← België

Arrest 246929 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 03/02/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.929 Rolnummer: A. 218561/IX-8830 Zaak: Arrest 246929 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 03/02/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-05 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-26 01:39 Fiche Arrest nr 246.929 van 3 februari 2020 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 246.929 van 3 februari 2020 in de zaak A. 218.561/IX-8830 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Emmanuel Jacubowitz en Anthony Poppe kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Walter Muls kantoor houdend te 1000 Brussel Antoine Dansaertstraat 92 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 26 februari 2016, strekt tot de nietig- verklaring van de beslissing van 31 augustus 2015 van de administrateur-generaal van het agentschap Inspectie RWO van de Vlaamse overheid houdende het ontslag van XXXX wegens de negatieve eindevaluatie van zijn proeftijd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. IX-8830-1/47 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laat- ste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 januari 2020. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij, advocaat Anthony Poppe, die tevens loco advocaat Emmanuel Jacubowitz verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Marijn Serneels, die loco advocaat Walter Muls verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 1 juli 2014 is verzoeker toegelaten tot de proeftijd in een betrekking van adjunct van de directeur bij de afdeling Toezicht van het intern verzelfstandigd agentschap Inspectie RWO van het beleidsdomein Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed van de Vlaamse overheid. De proeftijd duurt twaalf maanden. 3.2. Op 23 juli 2014 wordt met verzoeker een planningsgespek ge- voerd, waarbij de functiebeschrijving wordt overlopen, evenals de belangrijkste resultaatgebieden (en eventueel relevante activiteiten), de vereiste technische IX-8830-2/47 competenties en de vereiste gedragsgerichte competenties. Daarnaast worden de persoonlijke doelstellingen voor verzoeker vastgelegd, die bestaan uit resultaat- gerichte doelstellingen en ontwikkelingsgerichte doelstellingen. De resultaatgerichte doelstellingen zijn: “ Meewerken aan het opmaken van de basishandleiding Toezicht (domeinen sociale leningen, overdrachten en sociale verhuring) door in eerste instantie het nalezen van nieuwe themafiches opgemaakt door collega’s en later ook het zelf opmaken van themafiches  Meewerken aan het project sociale leningen (fase 1: VMSW en VWF/ fa- se 2: EKM’

  1. s) Project verhuring lokale besturen: o aanschrijven lokale besturen met minder dan 30 woningen om hen te wijzen op hun verplichtingen in het kader van het Toezichtbesluit en het Kaderbesluit Sociale Huur o opvolgen van de reacties, indien nodig herinneren (telefonisch en schriftelijk) o waar nodig overleg met Wonen Vlaanderen en VMSW over eventuele onduidelijkheden m.b.t. de toegekende subsidies o indien nodig sancties voorstellen, op te leggen door de toezichthouder  Meewerken aan de risicoanalyse van de actoren voor de domeinen van de directie Klanten: samen met de collega’s van de directie en de toezichthouders bundelen en beoordelen, wegen van de relevante informatie per domein en een geschikte methodiek helpen ontwikkelen voor het gebruik en de opvolging ervan bij de organisatie van basis- en verhoogd toezicht.” De ontwikkelingsgerichte doelstellingen zijn: “1. Algemeen:  Opleiding kwaliteitsvol communiceren met je leidinggevende: […] 2. Individueel: […] U dient minimum 1 ontwikkelingsgerichte doelstelling te behalen. Ontwikkelactiviteit 1: kennis verwerven over reglementering sociale leningen, verhuring en overdrachten (zelfstudie) Datum of periode: juli – oktober 2014 […] Ontwikkelactiviteit 2: sociale verhuring door lokale besturen (projectwerking) Datum of periode: juli – december 2014 […] Ontwikkelactiviteit 3: meewerken aan het project toekennen van sociale le- ningen door VMSW, VWF en EKM’s (projectwerking – werkplekleren) Datum of periode: juli – december 2014.” IX-8830-3/47 3.3. Op 5 november 2014 wordt met verzoeker een tussentijds eva- luatiegesprek gevoerd. Het verslag van dit gesprek, dat van 25 november 2014 dateert, zet uiteen welke zes opdrachten verzoeker tijdens de eerste vier maanden van zijn proeftijd hoofdzakelijk heeft uitgevoerd en het vermeldt dat verzoeker de nodige interesse toonde in de beschreven kennisgebieden. Voorts stelt het verslag dat vooralsnog niet kan worden beoordeeld of de door verzoeker verworven kennis over de vakspecifieke regelgeving al voldoende is om autonoom of ter ondersteu- ning van de toezichthouders controles uit te voeren, aangezien de door hem opge- stelde (ontwerpen van) documenten tot nog toe niet beantwoorden aan de voor- opgestelde verwachtingen. Concreet wordt aangegeven op welke vlakken deze documenten niet voldoen en hoe de opmaak van documenten kan worden verbe- terd. Vervolgens gaat het verslag in op probleem- en verbeterpunten, waarbij te- vens wordt opgemerkt dat de stamtijden niet werden gerespecteerd, doordat ver- zoeker herhaaldelijk te laat op het werk aankwam. Het verslag besluit: “Als XXXX wil aantonen dat hij het vereiste competentieniveau kan berei- ken en inzicht heeft in wat van hem verwacht wordt in deze functie, zal hij planmatiger te werk moeten gaan en voldoende communiceren over de ver- schillende stappen die hij zet in de uitvoering van zijn taken, vooral met zijn begeleidingsambtenaar en zijn evaluator. Een intensievere opvolging lijkt op dit ogenblik zeker aangewezen om tot de gewenste resultaten te kunnen komen.” Op 9 december 2014 formuleert verzoeker zijn opmerkingen bij dit tussentijdse evaluatieverslag, waarbij hij de daarin vermelde vaststellingen tegenspreekt. Deze opmerkingen worden voor kennisname ondertekend en aan verzoekers evaluatiedossier toegevoegd. 3.4. In een persoonlijke nota van 6 januari 2015 lichten de evalua- toren en de begeleidingsambtenaar aan verzoeker toe dat het de bedoeling was om in het tussentijdse evaluatieverslag vooral de aandachts- en leerpunten weer te geven, opdat zou kunnen worden bijgestuurd voor het vervolg van de proeftijd. Zij stellen dat het daarom van belang is dat verzoeker begrijpt op welke vlakken hij de IX-8830-4/47 vooropgestelde doelstellingen niet bereikt en hij vooralsnog onvoldoende aantoont over de voor de functie vereiste competenties te beschikken. De tijd die hij nodig heeft voor het uitvoeren van de hem toevertrouwde opdrachten wordt geacht “in verhouding tot de kwantiteit, kwaliteit en nauwkeurigheid van de geleverde re- sultaten tot nog toe […] ruim buiten de proporties van de normale arbeidstijd [te zijn] die nodig is om dergelijke taken uit te voeren”. Voorts gaan de evaluatoren en de begeleidingsambtenaar con- creet in op het niet-respecteren van de stamtijden door verzoeker, op problemen in verband met de opmaak van documenten, de organisatie van en de deelname aan een overlegvergadering over het project ‘lokale besturen’ en op problemen in verband met de “[r]egistratie in CRM”. In de nota wordt ook melding gemaakt van de opstart van een begeleidingstraject, waarvan de bedoeling is dat verzoeker “de functie onder de knie krijgt”, zowel wat het takenpakket en de activiteiten betreft, als op het vlak van de gedragscompetenties en de vaktechnische competenties. Met de begelei- dingsambtenaar is afgesproken dat hij vanaf januari 2015 wekelijks met verzoeker de uitvoering van zijn taken zal bespreken, zodat laatstgenoemde de gelegenheid heeft om vragen te stellen en eerstgenoemde hem uitleg kan geven of doorver- wijzen naar anderen. 3.5. Op 14 januari 2015 heeft een gesprek plaats over de opstart van het begeleidingstraject. In de nota die op 21 januari 2015 over dit gesprek wordt opge- steld, wordt uiteengezet dat het in het belang van het personeelslid en van de or- ganisatie is om de proeftijd tot een goed einde te brengen en dat dit een gezamen- lijke, constructieve inspanning van meerdere partijen veronderstelt, waarbij een objectieve en kwaliteitsvolle begeleiding wordt gewaarborgd, met extra aandacht voor een heldere en transparante communicatie en een open en constructieve houding. IX-8830-5/47 Daarnaast wordt melding gemaakt van de volgende afspraken: een wekelijks overleg met de begeleidingsambtenaar om de uitvoering van ver- zoekers taken te bespreken, een maandelijks overleg (opvolgingsgesprek) met de direct leidinggevende en het afdelingshoofd om verzoekers vorderingen te be- spreken en desgevallend vervolgafspraken te maken en, ten slotte, het respecteren door verzoeker van de stamtijden van de werktijdregeling. 3.6. Op 21 januari 2015 antwoordt verzoeker uitvoerig op de per- soonlijke nota van 6 januari 2015. Hij betoogt dat wat hem ten laste wordt gelegd “veel bijeengezochte constructies onwaarheden en scheeftrekkingen” bevat. Hij tracht verklaringen te geven voor de in de nota opgesomde probleempunten of deze te weerleggen en hij sluit af met de volgende beschouwing: “Ik betreur ten zeerste dat de persoonlijke nota als dusdanig het begelei- dingstraject doorkruist. Evenwel heb ik geen andere keuze dan te antwoorden op het mij ten laste gelegde in de persoonlijke nota. Ik ben nl. de mening toe- gedaan dat het mij ten laste gelegde toch verregaand is, en mij schaadt. Toch hoop ik dat mijn antwoord de effectiviteit van het ‘begeleidingstra- ject’ niet beïnvloedt. Maar, ik heb het volste vertrouwen in het voorgestelde ‘begeleidingstraject’ d.w.z. de nauwere samenwerking met [de begeleidingsambtenaar]. En ik wens de personen die het traject voorgesteld hebben ook te bedanken voor de gebo- den oplossing en voor het gesprek van woensdag 14-01-2015. Ik van mijn kant zal mij ten volle engageren met de bedoeling om, in dit kader van constructieve samenwerking en methodes, tot de goede en tot de gevraagde resultaten te komen.” 3.7. Op 9 februari 2015 heeft een eerste opvolgingsgesprek plaats. Verzoeker geeft een stand van zaken van zijn opdrachten en een overzicht van zijn uitgevoerde activiteiten sedert het laatste gesprek. Die activi- teiten worden besproken en er wordt aangegeven waar zich probleem- en verbe- terpunten voordoen. Tevens worden er daaromtrent concrete afspraken gemaakt, waarvan verzoeker zo snel mogelijk werk moet maken. Waar eventueel nodig moet verzoeker beroep doen op de ondersteuning van collega’s en leidinggevenden. De resultaten zullen tijdens het volgende opvolgingsgesprek worden besproken. IX-8830-6/47 3.8. Op 4 maart 2015 heeft een tweede opvolgingsgesprek plaats. Met het oog op dit gesprek is voorafgaandelijk aan verzoeker gevraagd om een stand van zaken te bezorgen van de uitvoering van de afspraken die op 9 februari 2015 zijn gemaakt. Aan die vraag heeft hij gevolg gegeven. Tijdens dit gesprek wordt ingegaan op de taken van verzoeker, op de naleving van de eerder gemaakte afspraken en op de probleem- en verbe- terpunten. Er worden nieuwe afspraken gemaakt. Het verslag van dit gesprek besluit: “Uit het gesprek en de voorgelegde output van XXXX blijkt dat er nauwe- lijks enige vooruitgang geboekt wordt, noch in de houding van XXXX, noch in de kwaliteit van het afgeleverde werk: o XXXX blijft het moeilijk hebben om zich te focussen op zijn prioritaire opdracht, waarbij het belangrijk is dat de verstuurde briefwisseling nauwgezet opgevolgd wordt en dat er heel kort op de bal gespeeld wordt wanneer er reacties of net geen reacties ontvangen worden van de lokale besturen. Door zich te focussen op andere, minder belangrijke aspecten van de opdracht, werd dit uit het oog verloren waardoor de slagkracht van het project verloren dreigt te gaan; o XXXX leert te weinig van reeds gemaakte opmerkingen: dezelfde op- merkingen moeten steeds opnieuw gemaakt worden in latere, gelijk- aardige mails of brieven en opdrachten; o XXXX houdt zich onvoldoende aan de gemaakte afspraken: geregeld worden afspraken niet, onvolledig of te laat nagekomen; o XXXX geeft niet aan op welke manier hij zelf denkt zijn competenties en de kwaliteit van het door hem afgeleverde werk te kunnen verbeteren met het oog op het welslagen van zijn stage. Hij doet hierrond geen enkele moeite en op de expliciete vraag van het afdelingshoofd hiernaar, antwoordt hij dat hij niets nodig heeft. Integendeel, hij blijft – zoals tijdens het begin van het gesprek – stelselmatig vinden dat hij geviseerd wordt door zijn leidinggevende die alles wat hij doet altijd maar slecht vindt en die hem altijd aanwijst als schuldige wanneer een dossier niet goed loopt: XXXX zoekt m.a.w. de redenen voor zijn minder goed functioneren steeds bij anderen en is onvoldoende zelfkritisch over zijn eigen functioneren. Er is nog een hele weg te gaan opdat zowel de arbeidsattitude van XXXX als het door hem afgeleverde werk qua inhoud en prioritering voldoen aan de competenties die van een niveau A1 mogen verwacht worden. Het verbeter- traject met maandelijkse opvolgingsgesprekken met de leidinggevenden en wekelijks overleg met de stagebegeleider, wordt zonder meer verder gezet.” IX-8830-7/47 3.9. Op 10 april 2015 heeft een derde opvolgingsgesprek plaats. Naar aanleiding van dit gesprek wordt aan verzoeker de moge- lijkheid geboden om zich schriftelijk voor te bereiden. Het is daarbij niet meer de bedoeling dat hij een stand van zaken geeft van de uitvoering van zijn taken, maar wel dat hij zijn groeipad met betrekking tot de verschillende competenties belicht en dat hij per competentie zijn progressie aantoont aan de hand van concrete voorbeelden. Verzoeker bezorgt een schriftelijke voorbereiding die bestaat uit een basisdocument dat een opsomming bevat van competenties, met vermelding van voorbeelden van gestelde handelingen, en bijlagen. Tijdens dit gesprek wordt verzoeker erop gewezen dat hij geen argumentatie opbouwt die een positieve evolutie van zijn competenties aantoont en dat de logische opbouw van zijn voorbereidingsdocument niet duidelijk is. Op de vraag of volgens hem zijn stage de goede richting uitgaat, antwoordt hij dat dit vooral van anderen afhangt, dat zijn werk van in het begin behoorlijk was en dat er vooruitgang is geboekt. Verzoeker wenst voorts niet te worden vastgepind op een fout die hij heeft gemaakt bij de verwijzing naar de toepasselijke regelgeving in een brief, maar zijn evaluatoren leiden eruit af dat een grondige en gedetailleerde controle door de leidinggevende nodig blijft. Verzoeker ervaart het toekijken door zijn leidinggevende op zijn activiteiten als belemmerend. Het verslag van dit gesprek besluit: “De positieve evolutie van XXXX competenties kan aan de hand van dit opvolgingsgesprek zeker niet eenduidig worden vastgesteld. Er blijven hard- nekkige knelpunten. Ondanks veelvuldige opmerkingen slaagt XXXX er niet in om de beoogde verbeteringen te realiseren. Niet alle competenties kwamen aan bod, in een volgende opvolgingsge- sprek zal er dan ook opnieuw tijd uitgetrokken worden om de competenties en de noodzakelijke verbeteringen hierin te overlopen.” IX-8830-8/47 3.10. In een persoonlijke nota van 13 april 2015 wordt vastgesteld dat “[u]it het nazicht van de tijdsregistratie van maart 2015 [opnieuw] blijkt [...] dat [verzoeker] de bepalingen van het arbeidsreglement omtrent de werktijdregeling overtreedt”. 3.11. Op 20 mei 2015 heeft een vierde opvolgingsgesprek plaats. De bedoeling daarvan is alle competenties te overlopen en te verduidelijken waar verzoeker zich momenteel bevindt en waar er nog verbetering wordt verwacht, en dit aan de hand van een document dat ter voorbereiding werd opgesteld en aan verzoeker werd bezorgd. Dit voorbereidende document wordt tijdens het opvolgingsgesprek overlopen, waarbij per competentie wordt uiteen- gezet waar – ondanks positieve elementen in verzoekers functioneren – de knel- punten zich bevinden. Luidens het verslag van het gesprek, dat van 26 mei 2015 dateert, weigert verzoeker evenwel hierover te communiceren om reden “dat hij het voorbereidende document pas de avond tevoren heeft ontvangen en dat hij zich dus niet heeft kunnen voorbereiden”. Het verslag besluit: “Tijdens dit vierde opvolgingsgesprek werd de doelstelling slechts partieel gerealiseerd: de competenties werden in kaart gebracht en er werd duidelijk aangegeven waar XXXX zich momenteel situeert en waar er nog verbetering verwacht wordt. Maar door XXXX weigering om commentaar te geven kwam het niet tot een gezamenlijke dialoog en blijft het onduidelijk of XXXX de vaststellingen begrepen heeft en of hij deze onderschrijft. Dit is een gemiste kans om de proeftijd, die nog steeds zeer moeizaam verloopt, in gunstige zin bij te sturen.” Bij het verslag is een bijlage gevoegd die betrekking heeft op de opvolging van de uitvoering van de planning van verzoeker, waarin per activiteit of opdracht de stand van zaken wordt gegeven. 3.12. In een persoonlijke nota van 18 juni 2015 zijn de bevindingen van de begeleidingsambtenaar betreffende verzoekers stage opgenomen. IX-8830-9/47 3.13. Op 29 juni 2015 heeft het eindevaluatiegesprek over verzoekers proeftijd plaats. In het verslag daarvan wordt een overzicht gegeven van het verloop van de proefperiode en voorts een beoordeling van de in het plannings- document opgenomen resultaatgebieden, de technische en gedragsgerichte com- petenties en de persoonlijke doelstellingen. Op grond daarvan wordt verzoekers proeftijd negatief geëvalueerd. 3.14. Op 13 juli 2015 stelt verzoeker tegen deze negatieve evaluatie een beroep in bij de raad van beroep. 3.15. Op 6 augustus 2015 adviseert de raad van beroep dat de nega- tieve evaluatie van de proeftijd van verzoeker gegrond is. 3.16. Op 31 augustus 2015 beslist de administrateur-generaal van het intern verzelfstandigd agentschap Inspectie RWO dat verzoeker met ingang van 1 september 2015 wordt ontslagen wegens een negatieve eindevaluatie van zijn proeftijd. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4. Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel, het materiëlemotiveringsbeginsel en het redelijkheids- beginsel, doordat de begeleiding tijdens de proefperiode niet ertoe strekte zijn competenties “aan te scherpen”, de verklaringen over zijn functioneren in de IX-8830-10/47 evaluaties en opvolgingsgesprekken niet overeenstemmen met de werkelijkheid, geen gerichte vorming werd aangeboden om hem te helpen in de ontwikkeling van de voor de functie noodzakelijke competenties en de verwerende partij geen maatregelen heeft genomen om hem toe te laten zijn proefperiode tot een goed einde te brengen, ondanks het gegeven dat de samenwerking met zijn hiërarchische overste spaak liep na de eerste tussentijdse evaluatie. Hij licht toe dat de bestreden beslissing gesteund is op het motief dat de stamtijden op sommige ogenblikken niet werden gerespecteerd, alsook op het motief dat hij onvoldoende beschikt over de in het functieprofiel vooropge- stelde competenties en hij niet heeft voldaan aan de persoonlijke doelstellingen. Dat tweede motief is volgens verzoeker, zelfs indien het correct zou zijn, hoe dan ook niet draagkrachtig, omdat het voortvloeit uit een onzorgvuldige begeleiding en sturing tijdens de proefperiode, die niet beantwoordt aan de wijze waarop een redelijke overheid met haar stagedoend personeel dient om te gaan. Hij onderbouwt zijn standpunt met de volgende argumenten: - tijdens zijn stage werd geen “gerichte opleiding” verstrekt. - er werd evenmin rekening gehouden met zijn opmerkingen dat de inhoud van de evaluaties en de opvolgingsgesprekken niet overeenstemde met de werkelijkheid. Zo werden zijn opmerkingen met betrekking tot de eerste tussentijdse evaluatie nooit betwist door de evaluatoren. Daarentegen werden vaak initiatieven genomen om de verklaringen die hij had ontkracht, in een latere fase van de stage toch im- pliciet te doen erkennen. Ten onrechte wordt in het eindevaluatieverslag dan ook gesteld dat het uitgangspunt steeds erin bestond hem bij te staan om zijn functio- neren te verbeteren. - pas aan de vooravond van het opvolgingsgesprek van 20 mei 2015 werd een integraal negatieve tussentijdse beoordeling van de gedragsgerichte competenties naar hem gezonden. Tot op dat moment was het niet duidelijk dat het opvol- gingsgesprek in het bijzonder zou handelen over de generieke competenties en het bleef onduidelijk of ook de geleverde prestaties zouden worden besproken. Dit heeft een impact gehad op de kwaliteit van het verweer dat tegen de negatieve IX-8830-11/47 beoordeling kon worden gevoerd. Aan een personeelslid moet nochtans de kans worden gegeven om een negatieve evaluatie punt per punt te weerleggen of con- creet te bespreken. De stelling dat de opvolgingsgesprekken ertoe strekten na te gaan welke taken goed werden uitgevoerd en wat voor verbetering vatbaar was, is volgens verzoeker foutief. De inhoud van alle verslagen van de opvolgingsge- sprekken was immers uitsluitend negatief. - in tegenstelling tot wat in het eindevaluatieverslag wordt vermeld, beoogde het overleg met de begeleidingsambtenaar niet om verzoeker een duidelijk beeld te geven van wat werd verwacht. De begeleidingsambtenaar had zelf geen duidelijk beeld van wat de directeur verwachtte en ondanks een uitdrukkelijke vraag heeft de directeur daarover geen verduidelijking verschaft. - onterecht wordt in het eindevaluatieverslag gesteld dat verzoeker steeds met vragen terecht kon bij collega’s en zijn direct leidinggevende. Behoudens de be- geleidingsambtenaar en één andere persoon, die slechts soms praktisch kon helpen, konden de collega’s hem zo goed als niet voorthelpen met vragen over de dossiers. Ook de begeleidingsambtenaar bleek vaak niet te kunnen helpen, omdat hij het te druk had, soms niet geëngageerd was om verzoeker te begeleiden en ook meer- maals de vragen van verzoeker niet kon beantwoorden. Er was dan ook een gebrek aan begeleiding op de dienst. - wat de resultaatgerichte doelstelling ‘project sociale verhuring door lokale be- sturen’ betreft, wordt in het eindevaluatieverslag ten onrechte gesteld dat het toe- zichtproject lokale besturen niet kon worden gefinaliseerd omdat verzoeker er niet in slaagde zijn deel van het project af te werken, hoewel het zijn belangrijkste opdracht was. Vooreerst werd bij de aanvang van de stage geen duiding gegeven met betrekking tot de opvolging van de lokale besturen. In het verslag van het planningsgesprek werd louter verzoekers taak weergegeven. Enige uitleg werd niet verschaft. Voorts werd geen duidelijkheid verstrekt over de op te vragen docu- menten, de wijze waarop de documenten moesten worden geverifieerd en daarover met de lokale besturen moest worden gecommuniceerd, de wijze van rapportering en de te vermelden gegevens in de rapportering. De houding van de directeur hiertegenover was inconsequent. Verzoeker kreeg tegenstrijdige informatie en IX-8830-12/47 instructies, wat ertoe heeft geleid dat de belangrijkste prestatiedoelstelling niet kon worden verwezenlijkt. - met betrekking tot de resultaatgerichte doelstelling ‘uitwerken van themafiches’ wordt in het verslag over de eindevaluatie ten onrechte gesteld dat verzoeker daarvoor de nodige documentatie ter beschikking kreeg en dat hij zich met zijn vragen kon richten tot de begeleidingsambtenaar, zijn rechtstreeks leidinggevende of de collega’s van de afdeling. Er werd hem zo goed als geen informatie verstrekt met betrekking tot het thema en hij diende zelf enorme inspanningen te leveren om documentatie te kunnen vergaren. Daarbij komt dat verkeerde inlichtingen werden verschaft over waar de nodige informatie te vinden was. De acties die verzoeker in de eindevaluatie worden verweten, vloeien dan ook voort uit de gebrekkige be- geleiding en de verkeerde informatieverstrekking door de verwerende partij. Bo- vendien is de stelling dat hij geen themafiches heeft opgesteld foutief: hij heeft een model van themafiche op 9 februari 2015 aan de begeleidingsambtenaar bezorgd en een definitieve versie op 4 maart 2015 aan de directeur. Tevens heeft hij een ontwerp van themafiche over de lokale besturen op 23 juni 2015 aan de directeur bezorgd. - wat de resultaatgerichte doelstelling ‘meewerken aan het project sociale lenin- gen’ betreft, is het opmerkelijk dat in het verslag over de eindevaluatie wordt gesteld dat de realisatie van deze doelstelling werd stopgezet, zonder dat daarover is gecommuniceerd tijdens de stage. Verzoeker besluit dat hij niet de nodige begeleiding heeft ge- kregen om zijn resultaatgerichte doelstellingen te kunnen bereiken, dat hij voort- durend tegenstrijdige inlichtingen en instructies kreeg van zijn leidinggevenden en dat hij geen enkele opleiding of vorming heeft kunnen krijgen in de betrokken functie. De proefperiode werd derhalve niet georganiseerd op een wijze die mag worden verwacht van een zorgvuldig en redelijk handelende overheid. Volgens verzoeker heeft de onregelmatigheid van zijn stage tot gevolg dat geen ontslagbeslissing kan worden genomen. Daarom vraagt hij om, bij het gegrond bevinden van het middel, met toepassing van artikel 36, § 1, van de IX-8830-13/47 gecoördineerde wetten op de Raad van State aan de verwerende partij het verbod op te leggen om een nieuwe ontslagbeslissing te nemen en de verplichting op te leggen om een nieuwe proefperiode te organiseren. 5. In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat de verwerende partij het aangevoerde gebrek aan opleiding, duiding en duidelijke instructies opzettelijk verkeerd voorstelt. Voor zover de verwerende partij verwijst naar het planningsdocument, stelt verzoeker dat dit slechts een zeer korte, rudi- mentaire en abstracte schets van de geplande opdrachten was. Waar het evenwel om gaat, is dat hij geen concrete praktische inleiding tot het werk heeft gekregen “met een duidelijke schets van het werk en de betrachtingen, de complexiteiten en de gevoeligheden”. Het verdere verloop van de stage werd gekenmerkt door te- genstrijdige instructies, het niet volgen van de aanbevelingen van verzoeker noodzakelijk voor het uitvoeren van zijn taken en het opleggen van overbodige en nutteloze opdrachten. De instructies en duiding vanaf eind oktober 2014 verstrekt, hadden niet tot doel hem te vormen en de stage tot een goed einde te laten brengen, maar de stage te doen mislukken. In de mate dat de verwerende partij opwerpt dat hij slechts de beoordeling van drie van de vier resultaatgerichte doelstellingen bekritiseert, merkt verzoeker op dat de vierde doelstelling – “die bestond in het meewerken aan de risicoanalyse van de actoren voor de domeinen van de directie Klanten” – werd uitgesteld en dus nooit deel heeft uitgemaakt van zijn persoonlijke doelstellingen. Voor zover de verwerende partij doet gelden dat hij het motief inzake het niet respecteren van de stamtijden niet betwist, erkent verzoeker dat hij dienaangaande geen middel heeft aangevoerd en hij verwijst voor zoveel als nodig naar het verweer dat hij dienaangaande tijdens zijn stage heeft ontwikkeld. Hij vestigt tevens de aandacht erop dat de verwerende partij niet opwerpt dat de mo- tieven die hij wel heeft bekritiseerd, overtollige motieven zouden zijn. IX-8830-14/47 Verzoeker betwist voorts de stelling van de verwerende partij dat hem herhaaldelijk zou zijn voorgesteld om “een specifieke opleiding in CRM-toezicht te volgen”, maar dat hij steeds zou hebben aangegeven dat dit niet noodzakelijk was. Met betrekking tot de resultaatgerichte doelstelling ‘project sociale verhuring door lokale besturen’ herhaalt verzoeker dat hij tijdens de stage niet op een afdoende wijze werd gevormd en geen sturing of geen consequente en constructieve sturing kreeg. Hij wijst erop dat hij niet bekritiseert dat hij geen specifieke opleiding heeft gekregen, maar wel dat hij niet werd gevormd in de materie die hij diende te behandelen en in zijn taken. In de mate dat de verwerende partij beweert dat er voor de inhoudelijke opdrachten geen specifieke opleidingen bestaan en dat werd aangeboden om een “specifieke opleiding in CRM-toezicht” te volgen, repliceert verzoeker dat hij een voordracht over het grond- en panden- decreet heeft gevolgd, wat een relevante opleiding was, dat hem nooit een voorstel is gedaan tot het volgen van een “CRM opleiding” en dat er tijdens zijn stagepe- riode trouwens geen “CRM opleiding” werd georganiseerd. Voor zover de ver- werende partij, wat de instructies voor de opdracht betreft, verwijst naar het plan- ningsdocument, herhaalt verzoeker dat dit document slechts een indicatie gaf, een korte, rudimentaire en abstracte weergave van de uit te voeren taken. Op het ar- gument van de verwerende partij dat de inhoudelijke competenties on the job worden verworven, repliceert verzoeker dat elk initiatief dat hij tijdens de stage nam, net zoals zelfstudie en kennisverwerving on the job, door de verwerende partij werd geblokkeerd, negatief beoordeeld of genegeerd. Verzoeker benadrukt dat hij niets anders kreeg dan tegenstrijdige instructies over de inhoud van zijn hoofdopdrachten en de wijze waarop deze opdrachten moesten worden uitgevoerd. Specifiek voor wat de opvolging van de kleinere lokale besturen betreft, zet hij uitvoerig uiteen dat hem steeds wijzigende, incoherente en tegenstrijdige instruc- ties werden gegeven, onder meer inzake de wijze waarop de individuele rapporte- ring van de opvolging van de lokale besturen diende te gebeuren en met betrekking tot de wijze waarop de ontvangen documenten dienden te worden gecontroleerd. Dit heeft geleid tot het steeds opnieuw moeten opstellen van individuele rapporten IX-8830-15/47 over dezelfde negentien lokale besturen, waardoor de taak van de opvolging van de lokale besturen niet kon worden afgerond. De door hem aangereikte oplossingen voor de problematiek werden door de verwerende partij zonder enige communi- catie genegeerd. Op de beperkte acties van verzoeker werd geen feedback gegeven, nochtans werden een aantal goede initiatieven en acties ondernomen. Wat de sturing en begeleiding van de stage door de verwerende partij betreft, wijst verzoeker erop dat tijdens de eerste vier maanden van de stage geen enkel probleem werd opgemerkt, geen enkele persoonlijke nota werd gege- ven, noch enige professionele bemerking bijgevoegd. Vanaf de eerste tussentijdse evaluatie tot en met de eindevaluatie is de verwerende partij dan blijven beweren dat de brieven en rapporten van verzoeker slecht zijn opgesteld, zonder daarvan concrete voorbeelden te geven. Ook in de memorie van antwoord beperkt de verwerende partij zich tot abstracte beweringen daaromtrent. In het eerste tussen- tijdse evaluatieverslag werd de beslissing genomen tot het opleggen van een be- geleidingstraject. Die beslissing is aldus niet gebaseerd op een zorgvuldige fei- tenvinding. Ze is niet deugdelijk gemotiveerd en ze is onredelijk. Vanaf janua- ri 2015 is het begeleidingstraject ingegaan met een systematische opvolging van “gesprekken-verhoren” en schriftelijke verslagen en antwoorden, wat het goed functioneren tijdens de stage ingrijpend heeft bezwaard. De wijze van argumen- teren en de gebruikte terminologie in alle verslagen wijst op een gebrek aan ob- jectiviteit en sereniteit vanwege de leidinggevenden. Het was ook niet werkelijk de bedoeling van de opvolgingsgesprekken om hem te begeleiden. Zijn antwoord op de verslagen werd gebruikt om zijn argumentatie te kennen, zodat de verwerende partij kon anticiperen op alles wat positief was en zij aldus een zogenaamd ge- rechtvaardigde en gefundeerde volledig negatieve evaluatie kon schrijven. Met betrekking tot de begeleidingsambtenaar, merkt verzoeker op dat diens taak erin bestond zijn stage te begeleiden en dus niet op te treden als “buffer” tussen hem en de directeur zoals de verwerende partij beweert. IX-8830-16/47 Aangaande de mogelijkheid om een beroep te doen op collega’s, stelt verzoeker dat de verwerende partij zichzelf tegenspreekt waar zij beweert dat hij (meer) beroep moest doen op zijn collega’s, terwijl zij ook beweert dat er geen andere medewerkers waren die de taak hadden waarvoor verzoeker was aange- worven. Voorts stelt verzoeker dat de sfeer tijdens de evaluatie- en op- volgingsgesprekken uitermate negatief en gespannen was en veroorzaakt door de houding van de leidinggevenden. Er was helemaal geen sprake van een open en constructieve dialoog met het oog op progressie in het werk en op een positieve eindevaluatie. Dit blijkt uit de omstandigheid dat de verslagen over zijn functio- neren over de hele lijn negatief waren en tegenstrijdigheden en beweringen be- vatten die niet overeenkwamen met de concrete feiten, uit de creativiteit van de verwerende partij om het positieve om te zetten tot iets negatief, uit het feit dat elk initiatief van verzoeker negatief werd voorgesteld en uit de weigering van de verwerende partij om te reageren op verzoekers antwoorden op de verslagen. Niettemin is hij blijven proberen om de stage positief te laten verlopen en tot een constructieve samenwerking met de directeur te komen. Met betrekking tot de resultaatgerichte doelstelling ‘uitwerken van themafiches’ was er voor de themafiche ‘subsidies’ andermaal een gebrek aan sturing en duidelijke en consequente instructies, aldus verzoeker. Hij wijst ook op een gebrek aan eerlijke communicatie van de directeur. Bij de aanvang van zijn stage was hij niet in het bezit van de noodzakelijke informatie voor het opstellen van die themafiche en hij heeft dan zelf bepaalde stukken opgezocht en verzameld. Pas op 17 november 2014 heeft de directeur vastgesteld dat bepaalde informatie niet aanwezig was en twee collega’s daarover bevraagd, maar geen van beiden beschikte over informatie. In weerwil van die vaststelling schrijft de directeur in het eerste tussentijdse evaluatieverslag van 25 november 2014 dat een deel van de informatie al op de dienst aanwezig is. Verzoeker vindt het logisch en constructief dat hij informatie gaat halen bij andere diensten als er geen informatie beschikbaar is op de eigen dienst. Hij verklaart dat hij de opdracht tot aanpassing van “de IX-8830-17/47 IKB-fiche”, wat de overgangsbepalingen betreft, heeft uitgevoerd, maar dat de directeur hem nadien heeft verzocht om het werken aan “de IKB-fiche” stop te zetten, omdat het afdelingshoofd nader ging bekijken welke richting met de the- mafiches ‘subsidies’ moest worden uitgegaan. Verzoeker meent dat hem dan ook niet kan worden verweten deze themafiche niet te hebben afgewerkt en hij besluit dat de begeleiding bij het bereiken van deze doelstelling mank liep door toedoen van de verwerende partij. Hij merkt ook op dat hij een week voor zijn eindevaluatie nog een tweede themafiche ‘lokale besturen’ heeft opgesteld. In de mate dat de verwerende partij met betrekking tot de re- sultaatgerichte doelstelling ‘meewerken aan het project sociale leningen’ stelt dat verzoeker ten onrechte beweert dat de realisatie van deze doelstelling is stopgezet en dat er louter sprake was van een beperking van zijn bijdrage tot het bijwonen van vergaderingen, het opstellen van een verslag en het nalezen van de thema- fiches, repliceert verzoeker dat in de eindevaluatie wel degelijk wordt vermeld dat de doelstelling werd stopgezet, aangezien erin kan worden gelezen dat zijn bij- drage beperkt blijft tot de in het verleden gedane activiteiten. 6. In zijn laatste memorie laat verzoeker gelden dat hij zijn argu- mentatie tegen het motief dat de stamtijden niet werden gerespecteerd pas in zijn memorie van wederantwoord heeft aangevoerd als repliek op het argument van de verwerende partij dat hij dit motief niet zou betwisten, waarbij hij wenste te be- nadrukken dat hij het motief wel betwist en hij dit reeds heeft gedaan tijdens de evaluatieperiode. Dat hij zijn argumenten tegen dat motief pas in de memorie van wederantwoord heeft aangevoerd, doet volgens verzoeker overigens geen afbreuk aan de overige argumenten van het eerste middel. Het motief met betrekking tot de werktijdregeling maakt immers de overige motieven niet overtollig. In de bestre- den beslissing wordt op geen enkele wijze gesteld dat één of meerdere motieven determinerend zouden zijn. Wat het aangeklaagde gebrek aan sturing, begeleiding, opleiding en vorming betreft, betoogt verzoeker nog dat een bespreking van het plannings- IX-8830-18/47 document bij het begin van de stage – toen hij nog geen werkelijk inzicht had in wat zijn taken concreet zouden inhouden – niet kan worden beschouwd als een zorgvuldige en voldoende opleiding, sturing en instructie. Zijn functie impliceerde dat hem concrete en praktische instructies en doelstellingen dienden te worden meegedeeld, terwijl het planningsdocument abstract is in het toelichten van de functie en de persoonlijke doelstellingen en louter kan worden begrepen als een algemene richtlijn. Dat tijdens de eerste tussentijdse evaluatie probleem- en werkpunten werden toegelicht, kan niet als een vorm van begeleiding worden beschouwd. Verzoeker heeft deze volledig negatieve evaluatie – die na vier maanden functioneren zonder negatieve opmerkingen als een volledige verrassing kwam – uitdrukkelijk betwist, omdat de inhoud ervan niet overeenstemde met de werkelijke feiten. De verwerende partij heeft verzoekers opmerkingen en bezwa- ren nooit weerlegd. Indien ze onterecht waren, had zij dit wel onmiddellijk gedaan. Daarentegen heeft zij opnieuw een volledig negatief verslag opgesteld, namelijk de persoonlijke nota van 6 januari 2015. Ook deze nota heeft verzoeker betwist en andermaal heeft de verwerende partij hierop geen reactie gegeven, hetgeen getuigt van een weinig constructieve, begeleidende en positief sturende houding. Ver- zoekers schriftelijke antwoorden en verdediging werden door de verwerende partij aangewend om de positieve elementen en feiten onderuit te halen in de volgende verslagen, zodat verder schriftelijk reageren op de geheel negatieve verslagen geen zin meer had. De gecommuniceerde probleem- en werkpunten steunden dus niet op werkelijke feiten en de zogenaamde constructieve bedoeling van de meegedeelde probleem- en werkpunten is bijzonder ongeloofwaardig. In elk geval noopt het gebrek aan reactie van de verwerende partij op de opmerkingen van verzoeker tot het besluit dat de stage op onzorgvuldige en niet-constructieve wijze werd geor- ganiseerd. Het louter organiseren van een bijkomend begeleidingstraject is niet voldoende om van een adequate begeleiding te kunnen gewagen, nu het begelei- dingstraject op een onzorgvuldige wijze werd georganiseerd door de begeleiders en verzoekers evaluatie door de begeleidingsambtenaar werd aangestuurd door instructies van de directeur, zoals volgens verzoeker blijkt uit een e-mail van 8 juni 2015 van de directeur aan de begeleidingsambtenaar. Verzoeker heeft steeds getracht om de stage tot een goed einde te brengen, initiatief te nemen en positief te IX-8830-19/47 blijven, ondanks de negatieve sfeer tijdens de evaluatiegesprekken door de hou- ding van de directeur. Het tegendeel kan dan ook niet worden beweerd. Dat ver- zoeker nooit zelf om vorming, begeleiding en opleiding heeft verzocht, doet geen afbreuk aan het feit dat van de overheid mag worden verwacht dat zij een persoon in proeftijd uit eigen beweging meer gerichte vorming aanbiedt, zoals ook in het advies van de raad van beroep wordt gesteld. Overigens waren alle verslagen die verzoeker ontving geheel negatief. Een opvolging met als doel de mogelijkheid tot het minste initiatief te ontnemen en om constant op zoek te gaan naar de minste fout of de mogelijkheid om iets als negatief voor te stellen, heeft niets te maken met constructieve sturing, opleiding en vorming. Voorts stelt verzoeker dat zijn opmerkingen met betrekking tot de begeleidingsambtenaar geen opmerkingen over de samenwerking of relatie met de begeleidingsambtenaar op zich betreffen, maar “veeleer een kritiek op de be- geleiding in het algemeen en de begeleiding op de dienst en met name op het ge- brek aan concrete toelichting en duidelijke en concrete informatie”. Verzoeker is van oordeel dat de negatieve opmerkingen van de directeur op zijn werkprestaties ook een uitspraak doen over de begeleidingsambtenaar en zijn rol in het stage- traject, aangezien hij op instructie van de directeur eerst alle vragen en ontwerpen diende te bespreken met of te bezorgen aan de begeleidingsambtenaar, alvorens de directeur te contacteren. Wat de resultaatgerichte doelstellingen ‘uitwerken van thema- fiches’ en ‘project sociale verhuring door lokale besturen’ betreft, benadrukt ver- zoeker dat er voor de subsidies – behoudens een overzicht van de evolutie van de subsidiebesluiten – geen bijkomende documentatie ter beschikking werd gesteld en dat zijn collega’s of de directeur ook niet beschikten over relevante documen- tatie of informatie. Verzoeker had ook geen zicht op de specifieke takenpakketten van zijn collega’s, aangezien daarover niet duidelijk werd gecommuniceerd vóór het begin van de stage. Wat betreft de opvolging van de lokale besturen was er geen documentatie nodig. De stelling van de verwerende partij dat hij daarvoor informatie en documentatie heeft opgevraagd bij externe diensten is onwaar. IX-8830-20/47 Voorts herhaalt verzoeker dat de realisatie van de opdracht ‘controle op de lokale besturen’ werd afgeremd en geblokkeerd door de afwezigheid van relevante dui- ding door de leidinggevenden, door het geven van tegenstrijdige instructies en het herhaaldelijk laten opstellen van dezelfde rapportering zonder dat daartoe enige reden of functioneel nut was en door het negeren van de voorgestelde oplossingen om tot een effectieve opvolging van en samenwerking met de lokale besturen te komen zonder dat daarover werd gecommuniceerd. Dat niet de juiste en noodza- kelijke sturing, begeleiding en informatie werden gegeven, wordt ook bevestigd door het rapport ‘Toezichtsproject lokale besturen en Vlaams Woningsfonds – Sociale Verhuring’ met betrekking tot het jaar 2013, dat enkele maanden vóór verzoekers stage werd opgesteld. De leidinggevenden, die beschikten over dat rapport, hebben die informatie nooit aan verzoeker meegedeeld, niettegenstaande zijn hoofdopdracht bestond uit de opvolging van diezelfde lokale besturen. Het is dan ook opmerkelijk dat de directeur in september 2014 verzoeker de opdracht heeft gegeven een verslag op te stellen over diens bevindingen met betrekking tot de opvolging van de kleinere lokale besturen. Uit dat verslag blijkt dan dat ver- zoeker tot dezelfde bevindingen is gekomen als die uit het jaarverslag betreffende het jaar 2013 en verzoeker stelde ook maatregelen voor om de vastgestelde pro- blemen op te lossen. De houding van de leidinggevenden, zo stelt verzoeker, toont een fundamentele tekortkoming aan op het vlak van sturing en begeleiding van de stage. Verzoeker besluit dat noch het planningsdocument, noch het begeleidingstraject en de opvolgingsgesprekken kunnen worden beschouwd als efficiënte of behoorlijke vormen van begeleiding, opleiding of sturing, gelet op de houding en de werkelijke doelstelling van de leidinggevenden. Beoordeling 7. Bij de beoordeling van de proeftijd van een personeelslid be- schikt het bestuur over een ruime discretionaire bevoegdheid. Het komt de Raad van State niet toe het feitenonderzoek van de bevoegde administratieve overheid IX-8830-21/47 over te doen en zich, wat de appreciatie van de proeftijd betreft, in de plaats van die overheid te stellen. De Raad van State vermag, desgevraagd, in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel na te gaan of de ingeroepen feiten werkelijk bestaan, of de appreciatie daarvan met de vereiste zorgvuldigheid is gebeurd en of de ad- ministratieve overheid op grond van de in rechte en in feite juiste gegevens in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. 8. In casu is de negatieve evaluatie van verzoekers proeftijd, die aan de grondslag van de bestreden beslissing ligt, eensdeels gesteund op het motief dat verzoeker de stamtijden niet steeds respecteerde en anderdeels op het motief dat hij onvoldoende beschikt over de in het functieprofiel vooropgestelde compe- tenties en hij niet heeft voldaan aan de persoonlijke doelstellingen. 9. Voor zover de verwerende partij zich bij het nemen van de be- streden beslissing mede heeft gesteund op de vaststelling dat verzoeker de stam- tijden niet steeds respecteerde, moet met de verwerende partij worden opgeworpen dat verzoeker dit motief niet heeft betwist in zijn inleidend verzoekschrift. In zijn memorie van wederantwoord verwijst verzoeker in dit verband naar het verweer dat hij tijdens zijn stage heeft doen gelden tegen die verweten tekortkoming. Deze argumentatie kon hij ook in het inleidend verzoekschrift aanvoeren. Voor het eerst aangevoerd in de memorie van wederantwoord is ze laattijdig en derhalve onont- vankelijk. 10.1. In de mate dat de verwerende partij de bestreden beslissing daarnaast steunt op de overweging dat verzoeker onvoldoende beschikt over de in het functieprofiel vooropgestelde competenties en dat hij niet heeft voldaan aan de persoonlijke doelstellingen, doet zij dat volgens verzoeker onterecht, aangezien die overweging voortvloeit uit een door de verwerende partij onredelijk en onzorg- vuldig georganiseerde proefperiode. 10.2. Voor zover verzoeker ter staving van de beweerde onredelijk en onzorgvuldig georganiseerde proefperiode aanvoert dat er niet of alleszins on- IX-8830-22/47 voldoende in begeleiding, opleiding, vorming en sturing was voorzien, wordt dit tegengesproken door het administratief dossier. Daaruit blijkt immers dat de ver- werende partij bij de aanvang van de proefperiode tijdens een planningsgesprek met verzoeker uitvoerig de functiebeschrijving, de resultaatgebieden, de techni- sche en gedragsgerichte competenties en de persoonlijke doelstellingen bestaande uit resultaatgerichte en ontwikkelingsgerichte doelstellingen heeft overlopen en uitgelegd. Aan de hand daarvan wist verzoeker – of kon hij althans weten – wat er precies van hem werd verwacht. Tijdens een tussentijds evaluatiegesprek, dat werd gehouden over de eerste vier maanden van de proefperiode, is de verwerende partij concreet ingegaan op de probleem- en verbeterpunten van verzoeker. Het aange- ven van deze punten kan worden beschouwd als een vorm van begeleiding van verzoeker naar een beter functioneren. Het viel dan aan verzoeker toe om daad- werkelijk daaraan tegemoet te komen, opdat zijn functioneren in gunstige zin zou evolueren. De verwerende partij kon dit alvast niet in zijn plaats doen. Uit het administratief dossier blijkt voorts dat de verwerende partij verzoeker nog bijko- mend heeft beogen te begeleiden middels een begeleidingstraject, waarbij ver- zoeker werd bijgestaan in een wekelijks overleg met zijn begeleidingsambtenaar en een maandelijks overleg (opvolgingsgesprekken) met zijn leidinggevenden. Tijdens die opvolgingsgesprekken werd telkens concreet en uitvoerig ingegaan op verzoekers functioneren. Aan de hand daarvan wist verzoeker, of diende hij te weten, op welke vlakken zijn functioneren nog tekortschoot om zijn proefperiode tot een goed einde te brengen. Het was dan ook aan hem om daarmee op een ge- paste wijze om te gaan. Wanneer dit niet of onvoldoende is gebeurd, is het verre van onredelijk dat de verwerende partij aan het einde van de proefperiode tot een negatieve evaluatie besluit. Als verzoeker meer begeleiding, opleiding, vorming of sturing nodig achtte dan hem reeds was gegeven, viel het hem toe om dit minstens te melden aan de verwerende partij. Het blijkt niet dat hij dat heeft gedaan, zodat hij thans de verwerende partij bezwaarlijk kan verwijten niet concreet op zijn noden te zijn ingegaan. In tegenstelling tot wat verzoeker beweert in zijn memorie van wederantwoord, kan uit de lezing van de verslagen en de daarin gebruikte argu- IX-8830-23/47 mentatie en terminologie hoegenaamd geen gebrek aan objectiviteit en sereniteit worden afgeleid. Terwijl verzoeker eensdeels de verwerende partij een gebrek aan begeleiding, opleiding, vorming en sturing verwijt, doet hij anderdeels in zijn memorie van wederantwoord gelden dat hij tijdens zijn stage systematisch werd opgevolgd en dat dit zijn functioneren belemmerde. Verzoeker wil met andere woorden meer begeleiding, opleiding, vorming en sturing, maar wanneer die worden aangeboden door de verwerende partij ervaart hij ze als belemmerend. Verzoeker is dan ook niet coherent in wat hij van de verwerende partij verwacht. Alleszins erkent hij met de grief dat de systematische opvolging van zijn stage belemmerend werkte, dat in begeleiding door de verwerende partij was voorzien. Hij slaagt er niet in aannemelijk te maken dat er een gebrek aan begeleiding, op- leiding, vorming en sturing was. 10.3. Het enkele feit dat verzoeker de evaluaties en opvolgingsge- sprekken heeft betwist, maar zijn opmerkingen geen reactie zouden hebben ge- kregen van zijn evaluatoren, toont nog niet aan dat de inhoud van die evaluaties en opvolgingsgesprekken niet zou stroken met de realiteit. Verzoeker slaagt er alvast voor de Raad van State niet in te overtuigen van het tegendeel. Wanneer bij ver- schillende evaluaties en opvolgingsgesprekken telkens opnieuw beredeneerd werd vastgesteld dat het functioneren van verzoeker nog niet voldeed aan wat werd verwacht, kan niet zonder meer worden aangenomen dat deze vaststellingen zou- den indruisen tegen de realiteit. 10.4. In tegenstelling tot wat verzoeker beweert, werden in het verslag van het opvolgingsgesprek van 20 mei 2015 – zoals trouwens ook van andere opvolgingsgesprekken – wel degelijk, naast de knelpunten, ook enkele positieve elementen vermeld. Verzoeker kan dan ook niet worden bijgevallen in zijn argu- ment dat deze verslagen uitsluitend negatief waren. Wel is het zo dat, wanneer het functioneren van verzoeker nog overwegend onvoldoende is, bezwaarlijk van de verwerende partij mag worden verwacht dat zij in hoofdzaak positieve verslagen IX-8830-24/47 zou opstellen. Tijdens het gesprek van 20 mei 2015 werd uitvoerig per competentie overlopen waar de knelpunten zich situeerden. Aldus werd verzoeker de moge- lijkheid geboden deze beoordeling punt per punt te weerleggen, maar verzoeker heeft toen zelf ervoor geopteerd daarover niet te communiceren. 10.5. Voor zover verzoeker thans kritiek uit op de begeleiding door de begeleidingsambtenaar, moet worden vastgesteld dat hij dergelijke kritiek nooit heeft geuit tijdens zijn proefperiode, maar integendeel diens begeleiding toen uitdrukkelijk goed heeft bevonden. Zo kan in het verslag van het opvolgings- gesprek van 20 mei 2015 worden gelezen: “De samenwerking met de begeleidingsambtenaar verloopt in het algemeen wel goed. Wekelijks heeft XXXX een overleg met zijn begeleidingsambtenaar om de uitvoering van zijn taken te bespreken. XXXX geeft aan een goede ver- standhouding te hebben met zijn begeleidingsambtenaar.” Met de kritiek die hij nu op de begeleiding door de begelei- dingsambtenaar geeft, komt verzoeker dan ook niet verder dan een loutere bewe- ring. Voorts blijkt uit de “[i]nsteek van de begeleidingsambtenaar” van 18 juni 2015 helemaal niet dat die zou zijn ingegeven door de instructies van de directeur, zoals verzoeker in zijn laatste memorie beweert. De e-mail van 8 juni 2015 van de directeur aan de begeleidingsambtenaar, waarop verzoeker steunt, vermeldt overigens uitdrukkelijk dat voornoemde ambtenaar “het best [zijn] eigen evaluatie geeft”. Voor zover verzoeker tevens stelt dat hij met vragen “zo goed als niet” terecht kon bij collega’s, vermeldt hij daarbij dat dit het geval was “[b]ehoudens de begeleidingsambtenaar en één ander persoon”. Hij overtuigt er aldus niet van dat hij met zijn vragen bij niemand terecht zou zijn gekund. 10.6. Verzoeker kan ook niet worden bijgevallen in zijn bewering dat bij de aanvang van zijn proefperiode geen duiding is gegeven met betrekking tot de IX-8830-25/47 doelstelling ‘project sociale verhuring door lokale besturen’. In tegenstelling tot wat hij beweert en zoals reeds werd vermeld, heeft de verwerende partij tijdens het planningsgesprek met verzoeker onder meer de persoonlijke doelstellingen over- lopen en uitgelegd, zo ook de doelstelling ‘project sociale verhuring door lokale besturen’. Er werd daarover dehalve wel duiding gegeven. Zo hem omtrent deze doelstelling al tegenstrijdige instructies en verkeerde informatie door de directeur zouden zijn verstrekt, slaagt verzoeker er alleszins niet in aan te tonen dat het niet-bereiken van deze doelstelling louter daaraan te wijten zou zijn en weigert hij alvast zijn eigen aandeel te zien in het falen voor deze doelstelling. Voor zover verzoeker het niet bereiken van deze doelstelling wijt aan het feit dat steeds op- nieuw individuele rapporten betreffende dezelfde negentien lokale besturen door hem moesten worden opgesteld, moet worden opgemerkt dat het niet onredelijk is dat dit steeds opnieuw diende te gebeuren wanneer eerder opgestelde rapporten niet voldeden. Verzoeker maakt ten slotte ook niet aannemelijk dat het niet be- reiken van deze doelstelling louter kan worden toegeschreven aan het feit dat de leidinggevenden de analyse en de aangeboden oplossingen in de rapportering over de eerste negentien aangeschreven kleinere lokale besturen zonder enige commu- nicatie hebben genegeerd. 10.7. Dat verzoeker zelf informatie moest vergaren voor wat de doel- stelling ‘uitwerken van themafiches’ betreft, wordt tegengesproken door het eind- evaluatieverslag, waarin uitdrukkelijk wordt vermeld dat hij de nodige documen- tatie ter beschikking kreeg. En zelfs als hij al zelf informatie moest verzamelen, verklaart dit nog niet waarom verzoeker deze doelstelling niet heeft bereikt. Ver- zoeker betwist weliswaar dat hij geen themafiches zou hebben opgesteld, maar hij ontkent niet de vaststelling uit de eindevaluatie dat op een jaar tijd enkel een ontwerp van themafiche werd opgesteld dat tijdens de proefperiode niet gefinali- seerd geraakte en daarnaast één week voor het eindevaluatiegesprek enkel nog een tweede ontwerp van fiche door hem werd bezorgd. 10.8. Met de verwerende partij moet worden vastgesteld dat verzoeker met betrekking tot de doelstelling ‘meewerken aan het project sociale leningen’ IX-8830-26/47 verkeerdelijk in de eindevaluatie leest dat de realisatie van deze doelstelling zou zijn stopgezet. In de eindevaluatie staat te lezen dat de invulling van deze doel- stelling uiteindelijk beperkt bleef tot het bijwonen van enkele vergaderingen van de projectwerkgroep en het opmaken van een verslag van één van de vergaderin- gen, het nalezen van de themafiches en het mee volgen van een inspectie bij één van de betrokken actoren. 11. Verzoeker maakt met zijn uiteenzetting in het eerste middel niet aannemelijk dat zijn proefperiode onredelijk en onzorgvuldig georganiseerd was, noch dat de bestreden beslissing niet gesteund is op deugdelijke motieven. 12. Aangezien het eerste middel aldus niet gegrond is, dient ver- zoekers vraag om naast het verbod om een nieuwe ontslagbeslissing te nemen ook de verplichting op te leggen om een nieuwe proefperiode te organiseren, hoe dan ook te worden afgewezen. 13. Het eerste middel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 14. Verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheids- beginsel. In een eerste middelonderdeel doet verzoeker gelden dat zijn proefperiode eenzijdig negatief werd beoordeeld en geen rekening werd gehouden met de taken die hij tot een goed einde had gebracht. Elementen die voorheen als eenduidig positief waren erkend, zoals de behandeling van klachtendossiers, werden in de eindevaluatie geherformuleerd, zodat er een negatieve connotatie aan kon worden gegeven. Het eenzijdig negatieve karakter van de eindevaluatie schept IX-8830-27/47 een beeld van zijn functioneren dat niet overeenstemt met de werkelijkheid. De bestreden beslissing steunt op gegevens die niet beantwoorden aan de werkelijk- heid en is niet met de nodige zorgvuldigheid voorbereid en genomen. Door uit- sluitend rekening te houden met de negatieve elementen en abstractie te maken van de positieve zaken, handelt het bestuur kennelijk onredelijk. In een tweede middelonderdeel voert verzoeker aan dat “een onjuiste voorstelling van de feiten gegeven [werd] bij een grote reeks van motieven die de eindevaluatie schragen”. Hij onderbouwt zijn standpunt met de volgende argumenten: - argument 1: in het eerste middel is reeds uiteengezet dat het verwijt dat hij zijn hoofdopdracht – de controle van de lokale besturen met een klein sociaal patri- monium – niet tot een goed einde heeft gebracht, te wijten is aan de instructies van zijn werkgever. Dit motief kan dan ook niet in aanmerking worden genomen. Hetzelfde geldt voor de motieven inzake het opstellen van de themafiches inzake sociale verhuring en de opzoekingen van documentatie inzake subsidiëring. - argument 2: ten onrechte wordt onder punt 2.1 ‘Kennis m.b.t. het vakgebied’ van de eindevaluatie gesteld dat het opstellen van themafiches uit zijn takenpakket werd gelicht. Hij geeft ter staving een overzicht van de werkzaamheden die hij voor deze resultaatgerichte doelstelling heeft uitgevoerd. - argument 3: in het eindevaluatieverslag wordt, eveneens onder punt 2.1, vermeld dat verzoeker zich vaak te zeer enkel op de toelichtingen van anderen verliet, terwijl in de tussentijdse evaluatie van 25 november 2014 nog werd gesteld dat hij meer beroep zou moeten doen op de expertise van collega’s. Deze opmerkingen zijn tegenstrijdig en vormen een voorbeeld van de niet-consistente houding van de evaluatoren. - argument 4: in de eindevaluatie wordt gesteld dat verzoeker genoodzaakt was het initiatief te nemen om een klachtendossier op te volgen nadat door de indiener van de klacht regelmatig aan de bel was getrokken, terwijl verzoeker zelf het initiatief had genomen om die zaak op te volgen. - argument 5: ten onrechte wordt in de eindevaluatie vermeld dat hij in twee klachtendossiers extra juridische informatie over deelaspecten van het dossier IX-8830-28/47 opzocht, maar er vervolgens niet in slaagde de opgezochte gegevens in een aan- vaardbare tijd te verwerken in de communicatie met de belanghebbenden of in een document dat collega’s later voor de behandeling van eventuele gelijkaardige dossiers zouden kunnen gebruiken. Het ene dossier waarvan sprake, dateerde van september 2014, terwijl in de tussentijdse evaluatie van 25 november 2014 wordt gesteld dat hij de klachtendossiers goed behandelde. Bovendien werd de proble- matiek van de verjaring niet als een deelaspect beschouwd, maar als essentieel. In het andere vermelde dossier heeft hij helemaal geen juridische informatie moeten opzoeken. - argument 6: in de eindevaluatie wordt ten onrechte gesteld dat hij in bepaalde gevallen informatie opvroeg, terwijl dit onvoldoende relevant was, weinig impact had of niet opportuun was, zoals over bewaartermijnen van administratieve do- cumenten geldig voor lokale besturen. De contactpersoon bij de afdeling Be- stuurszaken heeft schriftelijk de pertinentie van verzoekers vragen erkend en wenste zelfs op de hoogte te worden gehouden van mogelijke overtredingen. Dit verzoek om inlichtingen was dus zeker nuttig. - argument 7: de vermelding in het verslag over de eindevaluatie dat hij tijdens de vakantie van zijn leidinggevende niet-ondertekende brieven mailde in haar naam en zonder dat zij daarvan kennis had, is foutief zoals blijkt uit zijn e-mail van 8 augustus 2014 aan de begeleidingsambtenaar. - argument 8: onterecht wordt in het eindevaluatieverslag onder punt 3.1.4 ‘Kennis van ICT-Toepassingen’ besloten tot een gebrekkige kennis van het programma ‘Word’. In werkelijkheid vroeg verzoeker om de individuele rapporten in een ‘Excel’-sheet te mogen opstellen, omdat de informatie dan overzichtelijker in kolommen kon worden ingevoerd en een dergelijke tabel ook eenvoudig kon worden gewijzigd. ‘Word’ heeft overigens “een gemakkelijkere werkbaarheid” dan ‘Excel’. - argument 9: nergens wordt de bewering gestaafd onder punt 3.2.1 ‘Voortdurend verbeteren’ van de eindevaluatie dat ontwerpen van e-mailberichten, brieven en andere documenten veelvuldig moesten worden verbeterd en dat een enkelvoudige bijsturing vaak niet volstond, maar een tekst talrijke keren heen en weer ging voordat het resultaat bevredigend was. Documenten werden op een inefficiënte en IX-8830-29/47 onnodige manier gecorrigeerd of correcties waren niet meer dan gelijkwaardige alternatieven voor de tekst die verzoeker als ontwerp had opgesteld. Bovendien werden ontwerpen soms aangevuld met nieuwe verbeteringen die reeds ingevoegd hadden kunnen worden tijdens de eerste verbetering. Overigens werden de meeste ontwerpen eerst naar de begeleidingsambtenaar gezonden voor controle en daarna pas naar de directeur. Ook hieruit blijkt de kennelijk onredelijke houding van de directeur. - argument 10: onder punt 3.2.8 ‘Schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid’ van het eindevaluatieverslag wordt gesteld dat de door verzoeker opgestelde documenten dikwijls onvoldoende duidelijk en onvoldoende gestructureerd zijn. De verwe- rende partij gebruikt daarbij ten onrechte het document dat de inhoud weergeeft van de opzoekingen in verband met de verjaring van vorderingen van sociale huurschulden om verzoekers schrijfstijl te evalueren, terwijl het slechts om een ontwerp ging waarbij verzoeker nooit de bedoeling had om het te laten beschou- wen als een advies aan zijn hiërarchische overste. Verzoeker haalt vervolgens voorbeelden aan waaruit volgens hem moet blijken dat hij wel op een heldere wijze documenten kan opstellen. - argument 11: nergens blijkt uit de verslagen van het persoonlijk begelei- dingstraject dat verzoeker zou hebben aangegeven het in de toekomst beter te zullen doen, zoals in de eindevaluatie wordt vermeld. Evenmin heeft verzoeker tijdens het gesprek in het kader van de eindevaluatie meegedeeld vanaf dan beter zijn best te zullen doen. Verzoeker stelt dat hij zich gedurende de hele proefperiode heeft ingezet en dat een dergelijke uitspraak zinledig zou zijn aangezien de eind- evaluatie negatief was en hij daarvan op de hoogte was. Verzoeker besluit dat de bestreden beslissing gesteund is op motieven die niet met de werkelijkheid overeenstemmen en op moeilijkheden die door zijn leidinggevende zelf werden veroorzaakt of in de hand gewerkt. 15. In zijn memorie van wederantwoord argumenteert verzoeker met betrekking tot het eerste middelonderdeel dat de verwerende partij zich geen objectief oordeel meer kon vormen, omdat de stage zodanig werd georganiseerd IX-8830-30/47 dat ze geen rechtsgeldige basis voor de evaluatie meer kon zijn en zijn dossier eenzijdig en volledig negatief werd opgesteld. Uitzonderlijk werd een positief element aangehaald om het direct daarna negatief voor te stellen of te neutralise- ren. De verwerende partij doet er alles aan om alles negatief te kunnen voorstellen en om iets positiefs met alle middelen omgezet te krijgen in iets negatiefs. Ver- zoeker betwist ook dat hem in verband met een bepaald klachtendossier passiviteit kan worden verweten en hij stelt dat de directeur aan “feitenvinding” deed tijdens de proefperiode en in de evaluatieverslagen. Met betrekking tot het tweede middelonderdeel argumenteert verzoeker als volgt: - argumenten 1 en 2: de argumentatie van de verwerende partij werd reeds be- antwoord in het kader van het eerste middel, zodat hij naar de bespreking daarvan verwijst. - argument 4: de complexiteit van de procedure, de verschillende stappen te nemen in de procedure en het gedrag van de sociale huurder hebben ervoor gezorgd dat een snelle afwikkeling van de zaak niet mogelijk was. Niet elk dossier kan “een snelle evolutie” kennen. - argument 6: de door de verwerende partij aangehaalde argumentatie is reeds weerlegd in het kader van het eerste middel. - argument 7: de verwerende partij antwoordt niet op zijn gemotiveerde kritiek. Met de e-mail van 8 augustus 2014 heeft verzoeker expliciet aan de begelei- dingsambtenaar gevraagd wie de e-mails en brieven kon versturen bij afwezigheid van de directeur. Verzoeker heeft bijgevolg geen e-mails in naam van de directeur doorgestuurd tijdens haar afwezigheid. - argument 8: de stelling van de verwerende partij dat verzoekers kennis van ICT-toepassingen onvoldoende was, omdat hij er niet in slaagde te werken met de voorgestelde sjablonen, en dat de door verzoeker opgestelde documenten niet overzichtelijk waren, hetgeen de reden was om het gebruik van sjablonen voor te stellen, wordt met geen enkel stuk aangetoond. - argument 9: de verwerende partij geeft toe dat documenten van verzoeker veel- vuldig werden gecorrigeerd, maar ontkent dat dit verzoeker verhinderde om effi- IX-8830-31/47 ciënt te werken en zij vindt het volstrekt normaal dat verbeteringen die ook de eerste keer konden worden aangebracht, over meerdere correcties werden ver- spreid. Verzoeker houdt de kennelijk onredelijke houding van de directeur staande. - argument 10: de verwerende partij stelt dat niet wordt aangetoond dat het op- zoekingswerk inzake verjaring geen definitief advies uitmaakte, terwijl uit diverse elementen blijkt dat het ging om een vraag naar feedback. 16. In zijn laatste memorie herhaalt verzoeker met betrekking tot het eerste middelonderdeel dat in de evaluatieverslagen geen positieve, opbouwende elementen of commentaren kunnen worden teruggevonden en dat wanneer de verwerende partij uitzonderlijk de schijn wekt een positief element te vermelden, zij onmiddellijk een manier vindt om dit weer negatief voor te stellen of te neu- traliseren. Bepaalde elementen, zoals de behandeling van klachtendossiers, die tijdens de tussentijdse evaluatieperiode positief werden beoordeeld, worden daarna negatief geëvalueerd in de eindevaluatie. Zelfs in de hypothese dat er uitzonderlijk enkele positieve elementen in de verslagen zouden zijn opgenomen, blijkt duide- lijk de intentie van de verwerende partij om een geheel van negatieve evaluaties te construeren, een eenzijdig negatief beeld van verzoekers prestaties te creëren en de werkelijke positieve prestaties van verzoeker uit het dossier te weren. Verzoeker benadrukt ook dat hem geen stilzitten of passiviteit kan worden verweten. Hij nam wel degelijk initiatieven, maar ze werden door de directeur afgeblokt of genegeerd. Verzoeker wijst er ook op dat hij zijn opmerkingen en bezwaren duidelijk maakte na de tussentijdse evaluatie en tijdens de hele evaluatieperiode, maar dat ze werden genegeerd. Hij stelt dat het gebrek aan een adequaat en ernstig onderzoek van zijn opmerkingen en bezwaren op zich reeds een schending uitmaakt van het zorgvul- digheidsbeginsel. Verzoeker besluit dat de verwerende partij geen rekening heeft gehouden met zijn “globaal” functioneren, maar enkel heeft gefocust op de nega- tieve elementen of de elementen die zij in een negatief daglicht kon stellen en dat dan ook niet kan worden volgehouden dat de verwerende partij correct met alle nuttige – zowel positieve als negatieve – elementen rekening heeft gehouden om tot een zorgvuldige en redelijke globale beoordeling van zijn functioneren te ko- men. IX-8830-32/47 Met betrekking tot het tweede middelonderdeel betoogt ver- zoeker dat aangezien in de bestreden beslissing op geen enkele wijze wordt aan- gegeven dat één of meerdere motieven determinerend zijn, ze geacht moeten worden op gelijke voet te staan. De onwettigheid van één motief heeft dan de onwettigheid van de bestreden beslissing tot gevolg. Voorts doet hij met betrek- king tot de door hem aangevoerde argumenten nog het volgende gelden: - argument 2: de taken met betrekking tot het opstellen van themafiches werden niet uit het takenpakket gelicht. Dat daarover minstens onduidelijkheid en ver- warring bestaat, blijkt uit de tegenstrijdige motiveringen en formuleringen in het eindevaluatieverslag. Zo wordt op bladzijde 6 van dat verslag vermeld dat de taken met betrekking tot het opstellen van themafiches uit het prioritaire takenpakket werden gelicht, terwijl op bladzijde 19 van datzelfde verslag wordt gesteld dat ze “on hold” zijn gezet. In geen enkel opvolgings- of evaluatieverslag is er evenwel melding van gemaakt dat een halt is toegeroepen aan het opstellen van thema- fiches. Voorts stemt hetgeen gesteld wordt over het niet aankunnen en niet ver- volledigen van de opdracht niet overeen met de werkelijke feiten. Voor wat de themafiche ‘lokale besturen’ betreft, was er geen deadline, die niet gerespecteerd zou zijn. In samenspraak met de begeleidingsambtenaar heeft verzoeker het model voor de opmaak van de fiche aangepast. Tijdens de laatste maand van de stage heeft hij een ontwerp van de themafiche opgesteld en vervolgens verzonden naar de begeleidingsambtenaar en de directeur. Van enige laattijdigheid kan geen sprake zijn en het is dus manifest onjuist dat verzoeker er niet in geslaagd zou zijn om de themafiche ‘lokale besturen’ goed op te stellen en dat die taak een halt werd toegeroepen tijdens de stage. De themafiche ‘subsidieregeling’ liep vertraging op door het gebrek aan beschikbare informatie en documentatie omtrent subsidies en verzoeker diende deze eerst zelf te verzamelen alvorens een eerste ontwerp te kunnen opstellen. Dat helemaal geen themafiche ‘subsidieregeling’ werd opge- steld, is foutief. Op 9 februari 2015 werd een model van themafiche aan de bege- leidingsambtenaar en de leidinggevenden bezorgd, waarna op aansturen van de leidinggevenden een sterk ingekorte versie op 4 maart 2015 aan de directeur werd toegezonden. IX-8830-33/47 - argumenten 4, 5 en 6: dat slechts enkele passages uit het eindevaluatieverslag worden bekritiseerd, doet geen afbreuk aan de schending van de materiëlemotiveringsplicht. De onjuistheid van één motief heeft de onwettigheid van de bestreden beslissing tot gevolg. De bekritiseerde passages maken duidelijk dat het dossier van verzoeker continu negatief werd benaderd en bovendien wordt aangetoond dat de besluiten in het eindevaluatieverslag steunen op een onjuiste weergave van de feiten. Veel opmerkingen stemmen niet overeen met eerdere evaluaties, briefwisseling en houding naar verzoeker toe. Zo wordt, wat de behandeling van klachten- en verhaaldossiers betreft, pas voor het eerst in de eindevaluatie het opzoekingswerk met betrekking tot de bewaartermijnen en met betrekking tot de verkoop van een verhuurd goed aan de zittende huurder afgeschilderd als onvoldoende relevant, weinig impact hebbend of niet opportuun. Het advies aan het afdelingshoofd inzake de openbare verkoop onder voorwaarde en het advies aan de toezichthouder inzake de verkoop na voorkooprecht worden volledig genegeerd en uit de evaluatieverslagen gehouden. De behandeling van de klachten- en verhaaldossiers door verzoeker verliep wel naar behoren en hij nam wel initiatieven, bijvoorbeeld omtrent de problematiek van de betaling van verjaarde schulden. Bovendien werd de opvolging van klachten en verhaaldossiers uitsluitend in het begin van de stage aan verzoeker toebedeeld, om kennis te maken met alle vakgebieden van de directie Klanten. Vóór het evaluatieverslag van 26 mei 2015 wordt omtrent deze taak enkel opgemerkt dat verzoeker de klachtendossiers goed en volledig uitspitte. Het dossier waarnaar in het evaluatieverslag van 26 mei 2015 wordt verwezen, betreft een dossier dat niet aan verzoeker was toegewezen. Aangezien alle klachten- en verhaaldossiers dateren van tijdens de eerste tussentijdse evaluatieperiode en de behandeling daarvan positief werd beoordeeld door de directeur in het eerste tussentijdse evaluatieverslag van 25 november 2014, wordt aangetoond dat de bewering in de eindevaluatie dat hij “[o]m die reden werd […] gevraagd zijn activiteiten in dit verband stop te zetten” niet correct kan zijn. Tijdens de stage is nooit meegedeeld dat verzoeker zijn (juridische) opzoekingsactiviteiten met betrekking tot klachten- en verhaaldossiers diende stop te zetten en een dergelijk bevel zou ook geen zin hebben gehad, aangezien slechts in één klachtendossier opzoekingswerk werd IX-8830-34/47 verricht. Na augustus 2014 kreeg verzoeker geen nieuwe klachtendossiers meer, omdat ze niet tot zijn werkelijke takenpakket behoorden. Verzoeker heeft slechts in het begin van zijn stage enkele dossiers opgevolgd om op die manier snel inzicht te verwerven in de verschillende kennisgebieden. Voor de behandeling van klachten- en verhaaldossiers zijn andere ambtenaren aangewezen. - argument 7: juist vóór de vakantie van de directeur in augustus 2014 heeft ver- zoeker een aantal brieven opgesteld. De directeur heeft er daarvan enkele nage- keken en correcties aangebracht en hij heeft aan verzoeker de instructie gegeven die brieven te versturen naar de bestemmeling onder de naam en de functie van de directeur. De niet-nagelezen brieven dienden te worden nagelezen door twee an- dere directeurs en vervolgens te worden verzonden onder de naam en de functie van die respectieve directeurs. Verzoeker heeft deze instructies ook opgevolgd. - argument 9: dat verzoeker zelf zou toegeven dat zijn werk voor verbetering moest worden voorgelegd, is niet correct. De directeur corrigeerde meerdere keren de door verzoeker opgestelde documenten, maar dit wil niet zeggen dat ze ook meerdere keren “dienden” te worden gecorrigeerd. Het argument heeft overigens alleen betrekking op de directeur en niet op de leidinggevenden, evaluatoren of de begeleidingsambtenaar. De verwerende partij laat uitschijnen dat verzoekers werk eindeloos opnieuw moest worden gecorrigeerd. Hieruit blijkt minstens dat de verbeteringen niet constructief of correct waren en dat de evaluatoren zelf terug- kwamen op eerdere verbeteringen, anders hadden de teksten niet verschillende keren moeten worden gecorrigeerd. In geen enkel verslag of zelfs memorie worden voorbeelden aangehaald waaruit blijkt dat eindeloze verbeteringen nodig waren en dat die verbeteringen op een efficiënte en constructieve wijze gebeurden. - argument 10: er wordt geen enkel voorbeeld gegeven van een document dat slecht zou zijn geschreven, onvoldoende duidelijk of onvoldoende zou zijn ge- structureerd. De door verzoeker aangehaalde concrete voorbeelden waren exem- platief. Men kan niet soms de capaciteiten hebben om een duidelijke en goed ge- schreven en gestructureerde brief op te stellen en soms niet. De verwerende partij heeft opzettelijk verwezen naar het project van verjaring, terwijl dit duidelijk nog niet was afgewerkt, met als bedoeling het te kunnen aanwenden als een voorbeeld van een ongestructureerd, slecht geschreven document. IX-8830-35/47 Beoordeling a. Eerste middelonderdeel 17. Voor zover verzoeker in zijn laatste memorie aanvoert dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden doordat de verwerende partij zijn opmer- kingen en bezwaren na de tussentijdse evaluatie en gedurende de hele evaluatie- periode niet heeft onderzocht, geeft verzoeker een nieuwe, bijkomende invulling aan het eerste onderdeel van het tweede middel. Verzoeker kon deze kritiek reeds in zijn inleidend verzoekschrift aanvoeren. Voor het eerst aangevoerd in de laatste memorie is zijn argumentatie laattijdig en dienvolgens onontvankelijk. 18.1. Het eindevaluatieverslag, dat is opgesteld en ondertekend door personen die nauw betrokken zijn geweest bij de proefperiode van verzoeker en hem tijdens deze periode mee hebben begeleid, bevat een allesomvattende be- oordeling van verzoekers functioneren tijdens de ganse proefperiode, aan de hand van een uitvoerige beoordeling van de resultaatgebieden, de technische en ge- dragsgerichte competenties en de persoonlijke doelstellingen die eensdeels resul- taatgericht zijn, anderdeels ontwikkelingsgericht. 18.2. Ten onrechte klaagt verzoeker aan dat hij eenzijdig negatief werd beoordeeld. Bij lezing van het eindevaluatieverslag blijkt immers dat daarin ook positieve elementen worden vermeld. Zo wordt onder meer opgemerkt dat verzoeker zijn kennis van het vakgebied verruimde, dat het behandelen van een afgelijnd onderwerp hem meestal wel lukte, dat hij de behandeling van klachten- dossiers ter harte nam, dat hij de directeur op de hoogte bracht van de verdere evolutie van een dossier, dat hij de juridische kennis die hij opdeed tijdens zijn opleiding en vorige werkervaringen soms nuttig kon toepassen – bijvoorbeeld in een aantal klachtendossiers – en dat hij daarbij “gretig” extra informatie opzocht, dat hij interesse betoonde in de materie van sociale verhuring en verkoop en hij geregeld extra informatie opzocht of aan derden vroeg, dat hij voldoende klantge- richt was, dat mondelinge contacten goed verliepen, dat de samenwerking met de IX-8830-36/47 begeleidingsambtenaar in het algemeen goed verliep en zo meer. Wel is het zo dat, indien het functioneren van verzoeker overwegend onvoldoende is – wat blijkens het eindevaluatieverslag, alsook blijkens de verschillende tijdens de proefperiode opgestelde verslagen het geval was – er bezwaarlijk van de verwerende partij mag worden verwacht dat zij in hoofdzaak positieve verslagen zou redigeren. De ver- werende partij heeft in casu in redelijkheid, op grond van de tijdens de proefpe- riode gedane vaststellingen, verzoekers functioneren als onvoldoende kunnen beoordelen en aldus zijn proeftijd als negatief kunnen evalueren, wat duidelijk tot uiting komt in de uitvoerige beschrijving van de beoordelingselementen in het eindevaluatieverslag. 18.3. Voor zover verzoeker aan de verwerende partij verwijt dat zij aan positieve aspecten een negatieve connotatie gaf in het eindevaluatieverslag, moet worden opgemerkt dat het mogelijk is dat bepaalde aspecten van het func- tioneren in de loop van de proefperiode positief worden ingeschat en als zodanig worden beoordeeld, maar dat bij de eindbeoordeling van de proeftijd het functio- neren in zijn geheel genomen als onvoldoende wordt beoordeeld. Het is immers het functioneren in zijn geheel, en dus niet alleen welbepaalde aspecten ervan, dat tot een eindbeslissing over de evaluatie van de proeftijd dient te leiden, zoals ook in dit geval is gebeurd. Verzoeker pint zich in zijn argumentatie met betrekking tot het eerste onderdeel van het tweede middel ten onrechte vast op enkele positieve as- pecten en hij verliest daarbij het geheel van zijn functioneren tijdens de ganse proefperiode uit het oog. Zoals reeds is uiteengezet, werd door de verwerende partij vastgesteld dat het functioneren van verzoeker over de ganse proefperiode genomen overwegend onvoldoende was en dat het aantal positieve aspecten veeleer beperkt was in verhouding tot het aantal negatieve aspecten. Zoals hiervóór reeds gesteld, vermocht de verwerende partij alzo tot de ongunstige beoordeling van verzoekers proeftijd te besluiten. 18.4. Voor zover verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat de proeftijd omwille van de wijze waarop hij was georganiseerd geen rechts- geldige basis voor de evaluatie kon zijn en dat de verwerende partij daarom niet IX-8830-37/47 meer objectief heeft kunnen oordelen, kan worden verwezen naar de beoordeling van het eerste middel waaruit blijkt dat verzoeker niet aantoont dat zijn proeftijd onredelijk en onzorgvuldig was georganiseerd. Verzoeker maakt dan ook niet aannemelijk dat om die reden de verwerende partij niet meer objectief zou hebben geoordeeld. 19. Het eerste onderdeel van het tweede middel is niet gegrond.
  2. b)Tweede middelonderdeel 20. Voor zover verzoeker in zijn eerste argument doet gelden dat het aan de verwerende partij te wijten is dat hij zijn opdrachten niet tot een goed einde heeft kunnen brengen en hij daarvoor naar zijn uiteenzetting van het eerste middel verwijst, moet worden verwezen naar de beoordeling van dat eerste middel, waarin deze argumentatie ongegrond wordt bevonden. 21. Anders dan verzoeker beweert in zijn tweede argument, wordt in de eindevaluatie geenszins gesteld dat het opstellen van themafiches uit zijn ta- kenpakket werd gelicht. In de eindevaluatie valt daarover te lezen: “Na bijna een jaar slaagde XXXX er nog niet in dergelijke controlerapporten met de juiste vaststellingen en conclusies op te maken. Het meewerken aan de handleidingen en themafiches om de wetteksten toegankelijker te maken voor collega’s werd in de loop van de proefperiode om deze reden, en opdat hij zich beter op het project lokale besturen zou kunnen focussen, uit zijn prioritaire takenpakket gelicht. Er werd hem gevraagd bij voorrang werk te maken van de controlerapporten en de brieven aan de lokale besturen. Mocht hij tijd over hebben, dan kon hij die wel gebruiken om verder te werken aan de gevraagde themafiche(s).” Het opstellen van themafiches werd dus niet, zoals verzoeker beweert, uit zijn takenpakket gelicht, maar wel uit zijn “prioritaire” takenpakket. Die vaststelling impliceert dat verzoekers tweede argument ongegrond is. Anders dan verzoeker in zijn laatste memorie stelt, bestaat hieromtrent geen onduidelijk- heid. De verwerende partij wenste dat verzoeker zich zou concentreren op zijn IX-8830-38/47 hoofdtaken, in het bijzonder het project ‘sociale verhuring door lokale besturen’, omdat hij voor die taak al niet aan de verwachtingen bleek te voldoen. Slechts indien hij tijd over had, kon hij die gebruiken voor het opstellen van themafiches. De voormelde overweging is ook niet in tegenspraak met het- geen onder punt 4.1.1 ‘Meewerken aan het opmaken van de basishandleiding Toezicht’ van de eindevaluatie wordt vermeld: “Hij stelde een ontwerp van themafiche op over de IKB-subsidieregeling, maar dat ontwerp bevatte te veel irrelevante informatie en geraakte tijdens de proefperiode niet gefinaliseerd. Omdat het project als dusdanig te veel vertra- ging opliep, werd de opdracht m.b.t. de themafiches na verloop van tijd ‘on hold’ gezet. De eerste prioriteit lag immers bij het uitvoeren van de controles en de communicatie daarover met de actoren en het uitzoeken van een aantal on- duidelijkheden m.b.t. de toepassing van de reglementering en de toekenning van de subsidies.” In de beide overwegingen wordt immers wezenlijk hetzelfde gezegd, namelijk dat het opstellen van themafiches niet langer een prioritaire taak is van verzoeker omwille van zijn onvoldoende functioneren voor zijn hoofdtaken, zoals uitvoerig in het verslag wordt toegelicht. In zijn laatste memorie voert verzoeker dan nog aan dat de conclusies in de eindevaluatie met betrekking tot de verwezenlijking van de the- mafiches ‘lokale besturen’ en ‘subsidieregeling’ niet met de werkelijkheid over- eenstemmen. Hiermee geeft hij een nieuwe grondslag aan zijn tweede argument. Voor het eerst aangevoerd in de laatste memorie is verzoekers argumentatie laat- tijdig en bijgevolg onontvankelijk. 22. In zijn derde argument voert verzoeker aan dat er tegenstrij- digheid bestaat tussen de eindevaluatie en het verslag van 25 november 2014 over de tussentijdse evaluatie, wat de conclusies betreft inzake het beroep doen op collega’s, waaruit hij een niet-consistente houding van de evaluatoren afleidt. Er moet evenwel worden vastgesteld dat verzoeker de door hem geviseerde overwe- gingen onvolledig citeert en dat hij twee passages met elkaar verbindt, hoewel ze IX-8830-39/47 met elkaar geen verband houden, om vervolgens daaruit een tegenstrijdigheid te kunnen afleiden. De door verzoeker aangehaalde passage uit het tussentijdse evaluatieverslag van 25 november 2014 luidt: “XXXX riep voor het bekomen van de nodige informatie voor het opstellen van de themafiche de hulp in van collega’s van de VMSW en Wonen Vlaan- deren. Voor bepaalde informatie over subsidies die is toegekend of uitbetaald aan lokale besturen, zijn zij inderdaad de aangewezen contactpersonen. Een deel van de informatie is echter al op de afdeling beschikbaar, bij collega’s […] en […] en op Sharepoint. Ik heb gevraagd aan XXXX om de al aanwezige in- formatie eerst te bundelen en aan te geven waar nog informatie ontbreekt vooraleer collega’s van andere entiteiten te bevragen opdat die externe bevra- ging efficiënter zou kunnen verlopen. Dat voorstel botste op enige weerstand. XXXX bleef er sterk op aandringen om nu al bij […] van Wonen Vlaanderen een handboek dat zij ter beschikking zou hebben, op te vragen, ook al beschikt hij nog niet over een duidelijk overzicht van de bij ons al aanwezige informatie. Ook bij het uitvoeren van controles van documenten zou XXXX volgens mij meer beroep moeten doen op de expertise van zijn collega’s, vooral bij het team Verhuring. Ik heb hem gevraagd zich in eerste instantie te richten tot zijn be- geleidingsambtenaar […]. Als die hem niet kan helpen, kan die hem doorver- wijzen naar mij of naar een andere collega binnen de afdeling. Pas als binnen de afdeling niet de nodige expertise of kennis aanwezig is, is het aangewezen ex- terne collega’s te bevragen. XXXX mag daarbij ook niet nalaten de beschikbare handleidingen en pro- cedures op Sharepoint te raadplegen en de binnen de afdeling bestaande af- spraken en procedures te respecteren.” Deze overweging heeft dus betrekking op het opzoeken van informatie, waarbij verzoeker erop wordt gewezen dat hij meer beroep moet doen op zijn collega’s en pas als daar niet de nodige informatie kan worden gevonden, hij externe collega’s mag bevragen. De conclusies dienaangaande in de eindevaluatie zijn overeen- stemmend: “2.7 Communicatie en contacten [...] Zoals hoger vermeld stelde XXXX geregeld vragen over de door hem te behandelen dossiers en materie aan andere instanties, vooral Wonen Vlaande- IX-8830-40/47 ren en de VMSW. Hij stelde die vragen in een aantal gevallen ook wanneer het niet nodig was. Dikwijls liet hij na overleg te plegen met collega’s of leiding- gevenden vooraleer bepaalde informatie op te vragen bij externen. Op die ma- nier vroeg hij in een aantal gevallen informatie op die al beschikbaar was of paste de bevraging om andere redenen niet in de beleidsprioriteiten van de af- deling (onvoldoende relevant, weinig impact of niet opportuun bijvoorbeeld: opvragen van informatie over bewaartermijnen geldig voor lokale besturen, vraag of kooprecht zittende huurder van toepassing is op lokale besturen). […] 3.2.1 Voortdurend verbeteren [...] XXXX toonde wel interesse in de behandelde materie (sociale verhuring en verkoop). Hij zocht geregeld extra informatie op via internet of in op de dienst beschikbare naslagwerken (bv. bij de behandeling van klachten) of vroeg die op aan derden (bv. VMSW, Wonen Vlaanderen). Maar een accurate verwerking van de verkregen informatie en documentatie in eigen documenten bleef meestal achterwege, alsook een correcte toepassing in de eigen (contro- le)opdrachten. XXXX liet geregeld na eerst zelf documenten grondig na te lezen en eigen collega’s of leidinggevenden te bevragen over zijn vragen en conclusies voor- aleer informatie op te vragen bij externen. Het opzoeken en inzamelen van in- formatie werd op die manier een tijdrovende bezigheid zonder veel meer- waarde.” Verzoeker koppelt de hiervoor geciteerde overweging uit het verslag van 25 november 2014 over de tussentijdse evaluatie, die betrekking heeft op het opzoeken van informatie, aan een overweging van de eindevaluatie met betrekking tot het verwerven van kennis over het vakgebied, die luidt: “2.1 Kennis m.b.t. het vakgebied […] Waar het erop aankwam zich de specifieke vaktechnische kennis ook echt eigen te maken en die kennis ook zelfstandig toe te passen, bleek er echter een probleem. […] Uit de door hem opgemaakte documenten en de mondelinge toelichting die hij daarover desgevraagd verschafte, blijkt dat XXXX zich vaak te zeer enkel op toelichtingen van anderen verliet en naliet om zelf grondig en herhaaldelijk de wetteksten door te nemen en te analyseren en zich zo de basiskennis die nodig is om de functie goed te kunnen uitoefenen, eigen te maken. 2.2 Planning en voorbereiding [...] Zoals hiervoor aangegeven verdiepte XXXX zich ter voorbereiding van de controles in het kader van de lokale besturen onvoldoende grondig in de speci- fieke reglementering (met name het Kaderbesluit sociale huur en de Vlaamse IX-8830-41/47 Wooncode). Zich informeren over die wetgeving en de te controleren actoren deed hij hoofdzakelijk door collega’s van andere externe entiteiten (Wonen Vlaanderen of VMSW) te bevragen. Hij liet daarbij vaak na eerst de recht- streekse collega’s te bevragen of de documentatie die binnen de afdeling ter beschikking was, door te nemen en te verwerken. Hoewel XXXX van bij het begin duidelijk gemaakt is dat hij zich steeds met al zijn vragen tot zijn bege- leider, zijn leidinggevenden en zijn rechtstreekse collega’s kon wenden, heeft hij van die mogelijkheid veel te weinig gebruik gemaakt.” Hierin wordt gesteld dat verzoeker zich de vaktechnische kennis niet eigen kon maken en zelfstandig toepassen en zich dienaangaande vaak louter verliet op toelichtingen van anderen. De door verzoeker aangehaalde overwegin- gen houden aldus geen verband met elkaar. Van tegenstrijdigheid kan dienvolgens geen sprake zijn. 23. In zijn vierde argument voert verzoeker aan dat hij zelf het ini- tiatief in een klachtendossier heeft genomen, terwijl in de eindevaluatie wordt vermeld dat hij tot dat initiatief werd genoodzaakt door de indiener van de klacht. In dit verband moet worden opgemerkt dat verzoeker slechts één passus van de beoordeling onder punt 2.5 ‘Opvolging’ van de eindevaluatie viseert. Bij lezing van de volledige beoordeling blijkt evenwel dat de verwerende partij tot de con- clusie is kunnen komen dat verzoeker niet voldoet aan het resultaatgebied ‘Op- volging’. Verzoekers kritiek op de enkele passus die hij viseert, weerlegt die con- clusie als zodanig niet. Bovendien moet worden vastgesteld dat verzoeker niet verder komt dan het louter tegenspreken van die passus, zonder aan te tonen dat het initiatief in het bedoelde dossier louter van hem kwam en dus niet mede het gevolg was van de acties van de klager. 24. Wat zijn vijfde argument betreft, haalt verzoeker opnieuw slechts één passus aan uit de beoordeling onder punt 2.3 ‘Uitvoering’ van de eindevaluatie, namelijk de overweging in verband met de onderzoeken van klachten en verhalen van kandidaat-huurders en kopers. De overige vaststellingen onder punt 2.3 betwist hij niet. Bovendien gaat verzoeker in zijn uiteenzetting voorbij aan de essentie van de beoordeling omtrent de ‘Uitvoering’, namelijk dat de tijd die hij nodig had niet altijd in verhouding stond tot het resultaat of het be- IX-8830-42/47 lang van de behandelde problematiek. Met de uiteenzetting van zijn vijfde argu- ment slaagt verzoeker er niet in om deze beoordeling te weerleggen. 25. In zijn zesde argument voert verzoeker aan dat in de eind- evaluatie onterecht wordt gesteld dat hij bepaalde informatie opvroeg die onvol- doende relevant was, weinig impact had of niet opportuun was, zoals over de bewaartermijnen van administratieve documenten voor lokale besturen. Hij be- toogt dat zijn vraag om inlichtingen wel relevant was. Uit het administratief dossier blijkt evenwel niet dat opzoekingen met betrekking tot de door lokale besturen na te leven termijnen voor het bewaren van administratieve documenten tot verzoe- kers taken behoorden. Met zijn uiteenzetting slaagt hij er dan ook niet in om de beoordeling van de verwerende partij dat hij zijn persoonlijke doelstellingen niet heeft bereikt, te weerleggen. 26. Wat zijn zevende argument betreft, maakt verzoeker aan de hand van het e-mailbericht van 8 augustus 2014 waarnaar hij verwijst, nog niet aanne- melijk dat het door de verwerende partij in aanmerking genomen verwijt dat hij tijdens de vakantie van zijn leidinggevende ook (niet-ondertekende) brieven ver- zond in naam van zijn leidinggevende zonder dat die daar weet van had, foutief zou zijn. Het is niet omdat verzoeker in een e-mail van 8 augustus 2014 vragen heeft gesteld over wie zou ondertekenen, dat daarmee aangetoond is dat hij heeft ge- handeld overeenkomstig de hem verstrekte instructies en hij dus geen (niet-ondertekende) brieven in naam van zijn leidinggevende heeft verzonden. 27. De in het achtste argument door verzoeker geviseerde overwe- ging uit punt 3.1.4 ‘Kennis van ICT-toepassingen’ van de eindevaluatie luidt: “De documenten die XXXX opmaakte in Word en Excel waren voor ver- betering vatbaar wat opmaak betreft. XXXX nam tijdens de proefperiode deel aan een basisopleiding Excel die de afdeling Toezicht voor haar medewerkers organiseerde, waardoor zijn vaardigheid met Excel verbeterde. Hij gaf zelf aan geen gebruik te maken van een sjabloon in Word voor het opmaken van con- trolerapporten omdat hij te veel tijd verloor met opmaakproblemen.” IX-8830-43/47 Ten onrechte leest verzoeker hierin dat geoordeeld zou zijn dat zijn kennis van het programma ‘Word’ gebrekkig is. Waarin verzoeker volgens deze beoordeling werkelijk tekortschoot, was de opmaak van documenten. Ver- zoeker gaat met andere woorden in zijn kritiek andermaal uit van een verkeerde lezing van hetgeen de verwerende partij werkelijk in haar beoordeling heeft uit- eengezet. 28. In zijn negende argument voert verzoeker aan dat de vaststelling van de verwerende partij, onder punt 3.2.1 ‘Voortdurend verbeteren’ van de eind- evaluatie, dat een tekst talrijke keren heen en weer ging voordat het resultaat be- vredigend was, niet gestaafd is. Tegelijkertijd doet hij ook gelden dat documenten op een inefficiënte en onnodige manier werden gecorrigeerd, dat correcties niet meer waren dan gelijkwaardige alternatieven voor zijn ontworpen teksten en dat nieuwe verbeteringen werden aangebracht die reeds in een eerste verbetering hadden kunnen gebeuren. Verzoeker erkent aldus dat door hem opgestelde do- cumenten meerdere keren voor correctie moesten worden voorgelegd. Het enkele feit dat hij het niet eens was met de aangebrachte correcties, weerlegt of ontkracht nog niet het verwijt van de verwerende partij dat de teksten van verzoeker her- haaldelijk dienden te worden verbeterd. De verwerende partij vermocht daarmee dan ook rekening te houden bij de eindevaluatie van verzoekers proeftijd. 29. Wat verzoekers tiende argument betreft, moet worden vastge- steld dat de verwerende partij onder punt 3.2.8 ‘Schriftelijke uitdrukkingsvaar- digheid’ van de eindevaluatie heeft geoordeeld: “De documenten (e-mails, brieven, nota’s en rapporten) die XXXX opstelde zijn dikwijls onvoldoende duidelijk en onvoldoende gestructureerd.” De verwerende partij verwijst aldus duidelijk naar diverse do- cumenten die onvoldoende duidelijk en onvoldoende gestructureerd zijn. Ver- zoeker kan deze beoordeling dan ook niet ontkrachten door te verwijzen naar één document dat – volgens hem – slechts een ontwerp zou betreffen dat hij aan zijn leidinggevende had doorgestuurd. Voor zover verzoeker met het aanhalen van IX-8830-44/47 voorbeelden tracht aan te tonen dat hij wel op heldere wijze documenten kan op- stellen, moet worden vastgesteld dat het slechts om enkele voorbeelden gaat. Dit weegt niet op tegen de talrijke documenten waarop de verwerende partij in de evaluatie alludeert en die volgens haar niet voldeden. Bovendien moet worden vastgesteld dat verzoeker zich beperkt tot een opsomming van een negental voorbeelden, zonder concreet aan te tonen waarom van deze documenten moet worden aangenomen dat ze wel voldoende duidelijk en gestructureerd zijn. 30. Wat ten slotte het elfde argument betreft waarin verzoeker be- twist dat hij de verwerende partij te kennen heeft gegeven het in de toekomst beter te zullen doen, moet worden opgemerkt dat dit een overtollig motief betreft dat, zelfs zo zijn bezwaar ertegen al gegrond zou zijn, de eindevaluatie ‘onvoldoende’ niet onderuit kan halen. 31. Verzoeker slaagt er aan de hand van de door hem aangevoerde argumenten niet in om aan te tonen dat de bestreden beslissing gesteund is op motieven die niet met de werkelijkheid overeenstemmen of moeten worden toe- geschreven aan door zijn leidinggevende veroorzaakte of in de hand gewerkte moeilijkheden. Daarbij kan nog worden opgemerkt dat verzoeker in zijn uit- eenzetting van dit tweede middelonderdeel allerhande verklaringen zoekt om bepaalde vaststellingen uit het eindevaluatieverslag te ontkrachten. Het gaat echter om verklaringen achteraf. Dergelijke verklaringen beletten niet dat de verwerende partij tijdens de proefperiode tot haar vaststellingen is kunnen komen, dat zij op basis daarvan in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat de proefperiode van ver- zoeker negatief dient te worden geëvalueerd en dat verzoeker omwille van deze negatieve evaluatie dient te worden ontslagen. 32. Het tweede middelonderdeel is niet gegrond. 33. Het tweede middel is in genen dele gegrond. IX-8830-45/47 V. Anonimisering 34. Met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 ‘betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State’ vraagt de verzoekende partij dat bij de publicatie van het arrest haar identiteit niet wordt opgenomen. Dit verzoek wordt ingewilligd. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsple- gingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-8830-46/47 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie februari tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-8830-47/47 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.929 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.