← België

Arrest 246773 - Overheidsopdrachten - 21/01/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.773 Rolnummer: A. 229807/XII-8849 Zaak: Arrest 246773 - Overheidsopdrachten - 21/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-01-23 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-26 00:24 Fiche Arrest nr 246.773 van 21 januari 2020 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 246.773 van 21 januari 2020 in de zaak A. 229.807/XII-8849 In zake: de NV WEGENBOUW VAN DE KREEKE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Schijns en Mathieu Cilissen kantoor houdend te 3600 Genk Grotestraat 122 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Matthias Castelein kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 20 december 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “[d]e gemotiveerde beslissing tot niet-gunning van het Agentschap Facilitair Bedrijf zonder datum, waarbij de overheidsopdracht voor werken met als voorwerp „2018/HFB/OP/59746 – Bouwen en verbouwen van douches en kleedruimtes in de kelder, Hendrik Van Veldekegebouw te Koningin Astridlaan 50, 3500 Hasselt‟, waarbij de offerte van Wegenbouw van de Kreeke nietig wordt verklaard wegens substantieel onregelmatig.” II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. XII-8849-1/14 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 januari 2020, om 10.30 uur. Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Antoinette Spreutels, die loco advocaten Chris Schijns en Mathieu Cilissen verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Sofie Logie, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht uit voor werken met als voorwerp het bouwen en verbouwen van douches en kleedruimtes in de kelder van het Hendrik Van Veldekegebouw gelegen aan de Koningin Astridlaan 50 te 3500 Hasselt. 3.
  5. De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen van 19 juli 2019 met rectificaties op 4 september 2019, 26 september 2019 en 14 oktober
  6. 3.
  7. De opdracht wordt gegund via een openbare procedure met prijs als enig gunningscriterium. 3.
  8. Het bestek met referte “2018/HFB/OP/59746” is op de opdracht van toepassing. XII-8849-2/14 3.
  9. Alleen de verzoekende partij dient een offerte in. 3.
  10. Op 15 november 2019 wordt door de veiligheidscoördinator een negatief “conformiteitsadvies” op grond van het koninklijk besluit van 25 januari 2001 „betreffende de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen‟ opgesteld, dat besluit dat de offerte van de verzoekende partij “[n]iet in overeenstemming is met de bepalingen van het veiligheids- en gezondheidsplan van de veiligheidscondinator-ontwerp”. Het verslag van nazicht van 20 november 2019 komt op grond hiervan tot het besluit dat de offerte van de verzoekende partij substantieel onregelmatig is, en stelt voor “de opdracht niet te gunnen en te heraanbesteden via een openbare procedure” Bij besluit van 27 november 2019 wordt de opdracht niet geplaatst en wordt beslist de opdracht over te doen volgens de plaatsingsprocedure van de openbare procedure. De motieven van het verslag van nazicht van 20 november 2019 worden onderschreven. De offerte van de verzoekende partij wordt substantieel onregelmatig verklaard omdat het dossier niet in overeenstemming is met de bepalingen van het veiligheids- en gezondheidsplan van de veiligheidscoördinator-ontwerp. 3.
  11. Met een schrijven van 28 november 2019 vraagt de verzoekende partij de verwerende partij om de beslissing van 27 november 2019 in te trekken en haar offerte regelmatig te verklaren. 3.
  12. Bij besluit van 4 december 2019 wordt de beslissing van 27 november 2019 ingetrokken en wordt beslist de opdracht niet te plaatsen, en een nieuwe procedure te starten “met nieuwe opdrachtdocumenten volgens de plaatsingsprocedure van de openbare procedure”. Dit is de bestreden beslissing. Deze beslissing is gemotiveerd als volgt: XII-8849-3/14 “Gelet op het verslag niet-plaatsing d.d. 20/11/2019, dat als bijlage bij de beslissing van 27/11/2019 is gevoegd en er integraal deel van uitmaakt, Overwegende dat de beslissing van 27/11/2019 en het verslag niet-plaatsing van 20/11/2019 onvoldoende gemotiveerd waren, Overwegende dat het verslag niet-plaatsing d.d. 20/11/2019 als bijlage bij de huidige beslissing wordt gevoegd en er integraal deel van uitmaakt, Overwegende dat de tekst van punt 3.
  13. Evaluatie door velligheidscoordinator van het verslag niet-plaatsing van 20/11/2019 wordt vervangen door onderstaande tekst „Als bijlage bij het bestek is een Beoordelingsdocument toepassing veiligheids- en gezondheidsplan gevoegd, dat de inschrijvers moeten invullen. Dit beoordelingsdocument vermeldt bij „Doel‟ dat een nauwkeurige beschrijving wordt gevraagd aan de inschrijver omdat de uitvoeringsmethode van enkele specifieke werkzaamheden dermate kan afwijken van de bepalingen van het veiligheids- en gezondheidsplan van de veiligheidscoördinator-ontwerp In het beoordelingsdocument moeten volgende elementen worden ingevuld, te omschrijven uitvoeringsmethodes (3 artikelen) en een prijsberekening of bedrag De inschrijver Wegenbouw van de Kreeke heeft het beoordelingsdocument ingevuld en toegevoegd aan de offerte. Bij „Te omschrijven uitvoeringsmethodes‟ verwijst hij naar zijn RIE, dat hij ook als bijlage bij zijn offerte voegt. Dit RIE is een algemeen document Risico Inventarisatie en evaluatie, waarin de inschrijver geen antwoord geeft op de specifieke artikelen uit het Beoordelingsdocument - Art
  14. Het RIE omschrijft niet hoe de inschrijver de werfinrichting organiseert; - Art 2: Het RIE beschrijft niet hoe de inschrijver interferenties uitsluit met gebruikers van het gebouw (bijv. afsluiten van bepaalde delen, voorzien van werfhekken en/of stofschermen,. ) en/of waar deze […] voorzieningen getroffen worden, - Art. 3 Het RIE beschrijft enerzijds werken die in het bestek niet gevraagd worden en, anderzijds, wordt m b.t de werken uit het bestek nergens beschreven hoe deze op een veilige manier uitgevoerd zullen worden Het RIE lijkt m.a.w opgemaakt voor wegenbouw en niet voor de werken zoals beschreven in het bestek. De aanbestedende overheid kan de uitvoeringsmethode voor de specifieke werkzaamheden niet uit het RIE afleiden Bij „Prijsberekening of bedrag‟ vermeldt hij 1% van de aanneemsom exclusief BTW Aangezien hij geen uitvoeringsmethode voor de specifieke werkzaamheden heeft vermeld, is het niet duidelijk voor welke maatregelen dit percentage zal worden gebruikt. Bijgevolg is de verbintenis van de inschrijver onzeker volgens artikel 76, § 1 koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren van 18 april
  15. XII-8849-4/14 Ovenwegende dat het besluit en voorstel van het verslag niet-plaatsing d.d 20/11/2019 behouden blijft, Overwegende dat er ondertussen gewijzigde omstandigheden zijn die aanpassingen aan de opdrachtdocumenten vereisen.” 3.
  16. Met een e-mailbericht van 5 december 2019 en een ter post aangetekende zending gedagtekend 4 december 2019 en verzonden 5 december 2019, wordt de beslissing tot niet-plaatsing aan de verzoekende partij ter kennis gebracht. IV. Schorsingsvoorwaarden 4.
  17. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. 4.
  18. Te dezen is evenwel ook de wet van 17 juni 2013 „betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies‟ van toepassing. Krachtens artikel 15, eerste lid, van die wet kan de uitvoering worden geschorst van de thans bestreden beslissing in aanwezigheid van een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid. Overeenkomstig artikel 15, tweede lid, echter wordt de vordering tot schorsing voor de Raad van State uitsluitend ingesteld volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Overeenkomstig artikel 31 gelden deze bepalingen ook voor opdrachten die de drempelbedragen voor Europese bekendmaking niet bereiken. XII-8849-5/14 Er dient te dezen dan ook enkel nog te worden onderzocht of minstens één ernstig middel wordt aangevoerd, dan wel een klaarblijkelijke onwettigheid aanwezig is, die de nietigverklaring van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden. V. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel
  19. Een enig middel is afgeleid uit de schending van artikel 85 van de wet van 17 juni 2016 „inzake overheidsopdrachten‟ (hierna: wet overheidsopdrachten 2016), artikel 76 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 „plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren‟ (hierna: koninklijk besluit plaatsing 2017), artikel 4 van de wet van 17 juni 2013 „betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies‟ (hierna: rechtsbeschermingswet), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ (hierna: motiveringswet), van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het beginsel patere legem quam ipse fecisti als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. “Doordat eerste onderdeel de verwerende partij de offerte van de verzoekende partij onterecht als substantieel onregelmatig verklaar[t] wegens strijdigheid met het bestek; En doordat de verwerende partij er onterecht van uitgaat dat de „te omschrijven uitvoeringsmethodes‟ in het kader van het veiligheids- en gezondheidsplan niet af te leiden zijn uit de offerte van de verzoekende partij; dat de verwerende partij onterecht oordeelt dat de verbintenis van de verzoekende partij „onzeker‟ is; En doordat de verwerende partij er onterecht van uitgaat dat de „Prijsberekening of bedrag‟ in het kader van het veiligheids- en gezondheidsplan onduidelijk zijn. En doordat de verwerende partij kennelijk de offerte van de verzoekende partij onvoldoende heeft onderzocht. Dat bij een zorgvuldig onderzoek de verwerende partij zou hebben opgemerkt dat op elk van de specifieke artikelen uit het Beoordelingsdocument wel degelijk afdoende wordt geantwoord; XII-8849-6/14 Doordat tweede onderdeel de verwerende [partij] weliswaar motiveert dat er zich „ondertussen gewijzigde omstandigheden zijn die aanpassingen aan de opdrachtdocumenten vereisten‟, doch op geen enkele manier wordt gemotiveerd over „welke gewijzigde omstandigheden‟ dit exact gaat; Dat deze motivering een loutere stijlformule betreft en bijgevolg het motiveringsbeginsel schendt; En terwijl het materieel motiveringsbeginsel stelt dat elke administratieve rechtshandeling moet steunen op juiste feitelijke en rechtens aanvaardbare motieven. En terwijl elke individuele bestuurshandeling afdoende gemotiveerd moet zijn zodat de rechtsonderhorige in staat is om te begrijpen waarom het bestuur een bepaalde beslissing neemt. En terwijl uit het zorgvuldigheidsbeginsel volgt dat de overheid verplicht zorgvuldig te werk moet gaan bij de voorbereiding van een beslissing en ervoor moet zorgen dat de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk geïnventariseerd en gecontroleerd worden, zodat de overheid met kennis van zaken kan beslissen en dat de betrokken belangen zorgvuldig worden ingeschat en afgewogen, derwijze dat particuliere belangen niet nodeloos worden geschaad. En terwijl geen enkele bestuurshandeling kennelijk onredelijk mag zijn. En terwijl uit het rechtszekerheidsbeginsel volgt dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk moet zijn, zodat de rechtzoekende in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien op het tijdstip dat de handeling wordt verricht en de overheid daarvan niet zonder objectieve en redelijke verantwoording mag afwijken. En terwijl het „patere legem quam ipse fecisti‟-beginsel stelt dat een aanbestedende overheid niet mag afwijken van haar eigen bestek[s]bepalingen.” Wat het eerste onderdeel van het middel betreft, licht de verzoekende partij in de eerste plaats toe dat het conformiteitsadvies van de veiligheidscoördinator-ontwerp ondeugdelijk is gemotiveerd. De bestreden beslissing zou om die reden evenmin afdoende gemotiveerd zijn. De verzoekende partij vervolgt, samengevat, dat de vraagstellingen van het beoordelingsdocument moeten worden afgetoetst aan de draagwijdte van de technische besteksvoorschriften alsmede de aldaar opgelegde verplichtingen om coördinatieplannen en werkplanningen pas op te maken na de gunning. Door in te schrijven heeft zij zich verbonden tot het naleven van de besteksvoorschriften. Samen genomen met het door haar bijgevoegde RIE (document Risico Inventarisatie en Evaluatie) was haar antwoord dan ook voldoende gedetailleerd. XII-8849-7/14 De verzoekende partij betoogt voorts dat het motief dat het RIE geen betrekking zou hebben op de voorliggende opdracht, niet ter zake doet. Bovendien voldoet de verzoekende partij volgens haar impliciet aan de eis om de werken op een veilige manier uit te voeren, doordat zij permanent wordt geëvalueerd door externe en interne preventie-adviseurs en auditors. Beoordeling
  20. Artikel 85 van de wet overheidsopdrachten 2016 bepaalt: “Het volgen van een procedure houdt geen verplichting in tot het gunnen of het sluiten van de opdracht. De aanbestedende overheid kan zowel afzien van het gunnen of het sluiten van de opdracht als de procedure herbeginnen, desnoods op een andere wijze.” Artikel 76 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 bepaalt: “§
  21. De aanbestedende overheid gaat na of de offertes regelmatig zijn. De offerte kan substantieel of niet substantieel onregelmatig zijn. Een offerte is substantieel onregelmatig wanneer ze van aard is de inschrijver een discriminerend voordeel te bieden, tot concurrentievervalsing te leiden, de beoordeling van de offerte van de inschrijver of de vergelijking ervan met de andere offertes te verhinderen, of de verbintenis van de inschrijver om de opdracht onder de gestelde voorwaarden uit te voeren onbestaande, onvolledig of onzeker te maken. De volgende onregelmatigheden worden met name als substantieel beschouwd : 1° de niet-naleving van het milieu-, sociaal of arbeidsrecht, voor zover deze niet-naleving strafrechtelijk gesanctioneerd wordt; 2° de niet-naleving van de vereisten bedoeld in de artikelen 38, 42, 43, § 1, 44, 48, § 2, eerste lid, 54, § 2, 55, 83 en 92 van dit besluit en in artikel 14 van de wet, voor zover zij verplichtingen bevatten ten aanzien van de inschrijvers; 3° de niet-naleving van de minimale eisen en de vereisten die als substantieel worden aangemerkt in de opdrachtdocumenten. §
  22. De offerte die slechts een of meer niet-substantiële onregelmatigheden bevat die, zelfs gecumuleerd of gecombineerd, niet de in paragraaf 1, derde lid, bedoelde gevolgen teweeg brengen, wordt niet nietig verklaard. §
  23. Wanneer gebruik wordt gemaakt van een openbare of niet-openbare procedure, verklaart de aanbestedende overheid de substantieel onregelmatige offerte nietig. Dit is ook het geval voor een offerte die XII-8849-8/14 meerdere niet-substantiële onregelmatigheden bevat wanneer de cumulatie of combinatie ervan de in paragraaf 1, derde lid, bedoelde gevolgen teweeg brengt. […].” Artikel 4, eerste lid, 9°, van de rechtsbeschermingswet bepaalt dat de aanbestedende instantie een gemotiveerde beslissing opstelt “wanneer ze afziet van het plaatsen van de opdracht en eventueel beslist een nieuwe plaatsingsprocedure uit te schrijven”.
  24. Indien de aanbestedende overheid beslist om na het volgen van een gunningsprocedure, de opdracht alsnog niet te gunnen, mag zij daarbij dus niet willekeurig te werk gaan en moet die beslissing steunen op deugdelijke motieven die de beslissing kunnen dragen. Uit de onder randnummer 3.8 geciteerde motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de opdracht niet wordt gegund omdat de offerte van de verzoekende partij substantieel onregelmatig wordt bevonden en omdat er “ondertussen gewijzigde omstandigheden zijn die aanpassingen aan de opdrachtdocumenten vereisen”. De onregelmatigverklaring van de offerte van de verzoekende partij houdt verband met het niet voldoen aan de besteksvereisten inzake het veiligheids- en gezondheidsplan en bijgevolg, het onzeker bevinden van de verbintenis van de verzoekende partij in het licht van artikel 76, § 1, van het koninklijk besluit plaatsing
  25. Wat de door de verzoekende partij betwiste substantiële onregelmatigheid van haar offerte betreft, bepaalt het bestek onder punt A.3.4 “Vorm en inhoud offerte”: “Hierna volgt een niet-limitatief overzicht van alle documenten die, naast het offerteformulier en de samenvattende opmeting, bij de offerte gevoegd moeten worden: […] - de vereiste documenten voor de veiligheidscoördinator: ° Beoordelingsdocument toepassing veiligheids- en gezondheidsplan.” XII-8849-9/14 Punt I. 4 “Documenten bij te voegen bij de prijsofferte” van het Veiligheids- en Gezondheidsplan, dat een afzonderlijk en als dusdanig betiteld onderdeel van het bestek uitmaakt, bepaalt: “De inschrijver voegt verplicht bij zijn inschrijving het door hem ingevulde en ondertekende formulier „Beoordelingsdocument toepassing veiligheids- en gezondheidsplan‟. Dit formulier laat de veiligheidscoördinator-ontwerp toe de inschrijvingen te evalueren en te vergelijken op het gebied van veiligheids- en gezondheidsmaatregelen. Het ontbreken van dit formulier kan de ongeldigheid van de inschrijving tot gevolg hebben.” Het formulier “Beoordelingsdocument toepassing veiligheids- en gezondheidsplan” omschrijft het doel en de werkwijze: “Doel: Het veiligheids- en gezondheidplan, van toepassing op het project, beschrijft voldoende nauwkeurig met welke veiligheidsmaatregelen rekening gehouden moet worden bij de uitvoering van de werken. De uitvoeringsmethode van enkele specifieke werkzaamheden kunnen echter dermate afwijken van de bepalingen van het veiligheids- en gezondsplan van de veiligheidscoördinator-ontwerp, dat een nauwkeurige beschrijving gevraagd wordt aan de inschrijver. Deze beschrijving zal door de veiligheidscoördinator-ontwerp beoordeeld worden, en onder de vorm van een conformiteitsadvies overgemaakt worden aan de opdrachtgever. Werkwijze: Op de volgende bladzijden dient de inschrijver, onder de respectievelijke artikels, de methode van uitvoering te beschrijven. Deze uitvoeringsmethode dient in overeenstemming te zijn met de terzake geldende wet-en regelgeving en de bepalingen van het veiligheids- en gezondheidsplan van de veiligheidscoördinator-ontwerp. Bovendien dient op de laatste bladzijde een bedrag opgegeven te worden om deze uitvoeringsmethode daadwerkelijk toe te kunnen passen.” De te beschrijven uitvoeringsmethode betreft drie artikels: “
  26. De inschrijver beschrijft hoe hij de werfinrichting organiseert, rekening houdend met de beperkte beschikbaarheid van ruimte. 2.De inschrijver beschrijft alle maatregelen die nodig zijn om interferenties met de exploitatie uit te sluiten. Dit gaande van het afschermen van werkplekken voor derden en het faseren van de werken XII-8849-10/14
  27. De inschrijver dient te beschrijven hoe hij de [sic] op een veilige manier zal uitvoeren.”
  28. Het wordt niet betwist dat de verzoekende partij het beoordelingsformulier heeft ingevuld en toegevoegd aan haar offerte. In de bestreden beslissing stelt de verwerende partij evenwel vast dat het RIE, dat de verzoekende partij als bijlage bij dat beoordelingsformulier voegt, een algemeen document “Risico Inventarisatie en Evaluatie” betreft, waarin de inschrijver geen antwoord geeft op de specifieke artikelen uit het “Beoordelingsdocument”, en dat lijkt te zijn opgemaakt voor wegenbouw en niet voor de werken zoals beschreven in het bestek. De verwerende partij besluit dat zij de uitvoeringsmethode voor de specifieke werkzaamheden niet uit het RIE kan afleiden. Wat de prijsberekening betreft, vervolgt zij dat “[a]angezien […] geen uitvoeringsmethode voor de specifieke werkzaamheden [is] vermeld, […] het niet duidelijk [is] voor welke maatregelen dit percentage zal worden gebruikt”. Bijgevolg is de verbintenis van de inschrijver volgens artikel 76, § 1, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 volgens de verwerende partij onzeker.
  29. De argumenten die de verzoekende partij in het middel aanvoert, lijken niet te mogen worden bijgevallen. In de eerste plaats doen de argumenten die zijn ontleend aan de motivering van de ingetrokken beslissing tot niet-plaatsing of het conformiteitsadvies van de veiligheidscoördinator-ontwerp niet ter zake. De ingetrokken beslissing wordt geacht nooit te hebben bestaan. Voorts blijkt de bestreden beslissing ook niet te zijn gesteund op het negatieve “conformiteitsadvies” van 15 november 2019, zodat de eventuele onregelmatigheid ervan op het eerste gezicht de wettigheid van de bestreden beslissing niet vermag te vitiëren. Om de regels vastgesteld in het veiligheids- en gezondheidsplan efficiënt te kunnen toepassen bij het uitvoeren van de werken, staat het aan een inschrijver niet alleen conform het bestek, maar ook conform artikel 30, tweede lid, XII-8849-11/14 1°, van het koninklijk besluit van 25 januari 2001 „betreffende de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen‟ aan zijn offerte een document toe te voegen waarin hij beschrijft hoe het werk zal worden uitgevoerd om rekening te houden met het veiligheids- en gezondheidsplan. Blijkens de omschrijving van het “doel” van het “Beoordelingsdocument” lenen in het voorliggende geval enkele specifieke werkzaamheden zich tot uitvoeringsmethoden die dermate kunnen afwijken van de bepalingen van het veiligheids- en gezondheidsplan van de veiligheidscoördinator-ontwerp, “dat een nauwkeurige beschrijving gevraagd wordt aan de inschrijver”. Zulks lijkt de opvatting van de verzoekende partij, dat de technische besteksvoorschriften in deze fase van de procedure dermate gedetailleerd zijn dat de vraagstellingen volgens het beoordelingsdocument van geen bijkomende waarde zijn, te weerspreken. De verzoekende partij betwist voorts op het eerste gezicht niet dat het RIE dat zij heeft bijgevoegd, geen betrekking heeft op het voorwerp van de opdracht, maar een algemeen document betreft. Door de aanbestedende overheid aldus een nauwkeurige beschrijving van de aan te wenden uitvoeringsmethoden te onthouden, kunnen deze niet op hun conformiteit met het veiligheids- en gezondheidsplan worden afgetoetst. De omstandigheid dat de verzoekende partij permanent wordt geëvalueerd door interne en externe preventie-adviseurs en auditors, doet niet anders besluiten. In de gegeven omstandigheden lijkt de conclusie van de verwerende partij, dat de verbintenis van de inschrijver om de opdracht conform het bestek, inclusief het veiligheids- en gezondheidsplan, uit te voeren, onzeker is volgens artikel 76, § 1, van het koninklijk besluit plaatsing 2017, niet genomen buiten de perken van de redelijkheid.
  30. Het motief betrokken op de substantieelonregelmatigverklaring van de offerte van de verzoekende partij om die reden, kan op het eerste gezicht de genomen beslissing tot niet-plaatsing voorts afdoende schragen. XII-8849-12/14 Het motief betrokken op de gewijzigde omstandigheden en bekritiseerd door de verzoekende partij onder een tweede middelonderdeel, komt derhalve voor als een overtollig motief. De eventuele onregelmatigheid ervan lijkt de motivering van de genomen beslissing als dusdanig niet te vitiëren. De verzoekende partij is derhalve niet gebaat bij dit tweede middelonderdeel. VI. Besluit
  31. Het ernstig karakter van het middel is niet aangetoond. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient dan ook te worden verworpen. BESLISSING
  32. De Raad van State verwerpt de vordering.
  33. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XII-8849-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig januari tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Johan Bovin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Johan Bovin XII-8849-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.773 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.