← België

Arrest 246893 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 30/01/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.893 Rolnummer: A. 228024/VII-40538 Zaak: Arrest 246893 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 30/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-10 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-26 01:31 Fiche Arrest nr 246.893 van 30 januari 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 246.893 van 30 januari 2020 in de zaak A. 228.024/VII-40.538 In zake : de NV IMMOBILIERE DEBRICO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Ghysels en Yves Sacreas kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :

  1. Frédéric DEPAUW
  2. Kristien VANDERHOEVEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Verbist en Joris Claes kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf van Hoornestraat 51 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het cassatieberoep, ingesteld op 30 april 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1819-0774 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 26 maart 2019 in de zaak 1617-RvVb-0700-A. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Een beschikking van 27 juni 2019 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar. De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend. VII-40.538-1/6 Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 januari
  5. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Yves Sacreas, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Joris Claes, die verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten
  7. Met een besluit van 30 maart 2017 verklaart de deputatie van de provincieraad van Antwerpen (hierna: deputatie) het administratief beroep van Frédéric Depauw en Kristien Vanderhoeven tegen de vergunningsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Willebroek (hierna: college) van 21 oktober 2016 onontvankelijk. Het college verleent met de vergunningsbeslissing van 21 oktober 2016 een stedenbouwkundige vergunning aan de nv Immobilière Debrico “voor het verbouwen van twee handelspanden en het inrichten van een achtergelegen site met wegenis en parkeerplaatsen”. VII-40.538-2/6
  8. Het bestreden arrest vernietigt op vordering van Frédéric Depauw en Kristien Vanderhoeven de vergunningsbeslissing van 30 maart 2017 van de deputatie. IV. Onderzoek van het middel Standpunt van de nv Immobilière Debrico
  9. De nv Immobilière Debrico voert de schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek (schending van de bewijskracht der stukken), artikel 4.7.19, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) en het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij stelt dat het middel gericht is tegen de gegrondverklaring door de RvVb van het derde onderdeel van het eerste middel van Frédéric Depauw en Kristien Vanderhoeven. Zij betoogt in een eerste onderdeel dat artikel 4.7.19, § 2, VCRO bepaalt dat de vergunningsbeslissing wordt aangeplakt op de plaats van de vergunningsaanvraag en “niet bepaalt dat de beslissing op meerdere plaatsen moet worden aangeplakt”. Het bestreden arrest miskent de draagwijdte van het zorgvuldigheidsbeginsel door te stellen dat artikel 4.7.19, § 2, VCRO in samenhang moet gelezen worden met het zorgvuldigheidsbeginsel terwijl “de rechtsonderhorige zich […] dient te richten naar artikel 4.7.19, § 2 VCRO”. Zij argumenteert in een tweede onderdeel dat het bestreden arrest de bewijskracht van het attest van aanplakking van 21 november 2016 miskent omdat het arrest “stelt dat de aanplakking enkel zou zijn gebeurd ter hoogte van de Dendermondsesteenweg 167 nu dat attest van aanplakking stelt dat de bekendmaking van het vergunningsbesluit op de daarvoor voorziene (goed zichtbare) plaatsen werd aangeplakt op 18-11-2016” en het attest door Frédéric Depauw en Kristien Vanderhoeven “niet van valsheid werd beticht”. De VII-40.538-3/6 RvVb keert de bewijslast om door te stellen dat de nv Immobilière Debrico “in gebreke blijft te bewijzen dat de aanplakking ook gebeurde ter hoogte van de Nachtegaalstraat en de Dendermondsesteenweg 155”. De deputatie heeft geenszins onzorgvuldig geoordeeld en de RvVb heeft ten onrechte er anders over geoordeeld “nu de deputatie aan de hand van de voorliggende gegevens zich weldegelijk kon steunen op het attest van aanplakking van 21 november 2016 - dat niet van valsheid werd beticht - en de [RvVb heeft] dan ook niet enkel de bewijskracht van dat stuk […] miskend doch tevens de draagwijdte van het zorgvuldigheidsbeginsel”. Beoordeling
  10. Artikel 4.7.19, § 2, VCRO bepaalt in de toepasselijke historische versie dat door de aanvrager een mededeling die te kennen geeft dat de vergunning is verleend gedurende een periode van dertig dagen wordt aangeplakt “op de plaats waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft”.
  11. De RvVb stelt in het bestreden arrest op onaantastbare wijze vast dat: - de door de RvVb vernietigde vergunningsbeslissing het verbouwen van twee handelspanden en het inrichten van een achtergelegen site met wegenis en parkeerplaatsen op twee kadastrale percelen aan de Dendermondsesteenweg 155 en 167-169-171 betreft, - tussen de Dendermondsesteenweg 167 en 155 “nog meerdere andere percelen gelegen zijn die niet het voorwerp van de [voor de RvVb] bestreden beslissing uitmaken”.
  12. Het middel dat ervan uitgaat dat de door de RvVb vernietigde vergunningsbeslissing betrekking heeft op één plaats en niet op twee plaatsen in de zin van voormeld artikel 4.7.19, § 2, VCRO, mist feitelijke grondslag. VII-40.538-4/6
  13. Het eerste middelonderdeel dat de schending van de draagwijdte van het zorgvuldigheidsbeginsel aanvoert, kan dan ook niet tot cassatie leiden.
  14. De bewijskracht van een akte wordt miskend door de rechter die aan die akte een uitlegging geeft die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is. De schending van de bewijskracht van een akte betreft niet de juridische of feitelijke gevolgtrekking die de rechter uit de akte maakt zonder miskenning van de draagwijdte ervan.
  15. Het bestreden arrest overweegt dat: - uit de stukken van het dossier blijkt dat de deputatie op het tijdstip van het nemen van de bestreden vergunningsbeslissing beschikte over een attest van aanplakking van 21 november 2016 waarin geattesteerd werd dat de bekendmaking van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 21 oktober 2016 “op de daarvoor voorziene (goed zichtbare) plaatsen werd aangeplakt op 18-11-2016”, - uit het attest van aanplakking en latere verklaringen van de gemeente, de verklaring op eer en het e-mailbericht van 19 november 2016 niet blijkt dat op meer dan één plaats, met name elders dan ter hoogte van de Dendermondsesteenweg 167, werd aangeplakt, - de deputatie “zich niet [kon] vergenoegen louter te verwijzen naar het attest van aanplakking dat attesteert dat werd aangeplakt op meerdere plaatsen, terwijl dat eerder een standaardformulering lijkt te betreffen die niet door de overige stukken van het dossier wordt gestaafd”. Deze overwegingen geven geen uitlegging aan het attest van aanplakking dat met de bewoordingen ervan onverenigbaar is maar zijn de juridische en feitelijke gevolgtrekkingen die het bestreden arrest maakt van dat attest zonder de draagwijdte ervan te miskennen.
  16. Het tweede middelonderdeel is niet gegrond. VII-40.538-5/6
  17. Het middel wordt verworpen. BESLISSING
  18. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  19. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig januari tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.538-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.893 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.