id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.657 Rolnummer: A. 227687/VII-40514 Zaak: Arrest 246657 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 16/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-01-23 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-25 23:23 Fiche Arrest nr 246.657 van 16 januari 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 246.657 van 16 januari 2020 in de zaak A. 227.687/VII-40.514 In zake : de BVBA DE PAUW bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Opsommer kantoor houdend te 9700 Oudenaarde Gentstraat 152 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN OOST-VLAANDEREN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 21 maart 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1819-0560 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 5 februari 2019 in de zaak 1718-RvVb-0121-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Een beschikking van 24 april 2019 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.514-1/8 Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 december
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jan Opsommer, die verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten
- Met een besluit van 24 augustus 2017 weigert de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen (hierna: deputatie) een stedenbouwkundige vergunning aan de verzoekende partij “voor het regulariseren van de hernivellering van een deel van een weide”.
- Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de verzoekende partij tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van de deputatie. VII-40.514-2/8 IV. Onderzoek van het middel Standpunt van de verzoekende partij
- De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, de artikelen 4.8.2 en 4.8.9 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) “zoals thans hernomen onder de artikelen 105 Omgevingsvergunningsdecreet en 32 DBRC gekoppeld aan een miskenning van de bewijskracht van de stukken”. Zij licht toe dat het middel teruggaat op de verwerping door de RvVb van haar tweede middel waarin zij “de manier waarop de vergunningverlenende overheid de zogenaamde NOG-kaart met NOG-gebieden hanteerde” bekritiseerde omdat “door de vergunningverlenende overheid ten onrechte vanuit [werd] gegaan dat de ligging in NOG-gebied op de NOG-kaart impliceert dat het beteffende terrein van nature overstroombaar is”. Uit de motivering van het bestreden arrest “blijkt dat de [RvVb] van oordeel is dat de NOG-kaart de gebieden weergeeft die ooit overstroomd zijn. Hiermee stelt de [RvVb] dat de NOG-kaart waarop het betrokken perceel van de verzoekende partij voorkomt, aantoont dat het kwestieuze perceel overstroombaar is. Dit uitgangspunt is echter foutief nu de NOG-kaart is opgemaakt op basis van de afzettingen die werden vastgesteld ten gevolge van enerzijds overstromingen maar anderzijds ook erosie door afstromend water van hellingen. Precies deze tweede situatie doet zich in casu voor. Thans wordt ook op de website van de Vlaamse overheid […] erkend dat de NOG-kaart ook gebieden weergeeft die niet zijn overstroomd in het verleden maar waar afzettingen werden teruggevonden ten gevolge van afstromend water […]. Dit blijkt ook uit wetenschappelijke publicaties ter zake […]. Eenvoudig gezegd komen op de NOG-kaart de gebieden voor waar door overstroming afzettingen zijn terug te vinden en waar door erosie en afspoelende modder afzettingen terug te vinden zijn. De NOG-kaart duidt dus op de gronden waar overstromingen afzettingen achterlieten (de zogenaamde alluviale gronden) en gronden waar door erosie en afspoelende modder afzettingen achterbleven (de VII-40.514-3/8 zogenaamde colluviale gronden). De [RvVb] heeft dus de bewijskracht van de NOG-kaart miskend door te stellen dat het betrokken aanvraagperceel alluviale grond betreft omdat het voorkomt op de NOG-kaart. De specifieke ligging op een helling en de afstromende modder hebben in dit geval bodemmateriaal achtergelaten op het perceel van verzoekster, zodat dit een colluviale grond betreft. Het bestreden arrest heeft de NOG-kaart ten onrechte verengd tot een verzameling van alluviale gronden. Door deze miskenning van de bewijskracht van de NOG-kaart heeft de [RvVb] verkeerdelijk aangenomen dat het betrokken aanvraagperceel van nature overstroomt, reden waarom het tweede middel van verzoekster ten onrechte werd afgewezen. Zeker nu de foutieve lezing van de NOG-kaart die het bestreden arrest er op nahoudt het argument is waarop de volledige weigering van vergunning verder wordt gesteund, heeft deze miskenning van de bewijskracht van de NOG-kaart de beslissing van de [RvVb] bepaald”. De verzoekende partij betoogt verder dat het bestreden arrest tegenstrijdig is gemotiveerd. “Het arrest overweegt immers aan de ene kant dat het betrokken perceel wel degelijk van nature overstroombaar is maar aan de andere kant ook dat het onderbouwde standpunt van verzoekster dat de wetten van de hydraulica en de ligging op de flank van een helling verhinderen dat het perceel zou overstromen niet moet onderzocht worden omdat het een kritiek zou inhouden op de NOG-kaart. Deze twee standpunten zijn natuurlijk niet verzoenbaar. Ofwel is het perceel van nature overstroombaar en dan kan de verzoekende partij evident niet bewijzen met de wetten van hydraulica dat het niet kan overstromen ofwel is het perceel niet van nature overstroombaar en klopt de onderbouwing van het middel van de verzoekende partij en kon het bestreden arrest natuurlijk het tegendeel niet aannemen op grond van de NOG-kaart. Deze tegenstrijdigheid […] bewijst ten overvloede nog maar eens de miskenning van de bewijskracht van de NOG-kaart”. VII-40.514-4/8 Beoordeling
- Het middel gaat terug op de verwerping door de RvVb van het tweede middel waarin “de verzoekende partij ondergeschikt aan[voerde] dat de vergunningsplicht ten onrechte gebaseerd werd op grond van een beweerde negatieve impact op de waterhuishouding” waarvoor ze verwijst naar “haar tijdens de beroepsprocedure vertolkte argumenten in verband met het verleende wateradvies […] die volgens haar niet afdoende werden ontmoet”.
- Het bestreden arrest verwerpt het tweede middel van de verzoekende partij met volgende overwegingen: - de motivering uit het wateradvies van 29 juni 2017 dat werd overgenomen en bijgetreden door de deputatie is “een rechtstreeks antwoord op de kritiek van de verzoekende partij omtrent de ligging van het aanvraagperceel in overstromingsgevoelig en NOG-gebied” waaruit blijkt “dat de het betrokken aanvraagperceel alluviale grond betreft en omwille van die reden is aangemerkt als NOG-gebied”; deze motivering is afdoende en biedt concreet inzicht in de redenen waarom het betrokken perceel gesitueerd wordt in NOG-gebied; het betoog van de verzoekende partij dat omwille van de hydraulica een natuurlijke overstroming van het betrokken perceel uitgesloten is, is kritiek op de wijze waarop de NOG-gebieden zijn vastgesteld wat niet tot de beoordelingsbevoegdheid van de deputatie en ook niet van de RvVb behoort; - de stelling van de verzoekende partij dat er geen waterbergend vermogen noch infiltratiecapaciteit op het terrein verloren is gegaan, wordt afdoende pertinent en concreet weerlegd in de bestreden vergunningsbeslissing door de overwegingen dat i) door de uitvlakking van het terrein oppervlaktewater versneld afstroomt naar de beek waardoor onrechtstreeks infilitratiecapaciteit verloren gaat, en ruimte die ingenomen werd door water vervangen wordt door grond waardoor bergingsruimte verloren gaat, ii) wat betreft het belang van deze bergingsruimte, zowel de Peerdestokbeek als de Zwalm onderhevig zijn aan wateroverlast en uit hun oevers kunnen treden bij aanhoudende regenval door het relatief grote stroomgebied van de Peerdestokbeek, iii) de infiltratiecapaciteit van het terrein onrechtstreeks VII-40.514-5/8 beïnvloed wordt door het ophogen van het terrein omdat voorheen drassige grond geschikt wordt gemaakt voor landbouwdoeleinden waardoor er zwaarder transport op voor komt en de grond meer verdicht wordt; - de tegenwerpingen van de verzoekende partij in verband met het vaststellen van komvorming blijven beperkt tot loutere beweringen en worden niet concreet aangetoond. Het bestreden arrest besluit op basis van deze overwegingen “dat de bestreden [vergunnings]beslissing afdoende pertinente en draagkrachtige met de waterhuishouding verband houdende redenen bevat op grond waarvan de [deputatie] de argumenten van de verzoekende partij niet bijtreedt en oordeelt dat er wel een schadelijk effect op de waterhuishouding ontstaat” en dat deze beoordeling niet kennelijk onredelijk is.
- Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het bestreden arrest overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, § 2, van de RvS-wet, treedt de Raad van State immers “niet in de beoordeling van de zaken zelf”. In zoverre het middel de Raad van State noopt tot het in tweede instantie overdoen van de feitelijke beoordeling van de RvVb, is het onontvankelijk. Het middel wordt hierna onderzocht zonder in de beoordeling van de zaak zelf te treden.
- De aan de RvVb opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet -al ware die redengeving verkeerd of VII-40.514-6/8 onwettig- die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Alleen een gemis aan motivering -of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven- maakt een schending uit van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting.
- De overwegingen in het bestreden arrest ter verwerping van het tweede middel van de verzoekende partij, dat uit het wateradvies van 29 juni 2017 blijkt “dat het betrokken aanvraagperceel alluviale grond betreft en omwille van die reden is aangemerkt als NOG-gebied” en dat het betoog van de verzoekende partij dat omwille van de hydraulica een natuurlijke overstroming van het betrokken perceel uitgesloten is, kritiek is op de wijze waarop de NOG-gebieden zijn vastgesteld, zijn niet tegenstrijdig.
- Het middel bekritiseert niet de zelfstandige reden voor de ongegrondverklaring van het tweede middel van de verzoekende partij dat teruggaat op haar stelling dat er geen waterbergend vermogen of infiltratiecapaciteit verloren is gegaan.
- Het middel dat louter gericht is tegen het voor dit oordeel van de RvVb niet noodzakelijk, dragend motief, kan niet tot cassatie leiden.
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. VII-40.514-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien januari tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.514-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.657 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div