← België

Arrest 246951 - Varia (justitie) - 05/02/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.951 Rolnummer: A. 223360/XIV-37523 Zaak: Arrest 246951 - Varia (justitie) - 05/02/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-14 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-26 01:49 Fiche Arrest nr 246.951 van 5 februari 2020 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 246.951 van 5 februari 2020 in de zaak A. 223.360/XIV-37.523 In zake : Rudi RUYTERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Coch en Philippe Thiery kantoor houdend te 3500 Hasselt Geraetsstraat 19 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 26 september 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 18 augustus 2017 inzake het beroep van verzoeker tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Limburg van 12 januari
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. XIV-37.523-1/9 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 januari
  4. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Philippe Thiery, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven behoudens wat de kosten betreft. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Verzoeker had op basis van een jachtverlof een aantal vuurwapens voorhanden. Op 5 november 2013 trekt de gouverneur van de provincie Limburg het recht van verzoeker in om een wapen voorhanden te hebben. Verzoekers beroep tegen die beslissing wordt op 23 mei 2014 door de gemachtigde van de minister van Justitie verworpen. 3.
  7. Verzoeker dient op 7 november 2016 bij de gouverneur van de provincie Limburg een aanvraag in met het oog op het verkrijgen van XIV-37.523-2/9 vergunningen tot het voorhanden hebben van een aantal vuurwapens. De wettige reden is jacht- en/of faunabeheersactiviteiten. 3.
  8. Op 12 januari 2017 weigert de gouverneur van de provincie Limburg de gevraagde vergunningen. 3.
  9. Verzoekers beroep tegen die beslissing wordt op 18 augustus 2017 door de gemachtigde van de minister van Justitie verworpen. Dit is de bestreden beslissing. 3.
  10. Op 24 september 2018 willigt de gemachtigde van de minister verzoekers beroep in tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Limburg van 22 maart 2018 “houdende de weigering van [verzoekers] aanvraag tot herziening van het besluit van de gouverneur van Limburg dd 5 november 2013 waarbij [verzoekers] recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens werd ingetrokken.” Onder het kopje “
  11. Beslissing” is vermeld: “Op basis van voornoemde elementen kan worden besloten dat er zich weliswaar problemen hebben voorgedaan, maar dat er thans onvoldoende aanwijzingen zijn om te stellen dat het bezit van vuurwapens in uw hoofde een gevaar zou kunnen betekenen voor de openbare orde en veiligheid. Uw beroep tegen de beslissing van de provinciegouverneur van Limburg dd 22 maart 2018 ([…]) houdende de weigering van uw aanvraag tot herziening van het besluit van de gouverneur van Limburg d.d. 5 november 2013 waarbij uw recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens werd ingetrokken wordt ingewilligd. Concreet betekent dit dat u, van zodra u opnieuw in het bezit bent van een geldig jachtverlof, opnieuw over vuurwapens mag beschikken in het kader van de beoefening van de jacht.” XIV-37.523-3/9 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie wat het belang bij het beroep betreft Standpunt van de partijen
  12. In haar laatste memorie treedt de verwerende partij het standpunt van het auditoraat bij dat verzoeker niet langer getuigt van een actueel belang. Volgens haar is het ontbreken van het rechtens vereiste belang het gevolg van een nieuw verzoek dat verzoeker richtte tot de gouverneur van de provincie Limburg en aan de verwerende partij. Voorts stelt zij dat het zo is dat verzoeker uiteindelijk bekomt wat hij verlangt.
  13. Daartoe uitgenodigd door het auditoraat, deelt verzoekers raadsman op 24 december 2018 zijn standpunt inzake zijn belang mee: “De beslissing van de Minister van Justitie d.d. 24-09-2018 heeft slechts effect vanaf die datum. Evenwel is het zo dat de rechten van mijn cliënt de heer Ruyters in de daaraan voorafgaande periode geschaad werden door de eerdere afwijzende beslissing. Mijn cliënt bezat en bezit dus wel degelijk een rechtens vereist belang bij het door hem ingediende annulatieberoep.” In zijn laatste memorie herneemt verzoeker dat standpunt en voegt eraan toe dat zijn mededeling dat zijn rechten voor die voorgaande periode werden geschaad, onder meer betekent dat hij zich het recht kan voorbehouden vergoeding te vorderen voor de door hem opgelopen schade. Voorts gedraagt hij zich wat de vraag betreft of hij nog beschikt over het vereiste belang, als naar rechte. Ter terechtzitting stelt verzoeker dat, volgens hem, het beroep zonder voorwerp is geworden. XIV-37.523-4/9 Beoordeling
  14. Een nietigverklaring is een bijzondere vorm van rechtsherstel die erin bestaat de bestreden rechtshandeling retroactief uit het rechtsverkeer te doen verdwijnen, wat de overheid er in bepaalde gevallen toe moet, minstens kan, aanzetten om een nieuwe beslissing te nemen.
  15. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors). Een verzoeker beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, Van Dooren). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat de belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt 4.3; EHRM 17 juli 2018, Vermeulen t. België, punten 42 e.v.). XIV-37.523-5/9
  16. Om als toereikend te worden beschouwd, moet het belang onder meer rechtstreeks zijn en verzoeker een voordeel verschaffen dat voldoende direct verband houdt met de finaliteit van een nietigverklaring, namelijk het doen verdwijnen van de bestreden rechtshandeling uit de rechtsorde. Onvoldoende om een nietigverklaring van de bestreden beslissing te kunnen verkrijgen, is dan ook het belang van een verzoeker dat in de loop van de annulatieprocedure is geëvolueerd naar nog uitsluitend een belang bij het onwettig horen verklaren van die beslissing om de toekenning van een schadevergoeding - door de rechtbanken van de rechterlijke orde, die daartoe zelf de eventuele fout van de overheid kunnen vaststellen - te faciliteren. Dit kan van aard zijn bezwaren op te roepen in het geval waarin de omstandigheden waaruit het verlies van het belang van de verzoekende partij voortvloeit haar niet kunnen worden aangerekend, en verzoeker om die reden de gevorderde nietigverklaring afgewezen ziet worden én geen onderzoek geniet van de middelen die zij aanvoerde (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors).
  17. Te dezen moet worden vastgesteld dat het voorliggende beroep zijn voorwerp niet heeft verloren: de nieuwe beslissing van 24 september 2018 geldt enkel voor de toekomst en met die nieuwe beslissing wordt de bestreden beslissing expliciet noch impliciet ingetrokken.
  18. Verzoeker betwist niet dat met de nieuwe beslissing van 24 september 2018 hij heeft bekomen wat hij met het beroep tot nietigverklaring trachtte te bekomen: hij mag, zodra hij opnieuw in het bezit is van een geldig jachtverlof, opnieuw over vuurwapens beschikken in het kader van de beoefening van de jacht. De vraag rijst dan ook of verzoeker nog een belang heeft bij het door hem ingestelde beroep in de mate de bestreden beslissing in het verleden toepassing heeft gevonden. Hij verklaart zich ter zake te gedragen als naar rechte. XIV-37.523-6/9
  19. De vernietiging van de bestreden beslissing verschaft verzoeker te dezen geen bijkomend direct en persoonlijk voordeel, hoe miniem ook. Verzoeker verklaart weliswaar in de laatste memorie dat hij zich het recht voorbehoudt een vergoeding te vorderen voor de door hem opgelopen schade, doch bij de sluiting van het debat blijkt niet dat hij een vordering tot schadevergoeding tot herstel heeft ingediend overeenkomstig artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Aangezien in dat geval zijn gebeurlijk belang bij het voortzetten van de procedure niet is te onderscheiden van het belang bij het onwettig horen verklaren van de bestreden beslissing om de toekenning van een schadevergoeding - door de rechtbanken van de rechterlijke orde, die daartoe zelf de eventuele fout van de overheid kunnen vaststellen - te faciliteren, beschikt verzoeker niet langer over het vereiste belang om de verderzetting van de vernietigingsprocedure bij de Raad van State te benaarstigen.
  20. Het beroep is niet ontvankelijk. V. Rechtsplegingsvergoeding Standpunt van de partijen
  21. Verzoeker vraagt dat de verwerende partij wordt verwezen in de kosten, hierin begrepen een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro. De verwerende partij doet in haar laatste memorie gelden dat het wel zo is dat verzoeker uiteindelijk bekomt wat hij verlangde, doch niet omwille van enig intrinsiek probleem met de bestreden beslissing. De “intrekking” van de bestreden beslissing is het gevolg van een ander verzoek dat op zijn merites werd beoordeeld in de omstandigheden van één jaar later. Aldus kan niet worden gesteld dat verzoeker in het voorliggende beroep tot nietigverklaring als de in het gelijk XIV-37.523-7/9 gestelde partij moet worden aanzien. Zij verzoekt de rechtsplegingsvergoeding ten laste van verzoeker te leggen. Beoordeling
  22. Uit de beslissing van 24 september 2018 blijkt dat verzoeker op 26 september 2017 via zijn raadsman “de gouverneur verzocht om herziening van het besluit van de gouverneur van Limburg dd 5 november 2013 waarbij [verzoekers] recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens werd ingetrokken”. Meer bepaald, stelt de beslissing van 24 september 2018, heeft verzoeker “de gouverneur verzocht om [verzoeker] opnieuw het recht toe te kennen om vuurwapens voorhanden te mogen houden zodat [verzoeker] opnieuw zou kunnen beschikken over een jachtverlof en de jacht opnieuw zou mogen beoefenen.” De weigeringsbeslissing van de gouverneur van de provincie Limburg van 22 maart 2018 en de voornoemde beslissing van 24 september 2018 doen, in eerste, respectievelijk tweede administratieve aanleg uitspraak over dat verzoek van 26 september 2017 en zulks na een nieuw onderzoek waarbij rekening werd gehouden met de actuele situatie.
  23. Doordat het beroep tot nietigverklaring, waarbij de vernietiging van de bestreden beslissing wordt benaarstigd, verworpen dient te worden omdat verzoeker aldus zijn belang bij het beroep in de loop van het geding verloren heeft ingevolge de inwilliging van een nieuwe aanvraag, dient hij in de zin van artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, beschouwd te worden als de partij die in het ongelijk gesteld wordt, terwijl de verwerende partij beschouwd dient te worden als de partij die in het gelijk gesteld wordt. BESLISSING
  24. De Raad van State verwerpt het beroep. XIV-37.523-8/9
  25. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigver- klaring, begroot op 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf februari tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.523-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.951 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.