id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.939 Rolnummer: A. 227792/IX-9523 Zaak: Arrest 246939 - Hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en occasionele redders - 04/02/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-18 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-26 01:40 Fiche Arrest nr 246.939 van 4 februari 2020 Justitie - Hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en occasionele redders Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Overschrijving en verwijzing Kantmelding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 246.939 van 4 februari 2020 in de zaak A. 227.792/IX-9523 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Bauwens kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 2 april 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders van 4 maart 2019 waarbij aan XXXX een hulp van 37.500 euro wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 29 april
- IX-9523-1/18 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord, ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 december
- Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij, advocaten Monica Rodriguez en Rozanne Vander Hulst, die loco advocaat Tom Bauwens verschijnen voor de verzoekende partij, en advocaat Michel van Dievoet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker was ten tijde van de feiten die aan de basis liggen van het cassatieberoep lid van de speciale eenheden van de federale politie. Hij raakt op IX-9523-2/18 15 maart 2016 gewond bij een schietpartij naar aanleiding van een huiszoeking in een terrorismedossier. 3.
- Bij een vonnis van 23 april 2018 worden twee daders door de correctionele rechtbank te Brussel veroordeeld tot gevangenisstraffen en tot het betalen aan verzoeker van een schadevergoeding van 315.798,83 euro. 3.
- Op 29 augustus 2018 dient verzoeker een aanvraag tot financiële hulp in bij de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders (hierna: de commissie). 3.
- Op 24 september 2018 wordt in het kader van die aanvraag een verslag neergelegd door de daartoe aangewezen verslaggever. 3.
- Op 4 oktober 2018 adviseert de minister van Justitie om een billijke financiële hulp toe te kennen. 3.
- Met een ter post aangetekende brief van 5 oktober 2018 wordt het verslag en het advies van de minister van Justitie aan verzoeker meegedeeld. Verzoeker maakt geen gebruik van de mogelijkheid om “een schriftelijke reactie” te geven op dit verslag en dit advies, maar vraagt wel om gehoord te worden. 3.
- Op 17 december 2018 wordt verzoeker met zijn raadsman gehoord op de zitting van de commissie. 3.
- Op 4 maart 2019 beslist de commissie als volgt: “De Commissie nam kennis van: - het verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 29 augustus 2018 waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hoofdhulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad. Verzoeker vraagt een hoofdhulp van € 125.000 voor de medische kosten, de morele schade, inkomstenverlies, de administratiekosten en de tijdelijke/blijvende ongeschiktheid; - het verslag opgemaakt door de verslaggever op 24 september 2018 IX-9523-3/18 overeenkomstig de artikelen 11 en 12 van het K. B. van 18 december 1986; - het advies van de minister van Justitie, neergelegd op 4 oktober 2018; - de schriftelijke reactie van de advocaat van verzoeker dd. 19 oktober
- De Commissie hoorde op haar openbare zitting van 17 december 2018 de verslaggever in het verslag over de feitelijke toedracht van de zaak en over de middelen van de partijen. De verzoeker en zijn advocaat zijn in persoon verschenen. De vertegenwoordiger van de minister van Justitie is ter zitting verschenen. I. Feiten De verzoeker, lid van de speciale eenheden van de Federale Politie (DSU), raakte zwaar gewond tijdens een antiterreuractie te Vorst op 15 maart
- Verzoeker werd meerdere malen beschoten door de dader met een AK
- II. Vervolging II-
- Verzoeker stelde zich burgerlijke partij in de hangende procedure voor de 90ste Correctionele kamer van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel. De voorzitter van de Franstalige bovenvermelde rechtbank beaamde de noodzakelijkheid van de garandering van de anonimiteit van verzoeker. II-
- Bij vonnis van de 90ste Correctionele kamer van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel werden [S. A.] en [S. A.] veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 jaar voor onderstaande feiten: A. Poging tot moord in het kader van terrorisme B. Verboden wapendracht in het kader van terrorisme Op burgerlijk gebied werden de twee daders veroordeeld om te betalen aan de verzoeker de som van € 315.798,83 (+ intresten): - Administratieve kosten (forfaitaire som) € 100,00 - Tijdelijke persoonlijke ongeschiktheid € 6.252,40 - Tijdelijke huishoudelijke ongeschiktheid € 2.333,61 - Quantum doloris € 595,00 - Blijvende economische ongeschiktheid € 73.077,90 - Blijvende persoonlijke ongeschiktheid € 124.476,02 - Blijvende huishoudelijke ongeschiktheid € 107.963,90 - Genoegenschade € 1.000,00 II-
- Tegen dit vonnis werd geen hoger beroep aangetekend. De beslissing is definitief. III. Gevolgen van de feiten - huidige toestand van het slachtoffer III-
- Verzoeker werd op 22 september 2017 onderzocht door Dr. [I. B.] (evaluatie menselijke schade). [...] Conclusies van dr. [I. B.]: ‘1/ Medisch gerechtvaardigd tijdelijke persoonlijke ongeschiktheid - 100% van 15/03/2016 t/m 30/06/2016 - 50% van 01/07/2016 t/m 30/06/2017 - 40% van 01/07/2017 t/m 31/08/2017 2/ Medisch gerechtvaardigd tijdelijke economische ongeschiktheid - 100% van 15/03/2016 t/m 30/06/2017 De werkhervatting vond plaats 01/07/2017 3/ Toegekend tijdelijke huishoudelijke ongeschiktheid IX-9523-4/18 - 100% van 15/03/2016 t/m 30/04/2016 - 75% van 01/05/2016 t/m 30/06/2016 - 50% van 01/07/2016 t/m 30/09/2016 - 30% van 01/10/2016 t/m 31/12/2016 - 25% van 01/01/2017 t/m 31/08/2017 4/ Quantum doloris: 4/7 van 15/03/2016 t/m 31/03/2016 (intensieve behandeling met oorpijn) 5/ Verworven consolidatie Blijvende persoonlijke ongeschiktheid: 35% Blijvende economische ongeschiktheid: 35% Blijvende huishoudelijke ongeschiktheid: 25% Consolidatiedatum: 01/09/2017 6/ Esthetische schade: geen 7/ Genoegenschade: 2/7 voor blijvend verlies aan duiken (hobby). (...) 13/ Voorbehoud voor de toekomst (evolutie of latere behandeling) Bijkomende behandelingen ivm tinnitus 4.14/ Behandeling/opvolging na consolidatie Psychologische begeleiding gedurende 2 jaar (...)’ III-
- Uit het dossier blijkt dat: - verzoeker bij de Federale Politie (speciale eenheid DSU) werkt; - verzoeker een verlies aan inkomsten ondervindt ten gevolge van de aanslagen (inclusief verlies van premies ... ); - ‘de slechte afhandeling / het gebrek aan erkenning door de hiërarchie’ geleid heeft tot verdere schade (inclusief relationele problemen na de feiten); - de procedure van Medex (ivm. het luik arbeidsongeval) nog niet afgerond is. IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling IV-
- Verzoeker is aangesloten bij een ziekenfonds. IV-
- Het betreft hier een arbeids(weg)ongeval. Alle medische kosten worden gedekt door de arbeidsongevallenverzekeraar. IV-
- Verzoeker heeft van juridische bijstand genoten. Hij heeft ook genoten van kosteloze rechtspleging. IV-
- Verzoeker beschikt over een persoonsverzekering en een rechtsbijstandverzekering die beiden niet tussenkomen gezien het een arbeidsongeval betreft. IV-
- Het is bewezen dat een vergoeding via de daders hoogst onwaarschijnlijk blijft. Een van de verdachten is overleden en de twee andere verdachten zullen ‘insolvabel’ zijn en zijn bovendien nog betrokken bij andere gerechtelijke procedures op het vlak van terrorisme die momenteel lopen. V. Beoordeling door de Commissie V-
- Gelet op artikel 31, 1° van de wet van 1 augustus 1985, kan de commissie een financiële hulp toekennen aan ‘personen die ernstige lichamelijke of psychische schade ondervinden als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad’. Wat het ernstig karakter van de schade betreft, blijkt duidelijk uit het dossier dat de verzoeker ernstige lichamelijke en psychische schade ondervindt ten gevolge van de feiten. De fysieke en psychische letsels die hij dagelijks IX-9523-5/18 ondervindt hebben de kwaliteit van zijn professionele en sociale leven aangetast. Het is bewezen dat: - verzoeker een blijvende persoonlijke ongeschiktheid (35%), een blijvende economische ongeschiktheid (35%) en een blijvende huishoudelijke ongeschiktheid (25%) heeft; - verzoeker een morele schade ondervindt; - verzoeker een persisterend tinnitusprobleem en posttraumatische stressstoornis opliep; - verzoeker nog in psychologische begeleiding is (de medische kosten blijven oplopen). V-
- De Commissie verzekert geen integrale schadeloosstelling. Ze kan, naar billijkheid, een financiële hulp toekennen voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, §1, van de wet van 1 augustus 1985 (vervangen door de wet van 31 mei 2016) houdende fiscale en andere bepalingen. ‘Voor de toekenning van een hulp aan de personen als bedoeld in artikel 31, 1°, steunt de commissie uitsluitend op de volgende bestanddelen van de geleden schade: 1° de morele schade; 2° de medische kosten en de ziekenhuiskosten; 3° de tijdelijke of blijvende invaliditeit; 4° een verlies of vermindering aan inkomsten ten gevolge van de tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid; 5° de esthetische schade; 6° de procedurekosten met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding; 7° de materiële kosten; 8° de schade die voortvloeit uit het verlies van een of meer schooljaren.’ De schadepost ‘huishoudelijke schade’, ‘verlies van premies’, ‘genoegenschade’, ‘praetium doloris’, en ‘interesten’ komen niet voor in deze limitatieve opsomming en komen bijgevolg ook niet in aanmerking voor een financiële hulp aan de personen als bedoeld in artikel 31, 1° van de wet van 1 augustus
- V-
- Subsidiariteitsbeginsel. Artikel 31bis, §1, 5°, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen luidt als volgt: ‘De schade kan niet afdoende worden hersteld door de dader of de burgerlijk aansprakelijke partij, op grond van een stelsel van sociale zekerheid of een private verzekering, noch op enige andere manier.’ Uit het dossier blijkt: - dat de Federale Politie en het ziekenfonds niet alle kosten van de verzoeker dekten/dekken; - dat de arbeidsongevallenverzekeraar niet alle schadeposten dekt; - dat de morele schade van de verzoeker niet gedekt zal worden door het ziekenfonds, de verzekeringen of de Federale Politie; - dat de private verzekeringen van de verzoeker niet zullen tussenkomen; - dat de verzoeker realistisch geen schadevergoeding door de daders kan afwachten. V-
- Luidens artikel 33 §2 van de wet van 1 augustus 1985 (vervangen bij IX-9523-6/18 de wet van 31 mei 2016), wordt de hulp per opzettelijke gewelddaad en per verzoeker toegekend voor schade boven € 500 en is beperkt tot een bedrag van € 125.
- Het bedrag van € 125.000 voorzien in artikel 33 §2, dient beschouwd te worden als een plafond, d.w.z. als een mogelijkheid om na grondige analyse van een individuele aanvraag én rekening houdend met alle omstandigheden van de aanvraag een adequate en gerechtvaardigde financiële tussenkomst te verlenen. Het door de wet van 1 augustus 1985 ingevoerde stelsel van financiële hulpverlening gaat niet uit van een vermoeden van schuld in hoofde van de Staat omdat die in gebreke zou gebleven zijn om de opzettelijke gewelddaad te verhinderen, maar wel van het beginsel van de collectieve solidariteit tussen de leden van een zelfde natie. VI-
- Bijgevolg lijken er voldoende aanwijzingen in het dossier aanwezig te zijn om de aanvraag tot het bekomen van een financiële hulp ontvankelijk en gegrond te kunnen verklaren. IV-
- Voor het overige is de hulpaanvraag van verzoeker gegrond, zodat hem een (hoofd)hulpbedrag kan toegekend worden. OP DIE GRONDEN, De Commissie, Gelet op artikelen 17 §1, 39 tot 42bis van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken, Gelet op artikelen 31 tot 42bis van de wet van 1 augustus 1985, zoals gewijzigd door de wetten van 26 maart 2003, 22 april 2003, 30 december 2009 en 31 mei 2016; Gelet op het K.B. van 18 december 1986, zoals gewijzigd door artikelen 1 tot 6 van het K.B. betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden; Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent een hulp toe van € 37.500.” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het eerste middel 4.
- In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 33, § 1, eerste lid, van de wet van 1 augustus 1985 ‘houdende fiscale en andere bepalingen’ (hierna: de wet van 1 augustus 1985). Overeenkomstig voornoemd artikel 33, § 1, eerste lid, wordt het bedrag van de hulp naar billijkheid bepaald. IX-9523-7/18 Volgens verzoeker ontbreekt de motivering waarom de toegekende hulp 37.500 euro bedraagt, terwijl hij heeft aangetoond dat de geleden schade meer dan tienmaal groter is. Dat er een plafond geldt van 125.000 euro, dat de toegekende hulp door de wetgever niet is bedoeld als integrale vergoeding en dat de commissie over een ruime appreciatiemarge beschikt, doet niets af van de verplichting om op grond van artikel 149 van de Grondwet te motiveren waarom het bedrag van 37.500 euro een ‘billijke schadevergoeding’ uitmaakt, rekening houdend met de uitzonderlijke omstandigheden. 4.
- In zijn memorie van wederantwoord herneemt verzoeker het middel zoals uiteengezet in zijn verzoekschrift. In zoverre de verwerende partij opwerpt dat het eerste middel niet ontvankelijk is, stelt verzoeker dat hij in dit middel niet vraagt om vast te stellen dat het toegekende bedrag onbillijk is, maar om vast te stellen dat de commissie “de omvang van dit bedrag op geen enkele wijze motiveert of uitlegt”. Volgens verzoeker vraagt dit in hoofde van de Raad van State geen beoordeling van de feiten. Ten gronde stelt verzoeker dat de verwerende partij zich verschuilt achter de zogenaamde ratio legis van de toepasselijke regelgeving om het gebrek aan rechterlijke motivering te verdoezelen. Er was voor verzoeker geen indicatie in de loop van de procedure voor de commissie dat er zo’n beperkt bedrag zou worden toegekend, laat staan dat duidelijk zou zijn geweest waarom. Dat verzoeker nu zonder de spreekwoordelijke “boeh of bah” wandelen wordt gestuurd met een bedrag van 37.500 euro, zonder ook maar het minste inzicht in de motieven die daartoe hebben geleid, betekent volgens hem een ernstige aantasting van het vertrouwen van het publiek in de rechterlijke macht. De rechterlijke motiveringsplicht is precies ingevoerd met als doel de betrokken burger in staat te stellen te begrijpen waarom de rechter heeft beslist zoals hij heeft beslist, om op die manier te kunnen inschatten of hij zich bij die beslissing kan neerleggen dan wel of IX-9523-8/18 hij gebruik wil maken van zijn beroepsmogelijkheden. Dat doel is in casu niet bereikt. Beoordeling 5.
- In het middel voert verzoeker de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 33, § 1, eerste lid, van de wet van 1 augustus
- Verzoeker verwijt in essentie dat de commissie de omvang van het bedrag van de toegekende financiële hulp “op geen enkele wijze motiveert of uitlegt”. Luidens voornoemd artikel 33, § 1, eerste lid, van de wet van 1 augustus 1985 wordt het bedrag van de hulp naar billijkheid bepaald. Binnen de door artikel 33, § 2, van dezelfde wet gestelde grenzen, bepaalt de commissie op onaantastbare wijze de hoogte van de toe te kennen financiële hulp die zij in verhouding acht tot de door verzoeker geleden schade. 5.
- Het eerste middel dat ervan uitgaat dat het bedrag moet worden gemotiveerd, faalt derhalve naar recht. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 6.
- In het tweede middel voert verzoeker de schending aan van artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus
- Volgens hem schendt de commissie deze bepaling door te stellen dat de schadeposten ‘verlies van premies’, ‘pretium doloris’ en ‘genoegenschade’ niet voorkomen in de limitatieve opsomming aldaar van bestanddelen van de geleden schade die in aanmerking kunnen worden genomen voor het toekennen van hulp. Hij zet uiteen waarom die drie schadeposten wel degelijk tot de in de wet genoemde bestanddelen van de schade behoren. IX-9523-9/18 6.2.
- In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat, voor zover de premies al niet begrepen zijn in de vergoeding waarop verzoeker aanspraak kan maken in het kader van de arbeidsongevallenverzekering, verzoeker nooit een schadevergoeding heeft gevorderd voor het beweerde verlies aan premies, ook niet als burgerlijke partij voor de strafrechtbank waardoor hij geen belang heeft bij het onderdeel van dit middel. 6.2.
- In de mate dat verzoeker aanvoert dat de zogenaamde pretium doloris, deel uitmaakt van de morele schade en in overweging moet worden genomen bij het begroten van de toegekende hulp, stelt de verwerende partij dat deze geen deel uitmaakt “van de morele schade of persoonlijke ongeschiktheid (= morele schade) in de brede zin van het woord”. Zij benadrukt met verwijzing naar de “Indicatieve tabel 2016”, dat pijn afzonderlijk wordt vergoed en bijgevolg dient te worden onderscheiden van de morele schade omdat het een afzonderlijke schadepost uitmaakt. Om die reden heeft de commissie terecht deze schadepost verworpen op grond van artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus
- 6.2.
- Eveneens wat de door verzoeker gevorderde genoegenschade betreft en waar deze stelt dat de genoegenschade deel uitmaakt van de morele schade en in overweging moet worden genomen bij het begroten van de toegekende hulp, betoogt de verwerende partij dat de genoegenschade evenmin deel uitmaakt van de morele schade in de brede zin van het woord – zij verwijst daarbij nogmaals naar de “Indicatieve tabel 2016” – en een afzonderlijke schadepost uitmaakt waardoor de commissie terecht deze schadepost heeft verworpen op grond van artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus
- Beoordeling 7.
- Volgens verzoeker schendt de commissie artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985 door te stellen dat de schadeposten ‘verlies van premies’, ‘pretium doloris’ en ‘genoegenschade’ niet voorkomen in de limitatieve IX-9523-10/18 opsomming aldaar van bestanddelen van de geleden schade die in aanmerking kunnen worden genomen voor het toekennen van hulp. 7.2.
- In de mate dat de verwerende partij aanvoert dat verzoeker nooit een schadevergoeding heeft gevorderd voor het beweerde verlies aan premies, ook niet als burgerlijke partij voor de correctionele rechtbank waardoor hij geen belang heeft bij het onderdeel van dit middel, moet worden vastgesteld dat dit feitelijke grondslag mist. Uit de stukken van het dossier van de commissie waarop de Raad van State acht mag slaan, blijkt immers dat het verlies van premies – zij het in algemene termen – als schadevergoeding is gevorderd voor de correctionele rechtbank. Bovendien wordt in de bestreden beslissing door de commissie zelf vastgesteld dat “[u]it het dossier blijkt dat […] verzoeker een verlies aan inkomsten ondervindt ten gevolge van de aanslagen (inclusief verlies aan premies)”. 7.2.
- Luidens artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985 dient voor de toekenning van een hulp aan de personen als bedoeld in artikel 31, 1°, van dezelfde wet de commissie te steunen op de volgende bestanddelen van de geleden schade: “4° een verlies of vermindering aan inkomsten ten gevolg van de tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid”. Het verlies van premies moet worden geacht te vallen onder de rubriek “een verlies of vermindering aan inkomsten”, in de mate dat premies deel uitmaken van het beroepsinkomen van verzoeker. 7.2.
- Door te oordelen dat de schadepost ‘verlies aan premies’ niet voorkomt in de limitatieve opsomming van bestanddelen van de geleden schade die in aanmerking kunnen worden genomen voor het toekennen van hulp in artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985, heeft de commissie de voornoemde wetsbepaling geschonden. 7.3.
- Luidens artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985 dient voor de toekenning van een hulp aan de personen als bedoeld in artikel 31, 1°, van IX-9523-11/18 dezelfde wet, de commissie onder meer te steunen op de volgende bestanddelen van de geleden schade: “1° de morele schade”. Tijdens de parlementaire bespreking van artikel 4 van de wet van 26 maart 2003 ‘houdende de voorwaarden waaronder de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden een hulp kan toekennen’ dat onder meer artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985 heeft gewijzigd, is uitdrukkelijk verklaard dat “morele schade […] een algemene en gebruikelijke term [is], die ook het psychisch en fysisch lijden omvat (de pretium doloris)”, dat de “omvang van de morele schade […] op de eerste plaats [moet worden] ingeschat aan de hand van de duur en de graad van de tijdelijke en blijvende invaliditeit” en dat “[i]ngeval van uitzonderlijk lijden van het slachtoffer […] de commissie rekening [kan] houden met dit gegeven bij het bepalen van de financiële hulp”. Ook blijkt uit diezelfde parlementaire bespreking dat bijvoorbeeld “[g]enegenschade […] een vorm van morele schade [is]” en dat “[o]m alle verwarring te vermijden […] geopteerd [wordt] voor de meer algemene en gebruikelijke term”, namelijk morele schade (Parl.St. Kamer 2002-03, nr. 625/005, 6). Uit wat voorafgaat volgt dat het begrip morele schade ruim moet worden geïnterpreteerd en dat het de pijn, de smart of enig ander moreel leed, zoals in casu pretium doloris en genoegenschade omvat. Bovendien moet de commissie de door de partijen aangevoerde feiten en stukken onderzoeken in concreto, zonder dat zij daarbij rekening dient te houden met de juridische omschrijving die de partijen aan de feiten hebben gegeven. 7.3.
- De bestreden beslissing schendt dan ook artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985 door de gevorderde hulp voor pretium doloris en genoegenschade af te wijzen op de enkele grond dat de schadeposten pretium doloris en genoegenschade niet voorkomen in de limitatieve lijst van voornoemd artikel 32, §
- IX-9523-12/18
- Het tweede middel is gegrond C. Derde middel
- In het derde middel voert verzoeker de schending aan van artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985, gelezen in samenhang met artikel 149 van de Grondwet. Volgens verzoeker heeft de commissie niet gemotiveerd waarom “de schadeposten ‘verlies van premies’, ‘genoegenschade’ en ‘pretium doloris’ niet vallen onder de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 1 Wet 1 augustus 1985”. Beoordeling
- Artikel 149 van de Grondwet, in zoverre het bepaalt dat elk vonnis “met redenen [is] omkleed”, vermeldt een regel die onafscheidbaar is van de opdracht tot berechting van een geschil. Die regel moet door alle rechtscolleges worden geëerbiedigd en dus ook door de Commissie. Deze bij artikel 149 van de Grondwet opgelegde verplichting aan de rechter om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen en de door de partijen aangevoerde middelen te verwerpen. Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet is nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er daarbij dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is; alleen een gemis aan motivering – of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven – maakt een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Uit de motivering moet blijken op welke feiten de Commissie steunde om haar beslissing te nemen, zodat de partijen kunnen nagaan of zij een rechtsmiddel kunnen aanwenden en de Raad van State kan nagaan of de wet correct werd toegepast. IX-9523-13/18 In de bestreden beslissing motiveert de commissie – zij het summier en, zoals uit de beoordeling van het tweede middel blijkt, verkeerd – waarom zij van oordeel is dat de schadeposten ‘verlies van premies’, ‘genoegenschade’ en ‘pretium doloris’ niet voor hulp in aanmerking komen, namelijk omdat voormelde schadeposten volgens haar niet voorkomen in de limitatieve opsomming van artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus
- Hiermee is aan de jurisdictionele motiveringsplicht voldaan.
- Het derde middel is niet gegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het vierde middel
- In het vierde middel voert verzoeker opnieuw de schending aan van artikel 33, § 1, eerste lid, van de wet van 1 augustus 1985, ditmaal op zich beschouwd. Verzoeker stelt dat de commissie “kennelijk geen billijke vergoeding [heeft] toegekend, gelet op het feit dat de werkelijke schade van de verzoeker tienmaal zo hoog ligt en er geen concrete elementen voorhanden zijn die verantwoorden waarom de schadevergoeding slechts € 37.500 bedraagt”. Ze houdt bovendien “geen rekening met het eigen gedrag van de verzoeker en het gedrag van de daders” als “uitzonderlijke omstandigheden”. Verzoeker besluit dat “[d]e commissie € 125.000 [had ] moeten toekennen”. Beoordeling
- In zijn vierde middel voert verzoeker de schending aan van artikel 33, § 1, eerste lid, van de wet van 1 augustus
- In wezen betreft zijn IX-9523-14/18 kritiek de beoordeling door de commissie van het bedrag van de schadevergoeding ‘naar billijkheid’. Naar luid van artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State treedt de afdeling Bestuursrechtspraak in het geval van een cassatieberoep niet in de beoordeling van de zaak zelf. Bijgevolg komt het de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toe de beoordeling van de feiten over te doen.
- Het vierde middel is niet ontvankelijk. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het vijfde middel
- In zijn memorie van wederantwoord voegt verzoeker een vijfde middel toe. In dit middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 32, 4°, en 34quinquies van de wet van 1 augustus 1985 en van de artikelen 29, § 1, derde lid, en 31, van het koninklijk besluit van 18 december 1986 ‘betreffende de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders’ (hierna: koninklijk besluit van 18 december 1986). Verzoeker stelt dat hij dit niet eerder kon, omdat het middel gesteund is op een vermelding op het zittingsblad van de zitting waarop hij door de commissie werd gehoord, en waarvan hij pas kennis heeft gekregen na het indienen van zijn cassatieberoep. Het zittingsblad van 17 december 2018 bepaalt: “In de zaak: A.R. - M18-1044-22 Verzoekende partij: […] - De verzoeker en zijn advocaat verschenen in eigen persoon - De afgevaardigde van de Minister van Justitie is verschenen - De verzoeker en zijn advocaat werden gehoord in hun opmerkingen IX-9523-15/18 Beslissing: De Commissie spreekt haar beslissing uit. Alles gebeurde in openbare zitting en in de Nederlandse taal” Verzoeker leidt daaruit af dat de beslissing niet op 4 maart 2019 werd genomen maar wel op 17 december
- De vermelding van een foutieve datum op de hem betekende beslissing houdt volgens hem de schending in van artikel 32, 4°, van het koninklijk besluit van 18 december
- De beslissing is hem niet binnen acht dagen na de uitspraak bekendgemaakt, waardoor artikel 34quinquies van de wet van 1 augustus 1985 werd geschonden. Aangezien volgens het zittingsblad de voorzitter het debat niet voor gesloten heeft verklaard en de zaak niet in beraad heeft genomen, werd artikel 29, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 18 december 1986 geschonden. Zonder beraad kan er ook geen geheim beraad zijn geweest, waardoor artikel 31 van het koninklijk besluit van 18 december 1986 eveneens werd geschonden. Beoordeling
- Het nieuwe vijfde cassatiemiddel impliceert dat de aan verzoeker bekendgemaakte en in het dossier van de commissie voorgelegde beslissing met datum van 4 maart 2019 een vals stuk zou zijn. Zolang verzoeker het stuk niet formeel van valsheid beticht (artikel 25 van de procedureregeling cassatie, verwijzend naar artikel 51 van de algemene procedureregeling), moet de Raad van State aannemen dat het voorgelegde stuk authentiek is.
- Het vijfde middel mist feitelijke grondslag. V. Anonimisering
- Met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 ‘betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State’ vraagt de verzoekende partij dat bij de publicatie van het arrest haar identiteit niet wordt opgenomen. IX-9523-16/18 Dit verzoek wordt ingewilligd. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders van 4 maart 2019 waarbij aan XXXX een hulp van 37.500 euro wordt toegekend .
- Dit arrest dient te worden overgeschreven in de registers van de voormelde commissie en melding ervan moet worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing.
- De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-9523-17/18 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier februari tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9523-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.939 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div