← België

Arrest 246783 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 21/01/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.783 Rolnummer: A. 228125/X-17498 Zaak: Arrest 246783 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 21/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-01-30 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-26 00:28 Fiche Arrest nr 246.783 van 21 januari 2020 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 246.783 van 21 januari 2020 in de zaak A. 228.125/X-17.498 In zake: Herman MARTENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Eyskens kantoor houdend te 1000 Brussel Bisschoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de GEMEENTE SCHOTEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 Antwerpen Arthur Goemaerelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan door advocaat Ingrid Opdebeek kantoor houdend te 2630 Aartselaar Karel van de Woestijnelaan 6 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 14 mei 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gemeenteraad van de gemeente Schoten van 28 maart 2019 om zich aan te sluiten bij de rangschikking van de kandidaten voor het ambt van financieel directeur door Search&Selection en om W.V. aan te stellen als financieel directeur met een proefperiode van twaalf maanden. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend die aan verzoeker ter kennis werd gebracht op 16 juli
  3. X-17.498- 1/5 Op respectievelijk 30 september 2019 en 2 oktober 2019 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan verzoeker en de verwerende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟. Verzoeker heeft gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 december
  4. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sebastiaan De Meue, die loco advocaat Thomas Eyskens verschijnt voor verzoeker, en advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Beoordeling
  6. Naar luid van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, stelt de Raad van State het ontbreken van het vereiste belang vast als de verzoekende partij de termijn voor het toesturen van de memorie van wederantwoord niet eerbiedigt. Deze regel, die stringente gevolgen verbindt aan het niet respecteren van de termijn voor het toesturen van de memorie van wederantwoord, maakt deel uit van een aantal maatregelen die ertoe strekken de duur van de X-17.498- 2/5 procedure voor de afdeling Bestuursrechtspraak in te korten, om de achterstand weg te werken. De inhoud van de memorie van wederantwoord mag zich beperken tot de mededeling door de verzoekende partij dat haar belang blijft bestaan.
  7. Bij het versturen aan verzoeker van een kopie van de memorie van antwoord heeft de hoofdgriffier melding gemaakt van het genoemde artikel 21, tweede lid, van de Raad van State-wet en van artikel 14bis, § 1, van het algemeen procedureglement. Verzoeker heeft geen memorie van wederantwoord aan de griffie toegestuurd binnen de termijn van zestig dagen gesteld in artikel 7 van voormeld besluit van de Regent.
  8. Ter terechtzitting argumenteert verzoeker dat hij aan de zware sanctie van de onontvankelijkheid van zijn beroep kan ontsnappen door het bestaan van overmacht aan te tonen, maar “dat de wet niet bepaalt dat [hij] zich slechts en enkel op overmacht kan beroepen”. Concreet voert hij aan: - dat er geen memorie van wederantwoord is ingediend ten gevolge van een materiële misslag bij het inschrijven van de termijn in de agenda; - dat de gemiddelde doorlooptijd van een vernietingsprocedure bij de Nederlandstalige kamers thans ongeveer 27 maanden bedraagt en een behandeling van verzoekers zaak geen bedreiging voor de gerechtelijke achterstand vormt; - dat de voorliggende zaak steunt op de zaak gekend onder nr. A. 225.822/X-17.293, dat in die zaak op 20 december 2018 een memorie van wederantwoord is ingediend, en dat de beide procedures inhoudelijk zo sterk verweven zijn dat, eigenlijk, deze memorie van wederantwoord tevens als een repliek op het verweer in de voorliggende zaak geldt; - dat, ten slotte, te verdedigen valt dat een vernietiging in de zaak A. 225.822/X-17.293 meebrengt dat, bij wege van rechtsherstel, ook een einde moet worden gesteld aan de beslissing die in de voorliggende zaak bestreden wordt. X-17.498- 3/5
  9. Kennelijk heeft verzoekers raadsman de uiterste datum voor het opstellen van een memorie van wederantwoord verkeerd in zijn agenda ingeschreven. Maar niet alleen werd aldus geen tijdige memorie van wederantwoord ingediend, maar is er zonder meer geen énkele memorie van wederantwoord ingediend. De aangevoerde “materiële misslag” vormt geen reden om af te zien van de toepassing van de hiervoor ter sprake gebrachte “stringente gevolgen” die de wetgever aan het niet respecteren van de termijn voor het toesturen van de memorie van wederantwoord heeft willen verbinden.
  10. Als gezien, beoogt de maatregel van artikel 21, tweede lid, van de Raad van State-wet de duur van de procedure bij de Raad van State in te korten. De Raad van State deelt niet de mening van verzoeker dat deze verantwoording achterhaald is om de reden dat de gemiddelde doorlooptijd op vandaag “maar” plusminus 27 maanden zou belopen.
  11. Zelfs in de redenering – die de Raad van State niet volgt – dat de memorie van wederantwoord die op 20 december 2018 werd neergelegd in de zaak A. 225.822/X-17.293 ook als een memorie van wederantwoord te dezen kan gelden, blijkt nog niet dat de termijn voor het toesturen van de memorie van wederantwoord zou zijn geëerbiedigd zoals voorgeschreven.
  12. Welk rechtsherstel moet worden geboden indien de zaak A. 225.822/X-17.293 op een nietigverklaring uitloopt, is eventueel in het kader van die zaak te beoordelen, maar vreemd aan de vraag of te dezen de voorwaarden voor de toepassing van artikel 21, tweede lid, vervuld zijn.
  13. Concluderend wordt vastgesteld dat het vereiste belang om de gevorderde vernietiging te verkrijgen, ontbreekt. X-17.498- 4/5 BESLISSING
  14. De Raad van State verwerpt het beroep.
  15. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig januari tweeduizend twintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter , bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.498- 5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.783 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.