← België

Arrest 246651 - Milieuvergunningen - 16/01/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.651 Rolnummer: A. 222321/VII-40003 Zaak: Arrest 246651 - Milieuvergunningen - 16/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-01-21 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-25 23:21 Fiche Arrest nr 246.651 van 16 januari 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 246.651 van 16 januari 2020 in de zaak A. 222.321/VII-40.003 In zake : de STAD LANDEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Roggen en Jannick Poets kantoor houdend te 3500 Hasselt Kempische Steenweg 303, bus 40 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 2 juni 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 27 maart 2017 waarbij het bestuurlijk beroep tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 10 juli 2008, houdende de weigering aan de bvba Vollon van de milieuvergunning voor het exploiteren van een inrichting voor grond- en afbraakwerken, gelegen aan de Kraanbeekstraat te Landen, gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde vergunning onder voorwaarden wordt verleend. VII-40.003-1/25 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 december
  3. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jannick Poets, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Op 29 januari 2008 dient de bvba Vollon bij de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant een aanvraag in voor het exploiteren van een VII-40.003-2/25 inrichting voor grond- en afbraakwerken, gelegen aan de Kraanbeekstraat te Landen. De betrokken site is volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Tienen-Landen gelegen in industriegebied. De aanvraag strekt tot de herlokalisatie van een gelijkaardige inrichting die de bvba Vollon exploiteert te Willebringen. 3.
  6. Bij besluit van 10 juli 2008 weigert de deputatie de gevraagde milieuvergunning. De deputatie is van oordeel dat de geplande exploitatie milieutechnisch niet aanvaard kan worden wegens de ligging ervan in een overwegend open landbouwgebied en wegens de intensiteit van de breekactiviteiten. 3.
  7. Tegen deze beslissing stelt de bvba Vollon beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. 3.
  8. Met een besluit van 23 februari 2009 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur wordt het beroep gegrond verklaard, wordt de beroepen beslissing opgeheven en wordt de gevraagde milieuvergunning verleend met oplegging van een aantal bijzondere vergunningsvoorwaarden. 3.
  9. Bij arrest nr. 223.045 van 28 maart 2013 vernietigt de Raad van State de vergunningsbeslissing van 23 februari
  10. 3.
  11. Ingevolge dit vernietigingsarrest wordt de beroepsprocedure hernomen en neemt de bevoegde Vlaamse minister op 29 november 2013 een nieuwe beslissing waarbij het beroep gegrond wordt verklaard en de gevraagde milieuvergunning wordt verleend met oplegging van een aantal bijzondere vergunningsvoorwaarden. VII-40.003-3/25 3.
  12. Op 17 juli 2014 trekt de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur het voormelde besluit van 29 november 2013 in. Tegelijk doet zij opnieuw uitspaak over het beroep ingesteld tegen het deputatiebesluit van 10 juli 2008: het beroep van de bvba Vollon wordt andermaal gegrond verklaard en de gevraagde milieuvergunning wordt verleend mits naleving van een aantal bijzondere voorwaarden. 3.
  13. Het ministerieel besluit van 17 juli 2014 wordt op zijn beurt door de Raad van State vernietigd bij arrest nr. 236.192 van 20 oktober
  14. 3.
  15. Opnieuw wordt de beroepsprocedure tegen de in eerste aanleg genomen beslissing over de milieuvergunningsaanvraag hernomen. In dat kader brengen Ruimte Vlaanderen, de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, de Vlaamse Milieumaatschappij, de afdeling Milieuvergunningen en de Gewestelijke Milieuvergunninscommissie een (voorwaardelijk) gunstig advies uit. 3.
  16. Op 27 maart 2017 neemt de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw het thans bestreden besluit: het bestuurlijk beroep van de bvba Vollon wordt gegrond verklaard en de gevraagde vergunning voor het exploiteren van een inrichting voor grond- en afbraakwerken wordt verleend. Het bestreden besluit steunt op de volgende motieven: “Overwegende dat de aanvraag betrekking heeft op een activiteit die voorkomt op de lijst van bijlage II bij Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectenbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (MER-richtlijn), meer bepaald in de categorie 11b „installaties voor de verwijdering van afval‟; dat de aanvraag valt onder het toepassingsgebied van Omzendbrief LNE 2011/1-milieueffectbeoordeling en vergunningverlening voor bepaalde projecten ten gevolge van het arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2011 (C-435/09, Europese Commissie tegen België) van 22 juli 2011 (BS 31 augustus 2011); Overwegende dat de beoogde vergunning meer bepaald betrekking heeft op volgende activiteiten: - opslag en mechanisch behandelen van beton- en mengpuin; - opslag, sorteren en mechanisch behandelen van bouw- en sloopafval; - opslag, sorteren en hakselen van groenhoutafval; VII-40.003-4/25 - opslag van niet verontreinigde uitgegraven bodem, gezeefde grond, zand en teelaarde; Overwegende dat het bedrijf aan één zijde grenst aan het veevoederbedrijf AVEVE en verder omgeven is door agrarisch gebied; dat in een straal van 100 meter rondom de perceelgrenzen geen woningen zijn gelegen; dat de dichtstbijzijnde woning langs de spoorlijn aan de Kraanbeekstraat op circa 150 meter van de perceelgrens en op een afstand van ongeveer 360 meter van de inplanting van de breekinstallatie ligt; dat deze woning zich ten zuidoosten van de inrichting bevindt; dat de woonkern Ezemaal op circa 450 meter ten noordoosten gelegen is; Overwegende dat uit de geluidsstudie die is gevoegd bij de aanvraag, blijkt dat de geluidsnormen kunnen gehaald worden mits de door de exploitant aangegeven milderende maatregelen getroffen worden; dat een maximum van zes breeksessies per jaar moet volstaan voor de huidige activiteiten; dat uit de aanvraag blijkt dat een breeksessie ongeveer vijf dagen in beslag neemt; dat er bijgevolg geen aanzienlijke effecten zullen zijn; Overwegende dat bijgevolg het specifiek geluid veroorzaakt door de nieuwe inrichting ter hoogte van de dichtstbijzijnde woning bijkomend zal afnemen van 45 dB(A) naar 42 dB(A): Overwegende dat het bedrijf de volgende preventieve maatregelen voorziet om de stofhinder te beperken: - alle oppervlakken die bereden worden, zijn verhard; - om stofverspreiding tegen te gaan wordt er een talud met een groenscherm voorzien voor de afscherming van de ruilverkavelingsweg en het achterliggende landbouwgebied; - de sortering en de opslag van de verschillende fracties van het bouw- en sloopafval zal binnen gebeuren; de aangevoerde containers met bouw- en sloopafval zijn steeds afgedekt indien ze verstuivende stoffen bevatten; - er wordt een vernevelingsinstallatie voorzien om stofverspreiding tegen te gaan tijdens het breken; Overwegende dat alleen grond die voldoet aan bijlage V van het VLAREBO, zal aanvaard worden; Overwegende dat om vervuiling van de openbare weg door voertuigen tegen te gaan, de wielen gereinigd worden in de wasstraat vooraleer ze het bedrijfsterrein verlaten; Overwegende dat de exploitant langs drie wegen weg kan rijden van de site, namelijk de Kraanbeekstraat richting Ezemaal, de Ezemaalstraat richting Meer (Goetsenhoven) en de Hooibout richting Tienen; dat de Kraanbeekstraat en de Hooibout eenvaksbanen zijn; dat richting Meer de spoorweg Luik-Brussel moet worden overgestoken en dat het transport via een tweevaksbaan (Ezemaalstraat) kan rijden; dat het zou gaan over slechts 1,17 aanvoervrachten per werkdag en 1,30 afvoervrachten per werkdag of in totaal 2,47 vrachten per werkdag; dat er momenteel mesttransporten (2,08 per dag) voor een andere exploitant gebeuren langs dezelfde wegen; dat deze transporten zullen wegvallen wanneer de aangevraagde inrichting zal uitgebaat worden; dat de activiteiten van de exploitant bijgevolg slechts in heel beperkte mate bijkomend verkeer zullen genereren; dat langs de Ezemaalstraat enkele woningen gelegen zijn; dat er ter VII-40.003-5/25 plaatse slechts weinig verkeer is; dat de site voldoende ontsloten is voor het transport afkomstig van de aangevraagde inrichting; Overwegende dat de opslag van het verhakselde snoeihout beperkt is tot maximum twee maanden en het teveel zal afgevoerd worden naar een vergunde composteringsinstallatie; dat de overige grondstoffen en afvalstoffen die buiten worden opgeslagen, inert en geurloos zijn; dat rekening houdend met de voormelde overwegingen en de afstand tot de bewoning er geen geurhinder zal zijn; Overwegende dat er slechts een lozing van 0,1 m³/u, 0,2 m³/d en 30 m³/j huishoudelijk afvalwater en 0,2 m³/u, 1,8 m³/d en 450 m³/j bedrijfsafvalwater in oppervlaktewater wordt aangevraagd; dat het bedrijfsafvalwater via een KWS-scheider met coalescentiefilter zal worden geloosd op het oppervlaktewater; dat het regenwater zal worden opgevangen in twee citernes van 20 m3 en hergebruikt in het sprinklersysteem en voor het wassen van voertuigen en machines; dat het overtollige regenwater zal afgeleid worden naar een infiltratievoorziening; Overwegende dat de inrichting is gelegen in het Demerbekken en afstroomt naar de Crambeek; dat de inrichting niet gelegen is in overstromingsgevoelig gebied; Overwegende dat het bedrijfsterrein gelegen is in een gebied dat matig gevoelig is voor grondwaterstroming (type 2); dat er geen ondergrondse constructies worden aangevraagd; dat er bijgevolg geen schadelijk effect zal zijn op de grondwaterstroming; Overwegende dat de aanvraag werd getoetst aan de selectiecriteria zoals opgenomen in bijlage III bij voormelde MER-richtlijn (overgenomen in bijlage II bij het DABM); dat werd vastgesteld dat in het licht van de kenmerken van het project, de plaatselijke omstandigheden en de kenmerken van zijn potentiële effecten er geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn, zoals blijkt uit voorgaande overwegingen; dat er voldoende gegevens beschikbaar zijn om de vergunningsaanvraag te beoordelen en te oordelen dat er geen aanzienlijke effecten zijn; dat bijgevolg voor onderhavige aanvraag geen milieueffectenrapport moet worden opgemaakt; Overwegende dat in de onderstaande overwegingen de aanvaardbaarheid van de mogelijke hinder en de effecten op mens en milieu en de risico‟s voor de externe veiligheid veroorzaakt door de gevraagde inrichting wordt beoordeeld; Overwegende dat het beroep ingediend door de exploitant betrekking heeft op het weigeren van de vergunning voor het exploiteren van een inrichting voor grond- en afbraakwerken; Overwegende dat tijdens het openbaar onderzoek 123 bezwaren en een petitie werden ingediend die betrekking hebben op de onverenigbaarheid met het landelijk woongebied, het thuishoren in een echt industriegebied, gevaarlijke verkeerssituaties, schade aan het wegdek, geluids-, stof-, geur- en visuele hinder, toename van ongedierte en zwerfvuil, gezondheidsproblemen, vervuiling van de granen, aanwezigheid van een veevoederbedrijf, lozing van afvalwater, respecteren van de uren, vrijkomen van giftige stoffen, asbesthoudende afvalstoffen, waardevermindering van grond en huizen, weglaten van het groenscherm en het vervuilen van akkers; VII-40.003-6/25 Overwegende dat de aanvraag een herlokalisatie betreft van het bedrijf dat omwille van de uitbreiding van de oorspronkelijke activiteiten planologisch onverenigbaar is geworden met het agrarische gebied waarin de huidige site te Willebringen gesitueerd is; Overwegende dat het een nieuwe inrichting betreft; dat er alleen activiteiten zullen plaatsvinden tijdens de daguren; dat het omgevingsgeluid voor de dagperiode lager is dan de richtwaarde; dat bijgevolg overeenkomstig artikel 4.5.3.1, §3, van titel II van het VLAREM het specifiek geluid kleiner dan of gelijk aan de richtwaarde verminderd met 5 dB(A) moet zijn; dat dit voor een gebied gelegen op minder dan 500 m van een industriegebied overeenkomt met 45 dB(A) overdag; Overwegende dat door de gemeentelijk toezichthoudend ambtenaar van de stad Landen een oriënterend akoestisch onderzoek omgevingsgeluid werd uitgevoerd; dat hieruit blijkt dat het oorspronkelijke omgevingsgeluid voor de dagperiode in de Kraanbeekstraat op circa 150 m van het industrieterrein ongeveer 37 dB(A) bedraagt; dat deze waarde werd berekend uit een dertigtal LA95,1h waarden die werden opgemeten in de achtertuin van de woning Kraanbeekstraat nummer 82; dat de resultaten uit dit oriënterend akoestisch onderzoek aantonen dat het oorspronkelijke omgevingsgeluid in de Kraanbeekstraat en de omgeving van het industrieterrein aanzienlijk lager ligt dan de voorgeschreven milieukwaliteitsnorm voor de dagperiode; dat op pagina 3 van het oriënterend akoestisch onderzoek wordt vermeld dat de voorgeschreven meetmethodes en meetomstandigheden in titel II van het VLAREM voor de bepaling van het omgevingsgeluid vanwege praktische redenen niet strikt opgevolgd werden; dat de opmeting van het geluidsdrukniveau niet per octaafbanden gebeurde; dat hierdoor enerzijds belangrijke informatie eigen aan de te meten geluidsbronnen ontbreekt; dat anderzijds het aanduiden van stoorgeluid (bijvoorbeeld vogelgetsjilp in de band van 4 kHz) bij het bepalen van een specifieke geluidsbron onmogelijk is; dat octaafbandanalyse alleszins moet uitgevoerd worden bij eventuele emissie(bron)metingen; Overwegende dat een aantal geluidsproducerende activiteiten wordt ondergebracht in een loods; dat meer bepaald het sorteren van bouw- en sloopafval, het verkleinen van het metaal met de ijzerzaag en het shredderen van hout en plastiek binnen in het bedrijfsgebouw zal gebeuren; Overwegende dat Acoustical Engineering op 14 april 2008 een geluidssimulatiestudie heeft uitgevoerd; dat de studie uitgaat van een worst case scenario, waarbij alle geluidsproducerende machines die in open lucht staan opgesteld, tegelijkertijd in werking zijn; dat de voor de simulatie gebruikte geluidsvermogenniveaus van de betrokken machines gebaseerd zijn op effectieve geluidsmetingen, literatuurgegevens en leveranciersgegevens; dat de mobiele breekinstallatie met bijhorende zeefinstallatie en de houthakselaar de belangrijkste geluidsbronnen zijn; dat er gerekend werd met meewindcondities; dat in de studie rekening gehouden wordt met de gerichte opstelling van de breker en het geluidsafschermend effect van de betonnen keerwand en de loodsen; dat er vier evaluatiepunten werden beschouwd; dat in de studie geconcludeerd wordt dat, mits het parallel plaatsen van de breker aan de Hooibout en een optimaal gebruik van de aanwezigheid van de betonnen VII-40.003-7/25 keerwand en de stockberg, het specifieke geluid veroorzaakt door de nieuwe inrichting steeds conform de milieukwaliteitsdoelstellingen en de gestelde grenswaarde zal zijn in alle door titel II van het VLAREM vereiste evaluatiepunten; Overwegende dat uit voormelde studie van Acoustical Engineering blijkt dat de geluidsnormen kunnen gehaald worden mits de aangegeven milderende maatregelen getroffen worden; dat de studie is uitgegaan van een gelijktijdige aanwezigheid van zes verschillende geluidsbronnen namelijk een breker, een zeefinstallatie, een houthakselaar, een bulldozer en twee kranen; dat dit onwaarschijnlijk is aangezien naast de exploitant maar twee andere werknemers zullen tewerkgesteld worden op de site; dat het hakselen van groenhoutafval en het zeven en het breken van puin discontinue activiteiten zijn; dat omwille van het kleinschalig karakter van het bedrijf er geen nood is aan een permanente breekinstallatie en dat een maximum van zes breeksessies per jaar moet volstaan voor de huidige activiteiten; dat uit de aanvraag blijkt dat een breeksessie ongeveer vijf dagen in beslag neemt; dat het opportuun is om deze beperking van het aantal en de duur van de breeksessies als bijzondere voorwaarde op te nemen in de vergunning; Overwegende dat door Acoustical Engineering een aanvullende geluidsprognose werd opgesteld op 28 november 2008, waarin nog enkele bijkomende saneringsmaatregelen worden voorgesteld om het geluid veroorzaakt door de inrichting ter hoogte van de dichtstbijzijnde woning nog verder te beperken; dat het volgende voorstel werd uitgewerkt: - een scherm met een lengte van twaalf meter en een hoogte van vijf meter moet parallel aan de Kraanbeekstraat voor de breker en de zeef geplaatst worden; de afstand van de breker en de zeef tot het scherm mag maximaal het dubbele van de hoogte van het scherm bedragen; - een tweede scherm met een lengte van zeven meter en een hoogte van vier meter moet parallel aan de spoorweg en haaks op de keerwand ter hoogte van de houthakselaar geplaatst worden; - het scherm kan opgetrokken worden in betonblokken of het kan een stockberg zijn; het belangrijkste gegeven is dat de afstanden en de hoogtes gerespecteerd worden; Overwegende dat door voormeld voorstel het specifiek geluid veroorzaakt door de nieuwe inrichting ter hoogte van de dichtstbijzijnde woning bijkomend zal afnemen van 45 dB(A) naar 42 dB(A); dat dit overeenkomt met het wegnemen van een geluidsbron van 42 dB(A) en dus kan beschouwd worden als een duidelijke reductie van het geluid; dat met het opleggen van de voorgestelde saneringsmaatregelen het geluid tot een aanvaardbaar niveau voor de omgeving kan worden teruggebracht; Overwegende dat de geluidsprognose van Acoustical Engineering een simulatie betreft; dat de conformiteit met de geluidsnormen moet gecontroleerd worden met effectieve geluidsmetingen ter hoogte van de dichtstbijzijnde woningen; dat het daarom aan te bevelen is om na ingebruikname van de inrichting geluidsmetingen te laten uitvoeren door een erkend deskundige; Overwegende dat de geplande recyclageactiviteiten zowel diffuse stofemissies (vervoer, op- en overslag) als stofemissies via puntbronnen (breker) kunnen veroorzaken; dat de geplande breek- en zeefactiviteiten buiten VII-40.003-8/25 zullen plaatsvinden; dat het vervoer en de voorziene opslag van niet-verontreinigde uitgegraven bodem, gezeefde grond, zand en teelaarde eveneens aanleiding kunnen geven tot stofhinder; Overwegende dat alleen grond die voldoet aan bijlage V van het VLAREBO, mag aanvaard worden; dat de exploitant dit aan de hand van een technisch verslag of door analyses door een door de OVAM erkend laboratorium moet aantonen; Overwegende dat de voorziene breekinstallatie (Rubble Master RM80) uitgerust is met een stofsuppressiesysteem dat via waterverneveling in de breker en aan de puinuitvoer de stofhinder bij het breken tegengaat; dat in de aanvraag ook een sprinklersysteem voorzien wordt van het type „Mist-Air‟; dat hierbij een kunstmatige mist gecreëerd wordt van bijzonder fijne waterdruppels die het stof absorberen en neerslaan; dat deze zal aangewend worden om ook stofverspreiding ten gevolge van andere activiteiten tegen te gaan en de opslag te bevochtigen indien nodig; Overwegende dat het bedrijf voldoende preventieve maatregelen voorziet om stofhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken: - alle oppervlakken die bereden worden, zijn verhard; - om stofverspreiding tegen te gaan wordt er een talud met een groenscherm voorzien voor de afscherming van de ruilverkavelingsweg en het achterliggende landbouwgebied; - de sortering en de opslag van de verschillende fracties van het bouw- en sloopafval zal binnen gebeuren; de aangevoerde containers met bouw- en sloopafval zijn steeds afgedekt indien ze verstuivende stoffen bevatten; - er wordt een vernevelingsinstallatie voorzien om stofverspreiding tegen te gaan tijdens het breken; Overwegende dat conform het uitvoeringsplan een nieuwe verharde weg zal aangelegd worden op een gedeelte van het terrein; dat uit navraag blijkt dat dit een betonverharding betreft en de rest van de verhardingen van de bereden oppervlakken zullen bestaan uit steenslag; dat in de aanvraag ook een wasstraat is opgenomen; dat deze in eerste instantie bedoeld is voor het regelmatig onderhoud van de voertuigen uit het eigen machinepark; dat de wasstraat op het voorste gedeelte van het terrein gelegen is, waar de betonverharding voorzien is; dat om vervuiling van de openbare weg door voertuigen tegen te gaan, de wielen kunnen gereinigd worden in de wasstraat als alternatief voor een wielwasinstallatie vooraleer ze het bedrijfsterrein verlaten; Overwegende dat de exploitant langs drie wegen weg kan rijden van de site, namelijk de Kraanbeekstraat richting Ezemaal, de Ezemaalstraat richting Meer (Goetsenhoven) en de Hooibout richting Tienen; dat de Kraanbeekstraat en de Hooibout eenvaksbanen zijn; dat richting Meer de spoorweg Luik-Brussel moet worden overgestoken en dat het transport via een tweevaksbaan (Ezemaalstraat) kan rijden; dat het zou gaan over 1,17 aanvoervrachten per werkdag en 1,30 afvoervrachten per werkdag of 2,47 vrachten totaal per werkdag; dat momenteel er mesttransporten (2,08 per dag) voor een andere exploitant gebeuren langs dezelfde wegen; dat deze transporten zullen wegvallen wanneer de aangevraagde inrichting zal uitgebaat worden; dat bijgevolg de transporten van de exploitant grotendeels in de plaats zullen komen van de bestaande VII-40.003-9/25 mesttransporten; dat de activiteiten van de exploitant bijgevolg slechts in heel beperkte mate bijkomend verkeer zullen genereren; dat langs de Ezemaalstraat enkele woningen gelegen zijn; dat er ter plaatse slechts weinig verkeer is en dat er bijgevolg hoegenaamd geen verkeersgevaarlijke situaties zullen optreden; dat de genoemde wegen sporadisch gebruikt worden door vooral personenwagens en landbouwvoertuigen; dat er bijgevolg kan geconcludeerd worden dat de site voldoende ontsloten is voor het transport afkomstig van de aangevraagde inrichting en dat het bijkomende verkeer afkomstig van de inrichting heel gering zal zijn en de omgeving niet zal hinderen; Overwegende dat in de milieuvergunningsaanvraag afwijking gevraagd wordt van het in artikel 5.2.1.5, §5, van titel II van het VLAREM voorziene groenscherm van vijf meter breed; dat meer bepaald aan de grens met het bedrijf AVEVE geen groenscherm zal voorzien worden en dit omwille van de beperkte breedte van het perceel; dat de gehandtekende goedkeuring is toegevoegd aan het dossier; dat langs de andere zijden wel een groenscherm wordt voorzien, behalve ter hoogte van de loods; dat omwille van de beperkte afmetingen van het terrein op deze plaats een aantal voorzieningen is gepland, zoals een infiltratiebekken; dat het bijgevolg technisch onmogelijk is om ter hoogte van de loods een volwaardig groenscherm aan te leggen; dat bijgevolg het inrichtingsplan hier alleen lage beplanting voorziet; dat op hetzelfde plan ook alleen lage begroeiing is aangegeven ter hoogte van de opslag van groenhoutafval; dat uit navraag bij de exploitant blijkt dat dit een vergissing is op het plan en er op deze locatie wel degelijk een volwaardig groenscherm zal aangeplant worden; dat uit voorgaande overwegingen kan geconcludeerd worden dat de gevraagde afwijking kan worden toegestaan met uitzondering van de op het inrichtingsplan verkeerdelijk aangeduide zone met lage begroeiing; Overwegende dat er ook groenhoutafval zal worden aangevoerd en verhakseld op de inrichting; dat het groenhoutafval buiten wordt opgeslagen en een potentiële bron van geurhinder kan vormen; dat voor het groenhoutafval de krachtlijnen van de omzendbrief van 26 mei 2004 betreffende de kwaliteit van houtsnippers voor gebruik van mulchmateriaal zullen worden nagestreefd; dat dit onder andere inhoudt dat alleen gezond en zuiver snoeihout in aanmerking zal komen en er geen productie van mulchmateriaal uit afvalhout is toegestaan; dat bovendien in de omzendbrief is opgenomen dat de opslag van het verhakselde snoeihout beperkt is tot maximum twee maanden en het teveel moet afgevoerd worden naar een vergunde composteringsinstallatie; dat de overige grondstoffen en afvalstoffen die buiten worden opgeslagen, inert en geurloos zijn; dat rekening houdend met de voormelde overwegingen en de afstand tot de bewoning geen geurhinder te verwachten valt; Overwegende dat de lozing van 0,1 m³/u, 0,2 m³/d en 30 m³/j huishoudelijk afvalwater en 0,2 m³/u, 1,8 m³/d en 450 m³/j bedrijfsafvalwater in oppervlaktewater wordt aangevraagd; dat het huishoudelijk afvalwater afkomstig is van het sanitair van de werkplaats en het kantoor en via een individuele behandeling voor afvalwater zal geloosd worden op het oppervlaktewater; dat het bedrijfsafvalwater afkomstig is van de wasplaats voor voertuigen en machines en via een KWS-scheider met coalescentiefilter zal worden geloosd op het oppervlaktewater; dat het regenwater zal worden VII-40.003-10/25 opgevangen in twee citernes van 20 m3 en hergebruikt in het sprinklersysteem en voor het wassen van voertuigen en machines; dat het overtollige regenwater zal afgeleid worden naar een infiltratievoorziening; Overwegende dat overeenkomstig artikel 5, 1°, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid tegen de datum vermeld in artikel 51, § 2, van dit decreet een goede toestand van de watersystemen moet worden bereikt afhankelijk van de specifieke milieudoelstellingen; Overwegende dat volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets de inrichting is gelegen in het Demerbekken en afstroomt naar de Crambeek; dat de inrichting niet gelegen is in overstromingsgevoelig gebied; Overwegende dat het bedrijfsterrein gelegen is in een gebied dat matig gevoelig is voor grondwaterstroming (type 2); dat er geen ondergrondse constructies worden aangevraagd; dat er bijgevolg geen schadelijk effect zal zijn op de grondwaterstroming; Overwegende dat er nieuwe gebouwen en verharde oppervlakken gepland zijn; dat de totale oppervlakte hiervan minder dan 1 ha is; dat twee citernes van elk 20 m3 voor de opvang van hemelwater voorzien zijn; dat bijkomend een infiltratiebekken is voorzien op het inplantingsplan; dat dit bekken zo zal gedimensioneerd worden dat aan de gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater wordt voldaan; Overwegende dat uit bovenvermelde overwegingen blijkt dat de vergunningsplichtige activiteit mits naleving van de opgelegde voorwaarden verenigbaar is met het watersysteem en dat er geen schadelijke effecten aan het watersysteem worden verwacht; Overwegende dat een industriegebied overeenkomstig artikel 7 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen bestemd is voor de vestiging van industriële of ambachtelijke bedrijven; dat ze een bufferzone omvatten; dat voor zover zulks in verband met de veiligheid en de goede werking van het bedrijf noodzakelijk is, ze mede de huisvesting van het bewakingspersoneel kunnen omvatten; dat tevens in deze gebieden complementaire dienstverlenende bedrijven ten behoeve van de andere industriële bedrijven toegelaten worden, namelijk bankagentschappen, benzinestations, transportbedrijven, collectieve restaurants, opslagplaatsen van goederen bestemd voor nationale of internationale verkoop; Overwegende dat er geen nadere stedenbouwkundige ordening geldt; dat binnen een straal van 500 m zich bevinden: - ten noorden: agrarisch gebied; - ten oosten: agrarisch gebied, woongebied met landelijk karakter; - ten zuiden: agrarisch gebied; - ten westen: agrarisch gebied; Overwegende dat voor de inrichting eerdere stedenbouwkundige aanvragen bekend zijn: ⁕voor het gedeeltelijk ophogen van het terrein en de aanleg van een afwateringsgracht en wachtbekken werd een stedenbouwkundige VII-40.003-11/25 vergunning gegeven door het college van burgemeester en schepenen op 5 december 2006; ⁕de aanvraag inzake de nieuwe inrichting van een exploitatie voor grond- en afbraakwerken en kappen van bomen werd in beroep geweigerd door de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant op 11 maart 2010; Overwegende dat er op het industriegebied rond de inrichting een bufferzone met streekeigen beplanting aangebracht wordt, die een voldoende visuele afscherming ten overstaan van het omliggende open landschap garandeert; Overwegende dat de industriële gebieden een bufferzone omvatten, die moet worden aangebracht op het industriegebied zelf; dat de breedte en de aanleg van de bufferzone afhankelijk is van de oppervlakte en de vorm van het industriegebied zelf, van de aard van de industrieën, van de eigenlijke hinderlijkheid ervan en van de bestemming van de aanpalende gebieden; Overwegende dat door de aanvrager werd aangegeven dat er geen mogelijkheid bestaat om het geplande groenscherm te verbreden; dat het in casu een vrij kleinschalig industriegebied betreft dat omringd wordt door agrarisch gebied en paalt aan twee straten en de spoorlijn Brussel-Luik; dat in die omstandigheden een geringere bufferbreedte dan gebruikelijk aanvaardbaar is; dat gezien de aanwezigheid van een veevoederbedrijf en de specifieke configuratie van het industriegebied zelf het niet haalbaar is om een breder groenscherm te realiseren; dat de specifieke opbouw van de buffer (groen en schermen) voldoende is gezien de plaatsgesteldheid en het ontbreken van hindergevoelige zones in de onmiddellijke omgeving; Overwegende dat de aangevraagde inrichting verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat de hinder voor mens en milieu en de risico‟s voor de externe veiligheid, veroorzaakt door de gevraagde inrichting mits naleving van de milieuvergunningsvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt”. De milieuvergunning wordt afhankelijk gesteld van de naleving van de volgende bijzondere voorwaarden: “1) De keermuren van vier meter hoogte, aangegeven op het uitvoeringsplan, moet worden uitgebreid. Zo moeten de keermuur langs noordoostelijke zijde doorgetrokken worden vanaf de scheiding tussen de opslag van het zeefzand mengpuin en de opslag niet gehakseld groenhoutafval tot aan de loods. Ook naast de loods en parallel eraan wordt een keermuur van dezelfde hoogte voorzien overeenkomstig bijlage B p. 39 van de geluidsprognose opgesteld door Acoustical Engineering op 14 april
  17. 2) De breker wordt parallel aan de Hooibout geplaatst. 3) Bijkomend moet een aantal geluidsmilderende maatregelen worden aangebracht overeenkomstig de aanvulling van de geluidsprognose opgesteld door Acoustical Engineering op 28 november
  18. VII-40.003-12/25 o Een scherm met een lengte van twaalf meter en een hoogte van vijf meter moet parallel aan de Kraanbeekstraat voor de breker en zeef geplaatst worden. De afstand van de breker en zeef tot het scherm mag maximaal het dubbele van de hoogte van het scherm bedragen. Dit scherm kan opgetrokken worden in betonblokken of het kan een stockberg zijn. o Een tweede scherm met een lengte van zeven meter en een hoogte van vier meter moet parallel aan de spoorweg en haaks op de keerwand ter hoogte van de houthakselaar geplaatst worden. Dit scherm wordt opgetrokkken in betonblokken. 4) Het aantal breeksessies met de mobiele breker is beperkt tot maximaal zes per jaar, waarbij elke sessie maximaal vijf werkdagen mag bedragen. Er wordt niet gebroken tijdens het weekend. 5) De inrichting wordt alleen geëxploiteerd van 7h00 tot 19h
  19. 6) Bij de eerste breeksessie worden geluidsmetingen uitgevoerd door een erkend deskundige in de discipline geluid en trillingen. Het rapport van deze geluidsmetingen wordt bezorgd aan de afdeling Milieu-inspectie. 7) Vooraleer de voertuigen het terrein verlaten, worden de wielen gereinigd in de wasstraat om vervuiling van de openbare weg te voorkomen. 8) Bij droge periodes wordt de vernevelingsinstallatie ook ingezet voor de bevochtiging van de opslag. 9) Het groenscherm mag weggelaten worden op de grens van de percelen van het bedrijf AVAVE en naast de loods. De rest van het terrein wordt omgeven door een volwaardig groenscherm van vijf meter breed. Bijkomend ten opzichte van het inrichtingsplan moet voormeld groenscherm ook aangebracht worden naast de opslag van groenhoutafval tot aan de loods. 10) Het asbestcementafval moet in afzonderlijke containers worden opgeslagen en moet afgevoerd worden naar een vergunde verwerker. De opslag, het vervoer, het laden en het lossen van het asbestcementafval moet zodanig gebeuren dat er geen asbestvezels vrijkomen. Ander gevaarlijk asbestafval zoals spuitasbest moet onder alle omstandigheden uit de inrichting geweerd worden. 11) Om kwaliteitsvol mulchmateriaal te produceren, moet men volgende voorwaarden opvolgen: a. Alleen gezond en zuiver snoeihout komt in aanmerking voor verhakselen tot mulchmateriaal. Fijn groenmateriaal (gras, bladafval, haagscheersel, groen van coniferen,…) is niet toegelaten. Het produceren van mulchmateriaal uit afvalhout (bouw- en sloopafval, paletten,…) wordt eveneens niet toegestaan. b. Het mulchmateriaal moet vrij zijn van geur en verontreinigingen. c. De grofheid moet zich voor 90% bevinden tussen 10 en 50 mm. d. De opslag van het verhakselde snoeihout is beperkt tot maximaal twee maanden. Het teveel moet afgevoerd worden naar een vergunde composteringsinstallatie”. VII-40.003-13/25 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Verzaking aan de bestreden milieuvergunning
  20. In haar laatste memorie werpt de verzoekende partij op dat de bvba Vollon voor dezelfde inrichting een volledig nieuwe omgevingsvergunningsaanvraag heeft ingediend en dat zij heeft verzaakt aan de milieuvergunning die het voorwerp is van het annulatieberoep. De verzoekende partij meent dat het annulatieberoep door die verzaking “zonder voorwerp” is en dat het bestreden besluit “omwille van de rechtszekerheid” moet worden vernietigd. Beoordeling
  21. Aangezien de door de exploitant ingediende omgevingsvergunningsaanvraag heeft geleid tot een weigeringsbeslissing van de bevoegde Vlaamse minister, is er geen reden om aan te nemen dat hij zou hebben verzaakt aan de bestreden milieuvergunning.
  22. Het beroep is ontvankelijk. V. Onderzoek van het derde middel Standpunt van de partijen
  23. In een derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 4.3.1 en 4.3.2, § 2bis, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: DABM), de omzendbrief LNE 2011/1 - milieueffectbeoordeling en vergunningverlening voor bepaalde projecten ten gevolge van het arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2011 (C-435/09, Europese Commissie tegen België) van 22 juli 2011, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke VII-40.003-14/25 motivering van de bestuurshandelingen en van het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel: “doordat, de vergunningverlenende overheid een vergunning verleent met schending van de verplichtingen inzake milieueffectenrapportage, meer in het bijzonder wat betreft de verplichting tot screening van het project aan de hand van de criteria opgenomen in bijlage II van het DABM en de motivering ervan, Terwijl, de vergunningverlenende overheid een eigen beoordeling en uitdrukkelijke motivering moet voorzien waaruit blijkt dat [de] activiteiten kunnen plaatsvinden in omstandigheden die vanuit het oogpunt van de bescherming van de mens en het leefmilieu aanvaardbaar of toelaatbaar zijn en dat er geen aanzienlijke effecten zullen plaatsvinden; en terwijl, overeenkomstig de formele en materiële motiveringsplicht, een vergunningverlenende overheid duidelijk de met de ruimtelijke ordening verband houdende redenen dient op te geven waarop zij haar beslissing steunt, de opgegeven motieven moeten bovendien afdoende zijn”. In de toelichting bij het middel stelt zij dat de in het bestreden besluit opgenomen MER-screening bestaat uit een stijlformule, dat de verwerende partij “niet in concreto, en op afdoende gemotiveerde wijze, is nagegaan of er aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn van het voorgenomen project, meer in het bijzonder wat betreft de impact van de voorgenomen activiteiten op de nabijgelegen woongebieden, de akkers en het nabijgelegen veevoederbedrijf”. In dat verband benadrukt zij dat de verwerende partij niet, of minstens onvoldoende, heeft onderzocht of er risico‟s zijn voor mogelijke verontreiniging en zware ongevallen, noch de cumulatie met andere projecten zoals het nabijgelegen veevoederbedrijf en andere potentiële effecten. Ook zou de impact van het vrachtwagenverkeer op de deelgemeente Meer en de effecten van de vergunde activiteiten op de akkers, het veevoederbedrijf en het biologisch waardevol gebied “in geen enkel opzicht [zijn] behandeld in de bestreden beslissing en betrokken bij de screening”. Tot slot merkt de verzoekende partij op dat de bestreden beslissing tal van milderende maatregelen bevat opdat bij de exploitatie van de inrichting de geldende geluidsnormen zouden worden gerespecteerd en milderende maatregelen worden opgelegd inzake “stofhinder, regenwateropvang, het hergebruik van het regenwater en het effect op de grondwaterstroming”. Volgens de verzoekende partij duiden die opgelegde maatregelen er precies op dat het project wel aanzienzienlijke effecten kan hebben. VII-40.003-15/25
  24. De verwerende partij antwoordt dat wel degelijk werd tegemoet gekomen aan het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest nr. 236.192 van 20 oktober 2016 en er bijgevolg rechtsherstel werd verleend. In de bestreden beslissing is een duidelijk identificeerbare passage opgenomen waaruit blijkt dat er een toetsing aan de criteria van bijlage II bij het DABM heeft plaatsgevonden. Volgens de verwerende partij gaat het middel uit van een onvolledige lezing van de motivering van de bestreden beslissing.
  25. In haar laatste memorie herhaalt de verzoekende partij dat uit de opgelegde bijzondere vergunningsvoorwaarden blijkt dat het project wel aanzienlijke effecten kan hebben en acht zij het bevreemdend dat “enerzijds wordt gemotiveerd dat er geen aanzienlijke effecten te verwachten zijn en anderzijds [dat] er wel aanzienlijke milderende maatregelen worden opgelegd”. Zij wijst er ook op dat de later ingediende omgevingsvergunningsaanvraag werd geweigerd omdat de hinder en de effecten van de aangevraagde activiteiten niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt. Beoordeling
  26. In het bestreden besluit wordt gesteld dat “de aanvraag betrekking heeft op een activiteit die voorkomt op de lijst van bijlage II bij Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectenbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (MER-richtlijn), meer bepaald in de categorie 11 b „installaties voor de verwijdering van afval‟” en dat “de aanvraag valt onder het toepassingsgebied van de Omzendbrief LNE 2011/1 - milieueffectbeoordeling en vergunningverlening voor bepaalde projecten ten gevolge van het arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2011 (C-435/09, Europese Commissie tegen België) van 22 juli 2011 (BS 31 augustus 2011)”.
  27. Projecten van de categorieën die zijn opgenomen in bijlage II bij het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage, en die VII-40.003-16/25 de daar vastgestelde drempelwaarden niet overschrijden, vallen onder de toepassing van de omzendbrief als ze zijn opgenomen in de lijst die als bijlage bij de omzendbrief is gevoegd. In die lijst staan onder punt 11, b) “Installaties voor de verwijdering van afval (niet onder bijlage I vallende projecten)”. De omzendbrief stelt onder punt C.2 Richtsnoeren: “[...] Als een project onder het toepassingsgebied valt, moet de vergunningverlenende overheid ervoor zorgen dat voorafgaandelijk aan de beslissing over de vergunningsaanvraag een screening wordt uitgevoerd. De vergunningverlenende overheid moet in de motivering van haar beslissing over de vergunningsaanvraag een duidelijk identificeerbare passage opnemen waaruit op afdoende wijze blijkt dat het project gescreend is. Dit dient te gebeuren voor zowel nieuwe als voor hangende vergunningsaanvragen. [...] Een screening als vermeld in deze omzendbrief houdt in dat voor het concrete project nagegaan wordt of het, in het licht van zijn concrete kenmerken, de concrete plaatselijke omstandigheden en de concrete kenmerken van zijn potentiële milieueffecten, aanzienlijke milieueffecten kan hebben (de zogenaamde beoordeling geval per geval). Als uit de screening voor het concrete project blijkt dat er aanzienlijke milieueffecten kunnen zijn, moet de vergunningsaanvrager een milieueffectrapport opmaken. [...] Daarbij moet rekening worden gehouden met de criteria van bijlage II bij het DABM, onder andere: - de kenmerken van de projecten, waarbij in het bijzonder de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, de verontreiniging en hinder, alsook het risico van ongevallen in overweging moeten worden genomen; - de plaats van de projecten, waarbij rekening wordt gehouden met de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de geografische gebieden waarop de projecten een invloed kunnen hebben, door in het bijzonder het bestaande grondgebruik en het opnamevermogen van het natuurlijke milieu in overweging te nemen; - de kenmerken van het potentiële effect, in het bijzonder met betrekking tot het bereik van het effect (geografische gebied en de grootte van de getroffen bevolking). [...] De vergunningverlenende overheid moet ten slotte in de motivering van haar beslissing over de vergunningsaanvraag een duidelijk identificeerbare passage opnemen waaruit op afdoende wijze blijkt dat het project gescreend is door middel van een toetsing aan de relevante criteria van bijlage II bij het DABM, en waaruit blijkt waarom die screening in voorkomend geval heeft geleid tot de conclusie dat voor het project geen milieueffectrapport moest worden opgemaakt. VII-40.003-17/25 De vergunningverlenende overheid kan de vergunning voor projecten die onder het toepassingsgebied van deze omzendbrief vallen niet verlenen voor ze over voldoende informatie beschikt die een toetsing van het project aan alle relevante screeningscriteria mogelijk maakt én als uit de screening blijkt dat het project geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. [...]”.
  28. Zoals wordt aangegeven in de bestreden beslissing moet de screening uitgevoerd worden in het licht van de criteria opgenomen in bijlage II bij het DABM. Deze criteria zijn: “1° de kenmerken van de projecten. Bij de kenmerken van de projecten moeten in het bijzonder de volgende aspecten in overweging worden genomen: a) de omvang en het ontwerp van het hele project; b) de cumulatie met andere bestaande of goedgekeurde projecten; c) het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit; d) de productie van afvalstoffen; e) verontreiniging en hinder; f) de risico‟s op zware ongevallen of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie, waaronder rampen die worden veroorzaakt door klimaat-verandering, in overeenstemming met wetenschappelijke kennis; g) de risico‟s voor de menselijke gezondheid (bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling); 2° de locatie van de projecten. Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn, moeten in het bijzonder de volgende aspecten in overweging worden genomen: a) het bestaande en goedgekeurde landgebruik; b) de relatieve rijkdom aan en de beschikbaarheid, de kwaliteit en het regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) in het gebied en de ondergrond ervan; c) het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende types van gebieden: 1) wetlands, oeverformaties, riviermondingen; 2) kustgebieden en het mariene milieu; 3) berg en bosgebieden; 4) natuurreservaten en parken; 5) gebieden die in de wetgeving van de lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; 6) Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen krachtens het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu; 7) gebieden waarin de milieukwaliteitsnormen die in de wetgeving van de Unie zijn vastgesteld en die relevant zijn voor het project, niet worden nagekomen of worden beschouwd als niet nagekomen; 8) gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; VII-40.003-18/25 9) landschappen en plaatsen van historisch, cultureel of archeologisch belang; 3° de soort en de kenmerken van het potentiële effect. De waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van projecten moeten, in samenhang met de criteria, vermeld in punt 1° en 2°, in aanmerking worden genomen, met aandacht voor het effect van het project op de disciplines, vermeld in artikel 4.3.1, tweede lid, met inachtneming van: a) de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden); b) de aard van het effect; c) het grensoverschrijdende karakter van het effect; d) de intensiteit en de complexiteit van het effect; e) de waarschijnlijkheid van het effect; f) de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; g) de cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande of goedgekeurde projecten; h) de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen”. De toetsing aan vermelde criteria moet afdoende aantonen dat het voorgenomen project geen aanzienlijke milieueffecten zal teweegbrengen. Als dergelijke effecten niet kunnen worden uitgesloten moet een milieueffectrapport worden opgemaakt waarin “van een voorgenomen project en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven, de te verwachten gevolgen voor mens en milieu in hun onderlinge samenhang op een systematische en wetenschappelijk verantwoorde wijze worden geanalyseerd en geëvalueerd, en aangegeven wordt op welke wijze de aanzienlijke milieueffecten vermeden, beperkt, verholpen of gecompenseerd kunnen worden” (artikel 4.1.1, 8°, DABM).
  29. De passage in de bestreden beslissing waaruit zou moeten blijken dat het project afdoende gescreend werd, luidt als volgt: “Overwegende dat de aanvraag betrekking heeft op een activiteit die voorkomt op de lijst van bijlage II bij Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectenbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (MER-richtlijn), meer bepaald in de categorie 11b „installaties voor de verwijdering van afval‟; dat de aanvraag valt onder het toepassingsgebied van Omzendbrief LNE 2011/1-milieueffectbeoordeling en vergunningverlening voor bepaalde projecten ten gevolge van het arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2011 (C-435/09, Europese Commissie tegen België) van 22 juli 2011 (BS 31 augustus 2011); VII-40.003-19/25 Overwegende dat de beoogde vergunning meer bepaald betrekking heeft op volgende activiteiten: - opslag en mechanisch behandelen van beton- en mengpuin; - opslag, sorteren en mechanisch behandelen van bouw- en sloopafval; - opslag, sorteren en hakselen van groenhoutafval; - opslag van niet verontreinigde uitgegraven bodem, gezeefde grond, zand en teelaarde; Overwegende dat het bedrijf aan één zijde grenst aan het veevoederbedrijf AVEVE en verder omgeven is door agrarisch gebied; dat in een straal van 100 meter rondom de perceelgrenzen geen woningen zijn gelegen; dat de dichtstbijzijnde woning langs de spoorlijn aan de Kraanbeekstraat op circa 150 meter van de perceelgrens en op een afstand van ongeveer 360 meter van de inplanting van de breekinstallatie ligt; dat deze woning zich ten zuidoosten van de inrichting bevindt; dat de woonkern Ezemaal op circa 450 meter ten noordoosten gelegen is; Overwegende dat uit de geluidsstudie die is gevoegd bij de aanvraag, blijkt dat de geluidsnormen kunnen gehaald worden mits de door de exploitant aangegeven milderende maatregelen getroffen worden; dat een maximum van zes breeksessies per jaar moet volstaan voor de huidige activiteiten; dat uit de aanvraag blijkt dat een breeksessie ongeveer vijf dagen in beslag neemt; dat er bijgevolg geen aanzienlijke effecten zullen zijn; Overwegende dat bijgevolg het specifiek geluid veroorzaakt door de nieuwe inrichting ter hoogte van de dichtstbijzijnde woning bijkomend zal afnemen van 45 dB(A) naar 42 dB(A): Overwegende dat het bedrijf de volgende preventieve maatregelen voorziet om de stofhinder te beperken: - alle oppervlakken die bereden worden, zijn verhard; - om stofverspreiding tegen te gaan wordt er een talud met een groenscherm voorzien voor de afscherming van de ruilverkavelingsweg en het achterliggende landbouwgebied; - de sortering en de opslag van de verschillende fracties van het bouw- en sloopafval zal binnen gebeuren; de aangevoerde containers met bouw- en sloopafval zijn steeds afgedekt indien ze verstuivende stoffen bevatten; - er wordt een vernevelingsinstallatie voorzien om stofverspreiding tegen te gaan tijdens het breken; Overwegende dat alleen grond die voldoet aan bijlage V van het VLAREBO, zal aanvaard worden; Overwegende dat om vervuiling van de openbare weg door voertuigen tegen te gaan, de wielen gereinigd worden in de wasstraat vooraleer ze het bedrijfsterrein verlaten; Overwegende dat de exploitant langs drie wegen weg kan rijden van de site, namelijk de Kraanbeekstraat richting Ezemaal, de Ezemaalstraat richting Meer (Goetsenhoven) en de Hooibout richting Tienen; dat de Kraanbeekstraat en de Hooibout eenvaksbanen zijn; dat richting Meer de spoorweg Luik-Brussel moet worden overgestoken en dat het transport via een tweevaksbaan (Ezemaalstraat) kan rijden; dat het zou gaan over slechts 1,17 aanvoervrachten per werkdag en 1,30 afvoervrachten per werkdag of in totaal 2,47 vrachten per werkdag; dat er VII-40.003-20/25 momenteel mesttransporten (2,08 per dag) voor een andere exploitant gebeuren langs dezelfde wegen; dat deze transporten zullen wegvallen wanneer de aangevraagde inrichting zal uitgebaat worden; dat de activiteiten van de exploitant bijgevolg slechts in heel beperkte mate bijkomend verkeer zullen genereren; dat langs de Ezemaalstraat enkele woningen gelegen zijn; dat er ter plaatse slechts weinig verkeer is; dat de site voldoende ontsloten is voor het transport afkomstig van de aangevraagde inrichting; Overwegende dat de opslag van het verhakselde snoeihout beperkt is tot maximum twee maanden en het teveel zal afgevoerd worden naar een vergunde composteringsinstallatie; dat de overige grondstoffen en afvalstoffen die buiten worden opgeslagen, inert en geurloos zijn; dat rekening houdend met de voormelde overwegingen en de afstand tot de bewoning er geen geurhinder zal zijn; Overwegende dat er slechts een lozing van 0,1 m³/u, 0,2 m³/d en 30 m³/j huishoudelijk afvalwater en 0,2 m³/u, 1,8 m³/d en 450 m³/j bedrijfsafvalwater in oppervlaktewater wordt aangevraagd; dat het bedrijfsafvalwater via een KWS-scheider met coalescentiefilter zal worden geloosd op het oppervlaktewater; dat het regenwater zal worden opgevangen in twee citernes van 20 m3 en hergebruikt in het sprinklersysteem en voor het wassen van voertuigen en machines; dat het overtollige regenwater zal afgeleid worden naar een infiltratievoorziening; Overwegende dat de inrichting is gelegen in het Demerbekken en afstroomt naar de Crambeek; dat de inrichting niet gelegen is in overstromingsgevoelig gebied; Overwegende dat het bedrijfsterrein gelegen is in een gebied dat matig gevoelig is voor grondwaterstroming (type 2); dat er geen ondergrondse constructies worden aangevraagd; dat er bijgevolg geen schadelijk effect zal zijn op de grondwaterstroming; Overwegende dat de aanvraag werd getoetst aan de selectiecriteria zoals opgenomen in bijlage III bij voormelde MER-richtlijn (overgenomen in bijlage II bij het DABM); dat werd vastgesteld dat in het licht van de kenmerken van het project, de plaatselijke omstandigheden en de kenmerken van zijn potentiële effecten er geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn, zoals blijkt uit voorgaande overwegingen; dat er voldoende gegevens beschikbaar zijn om de vergunningsaanvraag te beoordelen en te oordelen dat er geen aanzienlijke effecten zijn; dat bijgevolg voor onderhavige aanvraag geen milieueffectenrapport moet worden opgemaakt”.
  30. Tot het voorwerp van de vergunnningsaanvraag behoort onder meer het mechanisch behandelen van beton- en mengpuin en van bouw- en sloopafval. Het verhakselen van groenhoutafval behoort daar eveneens toe. Het project in kwestie wordt bijgevolg gekenmerkt door mogelijk aanzienlijke effecten op het vlak van geluids- en stofhinder. De motivering van de bestreden beslissing erkent die effecten als intrinsieke kenmerken van de beoogde bedrijfsactiviteiten. VII-40.003-21/25 Met betrekking tot de geluidshinder wordt in de bestreden beslissing overwogen dat de geluidsnormen gehaald “kunnen” worden “mits de [door de exploitant] aangegeven milderende maatregelen getroffen worden”. Die conclusie steunt blijkbaar op een geluidssimulatiestudie die op 14 april 2008 werd uitgevoerd en op een aanvullende geluidsprognose die op 28 november 2008 werd opgesteld “waarin nog enkele bijkomende saneringsmaatregelen worden voorgesteld om het geluid veroorzaakt door de inrichting ter hoogte van de dichtstbijzijnde woning nog verder te beperken”. Voorts wordt in de bestreden beslissing aangekondigd dat “de conformiteit met de geluidsnormen moet gecontroleerd worden met effectieve geluidsmetingen ter hoogte van de dichtstbijzijnde woningen” en het “daarom aan te bevelen is om na ingebruikname van de inrichting geluidsmetingen te laten uitvoeren door een erkend deskundige”. De door het bestreden besluit opgelegde bijzondere vergunningsvoorwaarden houden verplichtingen in voor de aanleg van bijkomende keermuren, de exacte plaatsing van de breker, de lengte en hoogte van twee bijkomende schermen, het beperken van de breeksessies en het uitvoeren van geluidsmetingen bij de eerste breeksessie. Met betrekking tot het aspect stofhinder wordt in de bestreden beslissing erkend dat de geplande recyclageactiviteiten “zowel diffuse stofemissies (vervoer, op- en overslag) als stofemissies via puntbronnen (breker) kunnen veroorzaken” en dat “het vervoer en de voorziene opslag van niet-verontreinigde uitgegraven bodem, gezeefde grond, zand en teelaarde eveneens aanleiding kunnen geven tot stofhinder”. Om stofhinder te beperken wordt in de bijzondere vergunningsvoorwaarden opgelegd dat de wielen van de voertuigen in een wasstraat gereinigd moeten worden en dat in droge periodes de vernevelingsinstallatie wordt ingezet voor het bevochtigen van de opgeslagen stoffen.
  31. Het feit dat de verwerende partij het noodzakelijk heeft geacht om tal van bijzondere exploitatievoorwaarden te moeten opleggen om de geluids- en stofhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken, deels op grond van een VII-40.003-22/25 aanvullende geluidsstudie, vormt eerder een tegenaanwijzing bij de screeningscriteria inzake de ligging van het project en de specifieke kenmerken ervan. In dit verband kan er aan worden herinnerd dat het voor een afdoende MER-screening vereist is dat de vergunningverlenende overheid bijzondere aandacht heeft voor de “soort en de kenmerken van het potentiële effect” waarbij inzonderheid rekening moet worden gehouden met de “orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden)”, de aard en intensiteit van het effect en de “verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect”. In dit geval valt uit de MER-screening niet af te leiden dat de verwerende partij over voldoende garanties beschikte om het ruimtelijk bereik van de verwachte geluids- en stofhinder en de intensiteit ervan, correct in te schatten. Met de in de bestreden beslissing opgegeven motivering wordt derhalve niet op afdoende wijze aangetoond dat het voorgenomen project geen aanzienlijke milieueffecten kan teweegbrengen en dat het bij voorbaat niet nodig is om die effecten in een MER grondiger te analyseren en te evalueren.
  32. Het middel is gegrond. VII-40.003-23/25 BESLISSING
  33. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 27 maart 2017 waarbij het bestuurlijk beroep tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 10 juli 2008, houdende de weigering aan de bvba Vollon van de milieuvergunning voor het exploiteren van een inrichting voor grond- en afbraakwerken, gelegen aan de Kraanbeekstraat te Landen, gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde vergunning onder voorwaarden wordt verleend.
  34. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  35. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verzoekende partij. VII-40.003-24/25 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien januari tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.003-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.651 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.