id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.898 Rolnummer: A. 225954/VII-40364 Zaak: Arrest 246898 - Dierenwelzijn - 30/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-10 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-26 01:19 Fiche Arrest nr 246.898 van 30 januari 2020 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 246.898 van 30 januari 2020 in de zaak A. 225.954/VII-40.364 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marianne Van Lommel kantoor houdend te 3200 Aarschot Steenweg op Sint-Joris-Winge 21 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karellaan 586, bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 20 augustus 2018, strekt tot de nietigverklaring van de “beslissing van de afdeling Strategie, Internationaal Beleid en Dierenwelzijn van het Vlaamse gewest, Departement Omgeving d.d. 12/07/2018 betreffende het definitief in volle eigendom geven van de hond Mylor aan het asiel dat daarmee instemt in toepassing van artikel 42 §2 Wet van 14/08/1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren”. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 242.771 van 25 oktober 2018 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. VII-40.364-1/12 Verzoekster heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 januari
- Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hendrik Lemmens, die loco advocaat Marianne Van Lommel verschijnt voor verzoekster, en advocaat Michaël Eeckhout, die loco advocaat Isabelle Cooreman verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- VII-40.364-2/12 III. Feiten 3.
- De lokale politie verricht meerdere controles bij verzoekster, sommige na enkele meldingen aan de politie inzake de verzorging en huisvesting van de hond van verzoekster. 3.
- De politierechtbank te Leuven reikt op 25 mei 2018 een visitatiemachtiging uit, waarna op 28 mei 2018 een nieuwe controle wordt uitgevoerd, die uiteindelijk resulteert in de inbeslagname van de hond. 3.
- De inspectie Dierenwelzijn beslist op 12 juli 2018 om het dier in volle eigendom te geven aan het dierenasiel dat daarmee instemt. Dit is de bestreden beslissing die wordt gemotiveerd: “Gelet op de historiek; Gelet op de vaststellingen in navolgend pv 2514/2018: - in de woning is er geen spoor te vinden dat de hond ooit in de woning komt; - de tuin waarin de hond gehuisvest wordt, is zeer rommelig; - de achterdeur wordt blijkbaar niet veel gebruikt want er staat veel rommel voor; - er liggen veel uitwerpselen in de tuin; - er staat een kookpot met hondenbrokken; - er staat een plastiek bak met weinig water. Het water staat in de zon en is warm; Gelet op het feit dat deze vaststellingen erop wijzen dat er niet voldaan wordt aan de ethologische en fysiologische behoeften van de hond. Gelet op het verhoor van betrokkene waarin ze verklaart dat: - er ‘s morgens voor het werk met de hond gewandeld wordt, indien dit niet lukt ‘s avonds; - de hond in de woning mag als betrokkene thuis is; - de hond buiten slaapt aangezien hij kalm is in zijn hok; - betrokkene niet met de hond naar een hondenschool is geweest, ze heeft zich ook niet geïnformeerd bij een hondenschool; Gelet op de getuigen die verklaren dat: - de eigenaars weinig aandacht hebben voor de hond; - de hond steeds in de tuin zit, zelfs bij slecht weer; als de eigenaars voor meerdere dagen afwezig zijn, wordt de hond in de garage geplaatst; - de eigenaars nooit gaan wandelen met de hond, Gelet dat bovenstaande erop wijst dat de hond onvoldoende aandacht krijgt van zijn eigenaars; VII-40.364-3/12 Gelet op het feit dat een hond een huisdier [is] en dus bij voorkeur verblijft in huiselijke kring. Single - housing voor langere periode wordt bij de hond geassocieerd met een verhoogde incidentie van gedragsproblemen en medische problemen en dient tot het minimum te worden beperkt. Honden zijn sociale dieren en hebben naast contact met mensen, contact met soortgenoten en andere dieren nodig. Een hond alleen huisvesten is daarom alleen geoorloofd als dit in huiselijke kring gebeur[t]. De hond dient het natuurlijk gedrag te kunnen vertonen, dat past bij zijn leeftijd en aard; Gelet op het feit dat uit bovenstaande blijkt dat het onverantwoord zou zijn om de hond terug te laten keren naar de eigenaar aangezien de garanties ontbreken dat het dierenwelzijn in de toekomst verzekerd zal zijn. Gelet op het feit dat de hond geen reële verkoopwaarde, minstens geen waarde heeft die in verhouding staat tot de kosten van transport, opvang, huisvesting en verzorging overeenkomstig zijn ethologische en fysiologische behoeften”. IV. Onderzoek van de middelen Eerste middel Standpunt van verzoekster
- In een eerste middel roept verzoekster de schending in van de motiveringsplicht. Zij betoogt dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet) zijn geschonden. Te dezen zouden de gegevens waarop de verwerende partij zich heeft gebaseerd niet correct zijn. Volgens haar zijn ook de gevolgtrekkingen die uit de in de bestreden beslissing vermelde gegevens werden gemaakt, “correct noch redelijk”. Zij haalt als tekortkomingen van de motivering van de bestreden beslissing in essentie de volgende punten aan: -de stellingname in de bestreden beslissing als zou de hond nooit in de woning komen is fout - de verbalisanten hebben de hond ook binnenshuis aangetroffen; VII-40.364-4/12 -zonder enig wetenschappelijk bewijs associeert de verwerende partij het zogenaamde “singlehousing” met gedrags- en medische problemen - te dezen is er nochtans helemaal geen sprake van “singlehousing”; -uit het feit dat de tuin van verzoekster rommelig was en de achterdeur niet zou worden gebruikt kan bezwaarlijk worden afgeleid dat zij de hond niet behoorlijk verzorgt; -het gegeven dat er een kookpot met hondenbrokken stond wijst niet op verwaarlozing; -er wordt niet geduid waarin het gebrek aan aandacht precies zou bestaan; -er wordt geen toelichting gegeven over de inhoud van de klachten die in de periode maart tot mei 2018 zouden zijn geformuleerd; -de vaststellingen over onder meer de uitwerpselen zijn subjectief, en de appreciatie van de feiten is niet zorgvuldig gebeurd. Beoordeling
- Uit de formele motieven van de bestreden beslissing blijkt waarom deze werd genomen. Verzoekster kent de reden van de beslissing en kan er zich inhoudelijk tegen verweren, hetgeen zij ook heeft gedaan. De enkele omstandigheid dat zij zich niet kan vinden in de gegeven formele motivering, maakt die daarom niet onwettig. De formelemotiveringsplicht impliceert niet dat de overheid ertoe is gehouden om op elk aangevoerd argument afzonderlijk te antwoorden. Het volstaat dat uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de aangevoerde argumenten in de besluitvorming werden betrokken en dat uit de motivering ervan kan worden afgeleid waarom deze argumenten niet werden aangenomen. Te dezen wordt in de bestreden beslissing uiteengezet waarom ze is genomen. Er is geen schending van de formelemotiveringsplicht zoals opgenomen in de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet voorhanden. VII-40.364-5/12 In de bestreden beslissing wordt uitdrukkelijk melding gemaakt van verzoeksters betoog dat de hond in de woning mag als zij thuis is. Dit wordt geplaatst naast de vaststelling in het proces-verbaal van 4 juni 2018 dat blijkt dat de hond nooit in de woning vertoeft. De verklaring van verzoekster is wel degelijk op waarde geschat door de verwerende partij. Verzoekster stelt dat de lokale politie zelf heeft vastgesteld dat de hond op 22 februari 2017 in de woning verbleef. De lokale politie stelde enkel vast dat de hond binnenshuis is opgesloten. De vaststellingen vermelden: “Tijdens de rondleiding door XXXX hoort opsteller een hond janken. Het gejank komt van de deur onder de trap. Opsteller informeert naar de hond waarop XXXX de deur opent. Het blijkt om een kleine donkere bergruimte onder de trap. Er is een lamp maar deze is niet ontstoken. De hond heeft ook geen eten en drinken. Opsteller zegt dat dit niet kan; dat een hond in het donker zit en zonder eten en drinken”. Hieruit kan niet worden afgeleid dat de hond zich in de huiselijke kring bevond. Wat betreft de mogelijke aanwezigheid van de hond in de garage, vermeldt het proces-verbaal: “Wanneer we de trap afgaan vraagt opsteller vanwaar de urinegeur komt. Betrokkene antwoord[t] niet waarop opsteller vraagt of de hond regelmatig in de garage zit. Zij antwoord[t] dat haar hond nooit in de garage zit”. Verzoekster betwist dat de hond alléén wordt gehuisvest, maar die eigen beoordeling maakt niet aannemelijk dat de verwerende partij de materiëlemotiveringsplicht heeft geschonden, gelet op de vaststellingen van de verbalisanten. Door verzoekster voorgelegde verklaringen die niet gedateerd zijn, noch niet-gedateerde door verzoekster zelf gemaakte foto’s, kunnen die vaststellingen weerleggen. Het gegeven dat de hond geen gedrags- of gezondheidsproblemen zou vertonen, doet geen afbreuk aan de vaststellingen VII-40.364-6/12 waarop de bestreden beslissing is geënt en die wijzen op verwaarlozing. Eenzelfde redenering dringt zich op voor de argumentatie dat het niet ongebruikelijk zou zijn dat grote honden vooral buiten worden gehuisvest en dat een rommelige tuin niet inhoudt dat de hond niet behoorlijk wordt verzorgd. Bovendien kan de weergave in het proces-verbaal dat de tuin zeer rommelig is met veel uitwerpselen en dat de hond weinig en warm water ter beschikking heeft, niet zomaar worden verworpen als “veelal subjectief”. De verwijzing naar de klachten in de periode maart-mei 2018 is opgenomen in de historiek van de bestreden beslissing, maar niet in de motivering ervan, waardoor een kritiek ter zake niet dienstig is. Verzoeksters betoog als zou de appreciatie van de feiten niet zorgvuldig zijn gebeurd laat niet toe te besluiten dat de bestreden beslissing niet op zorgvuldige wijze is genomen. Er is geen schending van de materiëlemotiveringsplicht voorhanden. Voor wat de beweerde schending van het redelijkheidsbeginsel betreft wordt verwezen naar de beoordeling van het tweede middel. Het eerste middel is niet gegrond. VII-40.364-7/12 Tweede middel Standpunt van verzoekster
- In het tweede middel wordt de schending aangevoerd van de “algemene beginselen van behoorlijk bestuur”, “in het bijzonder de redelijkheidsnorm, het evenredigheidsbeginsel en de correcte feitenvinding”. Verzoekster verwijst wat de feitenvinding betreft naar haar uiteenzetting bij het eerste middel, onder meer in verband met “single housing”, en de zogenaamd onvoldoende aandacht voor de hond. De schending van de redelijkheidsnorm volgt volgens haar uit het feit dat de getuigenverklaringen zonder meer als waar worden aangenomen. Zij stelt de objectiviteit van het onderzoek in vraag. De bestreden beslissing werd genomen na slechts drie controles, waarvan er twee dateren van een jaar voor de inbeslagneming. Tijdens het verhoor na de derde controle werd geïnsinueerd dat zij met de hond naar de hondenschool moest gaan omdat het een Amerikaanse Stafford betreft, terwijl het volgens haar niet redelijk is om haar zonder enige objectieve reden een dergelijke verplichting op te leggen. Het gebrek aan aandacht voor de hond is volgens haar evenmin aangetoond. Ten slotte had, steeds volgens verzoekster, ook een minder ingrijpende maatregel het beoogde doel, namelijk de bescherming van de hond, kunnen bereiken, aangezien “de zaken die in de vaststellingen vermeld stonden, voor zover correct en redelijk, niet van die aard [waren] dat verzoekster deze niet kon verhelpen”. In haar memorie van wederantwoord voegt verzoekster toe dat zij “totaal onwetend [was] over de bezorgdheden van verweerster en de geplande acties”, en dat zij evenmin werd bewust gemaakt van het feit dat haar hond in beslag zou kunnen worden genomen. VII-40.364-8/12 Beoordeling
- In zoverre in het middel wordt verwezen naar het eerste middel waaruit zou blijken dat de beslissing is genomen op basis van foutieve informatie, volstaat het te verwijzen naar de beoordeling van dat middel om die kritiek te verwerpen. Het stellen van de vraag of het onderzoek wel voldoende objectief is gevoerd, kan niet als een ontvankelijk ontwikkelde grief worden beschouwd. Wanneer een beslissing steunt op feitelijk juiste en rechtens relevante motieven, kan maar sprake zijn van een schending van het redelijkheidsbeginsel als er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing. Bij de beoordeling van de redelijkheid en de proportionaliteit van de opgelegde maatregel komt het niet aan de Raad van State toe om zich in de plaats van de overheid uit te spreken. Het redelijkheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel vereisen dat er geen kennelijke, onredelijke wanverhouding bestaat tussen de ernst van de feiten en de zwaarte van de genomen maatregel. Evenwel beschikt de Raad van State slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid, wat betekent dat hij enkel een volkomen in wanverhouding tot de feiten staande maatregel als onwettig kan beschouwen. Overeenkomstig artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren (hierna: dierenwelzijnswet) zijn er, nadat een levend dier in beslag werd genomen, vijf bestemmingsmogelijkheden, waarvan de keuze wordt overgelaten aan de verwerende partij. Met de thans bestreden beslissing wordt de hond van verzoekster in volle eigendom gegeven aan het asiel dat daarmee instemt. VII-40.364-9/12 Het is niet vereist om eerst een waarschuwing te geven vooraleer een bestemmingsbeslissing te nemen, en artikel 42, § 2, van de dierenwelzijnswet laat niet toe dat een andere beslissing wordt genomen dan één van degene die uitdrukkelijk in die bepaling zijn opgesomd. De motieven opgenomen in de bestreden beslissing, die betrekking hebben op de slechte toestand van de hond, volstaan om te oordelen dat de verwerende partij niet met schending van het evenredigheidsbeginsel is opgetreden. Na verscheidene controles die leidden tot de in het proces-verbaal nr. 2514/18 van 4 juni 2018 vermelde vaststellingen, werd de hond in volle eigendom gegeven aan een asiel dat daarmee instemde, wat één van de bestemmingsmogelijkheden is die mag worden gekozen door de verwerende partij. Met haar argumentatie toont verzoekster dan ook niet aan dat de bestreden beslissing de perken van de redelijkheid te buiten is gegaan. In de memorie van wederantwoord stelt zij wel dat zij “totaal onwetend over de bezorgdheden van verweerster” was, maar dat doet geen afbreuk aan de verplichtingen die onder meer worden opgelegd door artikel 4 van de dierenwelzijnswet, te weten: “Art. 4.§
- Ieder persoon die een dier houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, moet de nodige maatregelen nemen om het dier een in overeenstemming met zijn aard, zijn fysiologische en ethologische behoeften, zijn gezondheidstoestand en zijn graad van ontwikkeling, aanpassing of domestikatie, aangepaste voeding, verzorging en huisvesting te verschaffen. §
- Niemand mag de bewegingsvrijheid van het dier dat hij houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, zodanig beperken dat het aan vermijdbare pijnen, lijden of letsels is blootgesteld. Wanneer een dier gewoonlijk of voortdurend wordt vastgemaakt of opgesloten, moet het voldoende ruimte en bewegingsvrijheid krijgen, in overeenstemming met zijn fysiologische en ethologische behoeften. […] §
- De verlichting, de temperatuur, de vochtigheidsgraad, de verluchting, de luchtcirculatie en de overige milieuvoorwaarden van het verblijf der dieren moeten overeenstemmen met de fysiologische en ethologische behoeften van de soort”. Het tweede middel is niet gegrond. VII-40.364-10/12 V. Rechtsplegingsvergoeding
- De verwerende partij vraagt dat verzoekster zou worden veroordeeld tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro.
- Met toepassing van artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 67, § 2, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt de rechtsplegingsvergoeding die verzoekster als in het ongelijk gestelde partij is verschuldigd, vastgesteld op 168 euro. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 168 euro verschuldigd aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoekster niet bekendgemaakt. VII-40.364-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig januari tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.364-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.898 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.771 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div