← België

Arrest 246853 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 28/01/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.853 Rolnummer: A. 219003/X-16587 Zaak: Arrest 246853 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 28/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-04 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-26 01:14 Fiche Arrest nr 246.853 van 28 januari 2020 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 246.853 van 28 januari 2020 in de zaak A. 219.003/X-16.587 In zake : de BVBA OCTINION bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Johan Joos en Inge Van Den Dorpel kantoor houdend te 1831 Diegem De Kleetlaan 12A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE VLAAMS-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 14 april 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de deputatie van de provincieraad van de provincie Vlaams-Brabant van 21 januari 2016 om de ingediende verantwoordingsstukken voor de subsidie voor het project Flanders’ Agrotronics goed te keuren voor een bedrag van 6.733,72 euro en om van de bvba Octinion een bedrag van 27.474,64 euro terug te vorderen als saldo van het reeds uitbetaalde voorschot. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. X-16.587-1/8 Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 oktober
  3. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Toon Denayer, die loco advocaten Johan Joos en Inge Van Den Dorpel verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Michel van Dievoet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Op 8 december 2011 kent de deputatie van de provincieraad van de provincie Vlaams-Brabant aan bvba Induct, thans bvba Octinion geheten, een maximale subsidie van 61.683 euro toe voor de realisatie van het project Flanders’ Agrotronics, onder de voorwaarde onder meer dat de provinciale middelen effectief worden aangewend voor het doel waarvoor ze zijn aangevraagd. Er wordt een terugvorderbaar voorschot van 30.841,5 euro uitgekeerd. X-16.587-2/8 Verzoekster dient op 19 maart 2015 een eindverslag met stavingsstukken in. In een e-mail van 29 juli 2015 formuleert de verantwoordelijke voor het dossier bij de verwerende partij opmerkingen, onder meer over het ontbreken van een bespreking van een aantal afgesproken realisaties en de te summiere rapportering. In een e-mail van 30 september 2015 deelt de verantwoordelijke de gedane bevindingen mee “voorafgaand aan de opname in een definitief besluit deputatie”. Geschreven wordt dat “we besloten [hebben] om enkel een beperkt aantal kosten te aanvaarden”. Uitgekomen wordt: “op een maximaal aanvaard bedrag van 34.988,97 euro*, en een maximale subsidie van 17.494,48 euro”. De asterisk (*) verwijst naar: “voor dit maximum hebben we nog de volgende facturen voorlopig in overweging genomen: Diensten van LCT aan Induct voor de maanden sept-okt 2014 en november 2014 (7000+3500 euro) tonerfactuur van KUL (normaal zit dit in de overhead) (1474,88 euro) PFI VOF van 24/11/2014 (2780 euro) Enkel indien u ons een aanvaardbare uitleg geeft over deze factuur zullen wij deze effectief in rekening nemen voor het saldo.” Verzoekster dient op 13 oktober 2015 een nieuwe verantwoording in. Op 21 januari 2016 beslist de deputatie de ingediende verantwoordingsstukken goed te keuren voor een bedrag van 6.733,72 euro. Het subsidiebedrag is 50 % hiervan of 3.366,862 euro. Dit leidt tot het besluit om 27.474,64 euro terug te vorderen van het uitbetaalde voorschot van 30.841,5 euro. Onder andere wordt gemotiveerd: “Op 19 maart 2015 diende Induct de eerste inhoudelijke rapportage en financiële verantwoordingsstukken in voor een bedrag van 126.068,31 euro. De eerste inhoudelijke rapportage handelde voornamelijk over één event effectief gehouden in het provinciehuis weliswaar buiten de projectperiode. Van alle ingediende kosten werden enkel een selectie van aantoonbare projectkosten binnen de projectperiode ter voorbereiding van dat event X-16.587-3/8 aanvaard. Na communicatie met de verantwoordelijke diende die op 13 oktober een tweede inhoudelijke rapportage en selectie van kosten in, ditmaal voor 116.668 euro. Ook voor deze kosten werd op uitzondering van woordelijke verslaggeving, meestal geen enkel aanvullend tastbaar bewijs geleverd van effectieve realisatie d.m.v. vergaderagenda’s en -stukken, verslag brainstormsessie, projectaanvragen... Navraag bij enkele in de inhoudelijke rapportering vernoemde instanties gaf ook geen aanvullende bewijzen. Voeg daarbij nog veel niet toewijsbare facturen, een niet aanvaardbare offerte voor een niet nader bepaalde event en apart aangerekende overheadkosten (toners). Hierdoor werden de aanvaarde kosten teruggebracht tot 6.733,72 euro. De verantwoording geldt als eindafrekening.” IV. Tweede middel, eerste middelonderdeel Standpunt van de partijen
  6. Verzoekster leidt een tweede middel af uit de schending van onder meer het zorgvuldigheids- en het vertrouwensbeginsel, van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van het (materiële)motiveringsbeginsel. Zij licht in een eerste onderdeel onder andere toe dat zij de verwerende partij op 19 maart 2015 een eerste eindverslag, met de bewijsstukken, bezorgde. Op 29 juli 2015 en 30 september 2015 deelt de verwerende partij mee dat er maar een beperkt aantal kosten worden aanvaard wegens gebrek aan bewijs of gebrek aan het realiseren van de doelstellingen van het project. Zo komt de verwerende partij aan een totaal bedrag van 34.988,97 euro, waarin voor 14.754,88 euro facturen voorlopig in aanmerking zijn genomen en ook effectief in rekening zullen worden gebracht als er een aanvaardbare uitleg komt. Op 13 oktober 2015 dient verzoekster een bijgewerkt rapport in, samen met duiding van de kosten conform de gegeven instructies. In de bestreden beslissing is de verwerende partij dan plots van mening dat de dossiers niet voldoende bewezen zijn, waarbij nog slechts 6.733,72 euro wordt aanvaard als kosten, terwijl in de e-mail van 30 september 2015 sprake is “van definitief aanvaarde kosten ten belope van meer dan 20.000 euro”. Indien de verwerende X-16.587-4/8 partij een ander betwist bedrag had gecommuniceerd, had verzoekster daar rekening mee kunnen houden bij het bezorgen van de nota van 13 oktober 2015 en eventueel de kosten hebben kunnen bewijzen “terwijl nu trouwens niet eens duidelijk is welke kosten er worden verworpen”.
  7. In de memorie van antwoord repliceert de verwerende partij hierop dat zij op 29 juli 2015 heeft meegedeeld dat de rapportering veel te summier was en dat zij op 30 september 2015 gedetailleerd is ingegaan op de pijnpunten van het dossier van verzoekster. In tegenstelling tot wat verzoekster beweert, is in de e-mail van 30 september 2015 geenszins meegedeeld dat er al een definitief bedrag van “meer dan 20.000 euro” aan verzoekster werd toegewezen. In de e-mail wordt, aldus de memorie van antwoord, “opgemerkt dat de verwerende partij ‘op een maximaal aanvaard bedrag van 34.988,97 euro’ komt met alleszins een uitdrukkelijk voorbehoud voor bepaalde facturen ten bedrage van 14.754,88 €”. Het gaat dus, volgens de verwerende partij, over een “maximaal” aanvaard bedrag. Er wordt niet overwogen dat een bedrag van 20.234,09 euro (34.988,97 – 14.754,88) definitief verworven zou zijn.
  8. In de laatste memorie benadrukt de verwerende partij dat zij verzoekster ruim de mogelijkheid heeft gegeven om haar subsidieaanvraag te staven, dat de informatie die verzoekster meedeelde niet kon worden aanvaard en dat enkel de kosten die effectief met het project in verband kunnen worden gebracht aanvaardbaar zijn. Wanneer de motivering van de bestreden beslissing wordt gelezen in het licht van de e-mails en documenten die tussen de partijen zijn uitgewisseld, moet volgens de verwerende partij worden vastgesteld “dat de verzoekende partij perfect op de hoogte is van het feit waarom bepaalde facturen werden verworpen of slechts gedeeltelijk aanvaard (zie bijvoorbeeld de personeelskosten voor [A.,] KUL, die slechts voor een gedeelte zijn aanvaard in functie van de organisatie van het evenement)”. X-16.587-5/8 Beoordeling
  9. Nadat verzoekster op 19 maart 2015 een eerste keer een inhoudelijke rapportage en financiële verantwoordingsstukken inbracht, voor een bedrag van 126.068,31 euro, bezorgt zij op 13 oktober 2015 een bijgewerkt rapport met duiding van de kosten, dit keer voor een bedrag van 116.668 euro. In de bestreden beslissing wordt van de kosten slechts 6.733,72 euro aanvaard.
  10. Volgens de procedurestukken van de verwerende partij moet het verzoekster duidelijk zijn op welke budgetposten het aanvaarde bedrag betrekking heeft, waarom de kosten zijn aanvaard en waarom andere ingebrachte kosten niet werden aanvaard. Dit antwoord gaat voorbij aan de specifieke grief die verzoekster in het besproken middelonderdeel doet gelden en die, volgens het auditoraatsverslag waarin de grief gegrond wordt bevonden, wordt omschreven als het verzuim om inzicht te verschaffen in – welbepaald – “de beweegredenen van de deputatie om de subsidie die op 30 september 2015 nog op een ‘maximaal aanvaard bedrag van 34.988,97 euro’ werd bepaald [begrijp: gebaseerd] en waarbij voor bepaalde facturen binnen dit maximum ten belope van een bedrag van 14.754,88 euro ‘een aanvaardbare uitleg’ werd gevraagd, bij de bestreden beslissing terug te brengen tot 6.733,72 euro”.
  11. Nadat verzoekster de eerste keer een inhoudelijk rapport en verantwoordingsstukken bijbracht, is haar door een verantwoordelijke van de verwerende partij met een e-mail van 30 september 2015 meegedeeld dat besloten werd “om enkel een beperkt aantal kosten te aanvaarden”, namelijk “een maximaal aanvaard bedrag van 34.988,97 euro”. In verband met “maximaal” werd toegelicht dat immers een aantal welbepaalde facturen, ten bedrage van gezamenlijk 14.754,88 euro, “voorlopig in overweging genomen” waren, maar X-16.587-6/8 dat ze enkel “effectief in rekening” zouden worden gebracht als er “een aanvaardbare uitleg” voor gegeven werd. Anders dan de verwerende partij het in de memorie van antwoord wil doen voorkomen (door het gebruik van het bijwoord “alleszins”) doet de e-mail geenszins kennen dat het maximaal aanvaard bedrag mogelijk van nog een ander voorbehoud afhankelijk is dan dat met betrekking tot de voorlopig in overweging genomen facturen ten bedrage van 14.754,88 euro. Voortgaande op de e-mail kon verzoekster er dus op vertrouwen en van uitgaan dat voor de berekening van de subsidie in elk geval rekening zou worden gehouden met 20.234,09 euro, zijnde het maximaal aanvaard bedrag minus de voorlopig in overweging genomen facturen. Maar na de bijkomende informatie die verzoekster op 13 oktober 2015 geeft, bepaalt finaal de verwerende partij, in de bestreden beslissing, het bedrag van de aanvaarde kosten op maar 6.733,72 euro.
  12. Noch maakt de verwerende partij met een minimum aan precisie inzichtelijk welke kosten die blijkens de e-mail van 30 september 2015 zonder voorbehoud konden worden aanvaard, in de bestreden beslissing uiteindelijk alsnog verworpen zijn geworden, noch laat zij begrijpen om welke precieze en draagkrachtige redenen de deputatie op de eerdere, aan verzoekster meegedeelde aanvaarding van deze kosten terugkomt.
  13. De bestreden beslissing schendt in die mate de in het middelonderdeel aangevoerde rechtsregels. Het eerste middelonderdeel van het tweede middel is gegrond. BESLISSING
  14. De Raad van State vernietigt de beslissing van de deputatie van de provincieraad van de provincie Vlaams-Brabant van 21 januari 2016 om de ingediende verantwoordingsstukken voor de subsidie voor het project X-16.587-7/8 Flanders’ Agrotronics goed te keuren voor een bedrag van 6.733,72 euro en om van de bvba Octinion een bedrag van 27.474,64 euro terug te vorderen als saldo van het reeds uitbetaalde voorschot.
  15. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op 200 euro en een aan de verzoekende partij verschuldigde rechtsplegingsvergoeding van 700 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig januari tweeduizend twintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-16.587-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.853 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.