← België

Arrest 246658 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 16/01/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.658 Rolnummer: A. 227946/VII-40531 Zaak: Arrest 246658 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 16/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-01-23 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-25 23:23 Fiche Arrest nr 246.658 van 16 januari 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 246.658 van 16 januari 2020 in de zaak A. 227.946/VII-40.531 In zake :

  1. Roy SEBER
  2. Deborah SEBER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Els Empereur kantoor houdend te 2018 Antwerpen Generaal Lemanstraat 67 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
  3. de BVBA ADVOCATENASSOCIATIE VAN ORSHAEGEN & THIJS
  4. de BVBA VAN ORSHAEGEN, MAES & PARTNERS
  5. Dirk VAN ORSHAEGEN
  6. Heidi THIJS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Van der Straten kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210A, bus 10 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  7. Het cassatieberoep, ingesteld op 19 april 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1819-0742 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 19 maart 2019 in de zaak 1718-RvVb-0198-A. II. Verloop van de rechtspleging
  8. Een beschikking van 20 mei 2019 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar. VII-40.531-1/7 De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 december
  9. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Shavkat Egamberdiev, die loco advocaat Els Empereur verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Tinneke Huyghe, die loco advocaat Patrick Van der Straten verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  10. III. Feiten
  11. Met een besluit van 14 september 2017 verleent de deputatie van de provincieraad Antwerpen (hierna: deputatie) een stedenbouwkundige VII-40.531-2/7 vergunning aan de verzoekers “voor het aanleggen van een zwembad met een tuinberging”.
  12. Het bestreden arrest vernietigt op de vordering van de verwerende partijen de vergunningsbeslissing van de deputatie.
  13. Bij niet afgehaalde aangetekende brief van 18 december 2017 heeft de hoofdgriffier van de RvVb het verzoekschrift tot vernietiging van de vergunningsbeslissing en de termijn en voorwaarden om een verzoekschrift tot tussenkomst in te dienen meegedeeld aan de verzoekers. De verzoekers zijn niet tussengekomen in de procedure voor de RvVb. IV. Onderzoek van het middel Standpunt van de verzoekers
  14. De verzoekers voeren de schending aan van de artikelen 59/3 en 61 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: RvVb Procedurebesluit) en de artikelen 4.8.21 en 4.8.11, § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO): “Doordat, de Raad voor Vergunningsbetwistingen de brief waarin de mogelijkheid wordt geboden om tussen te komen in de vernietigingsprocedure, heeft betekend op het verkeerde adres ‘Napoleonkaai 13/301, 2000 Antwerpen’, waardoor verzoekende partijen onterecht niet werden aangeschreven als belanghebbenden in de zaak. En doordat, de Raad voor Vergunningsbetwistingen aldus een arrest velt met overtreding van het vereiste tegensprekelijk karakter van de procedure en op grond van een onregelmatige procedure. Terwijl, verzoekende partijen sinds 11 oktober 2017 verhuisd waren naar een ander adres ‘Leopold III-lei 23, te 2650 Edegem’ en derhalve geen weet hadden van het ingestelde vernietigingsberoep. En terwijl, verzoekende partijen aldus geen mogelijkheid hebben gehad om een verzoekschrift tot tussenkomst in te dienen, gevolgd door een schriftelijke VII-40.531-3/7 uiteenzetting teneinde het stadpunt van de beroepende partijen te weerleggen en bijgevolg een andere beslissing te bekomen van de Raad voor Vergunningsbetwistingen. En terwijl, verzoekende partijen aldus niet de mogelijkheid hebben om derdenverzet aan te tekenen. Zodat, het bestreden arrest tot stand is gekomen in strijd met de artikelen 59/3 en 61 van Besluit van 16 mei 2014 van de Vlaamse Regering houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, artikel 4.8.21 en artikel 4.8.11, §1, 1° VCRO. […] De door de Raad voor Vergunningsbetwistingen brief van 18 december 2017 kwam terug bij de Raad aan op 5 januari 2018 […]. Uit het bestreden arrest blijkt niet dat de Raad de vraag heeft gesteld aan de raadsman van de verwerende partijen omtrent het al dan niet verwittigen van de (raadsman van) verzoekende partijen omtrent het ingestelde vernietigingsberoep. Noch werd enige andere actie ondernomen om het tegensprekelijke karakter van de procedure te vrijwaren. […] In onderschikte orde en in zoverre Uw Raad zou oordelen dat het middel ongegrond zou zijn, vragen verzoekende partijen met eerbied Uw Raad om de reeds voornoemde prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Het derdenverzet staat los staat van de vraag of de procedure al dan niet regelmatig is verlopen, en is een uitzonderlijk rechtsmiddel, naast cassatie, ten behoeve van een benadeelde derde die geen kennis had van de zaak en van het bestaan ervan slechts kennis kreeg wanneer een tussenkomst niet meer mogelijk was (RvS 25 februari 2013, nr. 222.610). Vermits derdenverzet niet is voorzien in het DBRC-decreet, bestaat er duidelijke een lacune in het decreet, die aanleiding geeft tot een verschil in behandeling t.o.v. de procedure bij Uw Raad. Zoals reeds vermeldt, wordt dit verschil in behandeling niet verduidelijkt in het DBRC-decreet of in de memorie van toelichting ervan.” Zij verzoeken in onderschikte orde volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: “Schendt artikel 39 van het Decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges de artikelen 10 en 11 van de Grondwet al dan niet in samenhang gelezen met artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in de zin dat het derdenverzet niet wordt voorzien in de vernietigingsprocedure bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, terwijl dit rechtsmiddel wel wordt voorzien bij de vernietigingsprocedure bij de Raad van State, zoals bepaald in de artikelen 47-50 van het Besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State?” VII-40.531-4/7 Beoordeling
  15. De verzoekers zetten niet uiteen op welke wijze het bestreden arrest artikel 61, § 1, van het RvVb Procedurebesluit schendt. Het middel is in zoverre onontvankelijk.
  16. Artikel 4.8.21 VCRO bepaalt dat elk van de personen vermeld in artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, in de zaak kan tussenkomen. Artikel 59/3 van het RvVb Procedurebesluit bepaalt: “De griffier stelt de belanghebbenden bij de zaak, als ze kunnen worden bepaald, in de mogelijkheid een verzoek tot tussenkomst in te dienen. Hij deelt mee in welke vorderingen op dat ogenblik een tussenkomst mogelijk is, rekening houdend met de stand van de zaak. Een belanghebbende bij de zaak die niet de mogelijkheid kreeg om een verzoek tot tussenkomst in te dienen, kan een verzoek tot tussenkomst indienen, als die tussenkomst de procedure niet vertraagt.”
  17. De RvVb heeft met voormelde brief van 18 december 2017 (randnummer 5) de verzoekers als belanghebbenden in de mogelijkheid gesteld een verzoek tot tussenkomst in te dienen in de hangende procedure tegen de bestreden vergunningsbeslissing.
  18. Uit de gegevens van het dossier waarop de Raad van State acht mag slaan, blijkt dat het schrijven van 18 december 2017 van de hoofdgriffier van de RvVb aan de verzoekers werd verstuurd op het adres van de verzoekers waarvan melding wordt gemaakt in de voor de RvVb bestreden vergunningsbeslissing van de deputatie van 14 september
  19. Dat adres is het adres dat de verzoekers bij de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag hebben vermeld.
  20. Het middel dat ervan uitgaat dat het aangetekend schrijven van 18 december 2017 werd “betekend op het verkeerde adres ‘Napoleonkaai 13/301, 2000 Antwerpen’” mist feitelijke grondslag. VII-40.531-5/7
  21. Het middel wordt verworpen.
  22. Het antwoord op de in de prejudiciële vraag van de verzoekers aangevoerde schending door artikel 39 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet al of niet samengelezen met artikel 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, is van geen enkel belang voor de beoordeling van het door de verzoekers aangevoerde middel.
  23. Het verzoek in ondergeschikte orde tot het stellen van de prejudiciële vraag wordt verworpen. BESLISSING
  24. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  25. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 400 euro en een bijdrage van 40 euro, elk voor de helft, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partijen. VII-40.531-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien januari tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.531-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.658 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.