← België

Arrest 246724 - Arbeids- en beroepskaarten - 20/01/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.724 Rolnummer: A. 228146/XIV-38059 Zaak: Arrest 246724 - Arbeids- en beroepskaarten - 20/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-01-28 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-26 00:04 Fiche Arrest nr 246.724 van 20 januari 2020 Economische zaken - Arbeids- en beroepskaarten Beslissing : afvoering Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 246.724 van 20 januari 2020 in de zaak A. 228.146/XIV-38.059 In zake : Abdulrazak Muhammed Nezir AMIN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Ciska Servais en Rudi Desmet kantoor houdend te 2600 Antwerpen Posthofbrug 6 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 17 mei 2019, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van de Vlaamse Minister voor Werk, Economie, Innovatie en Sport d.d. 15 maart 2019, waarmee het administratief beroep d.d. 27 september 2018 van verzoekende partij, gericht tegen de beslissing d.d. 28 augustus 2018 van het departement Werk & Sociale Economie, Economische Migratie tot intrekking van de arbeidskaart A van verzoeker, afgewezen wordt en de intrekking van de arbeidskaart A van verzoeker behouden wordt”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Op 10 juli 2019 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan verzoeker de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 71, vierde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling XIV-38.059-1/7 bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: het besluit van de Regent van 23 augustus 1948). Verzoeker heeft gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 december
  3. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Benoit Forêt, die loco advocaten Ciska Servais en Rudi Desmet verschijnt voor verzoeker, is gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Niet-betaling van de kosten
  5. Krachtens artikel 70, § 1, eerste lid, 2° van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948, geeft het instellen van een beroep tot nietigverklaring aanleiding tot de betaling van een rolrecht van 200 euro. Artikel 66, 6°, van datzelfde besluit bepaalt dat de kosten, naast de in artikel 70 bedoelde rechten, onder meer nog omvatten “de bijdrage bedoeld in artikel 4, § 4, van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’.” Deze bepaling is van toepassing op de zaken ingeleid vanaf 1 maart
  6. XIV-38.059-2/7 Artikel 71, eerste en tweede lid, van datzelfde besluit bepalen dat de rechten bedoeld in artikel 70 en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, worden gekweten door middel van een overschrijving of een storting op de in die bepaling genoemde bankrekening, geopend bij de dienst die binnen de Federale Overheidsdienst van Financiën is aangewezen als bevoegd om de rechten en de bijdrage die betaald moeten worden in het kader van een voor de Raad van State ingediende procedure, te innen en dat de hoofdgriffier daartoe aan de schuldenaar een overschrijvingsformulier zendt dat een gestructureerde mededeling bevat die het mogelijk maakt om de te verrichten betaling in verband te brengen met de proceshandeling waarop ze betrekking heeft. Naar luid van artikel 71, vierde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 zal, indien de in het eerste lid bedoelde rekening niet gecrediteerd is binnen de termijn van dertig dagen na de ontvangst van het overschrijvingsformulier, het ingestelde beroep (tot nietigverklaring) van de rol worden geschrapt.
  7. Te dezen heeft de hoofdgriffier op 21 mei 2019 de uitnodiging verstuurd naar verzoeker op zijn gekozen woonplaats om over te gaan tot “betaling van een bijdrage van 20 EURO en een recht van 200 EURO”, met vermelding van de te crediteren rekening en de in te vullen gestructureerde mededeling. Deze brief bevat de volgende vermelding: “Indien de hierboven vermelde rekening niet gecrediteerd is binnen de termijn van dertig dagen na de ontvangst van het overschrijvingsformulier, overeenkomstig artikel 71 vierde lid van voornoemd besluit, deelt de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de betrokken partij mee dat de kamer naargelang van het geval de ingestelde vordering of het ingestelde beroep als niet verricht zal beschouwen of van de rol zal schrappen, tenzij de betrokken partij binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord. […]”. Op 24 mei 2019 wordt de genoemde bankrekening gecrediteerd met een bedrag van 200 euro. XIV-38.059-3/7 Met een aangetekend schrijven van 10 juli 2019 deelt de hoofdgriffier aan verzoeker mee dat voornoemde rekening niet voldoende is gecrediteerd binnen de vereiste termijn van dertig dagen na ontvangst van het overschrijvingsformulier en dat, overeenkomstig artikel 74, vierde tot en met zevende lid van het meergenoemde besluit van de Regent, de aangewezen kamer naargelang van het geval de ingestelde vordering of het ingestelde beroep als niet verricht zal beschouwen of van de rol zal schrappen, tenzij verzoeker binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord. Op 11 juli 2019 wordt de meergenoemde rekening gecrediteerd met een bedrag van 20 euro. Met een ter post aangetekende brief van 23 juli 2019 vraagt verzoeker om te worden gehoord. Standpunt van de verzoekende partij
  8. Ter terechtzitting verwijst verzoeker naar ’s Raads arrest nr. 242.440 van 26 september 2018 waarmee bij een betaling van het rolrecht binnen de voorziene termijn van 30 dagen doch een betaling van de bijdrage van 20 euro na het verstrijken van die termijn, de zaak niet van de rol werd geschrapt. Verzoeker geeft aan dat hij binnen de vervaltermijn van dertig dagen “bij wege van materiële vergissing, en voortbouwend op de gewoonte” slechts het rolrecht ten belope van 200 euro heeft betaald. Hij stelt dat hij die materiële vergissing heeft opgemerkt bij ontvangst van de brief van de griffier van de Raad van State van 10 juli 2019 en dat hij vervolgens de ontbrekende 20 euro dezelfde dag nog heeft bijgestort. Verzoeker had niet de intentie om de voorgeschreven formaliteit van de verschuldigde rechten te omzeilen of te ontduiken en hij heeft diligent gehandeld toen hij attent werd gemaakt op zijn vergissing. Een strikte toepassing van artikel 71, vierde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 zou volgens verzoeker in deze omstandigheden “leiden tot een buitenproportionele beperking van het recht van verzoeker op toegang tot [de Raad van State]”. XIV-38.059-4/7 Beoordeling
  9. Overeenkomstig de artikelen 71 en 66, 6°, van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 wordt het beroep tot nietigverklaring van de rol geschrapt wanneer de in de artikelen 71, eerste lid bedoelde rechten en bijdrage waarvan het totale bedrag aan de verzoekende partij werd meegedeeld niet wordt gekweten binnen de termijn van dertig dagen na ontvangst van de uitnodiging daartoe. Te dezen wordt vastgesteld dat een bedrag van 200 euro dat overeenstemt met het rolrecht tijdig werd betaald doch dat het voorgeschreven bedrag van 20 euro, dat overeenstemt met de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, van het voornoemde besluit van de Regent, laattijdig werd vereffend. De procedureregels vervat in de voornoemde reglementaire bepalingen zijn duidelijk, nauwkeurig en precies en verdienen omwille van de rechtszekerheid, de gelijke behandeling en het verbod van willekeur een consequente toepassing. Zij verdragen geen uitzonderingen om rekening te houden met elke bijzondere omstandigheid eigen aan een of andere partij, tenzij, zoals artikel 71, voorlaatste lid, van het genoemde besluit van de Regent voorschrijft, in hoofde van de betrokken partij overmacht of onoverwinnelijke dwaling is bewezen, wat te dezen niet het geval is. Verzoeker is er immers uitdrukkelijk op gewezen dat het te betalen totaalbedrag 220 euro bedraagt, bestaande eensdeels uit het rolrecht van 200 euro en anderdeels een bijdrage van 20 euro. Met een brief van 21 mei 2019 wordt hij door de hoofdgriffier uitdrukkelijk uitgenodigd om dit totale bedrag van 220 euro te kwijten op de wijze en binnen de termijn zoals in dat schrijven staat vermeld, en waarbij hij tevens, zonder enige dubbelzinnigheid, op de toe te passen sanctie wordt gewezen wanneer de bankrekening niet aldus is gecrediteerd. De “materiële vergissing” die verzoeker aanhaalt en die hij ter terechtzitting beschrijft, getuigt veeleer van een zekere onachtzaamheid doch levert niet het bewijs van overmacht of onoverwinnelijke dwaling. Procedurele rechten en verplichtingen gaan hand in hand en een verzoekende partij moet, XIV-38.059-5/7 wanneer zij er niet in slaagt overmacht of onoverwinnelijke dwaling aan te tonen, de gevolgen dragen van een procedurele vergissing of onachtzaamheid die zij begaat, in het bijzonder wanneer zij wordt bijgestaan door een raadsman die haar kan inlichten over de inhoud, betekenis en draagwijdte van de voorgeschreven procedurele verplichtingen. Te dezen ligt geen onevenredige beperking van het recht op toegang tot de rechter voor. Tot slot dient te worden vermeld dat ’s Raads arrest nr. 242.440 van 26 september 2018 een eenmalige uitspraak was die sedertdien niet meer is gevolgd.
  10. Het beroep dient met toepassing van artikel 71, vierde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 van de rol te worden geschrapt. IV. Terugbetaling
  11. Het rolrecht van 200 euro en de bijdrage van 20 euro dienen bijgevolg aan verzoeker te worden teruggestort. BESLISSING
  12. Het beroep wordt van de rol geschrapt.
  13. Het door verzoeker betaalde rolrecht van 200 euro en de bijdrage van 20 euro wat het beroep tot nietigverklaring betreft, wordt aan hem teruggestort door de dienst die binnen de Federale Overheidsdienst van Financiën is aangewezen als bevoegd om de rechten en bijdragen te innen in het kader van een voor de Raad van State ingediende procedure. XIV-38.059-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig januari tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, waarnemend voorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.059-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.724 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.