← België

Arrest 246661 - Dierenwelzijn - 16/01/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.661 Rolnummer: A. 221442/VII-39913 Zaak: Arrest 246661 - Dierenwelzijn - 16/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-01-23 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-28 07:13 Fiche Arrest nr 246.661 van 16 januari 2020 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 246.661 van 16 januari 2020 in de zaak A. 221.442/VII-39.913 In zake : 1. Fayçal FARDI 2. Samira JOUINI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Veldeman kantoor houdend te 9310 Aalst Baaikensveldweg 4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Greef kantoor houdend te 1700 Dilbeek Eikelenberg 20 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 4 februari 2017, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van 8 december 2016 gewezen door de Inspectie Dierenwelzijn van het Vlaamse Gewest, Departement Leefmilieu, Natuur en Energie met als kenmerk het dossiernummer G-16-3871; waarbij de hierna nader genoemde dieren definitief in volle eigendom worden gegeven aan het erkend dierenasiel Denderwindeke, Kerkveld, 29 te 9400 Denderwindeke nl. Mechelse herder, teef, geboren op 30 juni 2015 en met chipnr. 967000009781780; Duitse herder, reu, geboren op 1 augustus 2015 en met chipnr. 967000009797358; Mechelse herder, pup, meer dan 3 maand, niet gechipt Mechelse herder, pup, meer dan 3 maand, niet gechipt Mechelse herder, pup, meer dan 3 maand, niet gechipt”. VII-39.913-1/11 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 december 2019. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Kristof Leconte, die loco advocaat Dirk De Greef verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 10 september 2016 wordt naar aanleiding van een klacht een controle uitgevoerd bij tweede verzoekster. Er wordt een PV opgemaakt met betrekking tot de vaststellingen betreffende het welzijn van honden. VII-39.913-2/11 3.2. Met een schrijven van 13 oktober 2016 verzoekt de procureur des Konings de verwerende partij om over te gaan tot een controle van de leefomstandigheden en gezondheidstoestand van de dieren aanwezig bij de verzoekende partijen. 3.3. Een nieuwe controle vindt plaats op 20 oktober 2016 en er worden opnieuw vaststellingen gedaan. Volgende maatregelen worden opgelegd: - de drie pups dienen gechipt te zijn; - de honden dienen te beschikken over proper drinkwater; - de tuin moet worden opgeruimd; - de twee volwassen honden moeten worden getraind zodat de huidige verzoekende partijen ze onder controle hebben; - er moet met de honden worden gewandeld; - de honden mogen niet aan een ketting worden gehouden. 3.4. De verzoekende partijen krijgen één week de tijd om te voldoen aan deze maatregelen. 3.5. Op 3 november 2016 vindt er een nieuwe controle plaats en worden vier van de vijf honden in beslag genomen. 3.6. Tweede verzoekster wordt op 7 november 2016 gehoord. 3.7. Op 8 november 2016 maakt de dierenarts een verslag op betreffende de vier honden die op 3 november 2016 in beslag zijn genomen. In het verslag wordt vermeld: “Verslag: 4/11/2016 bezoek dierenasiel Ninove ter controle in beslag genomen honden Drie Mechelaar pups (2 reu’s en 1 teef) en 1 Mechelaar teef (moederdier). De pups zijn ongeveer 3 maand oud, niet gechipt en niet gevaccineerd. De pups zijn alert maar hun bodyscore is 2/5. Ze hebben alle drie een doffe, vuile en stinkende vacht. Ook werd bij alle [drie] diarree vastgesteld. De poten waren bevuild met mest. VII-39.913-3/11 Het teefje had een strakke ketting rond de hals, die enkel met een kniptang kon verwijderd worden. De 2 reuen hadden geen ketting aan, maar er was een afdruk in de hals te zien, die eveneens van een ketting kan zijn. De pups zijn door mij gechipt en gevaccineerd. Mechelaar teef (moederdier): chipnummer 967000009781780 Deze teef werd op 10/10/2015 door mij gechipt in het asiel. Zij werd als pup op straat gevonden en door de politie naar het asiel gebracht. Bodyscore moederdier 3/5, doffe, onverzorgde en stinkende vacht. Mest aan de poten. Vaccinatie status niet gekend”. 3.8. Op 25 november 2016 wordt de vijfde hond in beslag genomen. 3.9. De verwerende partij beslist op 8 december 2016 de dieren in toepassing van artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren (hierna: dierenwelzijnswet), definitief in volle eigendom te geven aan het erkend dierenasiel Denderwindeke. Dit is de bestreden beslissing. Zij is als volgt gemotiveerd: “Gelet op de vaststellingen en overtredingen in PV van de politie Gelet op het feit dat FARDI Fayçal niet gedomicilieerd is op het adres Pamelstraat 84, 9400 Ninove, doch hier meermaals door de politie werd aangetroffen; Gelet op het feit dat uit de vaststellingen van de politie FARDI Fayçal betrokken is bij de verzorging van de honden en het verhandelen van 1 pup geregeld heeft, Waardoor hij in deze bestemming als betrokkene wordt beschouwd. Gelet op het feit dat de politie meerdere tussenkomsten heeft uitgevoerd, dat meermaals maatregelen werden opgelegd, Dat betrokkenen geen maatregelen genomen hebben om het welzijn van de honden ten gronde te verbeteren; Gelet op het feit dat de honden niet voorzien werden in de basisbehoefte van drinkwater; Gelet op het feit dat uit het dierenartsverslag van het asiel (doffe vachten, diarree pups) kan afgeleid worden dat de honden niet van geschikt voeder voorzien werden. Wat getuigt van onvoldoende verzorging van de honden. Gelet op de zeer vuile huisvesting van de dieren in en om de woning, wat tevens de leefomstandigheden voor de bewoners zijn; Gelet op de ongeschikte beschutting Gelet op het herhaaldelijk aanbinden van de honden, ondanks het stedelijk verbod en de aanmaningen van de politie. VII-39.913-4/11 Gelet op de opvattingen van betrokkenen over de noden en verzorging van hun dieren, Gelet op de houding van betrokkenen, en hun onwil en onvermogen om in te zien dat de honden niet volgens hun welzijnsbehoeften gehouden worden. Gelet op het feit dat JOUINI niet over de financiële middelen beschikt voor afdoende verzorging van de honden. Gelet op de omgang van betrokkenen met controlerende personen is (gedeeltelijke) teruggave onder voorwaarden geen optie, aangezien onaangekondigde hercontroles niet behoorlijk kunnen uitgevoerd worden; Gelet op het feit dat uit bovenstaande blijkt dat het onverantwoord zou zijn om de honden te laten terugkeren naar de eigenaar aangezien uit de historiek duidelijk blijkt dat eerdere opgelegde maatregelen ter verbetering van het dierenwelzijn niet werden uitgevoerd; Gelet op het feit dat de dieren geen reële verkoopwaarde, minstens geen waarde hebben die in verhouding staat tot de kosten van transport, opvang, huisvesting en verzorging overeenkomstig de ethologische en fysiologische behoeften”. IV. Onderzoek van de middelen Eerste middel Standpunt van de verzoekende partijen 4. De verzoekende partijen voeren in een eerste middel de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht. Zij voeren ook aan dat de feiten waarop de beslissing steunt, niet correct en niet volledig zijn. Zij zetten vooreerst uiteen dat de honden in principe vrije loop hebben binnen bepaalde grenzen en tijdsperiodes zodat de inbreuken die betrekking hebben op de bewegingsvrijheid niet van toepassing zijn. Volgens de verzoekende partijen kunnen de vastgestelde inbreuken geenszins als een inbreuk op artikel 4 van de dierenwelzijnswet van 14 augustus 1986 worden weerhouden, temeer nu de vaststellingen zogenaamde momentopnames vormen. VII-39.913-5/11 Voorts gaan de verzoekende partijen nader in op de feitelijke vaststellingen, die zij samengevat als volgt betwisten:

  1. a)De vuile en lege eet- en drinkkommen zijn geen teken van verwaarlozing, ze wijzen er net op dat de dieren eten en drinken krijgen. Er bestaat trouwens geen verplichting om de kommen maximaal gevuld te houden. Een te volle kom heeft ongedierte en bacteriën tot gevolg; Tweede verzoekster als huismoeder vult de kommen geregeld bij; Dat het verzoek om de waterkommen te vullen niet werd ingewilligd wijten de verzoekende partijen aan het feit dat zij zich racistisch bejegend voelden door de verbalisanten;
  2. b)Het feit dat de honden aangebonden waren is slechts een momentopname. Er werd niet aangetoond dat de honden voortdurend werden aangebonden in strijd met de dierenwelzijnswet;
  3. c)De weerspannigheid van eerste verzoeker is geen inbreuk;
  4. d)Er bestaan geen wettelijk voorgeschreven richtlijnen voor een schuttingshok wanneer de honden niet voortdurend buiten gehouden worden en dus niet altijd opgehokt worden;
  5. e)De tuin die vol afval en rommel ligt, kan niet weerhouden worden als inbreuk. De rommel en het afval was het gevolg van renovatiewerken;
  6. f)De aangestampte uitwerpselen op de grond zijn wederom een momentopname. Later op de dag zou dit er anders hebben uitgezien;
  7. g)Er bestaat geen wettelijke verplichting om deel te nemen aan hondentraining. De verwerende partij besluit volgens hen ten onrechte tot verwaarlozing. Door het gebrek aan draagkrachtige motieven staat de miskenning van de materiëlemotiveringsplicht volgens de verzoekende partijen vast. Beoordeling 5. Bij het toezicht op de naleving van de materiëlemotiveringsplicht behoort het niet tot de bevoegdheid van de Raad van VII-39.913-6/11 State zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid. De Raad van State is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht slechts bevoegd na te gaan of deze overheid de haar toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. De bewering van de verzoekende partijen dat de vaststellingen niet kunnen worden gekwalificeerd als inbreuken op de dierenwelzijnswet kan niet worden gevolgd. Artikel 4, §§ 1 en 2, van deze wet luiden: “§ 1 Ieder persoon die een dier houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, moet de nodige maatregelen nemen om het dier een in overeenstemming met zijn aard, zijn fysiologische en ethologische behoeften, zijn gezondheidstoestand en zijn graad van ontwikkeling, aanpassing of domestikatie, aangepaste voeding, verzorging en huisvesting te verschaffen. § 2 Niemand mag de bewegingsvrijheid van het dier dat hij houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, zodanig beperken dat het aan vermijdbare pijnen, lijden of letsels is blootgesteld. Wanneer een dier gewoonlijk of voortdurend wordt vastgemaakt of opgesloten, moet het voldoende ruimte en bewegingsvrijheid krijgen, in overeenstemming met zijn fysiologische en ethologische behoeften”. De vaststellingen hebben betrekking op het niet voldoen aan deze vereisten. Uit de formele motieven van de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij oordeelde dat teruggave geen optie is aangezien onaangekondigde controles niet behoorlijk kunnen worden uitgevoerd en het, gelet op de historiek onverantwoord zou zijn om de dieren terug te laten keren naar de eigenaar: de tussenkomsten van de politie waarbij maatregelen werden opgelegd die niet werden nagekomen, de onvoldoende verzorging van de honden (gebrek aan drinkwater, vuile vacht en geen geschikt voedsel), de vuile huisvesting, het VII-39.913-7/11 gebrek aan beschutting, het herhaaldelijk aanbinden van de honden, de opvattingen van betrokkenen over de noden en verzorging van de honden, hun houding en hun onwil en onvermogen om in te zien dat de honden niet volgens de welzijnsbehoeften gehouden worden, het gebrek aan financiële middelen en de omgang met de controlerende personen. De formele motieven vinden steun in het administratief dossier (in de PV’s, in de fotoverslagen, in het verslag van de dierenarts van het asiel, in de weergave van het verhoor). De verzoekende partijen maken niet aannemelijk dat de feitelijke gegevens waarop de bestreden beslissing berust, niet correct zouden zijn. De standpunten die de verzoekende partijen innemen tonen niet aan dat de verwerende partij de grenzen van de redelijkheid zou zijn te buiten gegaan door de gevolgtrekking die zij heeft gemaakt, namelijk dat een teruggave van de dieren niet is aangewezen. De verklaringen van de verzoekende partijen met betrekking tot de lege eet- en drinkkommen, het aanbinden, het schuilhok, de leefomstandigheden en het gedrag van betrokkenen, weerlegt de vastgestelde toestand van de dieren niet. De herhaalde vaststellingen stemmen niet overeen met de door de verzoekende partijen verklaarde “momentopname”. Een verder onderzoek van het middel zou de Raad van State ertoe nopen in de feitelijke beoordeling van de zaak te treden waartoe hij niet bevoegd is. Het middel kan niet tot de nietigverklaring leiden. VII-39.913-8/11 Tweede middel Standpunt van de verzoekende partijen 6. De verzoekende partijen voeren in het tweede middel de schending aan van het redelijkheidsbeginsel omdat de overheid op klaarblijkelijke wijze een onjuist gebruik zou hebben gemaakt van haar beleidsvrijheid en derhalve niet tot een ernstige belangenafweging in concreto zou zijn gekomen. Beoordeling 7. Een schending van het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het redelijkheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de administratieve overheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. De verzoekende partijen maken niet aannemelijk dat de beslissende overheid lichtzinning zou zijn omgesprongen met de bestemmingsmogelijkheden die de dierenwelzijnswet biedt. Aan de verzoekende partijen werd de kans geboden om maatregelen te nemen. Onder de bespreking van het eerste middel is gebleken dat de verwerende partij niet ten onrechte heeft geoordeeld dat een teruggave van de dieren geen optie was. In het licht van de gedane vaststellingen kan de verwerende partij in de gegeven omstandigheden niet worden verweten de grenzen van haar appreciatievrijheid te hebben overschreden door te oordelen dat een teruggave onverantwoord zou zijn. Het middel kan niet tot de nietigverklaring leiden. VII-39.913-9/11 V. Rechtsplegingsvergoeding 8. De verwerende partij vraagt dat de verzoekende partijen zouden worden veroordeeld tot betaling van de wettelijk voorziene rechtsplegingsvergoeding. Er is grond om de verzoekende partijen met toepassing van artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, te veroordelen tot betaling van een minimum rechtsplegingsvergoeding van 140 euro. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro verschuldigd aan de verwerende partij. VII-39.913-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien januari tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-39.913-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.661 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.