zij optreedt ter verdediging van een collectief belang, dat haar maatschappelijk doel door de bestreden handeling kan worden geraakt, en dat niet blijkt dat dit maatschappelijk doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd (R.v.St., algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak, Coomans e.a., nr. 187.998 van 17 november 2008). Het is niet vereist dat er daarenboven ook een band van evenredigheid zou bestaan tussen het actieterrein van een verzoekende vereniging en de territoriale draagwijdte van het bestreden besluit. 11. De verzoekende vereniging komt op voor haar in artikel 2 van haar statuten als volgt omschreven doel: “§ 1. De vereniging heeft tot doel het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen. § 2. Deze doelstelling omvat : - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van de biodiversiteit, natuur en natuurwaarden; - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van open ruimte, landschappen, monumenten, cultureel erfgoed, stedenschoon en dorpsgezichten; - een verantwoord en efficiënt gebruik van de natuurlijke rijkdommen, ruimte en energiebronnen. Dit impliceert productie- en consumptiepatronen die de beschikbare milieugebruiksruimte en de draagkracht van het ecosysteem respecteren; - het bereiken van een algemene basismilieukwaliteit voor de milieucompartimenten water, bodem en lucht en het bereiken van een bijzondere milieukwaliteit in specifieke omstandigheden of gebieden; - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van het stedelijk leefmilieu en van een leefbare woonomgeving. Dit impliceert het beperken van alle vormen van milieuhinder, waaronder geluidshinder, verkeersoverlast, geurhinder, lichthinder,...; - het bereiken van een beleid gericht op de bescherming van de gezondheid van de mens; - het bereiken van een beleid dat berust op o.a. het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt; VII-39.433-11/25 - het bereiken van een beleid dat gestoeld is op een volwaardige participatie van burgers en milieuverenigingen en dat de toegang tot het gerecht voor dezen garandeert; - het optreden in rechte voor de administratieve en gerechtelijke overheden, teneinde de toepassing van de doelstellingen sub par. 1 op het terrein te situeren binnen het werkgebied van de vereniging te verwezenlijken, onverminderd haar recht tot verhaal tegen administratieve besluiten van zelfs reglementaire aard. Bij deze actie kan zij alle nuttige of noodzakelijke vorderingen stellen, zoals staking en voorkoming van milieuschade, herstel in natura, schadevergoeding, bewarende maatregelen, enz.”. Tot staving van haar belang wijst zij op de geografische ligging van de inrichting, het voorwerp van de bestreden milieuvergunning en op het feit dat “de inrichting in overstromingsgebied ligt en integraal in de Schelde- en Moerbeekvallei ligt, dat ten gevolge van de klimaatverandering er intensere overstromingen te verwachten vallen waardoor het zeer reëel is dat de inrichting tot een hoog niveau kan overstromen en mede gelet op het feit dat hier gevaarlijke (afval)producten liggen waarbij er geen voorwaarden opgelegd werden om deze afdoende te beschermen tegen de huidige en die toekomstige potentiële overstromingen en gelet op het feit dat er in de onmiddellijke omgeving kwetsbare vallei- en brongebieden, natuur- en VEN-gebieden liggen die schade dreigen te ondervinden bij gebeurlijke overstromingen”. 12. In het bestreden besluit wordt overwogen dat “de inrichting niet gelegen is in recent overstroomde gebieden” en evenmin “in een risicozone voor overstromingen”, maar ook dat “er in het gebied achteraan het bedrijfsperceel (noordzijde) in het verleden sprake is geweest van overstromingen vanuit de Moerbeek”, dat “de inrichting volgens de watertoetskaarten van 2006 en 2009 gedeeltelijk is gelegen in overstromingsgevoelig gebied”, maar “volgens de meest recente watertoetskaart van 2014 dit niet langer het geval is”. Ook wordt in de bestreden beslissing gesteld dat de aanvraag geen betrekking heeft op infrastructuurwerken “die een reductie zouden teweegbrengen van het overstroombare gedeelte op het bedrijfsterrein” en dat “de opslag van het septisch materiaal, het afvalolie-watermengsel en het vetafval gebeurt in verplaatsbare VII-39.433-12/25 bovengrondse tanks” die “in geval van overstroming […] naar een hoger gelegen zone binnen het bedrijfsterrein kunnen verplaatst worden”. Op grond van bovenstaande motieven kan niet aangenomen worden dat het gevaar voor overstroming van het bedrijfsterrein van de tussenkomende partij volstrekt hypothetisch is. Het ingeroepen belang heeft, in relatie tot de statutaire doelstellingen van de verzoekende partij, dan ook een voldoende zeker karakter. 13. De excepties worden verworpen. V. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen 14. In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 4, 5, 6 en 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid (hierna: DIWB), de artikelen 2/1, 3, 4 en 7 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid (hierna: watertoetsbesluit), de artikelen 4 en 7 van richtlijn 2007/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 over beoordeling en beheer van overstromingsrisico‟s, de artikelen 1.2.1, 2.2.3, 2.2.4 en 2.2.5 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheids-, het rechtszekerheids-, het motiveringsbeginsel en het beginsel “van de behoorlijke afweging”: “Doordat de gronden waarop voorliggende inrichting gelegen is, verkeerd aangeduid werden op de kaart van de Overstromingsgevoelige Gebieden als VII-39.433-13/25 „Niet overstromingsgevoelig‟ hoewel de inrichting gelegen is tussen twee waterlopen en aldus behoren tot het natuurlijk overstromingsgebied van beide waterlopen en de gronden die (volgens die kaart van de Overstromingsgevoelige gebieden) overstromen door die waterlopen zich bevinden op dezelfde hoogte als de percelen waar voorliggende inrichting zich bevindt, hoewel er geen enkele fysische barrière is tussen de gronden die wel zouden overstromen (volgens die kaart) en de gronden die niet overstromingsgevoelig zouden zijn en doordat alle daaropvolgende milieuonderzoek van de adviesverleners en van de Minister zich op dit foute feit verder baseren. en doordat bij een overstroming van de site er met voorliggende uitbreiding 1500 liter afvalolie-watermengsel, 100.000 kg rioolslib en 30.000 kg vetafval bij een overstroming in de omgeving kan terecht komen, en die omgeving bestaat uit [...] kwetsbare natuur-, vallei- en VENgebieden, en doordat de overweging van de Minister dat 1.500 liter afvalolie-watermengsel en de 30.000 kg vetafval in een bovengrondse houder opgeslagen worden allerminst een garantie bieden dat de hier opgeslagen stoffen in die houders niet mee kunnen drijven, oplossen en uitlogen in het overstromende water, en doordat de overweging van de Minister dat de 100.000 kg rioolslib zal opgevangen worden in slibputten evenzeer geen waterdichte garanties biedt, en doordat de overweging van de Minister dat het vetafval, het septisch materiaal en het afvalolie-watermengsel in gesloten tanks opgeslagen wordt evenmin een zekerheid biedt dat deze tanks niet kunnen lekken als ze integraal onder water komen te staan en doordat de Minister enkel oog heeft voor de effecten van hemelwater op de site, en doordat geen deugdelijke watertoets werd uitgevoerd, en doordat de Minister niet zomaar kon verwijzen naar het reeds vergund zijn van delen van de inrichting mede gelet op het feit dat de basisvergunning voor de site dateert van begin 2003 terwijl de watertoets eind 2003 en het watertoetsbesluit in 2006 in voege is getreden Terwijl de overheid die over een vergunning beslist, verzaakte aan ondermeer de plichten opgedragen bij het decreet betreffende het integraal waterbeleid via de watertoets”. In de toelichting bij het middel betwist de verzoekende partij onder meer de juistheid van de meest recente watertoetskaart. Zij stelt aan de hand van de bepalingen van het DIWB en de parlementaire voorbereiding ervan, dat de watertoets ondeugdelijk is omdat de verwerende partij er is aan voorbijgegaan dat het volume dat wordt ingenomen door „de opgeslagen/vergunde stoffen en bijhorende materialen‟ voor een verlies aan overstromingsruimte zorgt en het risico op vervuiling bij overstroming door het „meestromen, oplossen en uitlogen‟ van afvalstoffen in het water, en de verspreiding ervan in de Scheldevallei met zijn VII-39.433-14/25 VEN-gebieden heeft genegeerd. Volgens de verzoekende partij volstaan de motieven waarin gesteld wordt dat een aantal stoffen wordt opgeslagen in waterdichte tanks en bovengrondse houders en dat het bouw- en sloopafval in een verharde zone van de inrichting wordt opgeslagen, niet als risico-inschatting en bieden ze onvoldoende waarborgen. 15. De verwerende partij antwoordt: “[…] Verder meent de verzoekende partij dat er onvoldoende „waterdichte‟ garanties zouden zijn dat de vergunde opgeslagen stoffen bij een overstroming kunnen vrijkomen in de omgeving en houdt zij voor dat er geen deugdelijke watertoets zou zijn uitgevoerd. […] De bestreden beslissing stelt nochtans duidelijk dat het rioolslib zal worden opgeslagen in de reeds vergunde slibputten en dat het vetafval, het septisch materiaal en het afvalolie-watermengsel zal worden opgeslagen in gesloten bovengrondse tanks die verplaatsbaar zijn. Gezien de slibputten en de bovengrondse tanks sowieso dienen te voldoen aan de strenge voorschriften van VLAREM II, is er een voldoende garantie voor waterdichtheid, zodat er geen bijkomende voorwaarden dienden te worden opgelegd in het bestreden besluit. Bovendien gelden de algemene en sectorale milieuvoorwaarden uit VLAREM II automatisch voor alle vergunde inrichtingen, zonder dat de vergunningverlenende overheid ze uitdrukkelijk moet opleggen. […] De watertoets is een manier om schade aan het watersysteem te voorkomen, de overheid moet nagaan of de vergunning negatieve gevolgen zal hebben voor het watersysteem. Als er schadelijke gevolgen vastgesteld worden, legt die overheid in eerste instantie maatregelen op om de schade te vermijden, dan wel te herstellen dan wel in laatste instantie te compenseren. De deputatie heeft in haar besluit van 16 oktober 2014 de watertoets schriftelijk neergeschreven als volgt: „De vergunningsaanvraag heeft onder meer betrekking op de opslag van bodemvreemd materiaal (diverse afvalstoffen). Het bedrijf is gelegen in het „Boven-Scheldebekken‟. Volgens de overstromingsinformatie op www.geo-vlaanderen.gisvlaanderen.be is het bedrijf gedeeltelijk gelegen in een overstromingsgebied of in een risicozone voor overstromingen. Het betreft een gedeelte achteraan het bedrijfsperceel, waarbij er in het verleden sprake is geweest van overstroming vanuit de Moerbeek (kaarten van 2006 en 2011). Voorliggende aanvraag wijzigt echter niets aan de infrastructuur achteraan het bedrijfsperceel. De geplande opslag van bouw- en sloopafval achteraan het terrein wordt uiteindelijk vooraan voorzien vermits anders er sprake zou zijn van de lozing van mogelijks verontreinigd hemelwater afkomstig van het bouw- en sloopafval, hetgeen de exploitant juist wil vermijden. De opslag van bodemvreemd materiaal moet voldoen aan de toepasselijke algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II waardoor bodem- en grondwaterverontreiniging zal voorkomen worden.‟ VII-39.433-15/25 De deputatie stelde tevens: „Op het uitvoeringsplan wordt de opslag van gemengd bouw- en sloopafval vermeld in de zone waar het vetafval, het septisch materiaal en het afvalolie-watermengsel wordt opgeslagen. Deze 3 laatste worden opgeslagen in gesloten tanks zodat hiervan geen verontreinigd hemelwater ontstaat. Er werd aldus geen lozing van bedrijfsafvalwater vergund. Om dit te behouden dient het bouw- en sloopafval enkel opgeslagen en gesorteerd te worden in de verharde zone voor het bedrijf, waar het verontreinigde hemelwater wordt opgevangen en afgevoerd. (...) Bespreking bezwaren openbaar onderzoek De aanvraag heeft geen betrekking op infrastructuurwerken die een reductie zouden teweegbrengen van het overstroombaar gedeelte op het bedrijfsterrein. Bijgevolg is er geen nood aan compensatiemaatregelen. De opslag van het septisch materiaal, het afvalolie-watermengsel en het vetafval gebeurt in verplaatsbare bovengrondse tanks. In geval van een overstroming kunnen zij naar een hoger gelegen zone binnen het bedrijfsterrein verplaatst worden.‟ Het bestreden besluit stelde i.v.m. de watertoets als volgt: „Overwegende dat tijdens het openbaar onderzoek 1 bezwaarschrift werd ingediend dat betrekking heeft op de risico‟s van opslag van olie- en vetafval in een overstromingsgevoelig gebied; dat naar aanleiding van het openbaar onderzoek een voorwaardelijk gunstig advies van Waterwegen en Zeekanaal nv werd uitgebracht. (…) Overwegende dat de opslag van 1.500 liter afvalolie-watermengsel zal gebeuren in een bovengrondse houder van 20 m³; dat de inrichting reeds vergund was voor de opslag van 80.000 liter olie-water-slibmengsel; Overwegende dat de bijkomende opslag van vetafval zal gebeuren in een bovengrondse houder van 20 m³; dat de inrichting reeds vergund was voor de opslag van 250 m³ vetafval; dat ook de bijkomende opslag van rioolslib (+ 100 ton) een uitbreiding betreft van de aanwezige capaciteit (600 ton) in de reeds vergunde slibputten; Overwegende dat het vetafval, het septisch materiaal en het afvalolie-watermengsel worden opgeslagen in gesloten tanks; dat bijgevolg geen verontreinigd hemelwater ontstaat; dat het bouw- en sloopafval alleen wordt opgeslagen en gesorteerd in de verharde zone van de inrichting, waar het verontreinigde hemelwater wordt opgevangen en afgevoerd; (…) Overwegende dat de inrichting is gelegen in het „Boven-Scheldebekken‟; dat de inrichting niet gelegen is in recent overstroomde gebieden; dat de inrichting niet gelegen is in een risicozone voor overstromingen; dat er in het gebied achteraan het bedrijfsperceel (noordzijde) in het verleden sprake is geweest van overstromingen vanuit de Moerbeek; dat de inrichting volgens de watertoetskaarten van 2006 en 2009 gedeeltelijk is gelegen in overstromingsgevoelig gebied; dat volgens de meest recente watertoetskaart van 2014 dit niet langer het geval is; VII-39.433-16/25 Overwegende dat voorliggende aanvraag niets wijzigt aan de infrastructuur achteraan het bedrijfsperceel; dat de geplande opslag van bouw- en sloopafval achteraan het terrein conform het inplantingsplan vooraan wordt voorzien vermits er anders sprake zou zijn van lozing van mogelijks verontreinigd hemelwater; Overwegende dat de aanvraag geen betrekking heeft op infrastructuurwerken die een reductie zouden teweegbrengen van het overstroombare gedeelte op het bedrijfsterrein; dat de opslag van het septisch materiaal, het afvalolie-watermengsel en het vetafval gebeurt in verplaatsbare bovengrondse tanks; dat in geval van overstroming de tanks naar een hoger gelegen zone binnen het bedrijfsterrein kunnen verplaatst worden; Overwegende dat op circa 70 meter van de perceelgrens het VEN-gebied „De Vallei van de Bovenschelde Noord‟ is gelegen; dat het gaat over een VEN-type „grote eenheid natuur‟; dat het valleigebied wordt gekenmerkt door relatief veel open gebieden; dat de typische hoogwaardige vallei-ecotopen grotendeels zijn verdwenen; dat graslanden (vaak gedegradeerd door intensief landbouwgebruik) worden aangevuld met halfnatuurlijk grasland, mesofiele hooilanden, moeras en alluviale bossen; dat vooral de oude meanders op verschillende plaatsen nog beschikken over een hoge natuurwaarde; dat verdroging, vermesting en verontreiniging geïdentificeerd zijn als de grootste risicofactoren voor verdere degradatie van het gebied; (…) Overwegende dat de hinder en de effecten op mens en milieu en de risico‟s voor de externe veiligheid, veroorzaakt door de aangevraagde inrichting, tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt, behoudens wat het volgende onderdeel van de aanvraag betreft: - de maximale opslag van 40 ton hechtgebonden asbestafval in bigbags in 2 containers‟ De aangehaalde passages uit het besluit van de deputatie d.d. 16 oktober 2014 en het bestreden besluit d.d. 27 april 2015 tonen duidelijk aan dat het middel van de verzoekende partij volgens hetwelk geen deugdelijke watertoets werd uitgevoerd, feitelijke grondslag mist. Zoals hoger opgemerkt, werd de ligging van de inrichting in valleigebied (en het daarbij horende watersysteem) in rekening gebracht in het bestreden besluit. De vergunningverlenende overheid heeft er op grond van artikel 8 van het decreet integraal waterbeleid ook oog voor gehad dat er geen schadelijke effecten zullen ontstaan of deze toch alleszins zoveel mogelijk zullen worden beperkt. De twee schadelijke effecten die de verzoekende partij aanhaalt werden immers onderzocht: - i.v.m. een verlies aan overstromingsruimte, stelt het bestreden besluit dat er geen infrastructuurwerken zullen plaatsvinden die een reductie zullen inhouden van het overstroombare gedeelte op het bedrijfsterrein - i.v.m. een vervuiling van het overstromingswater, stelt het bestreden besluit dat de opslag van de verschillende stoffen zal gebeuren in verplaatsbare bovengrondse en gesloten tanks, dewelke in geval van VII-39.433-17/25 overstroming naar een hoger gelegen zone binnen het bedrijfsterrein verplaatst kunnen worden. Gezien de slibputten en de bovengrondse tanks sowieso dienen te voldoen aan de strenge voorschriften van VLAREM II, is er een voldoende garantie voor waterdichtheid, zodat er geen bijkomende voorwaarden dienden te worden opgelegd in het bestreden besluit. Op die manier kunnen de opgeslagen stoffen ook niet vrij in contact komen met eventueel overstromingswater en het watersysteem niet negatief beïnvloeden zoals de verzoekende partij ten onrechte tracht voor te houden. Artikel 2/1 van het Watertoetsbesluit werd dan ook nageleefd: de wijze van opslag en de gebruikte materialen en installaties (slibputten en tanks) - die voldoen aan de strikte voorschriften van VLAREM II - zullen volstaan om schadelijke effecten te voorkomen of te beperken. De vergunningverlenende overheid heeft bij de uitvoering van de watertoets eveneens de beginselen en doelstellingen van het integraal waterbeleid in acht genomen, zoals mag blijken uit de hierboven weergegeven motivatie in het bestreden besluit. De minister heeft zo o.a. gemotiveerd dat er voldoende waarborgen voorhanden zijn om het risico op verontreiniging en onherstelbare schade van het VEN-gebied te vermijden en dat er geen verlies aan overstromingsruimte zal zijn”. 16. De tussenkomende partij laat gelden dat met de vergunningsaanvraag geen infrastructuurwerken gepaard gaan die tot een vermindering van de beschikbare overstromingsruimte leiden, en er geen risico bestaat op verontreiniging van de Scheldevallei omdat in geval van overstroming de bovengrondse tanks met septisch materiaal, het afvalolie-watermengsel en het vetafval naar een hoger gelegen zone binnen het bedrijfsterrein kunnen worden verplaatst. 17. In haar memorie van wederantwoord gaat de verzoekende partij dieper in op de specifieke risico‟s in geval van overstroming en verwijst zij naar arrest nr. 222.102 van 17 januari 2013 van de Raad van State waarin geoordeeld wordt dat een watertoets niet beperkt mag zijn tot een verwijzing naar de sectorale milieuvoorwaarden van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna: Vlarem II), maar dat de risico‟s concreet moeten worden beoordeeld. Zij betwijfelt dat het realistisch is om aan te nemen dat in geval van overstroming de bovengrondse tanks tijdig kunnen worden verplaatst. Niet enkel door VII-39.433-18/25 infrastructuurwerken zou overstromingsruimte verloren kunnen gaan: de vergunde opslagcapaciteit neemt uiteraard ook ruimte in. De verzoekende partij besluit dat het merendeel van de door de verwerende partij aangehaalde adviezen geen wateradviezen zijn en dat evenmin wordt uiteengezet hoe “deze (andere) adviezen/commissies deze gebreken van of de ontbrekende wateradviezen kunnen remediëren”. 18. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij nog dat zowel tijdens de procedure in eerste aanleg als tijdens de bestuurlijke beroepsprocedure de nodige adviezen werden aangevraagd in het kader van de watertoets, dat het gunstig advies van de nv Waterwegen en Zeekanaal wel degelijk een volledig watertoetsadvies is en dat de bestreden beslissing een duidelijk herkenbare uiteenzetting bevat over de watertoets. Voorts beklemtoont zij dat een valleigebied niet per se overstromingsgevoelig is, dat de ligging in valleigebied bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag werd betrokken en dat bij het nemen van de bestreden beslissing “voldoende aandacht [werd] besteed aan het zoveel mogelijk beperken dan wel vermijden dat eventueel schadelijke effecten kunnen ontstaan indien het terrein toch te kampen zou krijgen met overstromingen”, dat niet met zekerheid “vast[staat] dat de inrichting zal overstroomd worden”, dat de watertoets niet vereist dat iedere inrichting of exploitatie “die een mogelijke invloed zou kunnen hebben op het ecosysteem dient verboden te worden”, dat het opleggen van bijkomende voorwaarden niet nodig is omdat de strenge voorwaarden van Vlarem II reeds voldoende garanties bieden en, ten slotte, dat gewerkt wordt met installaties die bij een eventuele overstroming kunnen worden verplaatst naar een hoger gelegen gedeelte van het terrein. 19. De tussenkomende partij laat in haar laatste memorie nog gelden dat de nv Waterwegen en Zeekanaal en de provincie Oost-Vlaanderen een gunstig (water)advies hebben uitgebracht, dat de waterproblematiek op verscheidene plaatsen in het bestreden besluit behandeld wordt en dat erin duidelijk wordt geconcludeerd dat er geen risico is op schadelijke effecten in geval van een overstroming. VII-39.433-19/25 20. De verzoekende partij benadrukt in haar laatste memorie dat het advies van de nv Waterwegen en Zeekanaal geen deugdelijke watertoets bevat en dat het gegeven dat de vergunde opslag van bepaalde stoffen in bovengrondse tanks gebeurt, niet voldoende garandeert dat bij overstroming geen opgeslagen stoffen/producten kunnen vrijkomen. Beoordeling 21. Artikel 8, § 1, eerste lid, DIWB, in de op het geding toepasselijke versie, bepaalt dat “[d]e overheid die moet beslissen over een vergunning [...] er zorg voor [draagt], door het weigeren van de vergunning [...] dan wel door het opleggen van gepaste voorwaarden [...], dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd”. Bij het nemen van die beslissing houdt de overheid rekening, overeenkomstig paragraaf 2 van hetzelfde artikel, met de relevante door de Vlaamse regering vastgestelde waterbeheersplannen, en deze beslissing wordt gemotiveerd, waarbij in elk geval rekening wordt gehouden met de relevante doelstellingen en beginselen van het integraal waterbeleid. 22. Artikel 3, § 1, van het watertoetsbesluit, in de op het geding toepasselijke versie, bepaalt dat de vergunningverlenende overheid moet nagaan of er sprake kan zijn van een schadelijk effect zoals vermeld in artikel 3, § 2, 17°, DIWB, te weten “ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit; [...]”. Een watersysteem is luidens artikel 3, § 2, 16°, van het decreet “een samenhangend en functioneel geheel van oppervlaktewater, grondwater, waterbodems en oevers, met inbegrip VII-39.433-20/25 van de daarin voorkomende levensgemeenschappen en alle bijbehorende fysische, chemische en biologische processen, en de daarbij behorende technische infrastructuur”. Wanneer op basis van deze eerste paragraaf blijkt dat bedoeld schadelijk effect er niet zal zijn, is het resultaat van de watertoets positief. Naar luid van artikel 4, § 1, van het watertoetsbesluit moet “de motivering van de beslissing over een vergunningsaanvraag voor de toepassing van de watertoets een [...] waterparagraaf” bevatten waarbij “een uitspraak wordt gedaan over: 1° de verenigbaarheid van de vergunningsplichtige activiteit met het watersysteem; 2° in voorkomend geval, de gepaste voorwaarden en maatregelen om het schadelijke effect dat kan ontstaan als gevolg van de vergunningsplichtige activiteit, te voorkomen, te beperken, te herstellen of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van het hemelwater of de vermindering van de ruimte voor het watersysteem, te compenseren; 3° de inachtneming van de relevante doelstellingen en beginselen, vermeld in artikel 5, 6 en 7 van het decreet bij de beoordeling van de vergunningsplichtige activiteit en de opgelegde voorwaarden en maatregelen”. 23. Gelet op de afstand van het voorgenomen project tot de Boven-Schelde was de vergunningverlenende overheid met toepassing van artikel 3, § 2, 3°, b), juncto artikel 5, § 1, van het watertoetsbesluit verplicht om het wateradvies in te winnen van de nv Waterwegen en Zeekanaal en de provincie Oost-Vlaanderen. In het kader van het openbaar onderzoek werd de nv Waterwegen en Zeekanaal in haar hoedanigheid van openbaar bestuur dat belast is met het beheer van een waterloop binnen een straal van 100 meter rond de inrichting, schriftelijk in kennis gesteld van de vergunningsaanvraag, overeenkomstig het destijds geldende artikel 17, § 3, 3°bis, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I). VII-39.433-21/25 Ingevolge die kennisgeving brengt de nv Waterwegen en Zeekanaal een “gunstig advies” uit onder de volgende voorwaarde: “[…] Temeer gezien de omgeving van de Moerbeek effectief overstromingsgevoelig gebied betreft, is het belangrijk ook watertoetsadvies te vragen aan de provincie. W&Z sluit zich aan bij dit watertoetsadvies. In elk geval dient de geldende regelgeving m.b.t. de waterkwaliteit (VLAREM, ... ) strikt te worden nageleefd”. Van dit “advies” wordt in de in eerste aanleg genomen beslissing over de vergunningsaanvraag enkel gewag gemaakt bij de algemene beschouwingen over het openbaar onderzoek. Met betrekking tot hetzelfde “advies” overweegt de bestreden beroepsbeslissing dat “naar aanleiding van het openbaar onderzoek een voorwaardelijk gunstig advies van Waterwegen en Zeekanaal nv werd uitgebracht”. In beide voornoemde beslissingen wordt het bestaan van dit advies louter als feit vermeld zonder in te gaan op de inhoud ervan. Zo hebben de betrokken vergunningverlenende overheden niet onderzocht of het standpunt van de nv Waterwegen en Zeekanaal inhoudelijk voldoet aan de vereisten van artikel 7 van het watertoetsbesluit. 24. In de aanhef van de bestreden beslissing wordt “het gunstige advies van 19 december 2014 van de dienst Integraal Waterbeleid van de provincie Oost-Vlaanderen” vermeld. In dit advies wordt verwezen naar een watertoets die “in het kader van de milieuvergunningsaanvraag op 16 oktober 2014 door de deputatie” werd uitgevoerd, en die “aangezien uw adviesaanvraag kadert in een beroepsprocedure met ongewijzigde plannen geldt [...] als huidig wateradvies”. Aldus wordt in wezen verwezen naar de watertoets waarop de in eerste aanleg verleende milieuvergunning steunt. 25. Voorts wordt in de bestreden beslissing overwogen dat er geen risico bestaat op een schadelijk effect in geval van overstroming omdat “de opslag van het septisch materiaal, het afvalolie-watermengsel en het vetafval gebeurt in verplaatsbare bovengrondse tanks” die “in geval van overstroming [...] naar een hoger gelegen zone binnen het bedrijfsterrein kunnen verplaatst worden”. VII-39.433-22/25 Volgens bijlage E4 bij de vergunningsaanvraag wordt het “septisch materiaal” opgeslagen in “6 ondergrondse putten (6 x 20 m³)” en bijkomend in “een opslagtank voor 100 m³”. Bijlage E5 maakt gewag van een opslag van 220 m³ in “septische putten”. Het uitvoeringsplan stemt overeen met bijlage E4. Het spreekt voor zich dat “ondergrondse putten” geen bovengrondse opslagtanks zijn, laat staan dat ze verplaatsbaar zouden zijn. Bovendien kan niet worden ingezien hoe een bovengrondse tank met een capaciteit van 100 m³ of 150 ton op korte termijn eenvoudig en veilig kan worden verplaatst bij een dreigende overstroming. Het afvalolie-watermengsel is in bijlage E4 terug te vinden als “afvalstoffen die olie bevatten” (in een dubbelwandige gecompartimenteerde opslagtank van 50 m³ en een opslagtank van 20 m³) en in bijlage E5 als “olie-water-slibmengsel” (in twee bovengrondse stalen tanks, van 50.000 respectievelijk 20.000 liter) en als “olie-watermengsel” (in een tank van 1.500 liter). De snelle en veilige verplaatsbaarheid van die opslagtanks lijkt evenmin evident. Met betrekking tot de opslag van vetafval vermeldt bijlage E4 “drie vaste houders (2 x 100 m³, 1 x 50 m³ = 375 ton) [...] met een vast ontwateringssysteem”, terwijl bijlage E5 het heeft over 375 ton in een “slibput” en 30 ton in een “bovengrondse opslag”. Ook voor de opslag van het vetafval kan niet als vaststaand worden aangenomen dat deze afvalstoffen opgeslagen worden in bovengrondse tanks die makkelijk en veilig te verplaatsen zijn. Bijlage E11 bij de vergunningsaanvraag somt de preventieve voorzieningen op. Daarin is geen sprake van de mogelijkheid om welke bovengrondse opslagtank dan ook te verplaatsen in geval van overstroming. De VII-39.433-23/25 verplaatsbaarheid van die opslagtanks wordt evenmin als bijzondere vergunningsvoorwaarde opgelegd. 26. De bestreden beslissing werd genomen zonder een naar behoren uitgevoerde watertoets en schendt bijgevolg artikel 8 DIWB en de artikelen 2/1, 3, 4 en 7 van het watertoetsbesluit. 27. Het middel is gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 27 april 2015 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 16 oktober 2014, houdende het verlenen aan de bvba Aqua Jet Vlerick van de milieuvergunning voor het exploiteren van een ruim- en reinigingsdienst, gelegen aan de Sluis 4 te Nazareth, ongegrond wordt verklaard. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verzoekende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien januari tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: VII-39.433-24/25 Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-39.433-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.649 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div