← België

Arrest 246755 - Naamsveranderingen - 21/01/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.755 Rolnummer: A. 224787/IX-9264 Zaak: Arrest 246755 - Naamsveranderingen - 21/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-01-30 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-26 00:18 Fiche Arrest nr 246.755 van 21 januari 2020 Justitie - Naamsveranderingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 246.755 van 21 januari 2020 in de zaak A. 224.787/IX-9264 In zake :

  1. Jasper BOUHLALA
  2. Maya BOUHLALA
  3. Luna BOUHLALA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Cilia Mathieu kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het beroep, ingesteld op 12 maart 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de federale overheidsdienst Justitie, dienst Naamsveranderingen, van 11 januari 2018 voor zover hierin wordt beslist het verzoek tot naamsverandering naar de familienaam Vanderwegen af te wijzen. II. Verloop van de rechtspleging
  5. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. IX-9264-1/15 Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 januari
  6. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Cilia Mathieu, die verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Michel van Dievoet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten 3.
  8. Op 5 mei 2015 dient de eerste verzoeker een vraag tot voornaams- en naamsverandering voor zichzelf in bij de dienst Naamsveranderingen van de federale overheidsdienst Justitie (hierna: de FOD Justitie), samen met een verzoek tot naamsverandering van zijn twee dochters Maya en Luna Bouhlala, opgesteld met toestemming van hun moeder. De eerste verzoeker vraagt om zijn voornaam Farid naar Jasper te veranderen, en zijn naam Bouhlala voor zichzelf en zijn twee dochters te veranderen naar Vanderwegen. IX-9264-2/15 Volgens het verzoek tot naamsverandering vormt het bespottelijk en belachelijk karakter van de naam ‘Bouhlala’, zowel in het Nederlands als het Arabisch/Berbers taalgebruik, een ernstige reden. Deze naam heeft een zware impact op het sociaal en professioneel leven van de eerste verzoeker. Een naamsverandering zal volgens de eerste verzoeker zijn integratie in de Belgische samenleving bevorderen. De gekozen naam ‘Vanderwegen’ is de familienaam van de grootmoeder van de kinderen van de eerste verzoeker aan moederszijde. Zowel de grootmoeder als haar echtgenoot gaan akkoord met deze naamskeuze (‘Standpunt met betrekking tot de naamswijziging’ van 20 februari 2015). 3.
  9. Bij brief van 23 september 2015 vraagt de gemachtigde ambtenaar om bijkomende informatie aan de raadsman van verzoekers: “De heer Bouhlala wenst voor zichzelf, en met [V. B.] voor de kinderen, de familienaam ‘Vanderwegen’ te officialiseren. Dit is de naam van de grootmoeder van de kinderen. [V. B.] heeft in haar verklaring duidelijk geschreven dat ze niet wenst dat de kinderen haar naam ‘[V. B.]’ zouden dragen. Gelieve, om het dossier te kunnen behandelen, nog volgende documenten te bezorgen, namelijk: - een bevestiging van het verzoek voor verzoeker, doch met duidelijk de vermelding waarom hij niet opteert voor de naam van zijn moeder; - een bevestiging van het verzoek door beide ouders, waaruit blijkt dat beiden (dus ook de vader) niet wensen dat de kinderen de naam [van hun moeder] zouden dragen.” 3.
  10. Bij brief van 13 oktober 2015 worden de gevraagde documenten/ toelichtingen aan de verwerende partij bezorgd. De eerste verzoeker stelt uitdrukkelijk dat hij niet wenst dat hij of zijn kinderen de naam van zijn moeder ‘S.’ zouden dragen. Beide ouders verklaren dat de tweede en de derde verzoekster niet de naam van hun moeder, maar wel de naam ‘Vanderwegen’ zouden dragen. IX-9264-3/15 Bij e-mail van 26 april 2016 en brief van 18 juli 2017 bevestigt de eerste verzoeker nogmaals zijn wens om niet de naam van zijn biologische moeder te krijgen. 3.
  11. In een nota aan de minister van Justitie van 4 december 2017 brengt de dienst Naamsveranderingen een negatief advies uit wat de naamswijziging betreft en een gunstig advies wat de voornaamswijziging betreft. 3.
  12. Met een ter post aangetekende brief van 11 januari 2018 wordt aan de eerste verzoeker de beslissing van de minister van Justitie meegedeeld waarbij de naamsverandering wordt geweigerd. Die beslissing luidt als volgt (voetnoten weggelaten): “I. Met betrekking tot uw verzoek tot naamsverandering krachtens de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen, wil ik u vooreerst meedelen aan welke strikte voorwaarden de toekenning van een naamsverandering onderworpen is. De naamsverandering is een uitzonderlijke maatregel (artikel 3, derde lid); de vastheid van naam blijft de regel en de wijziging de uitzondering, ongeacht de maatschappelijke evolutie van de naamkeuze bij de geboorte van een kind, erkenning of adoptie. Het is de taak van de overheid om het uitzonderlijk karakter te bewaren. De naamsverandering is een gunst en geen recht. Bijgevolg moet het verzoek tot naamsverandering op ‘ernstige’ en bewezen motieven steunen, omschreven als bijzonder precies en die een dwingend karakter hebben. De wet eist bovendien dat de gevraagde naam geen aanleiding mag geven tot verwarring, en verzoeker en derden niet mag schaden (artikel 3, derde lid). Deze voorwaarden zijn cumulatief. II. We hebben uw verzoek grondig onderzocht, maar de heer Minister is tot de beslissing gekomen dat uw situatie niet voldoende uitzonderlijk is en dat de redenen die u aanhaalt niet voldoende ernstig zijn om een naamsverandering te rechtvaardigen. In deze omstandigheden, is het de heer Minister wettelijk niet mogelijk om aan Z.M. de Koning voor te stellen u toelating te verlenen uw naam te veranderen in die van ‘Vanderwegen’. De naam wordt verkregen op de bij de wet opgelegde wijze van toepassing op het ogenblik van uw geboorte, hij kan nooit vrij gekozen worden. Een procedure tot naamsverandering op basis van de wet van 15 mei 1987 is louter administratief en doet geen afbreuk aan de bestaande afstammingsband tussen vader en kind. Daartegenover staat dat de heer Minister beslist heeft om gunstig gevolg te geven aan uw verzoek tot voornaamsverandering. Het ministerieel besluit tot IX-9264-4/15 voornaamsverandering werd overgemaakt aan de Federale Overheidsdienst Financiën. U zal hieromtrent ten gepaste tijde bericht ontvangen. III. Het is exact dat de huidige familienaam ‘Bouhlala’ moeilijkheden geeft bij uitspraak en spelling en een belachelijke connotatie kan hebben. De Dienst heeft u voorgesteld om ‘[S.]’ als familienaam te nemen (de naam van uw moeder), en voor de kinderen de naam ‘[V. B.]’ (de naam van hun moeder) maar daar wenst u niet op in te gaan. Het feit dat u zich volledig wenst te integreren [kan] niet weerhouden worden als ernstige reden om af te wijken van het principe van de vastheid van naam. Het kan niet weerhouden worden dat het dragen van een vreemd klinkende naam uitzonderlijk is in België. De heer Minister kan het uitzonderlijk karakter van de naamsverandering niet bewaren indien de enige vaststelling zou zijn dat indien de naam van een persoon een vreemde oorsprong heeft, dit zou volstaan om af te wijken van het principe van de vastheid van naam zonder dat het effectief schadelijk karakter ervan wordt aangetoond. Zo wordt er geen enkel bewijs voorgelegd [dat] dermate zwaar is dat ze het dragen van uw familienaam ondraaglijk maakt en een afwijking op de vastheid van naam rechtvaardigt. De keuze van de gevraagde naam wordt op geen enkele manier gerechtvaardigd, het is de naam van de moeder van uw ex-partner. U zou de belangen kunnen schaden van de legitieme titularissen van de naam ‘Vanderwegen’ en verwarring kunnen stichten aangaande zijn afstamming. Naar Belgisch recht wordt de familienaam bepaald door de vastgelegde afstamming of een adoptie en de keuze van een familienaam die afwijkt van die van de ouders kan aanleiding geven tot verwarring. De familienaam kan nooit vrij gekozen worden. Er is hier geen speciale reden om af te wijken van de wettelijke bepalingen. Op basis van de elementen in het dossier leek het voor de heer Minister eerder gewenst de vastheid van uw familienaam te behouden wat essentieel is om de burgerlijke stand bij te houden en de orde te behouden binnen de maatschappij en de families.” Dat is de bestreden beslissing. 3.
  13. Bij ministerieel besluit van 13 december 2017 krijgt de eerste verzoeker de machtiging om zijn voornaam te vervangen door die van ‘Jasper’. IX-9264-5/15 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Ambtshalve exceptie wat de tweede en derde verzoekster betreft
  14. Het auditoraat werpt in zijn verslag ambtshalve op dat het voorliggende beroep niet ontvankelijk is wat de tweede en derde verzoekster betreft. Deze exceptie wordt in het auditoraatsverslag als volgt onderbouwd (voetnoten weggelaten): “
  15. Artikel 376 van het Burgerlijk Wetboek luidt als volgt: ‘Wanneer de ouders het gezag over de persoon van het kind gezamenlijk uitoefenen, beheren zij ook gezamenlijk zijn goederen en treden zij gezamenlijk als zijn vertegenwoordiger op. Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke ouder geacht te handelen met instemming van de andere ouder wanneer hij, alleen, een daad van beheer van de goederen van het kind stelt, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen. Oefenen de ouders het gezag over de persoon van het kind niet gezamenlijk uit, dan heeft alleen de ouder die dat gezag uitoefent, het recht om de goederen van het kind te beheren en het kind te vertegenwoordigen, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen. De andere ouder behoudt het recht om toezicht te houden op het beheer. Met dat doel kan hij bij degene die het gezag uitoefent of bij derden alle nuttige informatie inwinnen en zich in het belang van het kind tot de jeugdrechtbank wenden.’ Een niet-ontvoogde minderjarige is onbekwaam om in persoon een vordering tot nietigverklaring in te dienen. Hij dient, overeenkomstig voormeld artikel 376 van het Burgerlijk Wetboek, hiervoor vertegenwoordigd te worden door hetzij de beide ouders indien zij het gezag over de persoon van het kind gezamenlijk uitoefenen, hetzij door de ouder die het gezag uitoefent, indien de ouders dit niet gezamenlijk over de persoon van het kind uitoefenen.
  16. Er rijzen vragen bij de ontvankelijkheid van het annulatieberoep in zoverre dit is ingesteld door de tweede en de derde verzoekende partij, die immers minderjarig zijn. Indien blijkt dat beide ouders het ouderlijk gezag samen uitoefenen, moeten beiden als wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarig kinderen, gezamenlijk optreden in de vernietigingsprocedure. Dit is hier niet het geval, aangezien enkel de vader als wettelijke vertegenwoordiger een annulatieberoep instelt. Het komt aan de eerste verzoeker toe om aan te tonen dat enkel hij het ouderlijk gezag uitoefent om vooralsnog tot de ontvankelijkheid van het beroep IX-9264-6/15 in hoofde van de tweede en derde verzoekende partij te besluiten. Voor de volledigheid kan worden opgemerkt dat de instemming van de moeder niet wordt vermoed. De Raad van State kan immers niet worden beschouwd als een ‘derde’ als bedoeld in de artikelen 373 en 376 van het Burgerlijk Wetboek. Het vermoeden van instemming, ingesteld bij dezelfde bepalingen, gaat derhalve niet op wanneer één ouder een annulatieberoep instelt, daar waar het ouderlijk gezag door beide ouders samen wordt uitgeoefend.
  17. Het beroep in hoofde van de tweede en derde verzoekende partij komt dan ook als onontvankelijk voor tenzij de verzoekende partijen in de laatste memorie toch nog elementen aanvoeren die het tegendeel bewijzen.”
  18. In zijn laatste memorie antwoordt de eerste verzoeker niet op deze exceptie. De raadsvrouw verklaart integendeel op de terechtzitting dat beide ouders nog gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen over de kinderen. Beoordeling
  19. Wanneer de ontvankelijkheid van het beroep in vraag wordt gesteld – en zulks des te meer wanneer dit zoals in casu gebeurt in het beredeneerd verslag dat over de zaak is opgesteld door het daartoe aangestelde lid van het auditoraat – dan moet die partij daarover een standpunt innemen en de nodige verduidelijkingen bijbrengen. De eerste verzoeker heeft niet meer inhoudelijk gereageerd op de opgeworpen exceptie in het auditoraatsverslag. Mede gelet op de toelichting van de raadsvrouw van de verzoekende partijen op de terechtzitting, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en besluit aldus dat het beroep wat de tweede en derde verzoekster betreft, niet ontvankelijk is. De ambtshalve exceptie is gegrond. IX-9264-7/15 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel, tweede onderdeel Standpunt van de partijen
  20. In een tweede onderdeel van het eerste middel voert de eerste verzoeker (hierna: verzoeker) de schending aan van “de materiële motiveringsplicht en de formele motiveringsplicht zoals vastgelegd in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en, aanvullend in ondergeschikte orde, het formele motiveringsbeginsel”. Volgens verzoeker worden de materiële- en de formelemotiveringsplicht geschonden door het intern contradictorische aspect van de bestreden beslissing. De bestreden beslissing stelt enerzijds dat er geen bewijs wordt voorgelegd dat dermate zwaar is dat het een afwijking op de vastheid van de naam rechtvaardigt, maar anderzijds wordt voorgesteld om de naam van verzoeker te wijzigen naar die van zijn moeder. Op die manier geeft de bestreden beslissing (impliciet) toe dat de redenen wel degelijk ernstig genoeg zijn om een wijziging te verantwoorden, aangezien ze anders geen wijziging zou mogen toestaan. Dat is tevens ook hetgeen meerdere malen telefonisch werd meegedeeld, aldus verzoeker. Zo heeft de dienst hem op 26 april 2016 telefonisch meegedeeld dat de naam ‘Bouhlala’ in aanmerking komt voor verandering, maar dat de naam ‘Vanderwegen’ geen juiste keuze is voor hem en zijn kinderen. Op 13 juni 2017 neemt de dienst Naamsveranderingen opnieuw telefonisch contact op, maar ditmaal met de raadsman van verzoeker en meldt hem dat in de huidige stand van het dossier de in het verzoekschrift aangehaalde redenen voor de naamsverandering voldoende ernstig lijken, maar dat de FOD Justitie zou willen aansturen op een keuze voor de naam van de moeder van verzoeker, zijnde ‘S.’. IX-9264-8/15
  21. In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat de bestreden beslissing niet tegenstrijdig is. In deze beslissing wordt onder meer melding gemaakt van de toepasselijke wet, van het principe van de vastheid van de naam, van het gebrek aan motieven die voldoende ernstig zijn om een naamsverandering te rechtvaardigen, van het feit dat de naam niet vrij kan worden gekozen, van het feit dat de wens om zich volledig te integreren geen ernstige reden is evenmin als het dragen van een naam van vreemde oorsprong, dat er geen stukken worden voorgelegd waaruit blijkt dat de naam ondraaglijk is, dat de naam ‘Vanderwegen’ verwarring kan stichten over de afstamming, en dat er dus geen reden is om af te wijken van de wettelijke bepalingen. De bestreden beslissing geeft volgens de verwerende partij duidelijk de determinerende motieven aan op grond waarvan ze werd genomen. De motivering is ook afdoende aangezien de motieven pertinent zijn en ze, mede gelet op het uitzonderlijk karakter van een naamsverandering, volstaan om de beslissing te dragen. Daarnaast wordt in de bestreden beslissing gesteld dat de huidige naam een belachelijke connotatie “kan” hebben en dat de dienst heeft voorgesteld om voor verzoeker de naam van zijn moeder aan te nemen en voor de kinderen de naam van hun moeder. Zoals blijkt uit de motivering van de weigeringsbeslissing is dit echter onvoldoende om de huidige naam als ondraaglijk te beschouwen en diende de minister de aanvraag tot naamswijziging te weigeren. Beoordeling 9.
  22. Luidens artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de formelemotiveringswet) moeten de individuele bestuurshandelingen uitdrukkelijk worden gemotiveerd. De beslissing die aan de betrokkene wordt meegedeeld, moet niet enkel het dictum bevatten, maar eveneens de redenen op grond waarvan de beslissing werd genomen. In de beslissing moet echter niet op elk argument dat IX-9264-9/15 door de betrokkene wordt aangevoerd, afzonderlijk worden geantwoord. Het volstaat dat de beslissing duidelijk de redenen doet kennen die haar verantwoorden. Artikel 3 van de formelemotiveringswet bepaalt dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Deze motivering moet afdoende zijn. Dit laatste betekent dat de motivering pertinent moet zijn, wat inhoudt dat de motivering duidelijk met de bestreden beslissing moet te maken hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, wat betekent dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De betrokkene moet in de hem aanbelangende beslissing de motieven kunnen lezen op grond waarvan ze werd genomen zodat hij kan nagaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen. De motivering moet de betrokkene in staat stellen om met kennis van zaken te oordelen of het zinvol is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. 9.
  23. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat er voor elke administratieve beslissing rechtens aanvaardbare motieven moeten bestaan. Dit betekent onder meer dat die motieven steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Bovendien moet de overheid de gegevens die in rechte en in feite juist zijn, correct beoordelen en op grond van deze gegevens in redelijkheid tot een beslissing komen. Een beslissing schendt de materiëlemotiveringsplicht wanneer de motieven waarop ze steunt onjuist of onwettig zijn of de beslissing niet kunnen dragen. Het komt de Raad van State daarbij in principe niet toe het feitenonderzoek over te doen om zich aldus, wat de appreciatie van de zaak betreft, in de plaats te stellen van de administratie. Het behoort daarbij wel tot de bevoegdheid van de Raad van State na te gaan of de ingeroepen feiten werkelijk bestaan indien ze worden betwist. Indien wordt geoordeeld dat de beslissing steunt op onbestaande, onvoldoende bewezen feiten, dan is het materiëlemotiveringsbeginsel geschonden. IX-9264-10/15 10.
  24. Volgens verzoeker is er een tegenstrijdigheid in de motieven van de bestreden beslissing door enerzijds te stellen dat er geen ernstige redenen zijn om een naamsverandering toe te staan, maar anderzijds wel de mogelijkheid te geven om de naam te wijzigen naar de naam van de moeder. 10.
  25. In de bestreden beslissing wordt enerzijds gesteld dat: “We hebben uw verzoek grondig onderzocht, maar de heer Minister is tot de beslissing gekomen dat uw situatie niet voldoende uitzonderlijk is en dat de redenen die u aanhaalt niet voldoende ernstig zijn om een naamsverandering te rechtvaardigen.” Anderzijds kan erin worden gelezen: “Het is exact dat de huidige familienaam ‘Bouhlala’ moeilijkheden geeft bij uitspraak en spelling en een belachelijke connotatie kan hebben. De Dienst heeft u voorgesteld om ‘[S.]’ als familienaam te nemen (de naam van uw moeder), en voor de kinderen de naam ‘[V. B.]’ (de naam van hun moeder) maar daar wenst u niet op in te gaan.” 10.
  26. Luidens artikel 3, derde lid, van de wet van 15 mei 1987 ‘betreffende de namen en voornamen’, zoals die bepaling van toepassing was ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing, kan de koning de naamsverandering uitzonderlijk toestaan indien hij van oordeel is dat het verzoek op ernstige redenen steunt en de gevraagde naam geen aanleiding geeft tot verwarring en de verzoeker of derden niet kan schaden. Uit het voorstel van de administratie om een andere naam te kiezen, volgt noodzakelijkerwijze dat zij van oordeel is dat de moeilijkheden bij uitspraak en spelling en de belachelijke connotatie een ernstige reden uitmaken. Dit wordt door de bestreden beslissing niet tegengesproken, maar door de weergave van het voorstel van de administratie in de bestreden beslissing juist bevestigd. IX-9264-11/15 Het standpunt ingenomen in de memorie van antwoord door de verwerende partij dat voormelde reden als niet ernstig is verworpen, kan dan ook niet worden gevolgd. Er bestaat bijgevolg een inhoudelijke tegenstrijdigheid in de motieven van het bestreden besluit waardoor de genomen beslissing niet is gesteund op een deugdelijk motief.
  27. Het tweede onderdeel van het eerste middel is gegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  28. In het tweede middel voert verzoeker de schending aan van “de materiële motiveringsplicht alsook de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en, aanvullend in ondergeschikte orde, het formele motiveringsbeginsel” en van “de beginselen van redelijkheid en zorgvuldigheid, die de […] overheid bij het nemen en het opstellen van een administratieve rechtshandeling in acht dient te nemen”. Volgens verzoeker blijkt onder meer dat de bestreden beslissing berust op feitelijke onjuistheden. Het feit dat de bestreden beslissing spreekt van “ex-partner” wanneer ze het heeft over de partner van verzoeker, toont aan dat de bestreden beslissing steunt op een feitelijke onjuistheid die daarenboven ingaat tegen de feiten en stukken van het dossier. Ook laat de beslissing na om te verklaren waarom de verwerende partij van oordeel is dat verzoeker en de moeder van zijn kinderen niet langer een koppel zouden zijn. Deze beide elementen tonen duidelijk een schending aan van respectievelijk de materiële- en de formelemotiveringsplicht. Dat de dienst Naamsveranderingen nagelaten heeft hierover een vraag te stellen toont eveneens duidelijk de schending van de zorgvuldigheidsplicht aan. IX-9264-12/15
  29. In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat de bewering in de bestreden beslissing dat V.B. de ex-partner van verzoeker is, blijkbaar haar oorzaak vindt in het feit dat hij in Nieuwpoort woont en zij in Lyon (F). Volgens haar heeft deze vermelding echter geen enkele impact gehad op de beslissing en speelde ze niet mee in de besluitvorming. Verzoeker heeft volgens de verwerende partij dan ook geen belang bij dit middelonderdeel.
  30. In haar laatste memorie benadrukt de verwerende partij dat de bestreden beslissing in wezen is gesteund op de overweging dat het dragen van een vreemd klinkende naam niet uitzonderlijk is in België, dat het uitzonderlijk karakter van de naamsverandering niet kan worden bewaard indien de enige vaststelling dat de naam van een persoon een vreemde oorsprong heeft zou volstaan om af te wijken van het principe van de vastheid van naam zonder dat het effectief schadelijk karakter ervan wordt aangetoond en dat er geen enkel bewijs wordt voorgelegd dat dermate zwaar is dat moet worden aangenomen dat het dragen van de betreffende familienaam ondraaglijk is, wat een afwijking op de vastheid van naam zou kunnen rechtvaardigen. Beoordeling 15.
  31. Verzoeker voert aan dat de bestreden beslissing is gesteund op feitelijke onjuistheden. Meer bepaald bekritiseert hij dat in deze beslissing gewag wordt gemaakt van zijn “ex-partner”. Dit is volgens verzoeker niet juist omdat zij nog steeds een koppel zijn. Uit de omstandigheid dat verzoeker en zijn partner op een verschillend adres wonen, kan niet worden afgeleid dat zij geen koppel meer zijn. 15.
  32. In tegenstelling tot wat de verwerende partij opwerpt – namelijk dat de vaststelling of verzoeker en V. B. al dan niet nog een koppel zijn geen impact heeft gehad op het bestreden besluit – heeft verzoeker wel belang bij deze wettigheidskritiek, omdat een aanvraag tot naamsverandering cumulatief aan twee voorwaarden moet voldoen, namelijk dient het verzoek te steunen op ernstige IX-9264-13/15 redenen en mag de gevraagde naam geen aanleiding geven tot verwarring, noch mag de gevraagde naam verzoeker of derden schaden. In het betwiste motief wordt bepaald: “De keuze van de gevraagde naam wordt op geen enkele manier gerechtvaardigd, het is de naam van de moeder van uw ex-partner. U zou de belangen kunnen schaden van de legitieme titularissen van de naam ‘Vanderwegen’ en verwarring kunnen stichten aangaande zijn afstamming.” De bewoordingen van dat motief maken niet duidelijk dat de aanname dat V. B. de ex-partner zou zijn van verzoeker, geen impact heeft gehad op de bestreden beslissing. Integendeel. Zoals verzoeker terecht stelt, kan het motief niet anders worden gelezen dan dat de verwerende partij meent dat er geen naamsverandering naar de naam ‘Vanderwegen’ mogelijk is omdat verzoeker geen relatie meer zou hebben met V. B. en de band met de grootouders dus ook verbroken zou zijn. Uit de stukken die door verzoeker worden voorgelegd en waaruit blijkt dat zowel de grootmoeder als haar echtgenoot akkoord gaan met deze naamskeuze (‘Standpunt met betrekking tot de naamswijziging’ van 20 februari 2015), blijkt dat dit niet het geval is.
  33. Uit wat voorafgaat, volgt dat het tweede middel in de aangegeven mate gegrond is. BESLISSING
  34. De Raad van State vernietigt de beslissing van de federale overheidsdienst Justitie, dienst Naamsveranderingen, van 11 januari 2018 voor zover hierin wordt beslist het verzoek tot naamsverandering naar de familienaam Vanderwegen af te wijzen. IX-9264-14/15
  35. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de eerste verzoekende partij. De tweede en de derde verzoekende partij worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig januari tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9264-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.755 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.