← België

Arrest 246950 - Apothekers en apotheken - 05/02/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.950 Rolnummer: A. 228830/XIV-38122 Zaak: Arrest 246950 - Apothekers en apotheken - 05/02/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-17 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-26 01:49 Fiche Arrest nr 246.950 van 5 februari 2020 Sociale zaken en volksgezondheid - Apothekers en apotheken Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 246.950 van 5 februari 2020 in de zaak A. 228.830/XIV-38.122 In zake : de NV APOTHEEK DEDEYNE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Depla kantoor houdend te 8310 Sint-Kruis (Brugge) Karel van Manderstraat 123 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jérôme Sohier en Manoël De Keukelaere kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 181 bus 24 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de BVBA FARMALINE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Van Assche kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 13 augustus 2019, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 14 juni 2019 van de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, waarbij aan de bvba Farmaline een vergunning wordt verleend voor de overbrenging buiten de onmiddellijke nabijheid van een voor het publiek opengestelde apotheek gelegen te Nevele, Stationsstraat 51 naar 9880 Aalter, Losstraat 34. XIV-38.122-1/15 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft buiten de termijn van 15 dagen een nota en een administratief dossier ingediend. Met een verzoekschrift van 20 september 2019 heeft de bvba Farmaline gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 januari 2020. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joost Hoste, die loco advocaat Rik Depla verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Manoël De Keukelaere die, eveneens loco advocaat Jérôme Sohier, verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Sander Kaïret, die loco advocaat Pieter Van Assche verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. XIV-38.122-2/15 III. Feiten Betreffende de door de verzoekende partij ingediende aanvraag tot overbrenging in de onmiddellijke omgeving 3.1. Op 30 april 2018 dient de verzoekende partij een aanvraag in tot overbrenging van een voor het publiek opengestelde apotheek in de onmiddellijke nabijheid, gelegen te 9880 Aalter, Hoefijzer 1 naar Stationsstraat 185 aldaar, over een afstand van 260 meter. 3.2. Op 24 augustus 2018 notificeert de verwerende partij aan de verzoekende partij dat “op 25 april 2018 een aanvraag tot vergunning werd gericht aan de Minister van Volksgezondheid voor de overbrenging buiten de onmiddellijke nabijheid van 9850 Nevele, Stationsstraat 51 naar 9880 Aalter, Lostraat 34.” 3.3. Op 20 juni 2018 brengt de apotheker-inspecteur een ongunstig advies uit betreffende de aanvraag tot overbrenging in de onmiddellijke omgeving van de verzoekende partij. Hij oordeelt dat de aanvraag geen overplaatsing binnen de onmiddellijke omgeving betreft en aldus niet valt onder bepalingen van artikel 1, §5bis, 2°, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 betreffende de opening, de overbrenging en de fusie van voor het publiek opengestelde apotheken (hierna: het koninklijk besluit van 25 september 1974). De relevante overwegingen luiden als volgt: “[…] De afstand tussen de huidige en de aangevraagde vestigingsplaats bedraagt volgens de aanvrager 260 meter. Als redenen van de aanvraag worden opgegeven dat het toekomstig pand geschikter is om te voldoen aan de eisen van een moderne apotheek en er een betere bereikbaarheid is van de apotheek. Er zou ook een betere spreiding worden bekomen. Als dwingende reden wordt in de aanvraag vermeld dat het pand niet meer voldoet en dat er betere uitbreidingsmogelijkheden en parkeermogelijkheid is. De aanvrager voegt bij de aanvraag een analyse van de overplaatsing door landmeters-experten [L.] en [B. C.], met de afstanden tot de dichtst bijgelegen apotheken voor en na overplaatsing. Twee apotheken die nu gelegen zijn op minder dan 1.5 km afstand langs de weg van de apotheek, zijnde apotheek [D.] Stationsstraat 142 (gelegen op 450

  1. m)en apotheek [T.] Lostraat 37 (gelegen op 1.2
  2. km)zullen na overplaatsing op een afstand van XIV-38.122-3/15 1 km van de nieuwe vestigingsplaats gelegen zijn. Deze twee vermelde apotheken zullen respectievelijk op 160 meter en 900 meter komen te liggen van de nieuwe vestigingsplaats. Een overplaatsing over 270 meter betekent bijgevolg een vermindering in afstand van respectievelijk 60% en 23 % tot deze dichtst bijgelegen apotheken. [onleesbaar] de commissie ook te informeren van het feit dat er op 24/04/2018 [onleesbaar] een aanvraag werd ingediend tot overbrenging buiten de onmiddellijke nabijheid [onleesbaar] apotheek gelegen Stationsstraat 51 te 9850 Nevele naar de aangevraagde vestiging [onleesbaar] Lostraat 35 te 9880 Aalter. Uit wat voorafgaat besluit ik dat deze aanvraag geen verplaatsing binnen de onmiddellijke nabijheid betreft en aldus niet valt onder de bepalingen van art. 1, §5bis, 2° van het KB 25.09.1974 ‘betreffende de opening, de overbrenging en de fusie van voor het publiek opengestelde apotheken’, gewijzigd zoals tot op heden.” 3.4. Op 11 maart 2019 geeft de Vestigingscommisie inzake de aanvraag van de verzoekende partij volgend tussenadvies: “[…] BEOORDELING Gelet op het advies van de inspecteur dd. 20 september 2018 waarin zij stelt dat de overplaatsing gebeurt over een afstand van 260 meter en de apotheek de dichtstbijzijnde apotheken benadert. Gelet op het feit dat apotheker [D.] via aangetekend schrijven van Mr. Ascrawat van 18 juli 2018 en 5 december 2018 zijn bezwaren uit en van mening is dat de overbrenging invloed heeft op zijn apotheek. Redelijkerwijze is een overbrengingsafstand van 260 meter niet noodzakelijk te beschouwen als een overbrenging in de onmiddellijke nabijheid. De interferentie die de overbrenging kan teweegbrengen en de spreiding der apotheken dient derhalve onderzocht te worden. De commissie is dan ook van oordeel dat toepassing dient gemaakt te worden van artikel 15, alinea 2 en 3 KB 1974 die luiden als volgt: ‘Indien de vestigingscommissie van mening is dat de aanvraag betrekking heeft op een overbrenging buiten de onmiddellijke nabijheid brengt het secretariaat dit per aangetekend schrijven ter kennis aan de aanvrager. De aanvrager kan binnen dertig dagen na de kennisgeving hiervan zijn aanvraag omzetten in een aanvraag tot overbrenging buiten de onmiddellijke nabijheid, waarbij hij het supplement dient te betalen dat het verschil bedraagt tussen de betaling voor de overbrenging in de onmiddellijke nabijheid en de betaling van de overbrenging buiten de onmiddellijke nabijheid, overeenkomstig artikel 4, §2 of §2bis naargelang het geval. De aanvraag zal dan onderzocht worden overeenkomstig de andere bepalingen van dit besluit. Indien binnen een termijn van dertig dagen na deze notificatie hiervan de aanvrager nalaat zijn aanvraag tot overbrenging in de onmiddellijke nabijheid aldus om te zetten in een aanvraag tot overbrenging buiten de onmiddellijke nabijheid, wordt deze geacht uitdrukkelijk afstand te doen van zijn aanvraag.’ Adviseert dat aanvrager (6002/MMR/18) moet omzetten in een aanvraag tot overbrenging buiten de onmiddellijke nabijheid mits eerbiediging van hierboven aangehaalde termijnen voorzien in art. 15 alinea 3 van het vermeld KB. Op heden is er geen rechtsgrond om deze aanvraag te voegen met de aanvraag tot overbrenging buiten de onmiddellijke nabijheid van Stationsstraat 51 9850 Nevele XIV-38.122-4/15 naar Lostraat 34 9880 Aalter (dossier 5998/MMR/18) aangezien de voeging van een overbrenging binnen de onmiddellijke nabijheid niet voorzien is. […]”. 3.5. De verzoekende partij dient tegen de sub 3.4. aangehaalde administratieve rechtshandeling een annulatieberoep in dat bij de Raad van State is gekend onder het rolnummer G/A. 227.774/XIV-37.999. 3.6. De verzoekende partij start op 22 maart 2019 tevens een procedure in kortgeding op voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Zij vordert aldaar om, in afwachting van een beslissing van de Raad van State in de in punt 3.5. genoemde annulatieprocedure, (1.) de in punt 3.4. genoemde “beslissing en tussenadvies” van 11 maart 2019 te schorsen, (2.) het infra in punt 3.9. genoemde advies van de Vestigingscommissie van 11 maart 2019 nopens de aanvraag van de bvba Farmaline te schorsen en (3.) de minister van Volksgezondheid, onder verbeurte van een dwangsom, te bevelen geen beslissing te nemen in het dossier van de bvba Farmaline. In zijn vonnis van 12 april 2019 oordeelt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel de vordering(en), (gedeeltelijk) niet-ontvankelijk respectievelijk ongegrond. Betreffende de door de tussenkomende partij ingediende aanvraag tot overbrenging buiten de onmiddellijke omgeving die heeft geleid tot de bestreden beslissing 3.7. Zoals uit de punten 3.2. tot 3.6. reeds blijkt, dient de bvba Farmaline die verzoekt om in de voorliggende procedure tussen te komen, op 25 april 2018 een aanvraag in tot overbrenging van een voor het publiek opengestelde apotheek buiten de onmiddellijke nabijheid om haar apotheek te verhuizen van 9850 Nevele, Stationsstraat 51, naar 9880 Aalter, Lostraat 34. XIV-38.122-5/15 3.8. Uit het rapport en conclusies van de afgevaardigde van de administrateur-generaal blijkt dat de aanvraag op 17 mei 2018 ontvankelijk werd verklaard en dat de adviezen van de overheden gunstig waren met uitzondering van het advies van de Algemene Pharmaceutische Bond. Het rapport en conclusies wijst de Vestigingscommissie erop dat er op 30 april 2018 een aanvraag tot overbrenging in de onmiddellijke nabijheid werd ingediend door nv Apotheek Dedeyne, dit is de verzoekende partij, voor overbrenging van haar apotheek naar Stationsstraat 185 te 9880 Aalter. Dit adres ligt op ongeveer 1,1 km van Lostraat 34. 3.9. De Vestigingscommissie verstrekt in die zaak op 11 maart 2019 het volgende advies: “[…] NOPENS DE PROCEDURE In toepassing van artikel 5 van het hoger vermeld KB werd de aanvraag door het secretariaat ontvankelijk verklaard op 17 mei 2018. Van deze aanvraag werd kennis gegeven aan de in artikel 6, §1, van het besluit bedoelde personen en organisaties op 23 juli 2018 en 24 augustus 2018 (met correct adres en correcte vergunninghouders) Het advies van de instanties bedoeld in artikel 7 werd ingewonnen op 24 juli 2018. Het onderzoek werd afgerond conform artikel 8 met het rapport en conclusies van 27 november 2018. NOPENS DE GEGEVENS VAN DE AANVRAAG De overbrenging gebeurt van Nevele naar de aangrenzende gemeente Aalter. De gemeente Nevele beschikt heden over 7 apotheken voor een totaal van 12.177 inwoners (bevolkingscijfer rijksregister op 1/1/2018), zijnde 1740 inwoners per apotheek. Aalter telt op heden 20.544 inwoners voor 7 apotheken, zijnde 2935 inwoners per apotheek. Volgens het verslag van de landmeter-expert ligt rond de huidige vestiging op een afstand van 1 km 1 andere apotheek, zijnde [C.]-apotheek, Vosselarestraat 11/1 te 9850 Landegem op 673 meter. Volgens het verslag liggen rond de aangevraagde vestiging op een afstand van 1 km 2 andere apotheken. De dichtst bijgelegen apotheken, zijnde apotheek [T.] gelegen Lostraat 35 te 9880 Aalter en apotheek [D.] gelegen Stationsstraat 142 te 9880 Aalter bevinden zich resp. op 243 m en 985 m. Het aantal inwoners binnen de invloedsfeer werd berekend door landmeter-expert [V.] volgens de methode van de halverwege afstanden tussen de verschillende dichtste gelegen apotheken in alle windrichtingen. De bestaande vestigingsplaats telt een invloedsfeer van 1039 inwoners. Het aantal inwoners binnen de invloedsfeer van de aangevraagde vestigingsplaats bedraagt 2057. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE BEPALINGEN Overeenkomstig artikel 1, §5bis, 3° van voornoemd besluit kan een overbrenging XIV-38.122-6/15 van een bestaande apotheek worden toegestaan indien de overbrenging (…) plaatsvindt in dezelfde gemeente of in een aangrenzende gemeente (…) en ze (…) een betere geografische of demografische spreiding van de apotheken tot gevolg heeft, in vergelijking met de toestand vóór de overbrenging. BESPREKING De adviezen van de inspecteur, de gouverneur, de PGC (was laattijdig) en Ophaco zijn gunstig, APB adviseert ongunstig stellende dat er geen rekening werd gehouden met toekomstige wijzigingen waardoor de invloedsfeer zou wijzigen. De omliggende vergunningshouders bvba Apotheek [J.T.] en nv apotheek Dedeyne (deze laatste via mail van Mtr. Depla) menen dat er onrechtmatige wijziging van adres van de geplande apotheek gebeurde. Op 25 april 2018 deed bvba Farmaline een aanvraag voor de overbrenging van haar apotheek naar Lostraat 22 (op formulier), alle bijgevoegde stukken spreken echter van 34 (bewijs beschikking, metingen landmeter). Het secretariaat heeft deze materiële vergissing pas later vastgesteld en aanvrager heeft per mail deze vergissing rechtgezet op 9 augustus 2018. De omliggende apothekers werden op 24 augustus genotificeerd met vermelding juiste adres en hoewel in eerste instantie de instanties advies gevraagd werd op huisnummer 22 werden zij ook per aangetekend schrijven dd. 11 september 2018 op de hoogte gebracht dat het huisnummer 34 betrof. Er is geen geografische verbetering. Rond de gevraagde vestigingsplaats liggen de dichtst bijgelegen apotheken, zijnde apotheek [J.T.] gelegen Lostraat 35 te 9880 Aalter en apotheek [D.] gelegen Stationsstraat 142 te 9880 Aalter resp. op 243 meter en 985 meter. Rond de huidige vestigingsplaats ligt de dichtste apotheek op 673 meter. Uit de demografische en geografische gegevens en uit de uitgebrachte adviezen blijkt dat de gevraagde overbrenging een betere demografische spreiding tot gevolg heeft. Er is overduidelijk een toename van de inwoners in de invloedssfeer zelfs al houdt men rekening met de opmerkingen van APB. Na de overbrenging zijn er nog 6 apotheken in Nevele, dit is 2030 inwoners per apotheek. In Aalter zijn er na de overbrenging 7 apotheken, dit is 2568 inwoners per apotheek. Uit de tekst van artikel 1, §5bis, eerste lid, 3° van het vestigingsbesluit volgt dat het voor een overbrenging naar een aangrenzende gemeente volstaat dat is voldaan aan één van beide criteria. De overbrenging van een bestaande apotheek kan derhalve worden toegestaan voor zover deze overbrenging een betere geografische of demografische spreiding van de apotheken tot gevolg heeft in vergelijking met de toestand voor de overbrenging. Het vestigingsbesluit verbiedt niet dat een betere demografische spreiding ten koste gaat van de bestaande geografische spreiding in de gemeente waarnaar de apotheek wordt overgebracht. Ter zake dienend is aldus de beoordeling of de overbrenging, geografisch of demografisch, strekt tot een verbetering van de geneesmiddelenvoorziening. Artikel 1, §5bis, 3), behelst een relatief criterium in het algemeen belang waarbij de huidige toestand wordt afgezet tegen de toekomstige. In een toekomstige situatie is het onvermijdelijk dat de spreiding van sommige apotheken minder gunstig zal zijn. De algemene spreiding zal door onderhavige overbrenging evenwel demografisch verbeteren. Gezien de overbrenging plaats vindt in een aangrenzende gemeente en alleszins een betere demografische spreiding tot gevolg heeft in vergelijking met de toestand voor de overbrenging is voldaan aan artikel 1, §5bis, 3°.” XIV-38.122-7/15 De verzoekende partij heeft hiertegen een annulatieberoep ingesteld dat bij de Raad van State gekend is onder het nummer G/A. 228.282/XIV-38.072. 3.10. De minister heeft zich op 14 juni 2019 aangesloten bij de motivering van het advies van de Vestigingscommissie. Dit is de thans bestreden beslissing. 3.11. Inmiddels, bij aangetekend schrijven van 9 april 2019 gericht aan de minister van Volksgezondheid en de Vestigingscommissie verzoekt de verzoekende partij om de omzetting van de overplaatsing naar een overbrenging buiten de onmiddellijke nabijheid. Zij stelt dat de omzetting geschiedt “onder voorbehoud en dit betreffende het ondertussen door [de verzoekende partij] ingestelde annulatieberoep tegen dit tussenadvies/beslissing van de Commissie van 11.03.2019 en tevens ingestelde kortgeding lastens het FAGG en de minister van Volksgezondheid en dit met betrekking tot enerzijds de eis tot omzetting, anderzijds de weigering tot het voegen met het dossier bvba Farmaline (…) en tenslotte het verstrekte advies in de procedure van de bvba Farmaline eveneens van 11.03.2019.” IV. Tussenkomst 4. De bvba Farmaline blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg moet haar verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd. V. Regelmatigheid van de rechtspleging 5. De tussenkomende partij wijst erop dat de verzoekende partij op 30 augustus 2019 nog een tweede vordering tot schorsing van de bestreden beslissing heeft ingediend omdat in het verzoekschrift neergelegd op 13 augustus 2019 in het beschikkend gedeelte de schorsing niet uitdrukkelijk wordt gevorderd. XIV-38.122-8/15 6. Het door de verzoekende partij op 13 augustus 2019 ingediende verzoekschrift draagt duidelijk als opschrift “[v]erzoekschrift houdende beroep tot nietigverklaring en vordering tot schorsing”. Het tweede verzoekschrift beperkt er zich toe de uiteenzetting betreffende de spoedeisendheid te herhalen en vermeldt in het beschikkende gedeelte uitdrukkelijk dat de schorsing wordt gevorderd. Voor de middelen verwijst het naar het eerste verzoekschrift. Noch artikel 8 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’ noch artikel 2 van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ vereisen de uitdrukkelijke vermelding in het beschikkend gedeelte dat de schorsing wordt gevraagd. Uit het opschrift en de inhoud van het eerste verzoekschrift blijkt onbetwistbaar de intentie van de verzoekende partij om de schorsing van de bestreden beslissing te vorderen zodat in wat volgt enkel met dit eerste verzoekschrift rekening wordt gehouden. VI. Ontvankelijkheid van het beroep 7. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de tussenkomende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. VII. Schorsingsvoorwaarden 8. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel XIV-38.122-9/15 wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VIII. Spoedeisendheid Uiteenzetting 9. De verzoekende partij stelt, wat de spoedeisendheid betreft, dat de bestreden beslissing haar ernstige nadelen en schade bezorgt zodat een onmiddellijke beslissing wenselijk is. Zij zet uiteen dat “door het feit van de weigering tot samenvoeging van beide dossiers en dienvolgens de huidige bestreden beslissing van 14.06.2019, waarbij aan [de tussenkomende partij] de vergunning toegekend werd tot overplaatsing van haar apotheek, dit voor gevolg heeft dat [de verzoekende partij] en tevens aanvrager tot overplaatsing [haar] aangevraagde overplaatsing niet kan uitvoeren.” Zij verwijst daartoe naar artikel 1, § 6, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 dat bepaalt dat “[o]nverminderd artikel 6, § 2, […] de aanvragen tot opening en overbrenging binnen eenzelfde gemeente, [worden] behandeld in de volgorde van de datum van indiening, met uitzondering van de aanvragen tot overbrenging in de onmiddellijke nabijheid. Zolang de in het 1e lid bedoelde vergunning tot opening of overbrenging niet is toegekend, en tot de weigering van de vergunning bedoeld in artikel 20, § 1, of tot 2 jaar te rekenen vanaf de opening op het gevraagde vestigingsadres, mag in de gemeente geen enkele vergunning tot opening of overbrenging worden toegestaan binnen een straal van minder dan 1,5 km van de nieuwe vestiging met uitzondering van een overbrenging in de onmiddellijke nabijheid.” Zij vervolgt dat haar aanvraag tot overbrenging (in de onmiddellijke nabijheid) dateert van 30 april 2018 terwijl deze van de tussenkomende partij (overbrenging buiten de onmiddellijke nabijheid) dateert van 24 april 2018. Haar aanvraag betreft een locatie gelegen binnen een straal van 1.5 km van de vestigingsplaats waarop de eerste aanvraag betrekking had. De tussenkomende partij bekwam haar vergunning bij de bestreden beslissing van 14 juni 2019 en “mocht ondertussen openen op datum van 06.07.2019”. Door de bestreden beslissing en artikel 1, § 6 van het koninklijk besluit van 25 september XIV-38.122-10/15 1974 “kan [de] verzoekende partij [haar] apotheek niet overplaatsen naar de geplande locatie”. De Vestigingscommissie zal gelet op de bestreden beslissing de aanvraag van de verzoekende partij verwerpen en de minister zal dan in deze zin moeten besluiten. Dit betekent dat de verzoekende partij twee jaar moet wachten om opnieuw een aanvraag in te dienen “hopende dat alsdan [zij] wel vooreerst de ‘eerste’ aanvraag betreft, daarnaast er ondertussen geen wijzigingen gebeurd zijn te Aalter (eventuele kleine overplaatsingen) waardoor [zij] zelfs [haar] aanvraag en overplaatsing niet meer kan uitvoeren.” Zij voert nog aan dat de tussenkomende partij inmiddels “een wezenlijke invloedszone en cliënteel kan ‘gekozen’ hebben voor de nieuwe apotheek Farmaline”. De verzoekende partij dient inmiddels “wel de nodige investeringen en betalingen (kredieten enz.) reeds te verrichten met betrekking tot de geplande locatie” zodat een schorsing van de bestreden beslissing noodzakelijk is. Wanneer de bestreden beslissing wordt geschorst, kan volgens de verzoekende partij “artikel 1, § 6 op heden geen toepassing vinden zodat de [Vestigings]commissie in het dossier van [de verzoekende partij] niet kan adviseren en de minister niet kan beslissen tot het verwerpen van de aanvraag van [de] verzoekende partij.” De annulatieprocedure die uiteraard enkele jaren in beslag neemt, afwachten is dan ook geen optie. De aanvraagprocedure “grote overplaatsing” van de verzoekende partij loopt verder, de in te winnen adviezen zijn reeds aangevraagd wat betekent dat de zaak binnen enkele tijd op zitting van de Vestigingscommissie kan worden geplaatst zodat een annulatiearrest, dat niet binnen het jaar verwacht kan worden, dan ook ontegensprekelijk “te laat” zal komen. Daarenboven heeft de verwerende partij ten onrechte geweigerd om het dossier van de verzoekende partij samen te voegen met het dossier van de tussenkomende partij hoewel dit conform artikel 6, § 2 van het vestigingsbesluit was vereist. Beoordeling 10. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in XIV-38.122-11/15 artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december 1991. Dit houdt in dat het aan een verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. 11. De Raad van State valt de verzoekende partij niet bij waar zij in eerste instantie aanvoert dat zij onherroepelijke schade lijdt door de weigering van de verwerende partij om het aanvraagdossier van de tussenkomende partij samen te voegen met haar aanvraagdossier waardoor het onmogelijk wordt voor haar om een vergunning voor de gevraagde overbrenging te bekomen. XIV-38.122-12/15 De Raad van State stelt dienaangaande immers vast dat de met de voorliggende vordering bestreden beslissing de beslissing van de minister van 14 juni 2019 is waarbij de vergunning tot overbrenging buiten de onmiddellijke nabijheid van een apotheek aan de tussenkomende partij wordt toegekend omdat diens verzoek tot overbrenging voldoet aan de voorwaarden van artikel 1, 5bis, 3° van het koninklijk besluit van 25 september 1974. De schorsing van de tenuitvoerlegging van die beslissing leidt er niet toe dat de aanvraag van de tussenkomende partij en de aanvraag die de verzoekende partij heeft ingediend, worden samengevoegd. De gevorderde schorsing kan de verzoekende partij het door haar beoogde voordeel niet verstrekken. Bovendien - daargelaten nog dat de door de verzoekende partij betwiste “weigering tot samenvoeging” vervat ligt in de in punt 3.4. aangehaalde bestuurshandeling van de Vestigingscommissie (en die thans niet ter beoordeling voorligt), bemerkt de Raad van State nog dat het niet-samenvoegen van de beide dossiers veeleer voortvloeit, eensdeels, uit de aanvankelijke keuze van de verzoekende partij (met het daaraan verbonden risico) om te opteren voor een (niet-gehonoreerde) aanvraag tot overbrenging in de onmiddellijke omgeving (zie infra, punt 3.4.) en, anderdeels, de toepassing - wat de volgorde betreft waarin aanvragen tot opening en overbrenging moeten worden behandeld - van zowel artikel 1, § 6, artikel 6, §§ 2 en 3 en artikel 15 van het koninklijk besluit van 25 september 1974 in plaats van dat dit een gevolg zou zijn van de voorliggende bestreden beslissing. In zoverre de verzoekende partij beweert dat de tussenkomende partij inmiddels “een wezenlijke invloedszone en cliënteel kan ‘gekozen’ hebben voor de nieuwe apotheek Farmaline” wordt dit niet beargumenteerd laat staan in concreto aangetoond zodat deze aanname hypothetisch is. In zoverre de verzoekende partij een financieel nadeel aanvoert, stelt de Raad van State vast dat zij niet aantoont dat de leefbaarheid van de onderneming - de verzoekende partij baat in de betrokken omgeving immers reeds een officina uit - in het gedrang komt of dat dit financieel nadeel een zodanige impact heeft dat zij dit niet kan lijden tot uitspraak over het annulatieberoep is gedaan. Ook XIV-38.122-13/15 het feit dat zij mogelijk twee jaar wachten moet alvorens haar vraag tot overbrenging kan worden toegestaan (artikel 1, § 6), doet daaraan niet af. Zij brengt geen concrete gegevens of cijfers aan en het volstaat evenmin te stellen, zoals de verzoekende partij doet, dat zij “tevens wel de nodige investeringen en betalingen (kredieten enz.) reeds [dient] te verrichten met betrekking tot de geplande locatie”. Zij draagt daartoe geen stukken noch cijfergegevens bij. Zij verduidelijkt evenmin of zij reeds over de aangevraagde vestigingsplaats beschikt (bijvoorbeeld doordat zij het pand al zou hebben aangekocht, desgevallend met kredietverlening) dan wel dat zij erover zal kunnen beschikken indien haar de aanvraag tot vergunning wordt verleend. Het is dan ook volstrekt onduidelijk waarop de bewering is gesteund dat de verzoekende partij “de nodige investeringen en betalingen (kredieten enz.) reeds [dient] te verrichten met betrekking tot de geplande locatie”. 12. De spoedeisendheid van de vordering is niet aangetoond. 13. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. IX. Kosten 14. Wat de vraag van de verzoekende partij tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING 1. Het verzoek van de bvba Farmaline tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd. 2. De Raad van State verwerpt de vordering. XIV-38.122-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf februari tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, waarnemend voorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Kaat Leus XIV-38.122-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.950 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.725 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.