id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.895 Rolnummer: A. 222087/VII-39969 Zaak: Arrest 246895 - Milieuvergunningen - 30/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-10 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-26 01:32 Fiche Arrest nr 246.895 van 30 januari 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Schadevergoeding tot herstel toegekend Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 246.895 van 30 januari 2020 in de zaak A. 222.087/VII-39.969 In zake : de VZW AKTIEKOMITEE RED DE VOORKEMPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Vande Casteele kantoor houdend te 2900 Schoten Klamperdreef 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jürgen Vanpraet en Bram Van den Berghe kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het verzoek
- Met een verzoek, ingediend op 29 april 2017, vraagt de verzoekende partij haar bij wijze van arrest een schadevergoeding tot herstel toe te kennen naar aanleiding van arrest nr. 237.463 van 23 februari
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. VII-39.969-1/20 De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 november
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Philippe Vande Casteele, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Dirk Abbeloos, die loco advocaat Jürgen Vanpraet verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Met een besluit van 29 januari 2015 verleent de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw aan de nv Luyckx een milieuvergunning voor het exploiteren van een helihaven, gelegen aan de Abdijlaan 33 te Brecht. 3.
- Bij arrest nr. 237.463 van 23 februari 2017, dat op 2 maart 2017 aan de partijen werd betekend, vernietigt de Raad van State op vordering van de verzoekende partij voornoemde vergunningsbeslissing op grond van de volgende overwegingen: “Het wordt niet betwist dat de vergunde helihaven overeenkomstig het van toepassing zijnde gewestplan Turnhout, vastgesteld bij koninklijk besluit van 30 september 1977, gelegen is in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, VII-39.969-2/20 waarvoor de bestemmingsvoorschriften neergelegd in de artikelen 11.4.1 en 15.4.6.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: inrichtingsbesluit) gelden. In de eerste plaats vereist artikel 11.4.1 van het inrichtingsbesluit dat de overheid nagaat of de te vergunnen inrichting in overeenstemming is met de bestemming agrarisch gebied. Dergelijke gebieden zijn volgens voormelde bepaling bestemd voor de „landbouw inde ruime zin‟ en zij mogen „[b]ehoudens bijzondere bepalingen [...] enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven‟. […] De verwerende partij heeft op grond van de volgende motieven besloten tot de planologische verenigbaarheid van de helihaven: „Overwegende dat de helihaven gelegen is landschappelijk waardevol agrarisch gebied; Overwegende dat de helihaven een cirkel met een diameter van 20 meter bedraagt; dat er geen stedenbouwkundige handelingen verbonden zijn aan de uitbating van de helihaven; Overwegende dat het overvliegen, landen en opstijgen van de helikopters geen impact heeft op de planologische bestemming van het landschappelijk waardevol agrarisch gebied‟. […] Geen van voormelde motieven is in rechte aanvaardbaar om de exploitatie van een helihaven die geen enkele uitstaans heeft met de landbouw in de ruime zin, te vergunnen in agrarisch gebied. Ook ingeval dergelijke exploitatie niet gepaard gaat met werken of handelingen waarvoor een stedenbouwkundige vergunning vereist is, moet de milieuvergunningsaanvraag aan de geldende plannen van aanleg worden getoetst. Alleen al om reden dat de exploitatie van een helihaven overeenkomstig rubriek 57.4 van de indelingslijst bij Vlarem I aan de milieuvergunningsplicht onderworpen is, kan er geen sprake zijn van een „niet-vergunningsplichtige handeling‟ zoals bedoeld in artikel 4.4.1, § 3, derde lid, VCRO. Voorts strekt de aanleg van een terrein om het landen en opstijgen van helikopters mogelijk te maken, ook al is het onverhard, wel degelijk tot het gebruik van de grond voor welbepaalde doeleinden. De activiteiten die in de lucht plaatsvinden doen daar geen afbreuk aan. […] Blijkens de uitdrukkelijke motivering van het bestreden besluit heeft de verwerende partij geen toepassing gemaakt van de bepalingen van de VCRO die in geval van recreatief medegebruik toelaten van de stedenbouwkundige voorschriften af te wijken. Aldus vormt die afwijkingsmogelijkheid, die trouwens aan welbepaalde voorwaarden is verbonden, geen grondslag voor het bestreden besluit. Voor de beoordeling van de planologische inpasbaarheid van een inrichting doet het evenmin ter zake dat de vergunde activiteiten, althans volgens de inschatting van de tussenkomende partij, in omvang, duur of frequentie beperkt zijn en de hinderlijkheid ervan de grenzen van het aanvaardbare niet zou overschrijden. Nog minder vertonen andere door de tussenkomende partij aangevoerde „concrete omstandigheden‟, zoals de aanwezigheid sinds „jaar en dag‟ van de exploitatie, het bestaan van vroegere vergunningsbeslissingen/machtigingen of het beperkt aantal bezwaren van VII-39.969-3/20 derden-belanghebbenden, enige relevantie. Tot slot is de Raad van State geen reglementaire bepaling bekend - de tussenkomende partij duidt er alleszins geen aan - waaruit zou volgen dat de planologische voorschriften niet gelden aan de „uiterste grens‟ van het betrokken gebied en dat de perifere ligging op zich een wettige reden vormt om van de geldende bestemmingsvoorschriften af te wijken. […] Bijgevolg schendt de bestreden milieuvergunning de dwingende voorschriften van het gewestplan Turnhout, vastgesteld bij koninklijk besluit van 30 september 1977”. IV. Gegrondheid van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel Standpunt van de partijen
- In haar verzoek stelt de verzoekende partij dat zij omwille van proceseconomische redenen eerst een procedure voor de ombudsman heeft doorlopen, die er niet in geslaagd is om tot een verzoening van de partijen te komen. Zij begroot de gemaakte kosten voor het voeren van deze procedure, ex aequo et bono op 300 euro, met inbegrip van administratiekosten en de tussenkomst van een advocaat. Over de schade aan het leefmilieu en de miskenning van haar statutaire doelstellingen zet zij uiteen dat in de bezwaarschriften en tijdens de bestuurlijke beroepsprocedures herhaaldelijk werd gewezen op de ernstige schade die helikoptervluchten veroorzaken aan het leefmilieu. Ingevolge de vernietiging van het ministerieel besluit van 29 januari 2015 moeten de vluchten geacht worden te zijn uitgevoerd zonder geldige milieuvergunning en met een bijzonder ernstige verstoring van het leefmilieu ter plaatse. Zij vordert een schadevergoeding van 1.100 euro wegens de aantasting van haar statutaire doelstellingen en de omvang van de behouds- en herstelactiviteiten die zij heeft geleverd om haar doelstellingen te realiseren. Voorts benadrukt de verzoekende partij dat er sprake is van een bijzonder ernstige onwettige handeling omdat de verwerende partij heeft nagelaten om een natuurtoets en een passende beoordeling uit te voeren. VII-39.969-4/20 Over de aantasting van haar statutaire doelstelling met betrekking tot het “informeren en opvoeden van de leefmilieuverbruikers en het propageren van een leefmilieu-ideaal”, stelt zij dat haar “opvoedkundige” inspanningen worden tenietgedaan door het afleveren van onwettige milieuvergunningen. In dat verband herhaalt zij dat er sprake is van een bijzonder ernstige onwettige handeling omdat de verwerende partij heeft nagelaten om een natuurtoets en een passende beoordeling uit te voeren. Volgens de verzoekende partij heeft zij een “gekwalificeerd” nadeel geleden waarvoor een schadevergoeding van 50 euro per landings- of opstijgbeweging gerechtvaardigd is. Op grond van de gegevens die de verwerende partij heeft meegedeeld, gaat het om 55 vliegbewegingen (vanaf 29 januari 2015) waardoor deze schade begroot wordt op 2.750 euro. De verzoekende partij weidt uit over het Verdrag van Aarhus. Zij zegt zich te verzetten tegen de stelling dat artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State enkel zou toelaten dat haar een symbolische schadevergoeding wordt toegekend. Hoewel een exacte schadebegroting bij de aantasting van niet-toegeëigende milieubestanddelen niet mogelijk is en de morele schade van de rechtspersoon niet samenvalt met de werkelijke ecologische schade, is het voor de rechter immers niet onmogelijk de morele schade van de milieuvereniging in concreto te ramen. Daarbij kan hij onder meer rekening houden met de statutaire doelstellingen van de vereniging, met de omvang van haar activiteiten en de inspanningen die ze levert om haar doelstellingen te realiseren. Bovendien kan hij ook de ernst van de milieuverstoring in aanmerking nemen om de morele schadevergoeding voor de vereniging te begroten. De Aarhus-doelstelling om de “adequate bescherming van het milieu te verwezenlijken” wordt volgens de verzoekende partij tenietgedaan door de schadevergoeding te beperken tot een symbolische euro. Dergelijke symbolische schadevergoeding zou ook de Aarhus-doelstellingen in verband met het beïnvloeden en bevorderen van de duurzame ontwikkeling en de bevordering van de milieu-educatie dwarsbomen. VII-39.969-5/20 In totaal vraagt de verzoekende partij een schadevergoeding tot herstel ten bedrage van 4.150 euro.
- In haar memorie van antwoord repliceert de verwerende partij: “[…] Wat betreft de kosten voor het voeren van de ombudsman-procedure (met inbegrip van administratiekosten en tussenkomst van advocaat) […] Dienaangaande moet worden vastgesteld dat het nadeel waarvan verzoekster gewag maakt zijn oorzaak niet vindt in welke onwettigheid dan ook, maar in de eigen keuze die verzoekster in alle vrijheid heeft gemaakt om zich tot de Vlaamse Ombudsman te wenden. In dit verband moet erop gewezen worden dat de ombudsdienst een bemiddelende rol heeft. Hij tracht de standpunten van de klager en de bestuursinstantie te verzoenen. Essentieel aan de rol van de ombudsdienst is dus het vrijwillig karakter van de procedure, zowel in hoofde van de klager, als in hoofde van de overheid om de beslissing al dan niet te heroverwegen. Geen enkele bepaling of beginsel verplicht verzoekster om zich tot de Vlaamse Ombudsman te wenden of verplicht het bestuur om pas na verloop van een zekere termijn het verzoek tot heroverweging van de ombudsman te beantwoorden. Evenmin verplicht welke bepaling of welk beginsel dan ook het bestuur om na een klacht bij de ombudsman een reeds genomen beslissing in te trekken of te heroverwegen. Dat is eens te meer zo, aangezien het verzoek tot heroverweging dat verzoekster op 6 maart 2015 heeft ingediend, geen nieuwe feitelijke of juridische elementen bevatte die een andere beslissing zouden hebben verantwoord. […] Uw Raad oordeelde eerder reeds in die zin ten aanzien van kosten die verband houden met de raadpleging van een architect: „S'il peut être admis que la requérante a subi un dommage moral et un dommage matériel résultant des démarches entreprises et des frais exposés à l'occasion de la consultation de l'architecte […], il convient de constater en revanche que ces dommages sont sans lien avec l'illégalité constatée par l'arrêt d'annulation. En effet, la requérante n'établit pas que ce préjudice ne se serait pas produit sans l'illégalité censurée par l'arrêt d'annulation.‟ Vrij vertaald: „Als nog kan worden aangenomen dat verzoekster morele en materiële schade heeft geleden door de tussenkomsten en de kosten verbonden aan de raadpleging van architect […], moet toch worden vastgesteld dat die schade geen verband houdt met de in het vernietigingsarrest vastgestelde onwettigheid. Bijgevolg toont verzoekster niet aan dat het nadeel zich niet zou hebben voorgedaan zonder de onwettigheid die werd vastgesteld in het vernietigingsarrest.‟ Deze rechtspraak kan mutadis mutandis toegepast worden op onderhavige zaak. Ook hier houdt het vatten van de ombudsman door verzoekster geen verband met de in het vernietigingsarrest vastgestelde onwettigheid. VII-39.969-6/20 […] Verder draagt verzoekster geen enkel concreet element aan dat, al was het maar bij benadering, een minimale verantwoording kan bieden voor het bedrag van 300 euro dat zij vraagt naar billijkheid toe te wijzen. Het is nochtans vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie dat de schade enkel naar billijkheid kan worden geraamd, indien deze onmogelijk op een andere wijze kan worden bepaald: „De rechter raamt in concreto de schade die door een onrechtmatige daad is veroorzaakt. Hij mag de schade naar billijkheid ramen, mits hij de reden aangeeft waarom hij de door de getroffene voorgestelde berekeningswijze niet kan aannemen en tevens vaststelt dat de schade onmogelijk anders kan worden bepaald.‟ In de onderhavige zaak toont verzoekster niet aan dat de kosten die zij heeft gedaan in het kader van de procedure voor de Vlaamse Ombudsman (met inbegrip van de administratiekosten en de kosten van haar advocaat) niet kunnen worden begroot, zodat het verzoek om schadevergoeding tot herstel ook om die reden moet worden afgewezen. […] Het verzoek om schadevergoeding tot herstel van de kosten voor het voeren van de ombudsman-procedure is ongegrond. […] Wat betreft de schade aan leefmilieu en de miskenning van statutaire doelstellingen van verzoekster […] Verzoekende partij vordert tevens schadevergoeding tot herstel voor de schade aan het leefmilieu en miskenning van statutaire doelstellingen, berekend op 1.100 euro en 2750 euro. […] […] In hoofdorde, toont verzoekster niet aan dat na het besluit van 29 januari 2015 „zekere en rechtstreekse‟ schade werd aangebracht aan het leefmilieu en aan haar statutaire doelstellingen. Verwerende partij herinnert er in dit verband aan dat het perceel waarop de helihaven zich bevindt, aan het bedrijfsterrein paalt en is gelegen op ongeveer 175 m van het natuurgebied Marbelenven. Het vernietigde besluit van 29 januari 2015 betrof een loutere hernieuwing van een bestaande helihaven met een beperkte activiteitsgraad. Het aantal helikoptervluchten was beperkt tot maximaal 60 vluchten per jaar en maximaal 2 vluchten per dag. Recreatieve en commerciële vluchten waren niet toegestaan. De aanvlieg- en de vertrekroute moesten bovendien zodanig gekozen worden dat het Marbelenven niet werd overvlogen. Na een zorgvuldige afweging kwam de vernietigde beslissing van 29 januari 2015 tot de conclusie dat „de impact op de natuurgebieden in de omgeving als aanvaardbaar wordt geacht‟. Zowel de gewestelijke milieuvergunningscommissie […], als de afdeling Milieuvergunningen (buitendienst Antwerpen) van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie […], kwamen overigens tot eenzelfde conclusie. De voorzitter van Wild Beheers Eenheid VZW Brechtse Heide heeft per schrijven van 1 december 2014 overigens uitdrukkelijk bevestigd dat het reewildbestand en het eendenbestand nooit zijn teruggelopen tijdens de periode dat de vorige milieuvergunning voor de helihaven toegekend is geweest […]: „Als voorzitter van de WBE kan ik bevestigen dat de reewildstand en de eendenstand nooit zijn teruggelopen tijdens de vergunde periode. VII-39.969-7/20 De gegevens van de reewildstand en de eendenstand alsook de afschotgegevens en voorjaarstellingen zijn opvraagbaar bij ANB (Agentschap Natuur en Bos). Er is geen enkele soort die teruggelopen of verdwenen is tijdens de periode dat de milieuvergunning voor de helihaven toegekend is geweest. In onze samenwerking met Natuurpunt en het Regionaal Landschap de Voorkempen hebben wij nooit een opmerking gekregen over eventuele hinder van de helikopter.‟ Aldus blijkt dat er na het besluit van 29 januari 2015 geen schade aan de natuur werd veroorzaakt. […] Verzoekster toont ook niet in concreto aan welke natuurelementen schade zouden hebben ondervonden en wat de aard van de schade zou zijn ten gevolge van de bestreden beslissing. Verzoekende partij verwijst in dit verband niet nuttig naar de adviezen van het Agentschap voor Natuur en Bos van 17 november 2014 […] en van de afdeling Milieuvergunningen van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van diezelfde datum […]. In zijn advies van 17 november 2014 heeft het Agentschap voor Natuur en Bos geadviseerd om geen vergunning te verlenen, zolang er geen natuurtoets werd uitgevoerd waarbij de impact van de helihaven op nabijgelegen kwetsbare (natuur)gebieden en aanwezige soorten duidelijk werd omschreven, in het bijzonder wat betreft de gebieden van belang voor de avifauna. Een passende beoordeling is volgens het Agentschap niet nodig, gelet op de afstand tot de Speciale Beschermingszone. Ten gevolge van het ongunstige advies van het Agentschap voor Natuur en Bos wijzigde ook de afdeling Milieuvergunningen van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie op 17 november 2014 haar gunstige advies van 14 oktober 2014 in een ongunstig advies. In zijn advies besluit het Agentschap voor Natuur en Bos dat „gelet op het ontbreken van een natuurtoets (soortentoets) niet kan worden uitgesloten dat er vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan‟. Uit dit advies noch uit dat van de afdeling Milieuvergunningen blijkt evenwel dat zekere en rechtstreekse schade werd aangebracht aan het leefmilieu. Als er uit dit advies al iets met zekerheid blijkt, is het dat er geen schade werd aangebracht aan de Speciale Beschermingszone en dat er dus geen passende beoordeling was vereist. […] Verzoekster staaft de schade ook nog met de verwijzing naar een ongunstig advies van het Agentschap R-O Vlaanderen, Onroerend Erfgoed uit 2006 volgens hetwelk het landen en opstijgen van een helikopter een aanzienlijke lawaaihinder veroorzaakte, die binnen een beschermd landschap met natuurwetenschappelijke (floristische en faunistische) waarde niet kon worden getolereerd. Het advies heeft evenwel geen betrekking op de aanvraag van de milieuvergunning van 29 januari 2015 die door Uw Raad werd vernietigd in het arrest met nr. 237.463 van 23 februari
- In onderhavig dossier heeft het Agentschap Onroerend Erfgoed op 23 juni 2014 een voorwaardelijk gunstig advies uitgebracht waaruit blijkt dat de aanvraag in overeenstemming is met de direct werkende normen uit het beleidsveld onroerend erfgoed […]. VII-39.969-8/20 […] Verzoekende partij verwijst ook niet nuttig naar het ongunstige advies van de afdeling Gebieden en Projecten van het Departement Ruimte Vlaanderen van 10 oktober 2014, bevestigd door het advies van 29 oktober 2014 […]. Uit het advies blijkt enkel dat de bedrijvigheid als helihaven niet in overeenstemming is met de ter plaatse geldende stedenbouwkundige voorschriften. Uit dit advies blijkt dus geenszins dat de bestreden beslissing schade zou hebben berokkend aan het leefmilieu. […] Afgezien van de voormelde adviezen, brengt verzoekster geen enkel ander element aan waaruit zou blijken dat zekere en rechtstreekse schade werd aangebracht aan het leefmilieu. Dit feit op zich volstaat al om het verzoek tot schadevergoeding tot herstel ongegrond te verklaren. […] Het moreel nadeel waarop verzoekster zich beroept werd in voldoende mate gecompenseerd door het vernietigingsarrest van Uw Raad met nr. 237.463 van 23 februari
- Dit geldt zowel waar ze beoogt schadevergoeding te bekomen voor de impact van de helihaven op de omgeving, als waar ze beoogt schadevergoeding te bekomen voor haar „opvoedkundige inspanningen‟. Uw Raad stelde daarover: „S'il peut être admis que la requérante a subi un dommage moral en raison des démarches effectuées auprès de l'administration et de son conseil, postérieurement à la délivrance de l'acte attaqué, et en raison des tracas liés à l'existence d'une procédure devant le Conseil d'Etat, il convient cependant de constater que ce dommage moral est inhérent à toute procédure judiciaire, qu'elle soit ou non couronnée de succès, et que l'annulation de l'acte emporte, en principe, réparation intégrale de celui-ci. La requérante n'invoque en l'espèce aucune circonstance particulière qui permettrait de considérer que l'intégralité du dommage subi de ce chef n'aurait pas été réparé par l'arrêt d'annulation.‟ Vrij vertaald: „Als nog kan worden aangenomen dat verzoekster morele schade heeft geleden ten gevolge van haar tussenkomsten bij de administratie en die van haar advocaat na het verlenen van de milieuvergunning en ten gevolge van de rompslomp die verbonden is aan het voeren van een procedure voor de Raad van State, moet toch worden vastgesteld dat deze morele schade inherent is aan elke gerechtelijke procedure, ongeacht of deze succesvol afloopt, en dat de vernietiging van de vergunning in beginsel integraal herstel hiervan met zich brengt. Verzoekster roept in dit geval geen enkele bijzondere omstandigheid in die zou toelaten te besluiten dat de gehele schade die werd geleden niet zou zijn hersteld geweest door het vernietigingsarrest.‟ Ook in onderhavige zaak brengt verzoekster geen enkele bijzondere omstandigheid naar voor die zou toelaten te besluiten dat de gehele schade die werd geleden niet zou zijn hersteld geweest door het vernietigingsarrest. Met het onwettige besluit van 29 januari 2015 is, ten gevolge van het vernietigingsarrest, ook de dreiging die ervan uit ging voor het leefmilieu en de statutaire doelstellingen van verzoekster, ongedaan gemaakt. VII-39.969-9/20 […] Zelfs indien Uw Raad anders zou oordelen, dan wijst verwerende partij erop dat door aan te tonen dat er schade werd aangebracht aan het leefmilieu - ten zeerste quod non - verzoekster nog niet heeft aangetoond dat er ook schade werd aangebracht aan de statutaire doelstellingen van verzoekster. Enkel voor deze laatste schade kan verzoekster immers schadevergoeding bekomen. Volgens het Hof van Beroep te Gent en het Grondwettelijk Hof „valt de morele schade van de rechtspersoon niet samen met de werkelijke ecologische schade‟. Om de schade aan haar statutaire doelstellingen aan te tonen moet verzoekster kunnen aantonen dat haar voortbestaan en het realiseren van haar statutair doel op fundamentele wijze in het gedrang werden gebracht. Volgens Uw Raad is vereist dat een milieuvereniging „op cijfermatig uiteenzet welke concrete schade zij, als milieuvereniging, zou hebben geleden als gevolg van „het ondergraven‟ van de realisatie van haar statutair doel‟ en dat „ook voor haar de op iedere benadeelde eiser rustende verplichting om de werkelijke schade te bewijzen, geldt.‟ Verzoekster laat evenwel na aan te tonen dat haar voortbestaan en het realiseren van haar statutair doel op fundamentele wijze in het gedrang zijn gebracht. Ingevolge de vernietiging van de bestreden beslissing wordt dit doel net bereikt. […] Verder wijst verwerende partij erop dat het nadeel dat verzoekster vermeend te hebben geleden, hoe dan ook onmogelijk zijn oorzaak kan vinden in de onwettigheid waarmee het besluit van 29 januari 2015 volgens Uw Raad was aangetast. In zijn arrest met nr. 237.463 van 23 februari 2017 heeft Uw Raad het besluit van 29 januari 2017 vernietigd wegens de miskenning die het inhield van de dwingende gewestplanvoorschriften, meer bepaald omdat geen van de motieven van het besluit „in rechte aanvaardbaar is om de exploitatie van een helihaven die geen enkele uitstaans heeft met de landbouw in de ruime zin, te vergunnen in agrarisch gebied‟. In het voormelde arrest heeft Uw Raad evenwel in geen enkel opzicht de onwettigheid van het besluit van 29 januari 2015 vastgesteld om redenen die verband houden met de mogelijke schade die het besluit zou aanbrengen aan de fauna en flora waarop ze zich thans beroept. In dat verband moet eraan worden herinnerd dat Uw Raad in het arrest met nr. 237.463 van 23 februari 2017 zich ook niet heeft uitgesproken over de vraag of de vergunning het voorwerp moest uitmaken van een natuurtoets of passende beoordeling (tweede deel van het eerste middel van het verzoekschrift van verzoekster in de procedure gekend onder het rolnummer G/A 215.592/VII-39.370). Verzoekster toont dus niet aan dat er een oorzakelijk verband is tussen de door Uw Raad vastgestelde onwettigheidsmotief en de door verzoekster geleden nadelen. Ook dit feit volstaat om het verzoek tot schadevergoeding tot herstel ongegrond te verklaren. Zo stelde Uw Raad eerder al dat hoewel een milieuvereniging morele schadevergoeding kan bekomen indien haar collectief belang geraakt wordt, zij VII-39.969-10/20 nog steeds ertoe gehouden is om aan te tonen dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de ecologische schade en de onwettigheid die door de Raad van State werd vastgesteld. Daarbij moet er volgens Uw Raad gekeken worden naar de overwegingen uit het vernietigingsarrest die tot de vernietiging van de milieuvergunning hebben geleid en niet naar andere mogelijke onwettigheden die door de partijen werden aangevoerd maar door de Raad van State niet gegrond werden bevonden. Uw Raad stelde in het bijzonder: „Considérant qu'ainsi, la Cour constitutionnelle admet qu'une association de défense de l'environnement puisse subir un dommage moral en cas d'atteinte à l'intérêt collectif pour lequel elle a été constituée et en obtenir réparation, sur la base de l'article 1382 du Code civil; Considérant que, par identité de motifs, cette évolution ne peut demeurer sans effet sur la manière d'apprécier le dommage éligible à l'indemnité réparatrice; qu'il doit dès lors être admis que l'acte attaqué a pu engendrer un préjudice écologique qui méconnaît les valeurs que l'association requérante défend et lui causer un dommage moral; Considérant que l'admission de principe du préjudice écologique comme dommage personnel ne dispense toutefois pas l'association requérante d'une certaine démonstration de la réalité du préjudice collectif qu'elle allègue, ni du lien entre le préjudice écologique ou certains aspects de celui-ci et l'illégalité sanctionnée par le Conseil d'Etat; Considérant qu'ainsi, il convient d'avoir égard aux motifs de l'annulation du permis; […]‟ Vrij vertaald: „Overwegende dat het Grondwettelijk Hof [in zijn arrest 7/2016 van 21 januari 2016] heeft bevestigd dat een milieuvereniging morele schade kan lijden indien het collectief doel waarvoor zij werd opgericht, geraakt wordt en daarvoor op basis van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek herstel kan bekomen; Overwegende dat om dezelfde redenen deze ontwikkeling niet zonder gevolg kan blijven voor de wijze waarop de schade wordt bepaald die in aanmerking komt voor schadevergoeding tot herstel; dat bijgevolg moet worden vastgesteld dat de bestreden handeling ecologische schade heeft kunnen doen ontstaan die afbreuk doet aan de doelstellingen die de vereniging verdedigt en dat de bestreden handeling haar morele schade heeft kunnen veroorzaken; Overwegende dat het beginsel dat ecologische schade als persoonlijke schade kan beschouwd worden de verzoekende milieuvereniging er evenwel niet van vrijstelt het bestaan van het beweerde collectief nadeel te bewijzen, en het verband tussen de ecologische schade of bepaalde elementen daarvan en de onwettigheid die door de Raad van State werd vastgesteld; Overwegende dat daarbij rekening moet worden gehouden met de motieven van de vernietiging van de vergunning; […]‟ Op basis van wat voorafgaat, moet ook in onderhavige zaak geconcludeerd worden dat verzoekster niet aantoont dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de vermeende schade aan het leefmilieu en aan de statutaire VII-39.969-11/20 doelstellingen van verzoekster en het feit dat het besluit van 29 januari 2015 de dwingende gewestplanvoorschriften heeft miskend. […] Zoals eerder opgemerkt, verwijst verzoekende partij in dit verband ook niet nuttig naar de adviezen van het Agentschap voor Natuur en Bos van 17 november 2014 en van de afdeling Milieuvergunningen van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van diezelfde datum. Het feit dat uit deze adviezen zou blijken dat de bestreden vergunning mogelijks in strijd was met artikel 16 van het Decreet Natuurbehoud - ten zeerste quod non - toont niet aan dat er een oorzakelijk verband is tussen de onwettigheid die door Uw Raad werd vastgesteld - met name de miskenning van de dwingende gewestplanvoorschriften - en de nadelen waarnaar verzoekster verwijst, met name de schade aan het leefmilieu en aan de statutaire doelstellingen van verzoekster. […] Verder dient erop gewezen te worden dat uit het arrest 237.463 geenszins een absoluut verbod volgt om de helihaven vanuit planologisch oogpunt te vergunnen. Zo stelde Uw Raad in het arrest 237.463: „Blijkens de uitdrukkelijke motivering van het bestreden besluit heeft de verwerende partij geen toepassing gemaakt van de bepalingen van de VCRO die in geval van recreatief medegebruik toelaten van de stedenbouwkundige voorschriften af te wijken.‟ Uw Raad verwijst hiermee naar de mogelijkheid om desgevallend - wanneer de voorwaarden daartoe vervuld zijn - af te wijken van de stedenbouwkundige voorschriften op grond van artikel 4.4.
- VCRO. Ook dit toont aan dat de verzoekende geenszins aannemelijk maakt morele schade te leiden door de vastgestelde onwettigheid die niet hersteld werd door de nietigverklaring. […] In uiterst ondergeschikte orde, verzoekt verwerende partij om de schadevergoeding tot herstel te beperken. Verwerende partij verzoekt Uw Raad om de volgende omstandigheden in acht te nemen:
(1)Verwerende partij verzoekt Uw Raad om rekening te houden met het feit dat het vernietigde besluit van 29 januari 2015 een loutere hernieuwing betrof van een bestaande helihaven. Voorafgaand aan het besluit van 29 januari 2015 was de exploitant immers reeds middels een aktename dd. 14 januari 2010 gedurende een periode van 5 jaar vergund om een helihaven uit te baten met maximaal 60 helikoptervluchten per jaar en maximaal 2 vluchten per dag.
(2)Overigens had de vergunde helihaven slechts een beperkte activiteitsgraad. Het aantal helikoptervluchten was beperkt tot maximaal 60 vluchten per jaar en maximaal 2 vluchten per dag. Recreatieve en commerciële vluchten waren niet toegestaan. De aanvlieg- en de vertrekroute moesten bovendien zodanig gekozen worden dat het Marbelenven niet wordt overvlogen.
(3)Tevens verzoekt verwerende partij Uw Raad ermee rekening te houden dat het vernietigde besluit van 29 januari 2015 werd voorafgegaan door meerdere gunstige adviezen, zowel van de gewestelijke milieuvergunningscommissie […], als van de afdeling Milieuvergunningen (buitendienst Antwerpen) van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie […]. VII-39.969-12/20
(4)Voorts verzoekt verwerende partij Uw Raad rekening te houden met het feit dat de verzoekende partij gebeurlijk ten laste van de uitbater vergoeding kan verkrijgen van de door haar geleden schade wegens de fout of nalatigheid van de uitbater. Geen enkele wettelijke bepaling ontslaat immers de exploitant, zelfs als hij over een vergunning beschikt, van de verplichting om geen nadeel toe te brengen aan het leefmilieu. Dit gegeven moet bij de begroting van de schade worden betrokken.
(5)Tot slot wijst verwerende partij erop dat bij de berekening van de schadevergoeding tot herstel - anders dan verzoekster aanvoert - geen rekening mag worden gehouden met het feit dat verweerster zou hebben nagelaten een natuurtoets en een passende beoordeling op te maken. In dat verband wijst verweerster erop dat zij weldegelijk de haar door artikel 16, § 1 van het decreet natuurbehoud opgelegde zorgplicht is nagekomen en dat alle nodige maatregelen werden genomen om schade te vermijden. Ook toont verzoekster niet aan dat het besluit van 29 januari 2015 moest worden voorafgegaan door een passende beoordeling, gelet op de ruime afstand tot de meest nabij gelegen Speciale Beschermingszone. Dat laatste blijkt ook uit het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos […], de overwegingen van de afdeling Milieuvergunningen (buitendienst Antwerpen) van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie […] en het schrijven van de voorzitter van Wild Beheers Eenheid VZW Brechtse Heide […]”.
- In haar memorie van wederantwoord dupliceert de verzoekende partij dat uit haar schrijven aan de ombudsman blijkt dat zij wel degelijk heeft gewezen op de planologische onverenigbaarheid van het project en dat het argument dat deze procedure niet-verplicht is irrelevant is omdat de daarmee verband houdende (administratieve) kosten precies gemaakt werden wegens de onwettigheid van het de door de Raad van State vernietigde ministerieel besluit. De verzoekende partij merkt op dat deze kosten ten bedrage van 300 euro niet worden gedekt door de rechtsplegingsvergoeding die de Raad van State kan toekennen. Met betrekking tot de schade aan het leefmilieu stelt de verzoekende partij dat de door arrest nr. 237.463 van 23 februari 2017 vernietigde vergunningsbeslissing een helihaven tot voorwerp had die intrinsiek schadelijk is voor het leefmilieu en de mens, dat die schade in beginsel vergoedbaar is en het daarbij van geen belang is dat het vernietigingsarrest enkel een planologische schade heeft vastgesteld. Voorts benadrukt zij dat het geleden nadeel wel degelijk zijn oorzaak vindt in de onwettigheid die in het voornoemde arrest wordt VII-39.969-13/20 vastgesteld. De Raad van State heeft immers geoordeeld dat het uitvoeren van helikoptervluchten planologisch onverenigbaar is. Die onverenigbaarheid houdt wel degelijk verband met de fauna en de flora die ipso facto aangetast worden door de vergunde, door het natuurbehouddecreet verboden, activiteiten. Volgens de verzoekende partij volstaat het dan ook niet de schade te ontkennen wegens het ontbreken aan een expliciete uitspraak van de Raad van State over het gebrek aan een natuurtoets of een passende beoordeling. Voorts stelt zij dat het betoog van de verwerende partij voorbijgaat aan wetenschappelijke inzichten. Ook wijst zij erop dat overeenkomstig artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schadevergoeding moet worden bepaald met inachtneming van alle omstandigheden van openbaar en particulier belang. Zij stelt dat de “natuurtoets” en de “passende beoordeling” gegevens van “openbaar belang” zijn die precies strekken tot het waarborgen van de bescherming van het leefmilieu. Met betrekking tot het moreel nadeel en het miskennen van haar statutaire doelstellingen wijst de verzoekende partij erop dat het voormelde vernietigingsarrest nr. 237.463 geen volledige genoegdoening verschaft. Als de Raad van State zou aannemen dat de schadevergoeding tot herstel enkel kan worden toegekend aan milieuverenigingen die “aantonen dat [hun] voortbestaan en het realiseren van [hun] statutair doel op fundamentele wijze in het gedrang werden gebracht” en de schadevergoeding in elk geval zou beperkt zijn tot maximaal “een symbolische euro”, suggereert de verzoekende partij aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: “Schendt artikel 11bis van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State (hierna: RvS-wet) niet de artikelen 10, 11, 13, 16, 23 en 27 van de Grondwet, afzonderlijk genomen en in samenhang beschouwd met enerzijds artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en anderzijds de artikelen 1, 3 en 9 van het Verdrag van Aarhus, in de interpretatie dat artikel 11bis RvS-wet er zich tegen verzet dat aan een rechtspersoon die is opgericht en in het rechtsverkeer optreedt ter verdediging van een collectief belang, zoals de bescherming van het leefmilieu of bestanddelen ervan, een morele schadevergoeding wordt toegekend tenzij ze ook nog aantoont dat haar voortbestaan en het realiseren van haar statutair doel op fundamentele wijze in het gedrang werden gebracht, terwijl deze aanvullende voorwaarde niet aan de orde is bij het toekennen van zulke schadevergoeding bij toepassing van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, VII-39.969-14/20 geïnterpreteerd in het arrest nr. 2016-007 van 21 januari 2016 van het Grondwettelijk Hof?”.
- In haar laatste memorie herhaalt de verwerende partij vooreerst dat de kosten voor het voeren van een procedure voor de Vlaamse ombudsman niet in aanmerking genomen kunnen worden omdat zij “vreemd [zijn] aan de vastgestelde onwettigheid, zijnde de planologische onverenigbaarheid” en de verzoekende partij “geen enkel concreet element aanbrengt dat, al was het maar bij benadering, een minimale verantwoording kan bieden voor het bedrag van € 300 dat zij vraagt naar billijkheid toe te wijzen”. Tevens stelt zij dat er geen “zekere en rechtstreekse” schade aan het leefmilieu of aan de statutaire doelstellingen van de verzoekende partij wordt aangetoond. Het komt nochtans aan de verzoekende partij toe om de werkelijk schade te bewijzen en bij gebreke daarvan moet de schade worden begroot op één symbolische euro. Met betrekking tot de door de verzoekende partij gesuggereerde prejudiciële vraag, werpt de verwerende partij op dat dit verzoek laattijdig in de memorie van wederantwoord wordt geformuleerd. Voorts stelt zij dat de prejudiciële vraag er verkeerdelijk van uitgaat dat door het vernietigde ministerieel besluit van 29 januari 2015 de statutaire doelstellingen van de verzoekende partij niet geraakt worden. In deze procedure tot schadevergoeding tot herstel is echter niet aan de orde of het voormelde besluit van 29 januari 2015 raakt aan de statutaire doelstellingen, maar wel of door de verzoekende partij concreet aannemelijk wordt gemaakt dat het rechtsherstel dat verleend werd door het vernietigingsarrest niet volstaat en zij daarom aanspraak kan maken op een schadevergoeding. Het stellen van de prejudiciële vraag is volgens de verwerende partij dan ook niet dienstig voor de oplossing van het geschil. Tot slot benadrukt zij dat het beweerde verschil in behandeling berust op de eigen (forum)keuze van de verzoekende partij om bij de Raad van State een verzoek tot schadevergoeding tot herstel op grond van artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State in te dienen en geen procedure bij de justitiële rechter aan te spannen op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. VII-39.969-15/20
- De verzoekende partij laat in haar laatste memorie nog gelden dat zij zonder de onwettig bevonden akte de Vlaamse ombudsman niet zou hebben gevat met een klacht, alle kosten om “gelijk” te halen verhaalbaar zijn en er “bijgevolg geen geldige reden [is] om de kosten, inherent aan het proceseconomisch vatten van de institutionele ombudsman, niet aan te merken als een vergoedbare schade in de zin van artikel 11bis RvS-wet” en dat het gevorderde bedrag desnoods kan teruggebracht worden tot 20 euro, zijnde de kosten die verband houden met de verstuurde aangetekende brieven. Met betrekking tot de “schade aan leefmilieu en miskenning van statutaire doelstelllingen” zet zij uiteen dat in het advies van Ruimte Vlaanderen van 28 maart 2017 en in het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie van 16 mei 2017 wordt gesteld dat de helihaven planologisch onverenigbaar is. Om die reden werd de vergunning voor de inrichting dan ook geweigerd bij besluit van 19 juli
- In dergelijke omstandigheden gaat het volgens de verzoekende partij niet op om de schadevergoeding te beperken tot een symbolische euro. Het uitvoeren van handelingen op grond van een onwettige vergunning bepaalt wel degelijk de omvang van de schadevergoeding en de herhaling ervan ondergraaft in het bijzonder de geloofwaardigheid van verenigingen die opkomen voor het leefmilieu. Beoordeling
- Opdat de Raad van State de verzoekende partij een schadevergoeding tot herstel kan toekennen ten laste van de steller van de handeling, dient zij aan te tonen dat zij een nadeel heeft geleden als gevolg van de onwettigheid van de vernietigde akte. Uit artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, artikel 25/2, § 2, 4°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat bepaalt dat het verzoekschrift tot schadevergoeding tot herstel het VII-39.969-16/20 bedrag van de gevraagde vergoeding bevat, evenals een uiteenzetting die aantoont welk nadeel geleden wordt door de onwettigheid van de akte en, tot slot, artikel 25/2, § 3, van voornoemde procedureregeling dat bepaalt dat de stukken die het verzoek staven, samen met een inventaris bij het verzoekschrift worden bijgevoegd, vloeit voort dat de Raad van State bevoegd is om een schadevergoeding tot herstel te verlenen wanneer de verzoekende partij, in dit geval de begunstigde van een vernietigingsarrest, aantoont dat de daarin vastgestelde onwettigheid de rechtstreekse oorzaak is van het door haar geleden nadeel dat niet (volledig) is hersteld door de tussengekomen vernietiging. Een schadevergoeding tot herstel op grond van artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan alleen worden toegekend in zoverre de onwettige bestuurshandeling, ondanks de verwijdering ervan ab initio uit de rechtsordening, schade heeft toegebracht die door de vernietiging niet volledig is hersteld. Het komt een verzoeker toe het bewijs te leveren van het vereiste oorzakelijk verband tussen de vastgestelde onwettigheid en het nadeel dat hij aanvoert waarbij moet blijken dat het nadeel zich niet zou hebben voorgedaan zonder die vastgestelde onwettigheid. Zoals tijdens de parlementaire voorbereiding van artikel 11bis werd verduidelijkt onderscheidt “de schadevergoeding tot herstel die wordt toegekend met toepassing van deze bepaling [...] zich dus zowel van het herstel van de schade op basis van de artikelen 1382 tot 1386 van het Burgerlijk Wetboek als van de herstelvergoeding „naar billijkheid‟ van artikel 11 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, hoewel ze gemeenschappelijke punten heeft met deze twee begrippen”. Het gaat “om een autonoom begrip waarvan aan de Raad van State de zorg wordt overgelaten om geleidelijk aan de modaliteiten te bepalen in zijn rechtspraak” (Parl.St. Senaat, 2012-2013, nr. 5-2é/1, 7).
- Bij arrest nr. 237.463 van 23 februari 2017 vernietigt de Raad van State de milieuvergunning die de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en VII-39.969-17/20 Landbouw op 29 januari 2015 aan de nv Luyckx heeft verleend voor het exploiteren van een helihaven. In dat arrest wordt geoordeeld dat de exploitatie van een helihaven strijdt met de bestemmingsvoorschriften van het toepasselijke gewestplan. In hetzelfde arrest wordt bij de beoordeling van het belang en de ontvankelijkheid van het ingestelde annulatieberoep gesteld dat de statutaire doelstellingen van de verzoekende partij haar “het vereiste specifieke belang [verlenen] om op te komen tegen een milieuvergunning die indruist tegen de ruimtelijke ordening […] en/of de natuurwaarden in de onmiddellijke omgeving negatief kan beïnvloeden”.
- De verwerende partij betwist niet dat de kwestieuze helihaven effectief werd geëxploiteerd op basis van de milieuvergunning die door het voornoemde vernietigingsarrest ex tunc uit het rechtsverkeer werd genomen. Dit vernietigingsarrest brengt mee dat voor de verstoring van het leefmilieu in de onmiddellijke omgeving van de inrichting, geen rechtsgeldige vergunning voorhanden was. De verzoekende partij is een vereniging die luidens haar statuten onder meer “het behoud en het herstel van de eigen aard, de verscheidenheid en het ongeschonden karakter en de duurzaamheid van het leefmilieu in het administratief arrondissement Antwerpen” tot doel heeft. Tot de statutaire doelstellingen behoort ook “[h]et informeren en opvoeden van de leefmilieuverbruikers en het propageren van een leefmilieu-ideaal”. Er wordt dan ook aangenomen dat de verzoekende partij een nadeel heeft geleden wegens de aantasting van het collectief belang waarvoor zij werd opgericht. Dit nadeel zou zich niet hebben voorgedaan als de verwerende partij de vernietigde milieuvergunning niet had afgeleverd, waardoor het voor het toekennen van een schadevergoeding tot herstel vereiste causaal verband aanwezig is. Het doet daarbij niet ter zake dat de milieuvergunning werd vernietigd op grond van de planologische onverenigbaarheid van de inrichting en niet wegens het gebrek aan het uitvoeren van een natuurtoets en een passende beoordeling, zoals bedoeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. VII-39.969-18/20
- Hoewel de aantasting van de door de verzoekende partij nagestreefde statutaire doelstellingen tot bescherming van het leefmilieu in geldelijk opzicht niet exact kan worden begroot, is het voor de rechter niettemin mogelijk om de betrokken schade in concreto te ramen. Daarbij kan hij onder meer rekening houden met de statutaire doelstellingen van de betrokken milieuvereniging, de omvang van haar activiteiten en de inspanningen die zij levert om haar doelstellingen te realiseren. Bovendien kan hij ook acht slaan op de ernst van de teweeggebrachte milieunadelen. In dit verband wordt niet betwist dat de verzoekende partij daadwerkelijk inspanningen levert om het “ongeschonden karakter en de duurzaamheid van het leefmilieu in het administratief arrondissement Antwerpen” te bewaren. Tevens houdt de Raad van State rekening met de ligging van de betrokken helihaven in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, het beschermd landschap “Brechtse Heide”, de ankerplaats “Brechtse Heide te Brecht, Malle en Schilde” en op korte afstand van het natuurgebied met wetenschappelijke waarde “Marbelenven”. Anderzijds wordt ook erkend dat de vernietigde milieuvergunning betrekking had op het uitvoeren van een relatief beperkt aantal vluchten (55 vliegbewegingen). Rekening houdend met al deze beoordelingselementen begroot de Raad van State de vergoeding tot herstel voor de door de verzoekende partij geleden schade ex aequo et bono op een globaal bedrag van 1.000 euro. Wat betreft de kosten verbonden aan het voeren van een procedure bij de Vlaamse ombudsman, neemt de Raad van State niet aan dat er een causaal verband bestaat tussen deze kosten en de vastgestelde onwettigheid. De verzoekende partij heeft er namelijk zelf voor gekozen om deze facultatieve procedure op te starten die trouwens niet tot de vernietiging van de betrokken akte had kunnen leiden.
- Aangezien de gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof uitgaat van de vooronderstelling dat het toekennen van een VII-39.969-19/20 schadevergoeding tot herstel aan een milieuvereniging slechts mogelijk is indien wordt aangetoond dat “haar voortbestaan en het realiseren van haar statutair doel op fundamentele wijze in het gedrang werden gebracht”, zienswijze die door de Raad van State niet wordt gedeeld zoals blijkt uit de voorafgaande motieven, is er geen reden om de prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof voor te leggen. BESLISSING
- De Raad van State veroordeelt de verwerende partij tot betaling van een schadevergoeding tot herstel aan de vzw Aktiekomitee Red de Voorkempen ten bedrage van 1.000 euro.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig januari tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-39.969-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.895 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div