id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.708 Rolnummer: A. 219463/X-16651 Zaak: Arrest 246708 - Plaatselijk openbaar ambt (provinciën, gemeenten, enz.) - Reglementen - 17/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-01-23 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-25 23:55 Fiche Arrest nr 246.708 van 17 januari 2020 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt (provinciën, gemeenten, enz.) - Reglementen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 246.708 van 17 januari 2020 in de zaak A. 219.463/X-16.651 In zake : Bernadette FORTUIN woonplaats kiezend te 9300 Aalst Peperstraat 42 tegen : de STAD AALST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alexander De Becker kantoor houdend te 1170 Brussel Vorstlaan 90 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 9 juni 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de stadssecretaris van de stad Aalst van 6 april 2016 om geen gunstig gevolg te geven aan de vraag van Bernadette Fortuin om haar vorige tewerkstelling bij de stad in aanmerking te nemen voor de toekenning van schaalanciënniteit als teamverantwoordelijke Cultuur, Evenementen en Infrastructuur. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. X-16.651-1/8 De verwerende partij en verzoekster hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 oktober
- Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Verzoekster die verschijnt, en advocaat Mattijs Vanmarcke, die loco advocaat Alexander De Becker verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoekster, sedert 1994 in dienst van de stad Aalst, wordt op 11 januari 1999 benoemd tot de graad van administratief medewerker (weddeschaal C1-C3) en op 27 november 2000 bevorderd tot de graad van administratief hoofdmedewerker (weddeschaal C4-C5). Op 23 november 2015 wordt zij benoemd in de graad van teamverantwoordelijke Cultuur, Evenementen en Infrastructuur (weddeschaal A1a-A2a). In een zes bladzijden tellend document beargumenteert verzoekster de “Relevantie en bewijsvoering schaalanciënniteit A3”. Zij verklaart X-16.651-2/8 ermee te willen aantonen dat de functie-inhoud van haar vroegere functie “sterk overeenstemt” met die van de nieuwe functie: “Alle kerntaken betreffende dienstverlening, leidinggeven, communicatie, kwaliteitsborging en beleidsadvies werden met veel engagement uitgevoerd. Bovendien zijn alle opdrachten, projecten en gevolgde opleidingen relevant voor mijn nieuw functie, zowel voor het leidinggeven als voor het inhoudelijke van cultuur, evenementen en infrastructuur.” Op 6 april 2016 beslist de stadssecretaris om geen gevolg te geven aan verzoeksters vraag om haar vorige tewerkstelling bij de stad in aanmerking te nemen voor de toekenning van schaalanciënniteit. Gemotiveerd wordt dat volgens juridisch advies van het agentschap Binnenlands Bestuur de rechtspositieregeling van de stad Aalst afwijkt van hogere regelgeving, namelijk het besluit van de Vlaamse regering van 7 december 2007 ‘houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel […]’, en dat daarenboven, mocht de stad de beroepservaring laten meetellen als schaalanciënniteit in de nieuwe graad, het bestuur dan “eigenlijk [zou] stellen dat er geen verschil is tussen de functionele loopbanen C4-C5 en A1a-A2a”. IV. Eerste en tweede middel Standpunt van de partijen
- Verzoekster voert in een eerste middel onder andere de schending aan van artikel 81 van de rechtspositieregeling van de stad Aalst. Volgens die bepaling wordt aan het personeelslid met beroepservaring bij een andere overheid of eigen overheid ook schaalanciënniteit – zijnde anciënniteit in een bepaalde salarisschaal van de functionele loopbaan van een bepaalde graad – toegekend indien die beroepservaring relevant is voor de functie waarin het personeelslid wordt aangesteld. In een tweede middel betoogt verzoekster dat, alhoewel zij haar werkelijke taken als C4-C5 heeft meegedeeld en alhoewel daaruit blijkt dat ze X-16.651-3/8 alle functies van het functieprofiel A1a-A2a in werkelijkheid reeds vervulde, de uitsluiting van de relevante beroepservaring niet wordt gemotiveerd. Volgens haar gaat het te dezen niet om een vergelijking of gelijkstelling van de schaalindelingen C4-C5 en A1a-A2a, maar gaat het “over de relevante beroepservaring d.w.z. de manier waarop verzoekster haar functie heeft uitgeoefend in het verleden, alsook de inhoud van haar vroegere functie die veel uitgebreider was dan de functiebeschrijving C4-C5”.
- In de memorie van antwoord repliceert de verwerende partij dat verzoekster in het eerste middel niet uiteenzet waarom artikel 81 van de rechtspositieregeling van de stad Aalst geschonden zou zijn: “Verwerende partij heeft geoordeeld dat, in toepassing van artikel 81 van haar rechtspositieregeling, geen gunstig gevolg aan de aanvraag kon worden gegeven. De beoordeling van de relevantie gebeurt immers, conform artikel 81 van de rechtspositieregeling, onder de eindverantwoordelijkheid van het hoofd van het personeel. Die heeft geoordeeld geen gunstig gevolg te kunnen geven aan de aanvraag.” Met betrekking tot het tweede middel laat de verwerende partij in de eerste plaats gelden dat de bestreden beslissing naar de vorm gemotiveerd is en dat de aangevoerde motieven de feitelijke en juridische grondslag vormen. In zoverre verzoekster de materiëlemotiveringsplicht geschonden acht, meent de verwerende partij dat artikel 81 van de rechtspositieregeling haar een discretionaire beoordelingsbevoegdheid laat om op basis van de door het betrokken personeelslid voorgelegde elementen te oordelen of de beroepservaring al dan niet relevant is voor de nieuwe functie. Vervolgens beargumenteert de verwerende partij uitvoerig waarom zij van mening is “dat de functionele loopbaan die de verzoekster heeft verworven binnen C1-3 en C4-C5 niet als relevant kan worden beschouwd voor het in aanmerking nemen van de schaalanciënniteit op niveau A”.
- In de laatste memorie beklemtoont de verwerende partij dat zij “wel degelijk” artikel 81 van de rechtspositieregeling van de stad Aalst heeft toegepast en conform de rechtspositieregeling heeft onderzocht of verzoekster relevante beroepservaring kon bewijzen om schaalanciënniteit binnen de X-16.651-4/8 weddeschaal A1a-A2a toe te kennen. Meervermeld artikel 81 laat haar in dat verband “een discretionaire beoordelingsvrijheid om na te gaan of zij op basis van de door het betrokken personeelslid voorgelegde elementen oordeelt dat de beroepservaring al dan niet relevant is voor de nieuwe functie”. Geoordeeld werd dat verzoekster niet over relevante ervaring beschikt die in aanmerking kan worden genomen voor het verkrijgen van enige schaalanciënniteit in niveau A. Beoordeling
- Naar de verwerende partij in haar procedurestukken bij de Raad van State bij hoog en bij laag beweert en niet ophoudt te herhalen, heeft zij geenszins – om welke reden ook – artikel 81 van de rechtspositieregeling van de stad Aalst buiten toepassing gelaten, maar heeft zij conform die bepaling onderzocht of verzoekster al dan niet relevante beroepservaring bewees opdat aan haar schaalanciënniteit zou kunnen worden toegekend binnen weddeschaal A1a- A2a – zodat zij mogelijk voor weddeschaal A3 in aanmerking komt. Evenwel, aldus de verwerende partij, moest zij oordelen “geen gunstig gevolg te kunnen geven aan de aanvraag aangezien het laten meetellen van de beroepservaring bij de Stad Aalst als schaalanciënniteit in de nieuwe graad erop zou neerkomen te stellen dat er geen verschil is tussen de functionele loopbanen C4-C5 en A1a- A2a”. Ofschoon lectuur van de bestreden beslissing het anders zou kunnen doen vermoeden, moet bijgevolg als doorslaggevend motief voor de verwerping van verzoeksters vraag om haar die schaalanciënniteit toe te kennen worden begrepen, de overweging dat “mocht de stad Aalst de beroepservaring willen laten meetellen als schaalanciënniteit in de nieuwe graad, dan zou het bestuur eigenlijk stellen dat er geen verschil is tussen de functionele loopbanen C4-C5 en A1a-A2a”.
- Bedoeld artikel 81 luidt: “[…] aan het personeelslid met beroepservaring bij een andere overheid of eigen overheid, in de privésector of als zelfstandige [wordt] ook X-16.651-5/8 schaalanciënniteit toegekend als die beroepservaring relevant is voor de functie waarin het personeelslid wordt aangesteld. De beoordeling van de relevantie van deze beroepservaring gebeurt onder de eindverantwoordelijkheid van het hoofd van het personeel. Die schaalanciënniteit wordt toegekend op basis van een vergelijking van die diensten met de voorwaarden en met het functieprofiel voor de functie waarin het personeelslid aangesteld wordt. Het personeelslid levert zelf de bewijsstukken voor de diensten die bij een andere overheid, de privésector of als zelfstandige gepresteerd werden. Als bewijsstukken worden aanvaard:
- attesten van de vroegere werkgever die bevestigen dat en hoelang een werknemer een bepaalde functie heeft uitgeoefend en die weergeven wat dat inhield;
- de functiebeschrijving van de vroegere uitgeoefende functie;
- evaluaties over de uitoefening van de vroegere functie;
- zo nodig, attesten of getuigschriften van aanvullende vorming.”
- Te dezen vroeg verzoekster om voor haar schaalanciënniteit in de nieuwe functie als teamverantwoordelijke Cultuur, Evenementen en Infrastructuur rekening te houden met de diensten die zij sinds 1999 bij de verwerende partij leverde. Zij beschreef deze diensten in een zes bladzijden tellende nota, waarvan de inhoud bevestigd wordt door haar betrokken leidinggevenden.
- Op grond van het sub randnummer 8 geciteerde voorschrift kwam het de verwerende partij toe om de relevantie van de aldus bewezen beroepservaring te beoordelen door de aangevoerde diensten te toetsen aan de voorwaarden en het functieprofiel voor verzoeksters nieuwe functie. Dat de verwerende partij, zoals zij opmerkt, bij die beoordeling over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt, is één zaak. Een andere is dat die discretionaire beoordelingsbevoegdheid ook effectief en in concreto moet worden uitgeoefend, en dat zulks in de regel afdoende tot uiting behoort te worden gebracht in de formele motivering van de genomen beslissing.
- De bestreden beslissing zelf bevat geen enkel spoor van enige concrete vergelijking of toetsing van diensten. De verwerende partij beperkt zich in de beslissing tot een uitspraak die erop neerkomt schaalanciënniteit in het X-16.651-6/8 geval van verzoekster per definitie en a priori uit te sluiten. Evenmin kan uit het administratief dossier worden opgemaakt dat aan de bestreden beslissing een deugdelijke vergelijking ten grondslag ligt van de diensten die verzoekster in haar nota aanvoerde met de voorwaarden en met het functieprofiel voor haar nieuwe functie. Aldus blijkt hoe dan ook niet dat de verwerende partij haar bevoegdheid te dezen daadwerkelijk naar behoren heeft uitgeoefend.
- Het eerste en het tweede middel, tezamen genomen, zijn in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van de stadssecretaris van de stad Aalst van 6 april 2016 om geen gunstig gevolg te geven aan de vraag van Bernadette Fortuin om haar vorige tewerkstelling bij de stad in aanmerking te nemen voor de toekenning van schaalanciënniteit als teamverantwoordelijke Cultuur, Evenementen en Infrastructuur.
- De Raad van State verwijst de verwerende partij in de kosten, begroot op een rolrecht van 200 euro. X-16.651-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien januari tweeduizend twintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-16.651-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.708 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div