id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.953 Rolnummer: A. 225123/XIV-37708 Zaak: Arrest 246953 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 05/02/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-17 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-26 01:50 Fiche Arrest nr 246.953 van 5 februari 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 246.953 van 5 februari 2020 in de zaak A. 225.123/XIV-37.708 In zake : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Orchideestraat 61A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : 1. XXX 2. XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marie-Christine Warlop kantoor houdend te 1090 Brussel J. Swartenbroucklaan 14 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 3 mei 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 201.900 van 29 maart 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging 2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 12.866 van 29 mei 2018. XIV-37.708-1/14 De verweerders hebben buiten de termijn van 30 dagen een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 april 2019. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Carmenta Decordier, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Daan Lernout, die loco advocaat Marie-Christine Warlop verschijnt voor de verweerders, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. De verweerders dienen op 1 augustus 2017 een (derde) asielaanvraag in. De commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen neemt op 29 november 2017 een beslissing tot weigering van inoverwegingname van die asielaanvraag. XIV-37.708-2/14 Op 18 december 2017 tekenen de verweerders tegen de voornoemde weigeringsbeslissing beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Met een arrest van 29 maart 2018 weigert de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de vluchtelingenstatus aan de verweerders doch kent hij hen wel de subsidiaire beschermingsstatus toe. Dit is het bestreden arrest. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 4. De verzoekende partij werpt in een eerste middel de schending op van artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 39/65 en 48/4, § 2, c), van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) en van de jurisdictionele motiveringsplicht. De verzoekende partij voert in een eerste middelonderdeel aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest oordeelt dat de verweerders als “soennieten in Bagdad grotere risico’s lopen om slachtoffer te worden van meer individuele vormen van geweld” en dat hen daarom de subsidiaire beschermingsstatus moet worden toegekend op grond van artikel 48/4, § 1, iuncto § 2, c), van de vreemdelingenwet. Nochtans heeft deze bepaling, die de omzetting vormt van de artikelen 2, f), en 15 van richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’ XIV-37.708-3/14 (hierna: richtlijn 2011/95), enkel betrekking op de gevolgen van “willekeurig geweld”. Dit laatste begrip houdt volgens de verzoekende partij in dat iemand toevallig dood of gewond kan geraken omdat de strijdende partijen gevechtsmethodes gebruiken die de kans op burgerslachtoffers vergroten en dat een persoon kan worden geraakt door het geweld ongeacht zijn of haar persoonlijke omstandigheden. De verzoekende partij licht toe dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest van 17 februari 2009 in de zaak C-465/07, Elgafaji tegen Nederland, het onderscheid maakt tussen de situatie waarin “zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico op de in artikel 15, sub c, van de richtlijn bedoelde ernstige bedreiging zou lopen” en de situatie waarin rekening wordt gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de asielzoeker waarvoor geldt dat “hoe meer de verzoeker eventueel het bewijs kan leveren dat hij specifiek wordt geraakt om redenen die te maken hebben met zijn persoonlijke omstandigheden, hoe lager de mate van willekeurig geweld zal zijn die vereist is opdat hij in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt in het bestreden arrest dat er sprake is van “persoonlijke omstandigheden” die tot gevolg hebben dat de verweerders een verhoogd risico lopen om slachtoffer te worden van individueel geweld, waarbij hij uitdrukkelijk aanhaalt dat de verweerders soennieten zijn en dat “soennieten in Bagdad grotere risico’s lopen om slachtoffer te worden van meer individuele vormen van geweld”. Op grond van die “persoonlijke omstandigheid” heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de subsidiaire beschermingsstatus toegekend, terwijl volgens de verzoekende partij op grond van artikel 48/4 van de vreemdelingenwet en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie “persoonlijke omstandigheden” enkel deze zijn die tot gevolg hebben dat de asielzoeker, in vergelijking met andere personen, een verhoogd risico lopen om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Door te verwijzen naar de geloofsovertuiging van de verweerders en te oordelen dat de verweerders daardoor een doelwit van geweld zouden kunnen worden, geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan dat de verweerders een groter risico XIV-37.708-4/14 lopen op schade ingevolge doelgericht geweld. De verzoekende partij besluit dat artikel 48/4, § 1 iuncto § 2, c), van de vreemdelingenwet wordt geschonden door de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus op grond van een groter risico op ernstige schade wegens de geloofsovertuiging van de verweerders, vermits deze laatste bepaling enkel betrekking heeft op een risico op ernstige schade wegens “willekeurig geweld”. De verzoekende partij voert in een tweede middelonderdeel aan dat de motivering van het bestreden arrest intern tegenstrijdig is door enerzijds de overweging dat de verweerders als soennieten een hoger risico lopen om het slachtoffer te worden van doelgericht geweld en anderzijds de overweging dat het soenniet zijn van de verweerders een persoonlijke omstandigheid vormt waardoor zij een verhoogd risico lopen om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Beoordeling Wat het eerste middelonderdeel betreft 5. Artikel 48/4 van de vreemdelingenwet luidt: “§ 1 De subsidiaire beschermingsstatus wordt toegekend aan de vreemdeling, die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt en die geen beroep kan doen op artikel 9ter, en ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade zoals bepaald in paragraaf 2 en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of wegens dat risico, wil stellen en niet onder de uitsluitingsgronden zoals bepaald in artikel 55/4, valt. § 2 Ernstige schade bestaat uit:
- a)doodstraf of executie; of
- b)foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of
- c)ernstige bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het geval van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.” Dit artikel is de omzetting van de artikelen 2, e), en 15 van richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 ‘inzake minimumnormen voor XIV-37.708-5/14 de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming’, thans na herschikking de artikelen 2, f), en 15 van richtlijn 2011/95. Wat artikel 48/2, § 2, c), van de vreemdelingenwet betreft, kan worden opgemerkt dat een “ernstige bedreiging” volstaat, daar waar artikel 15 van de voornoemde richtlijn een “ernstige en individuele bedreiging” vereist. Opdat de subsidiaire beschermingsstatus kan worden toegekend, is vereist dat de vreemdeling bij een terugkeer naar zijn land van herkomst een “reëel risico” loopt op “ernstige schade”, zoals bedoeld in de drie opgesomde situaties. Bij een vergelijking tussen de drie voornoemde in artikel 15 van richtlijn 2011/95 en in artikel 48/2, § 2, van de vreemdelingenwet opgesomde situaties, dient het onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds de eerste twee situaties (namelijk “doodstraf of executie;” en “foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst”) en de derde situatie (“bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het geval van een internationaal of binnenlands gewapend conflict”). Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest van 17 februari 2009 in de zaak C-465/07, Elgafaji tegen Nederland, overwogen dat de eerste twee situaties betrekking hebben “op situaties waarin degene die om subsidiaire bescherming verzoekt, specifiek wordt blootgesteld aan het risico op een bepaald soort schade” terwijl de derde situatie betrekking heeft “op een algemener risico op schade”. Wat deze laatste situatie betreft, heeft het Hof van Justitie er in dit arrest op gewezen dat “willekeurig” geweld inhoudt “dat het geweld gericht kan zijn tot personen ongeacht hun persoonlijke omstandigheden”. Het Hof heeft wat het willekeurig geweld betreft in het voornoemde arrest eerst de (uitzonderlijke) situatie aangehaald waarin “schade die wordt toegebracht aan burgers ongeacht hun identiteit, wanneer de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapende conflict, die wordt beoordeeld door de bevoegde nationale autoriteiten waarbij een verzoek om subsidiaire bescherming is ingediend of door de rechters van een lidstaat bij wie XIV-37.708-6/14 beroep is ingesteld tegen de afwijzing van een dergelijk verzoek, dermate hoog is dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico op de in artikel 15, sub c, van de richtlijn bedoelde ernstige bedreiging zou lopen”. Vervolgens heeft het Hof gewezen op de situatie waarin geldt dat, “hoe meer de verzoeker eventueel het bewijs kan leveren dat hij specifiek wordt geraakt om redenen die te maken hebben met zijn persoonlijke omstandigheden, hoe lager de mate van willekeurig geweld zal zijn die vereist is opdat hij in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming”. Hieruit volgt onbetwistbaar dat in een geval zoals in casu, waarin het willekeurig geweld in het aan de gang zijnde conflict niet als zo zwaar wordt beoordeeld dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of gebied louter door zijn aanwezigheid aldaar het in artikel 48/4, § 2, c), van de vreemdelingenwet omschreven risico loopt, rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van een verzoeker om internationale bescherming bij het beantwoorden van de vraag of in zijn geval een bepaalde mate van willekeurig geweld volstaat voor de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus. 6. Na eerst te hebben opgemerkt “dat geen van de partijen betwist dat de situatie in Irak momenteel wordt gekenmerkt door een binnenlands gewapend conflict”, stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest derhalve in overeenstemming met het voornoemde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie op wettige wijze dat, “hoe meer verzoeker [de verweerders in cassatie] eventueel het bewijs kan leveren dat hij specifiek wordt geraakt om redenen die te maken hebben met zijn persoonlijke omstandigheden, hoe lager de mate van het willekeurig geweld zal zijn die vereist is opdat hij in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming” en dat “verzoeker […] aldus persoonlijke omstandigheden [dient] aan te voeren die in zijn geval de ernst van de bedreiging die voortvloeit uit het vastgestelde willekeurig geweld XIV-37.708-7/14 dermate verhogen dat, hoewel de mate van het geweld niet dermate hoog is dat elke burger louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op een ernstige bedreiging van zijn leven of persoon, er niettemin moet worden aangenomen dat zulk reëel risico in zijnen hoofde bestaat”. De in het bestreden arrest in aanmerking genomen persoonlijke omstandigheden zijn het feit dat de verweerders soennieten zijn, meer bepaald “een jong soennietisch gezin met een baby”, en dat hun woning is ingenomen door een legerafdeling. Naar het oordeel van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vormen “de onbetwiste vaststelling dat hun woning in beslag is genomen door een legerafdeling, zij soenniet zijn, en blijkens de verklaringen geen familie meer hebben in Bagdad, […] persoonlijke omstandigheden die tot gevolg hebben dat verzoekende partijen, in vergelijking met een ander persoon, een verhoogd risico lopen om slachtoffer te worden van willekeurig geweld, en dit zelfs wanneer het geweld hen niet meer dan een ander persoon specifiek viseert”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit dat, “gelet op de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van verzoekende partijen en mede in acht genomen het geheel van de informatie waarop de raad vermag acht te slaan, […] in casu verzoekende partijen in geval van terugkeer naar hun land van herkomst louter door hun aanwezigheid aldaar een reëel risico lopen op ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/4, § 2,
- c)van de vreemdelingenwet”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermocht op wettige wijze rekening te houden met de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden om te oordelen of de verweerders een reëel risico lopen het slachtoffer te worden van willekeurig geweld, zoals voorzien in artikel 48/4, § 2, c), van de vreemdelingenwet. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tevens van mening is dat “uit de informatie vervat in het administratief dossier blijkt dat soennieten in Bagdad grotere risico’s lopen om slachtoffer te worden van meer individuele vormen van geweld zoals mishandelingen, ontvoeringen of moorden, begaan door sjiitische milities”, doet geen afbreuk aan het voorgaande. XIV-37.708-8/14 7. Het eerste middelonderdeel is ongegrond. Wat het tweede middelonderdeel betreft 8. Met het bestreden arrest wordt de subsidiaire beschermingsstatus enkel toegekend op grond van artikel 48/4, § 2, c), van de vreemdelingenwet. De vaststelling in het bestreden arrest dat soennieten in Bagdad grotere risico’s lopen om slachtoffer te worden van meer individuele vormen van geweld, vormt als dusdanig niet het motief van de bestreden beslissing. Wel wordt het feit dat de verweerders soennieten zijn mee in overweging genomen om te besluiten dat zij, in hun persoonlijke situatie, gevoeliger zijn voor het ondergaan van willekeurig geweld. Het bestreden arrest is wat dat betreft niet gesteund op tegenstrijdige motieven. 9. Het tweede middelonderdeel is ongegrond. Conclusie 10. Het eerste middel kan niet tot cassatie leiden. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 11. De verzoekende partij werpt in een tweede middel, dat zij in de toelichtende memorie herhaalt, de schending op van artikel 48/4, § 1, iuncto § 2, c), en van artikel 39/65 van de vreemdelingenwet en van artikel 149 van de Grondwet. De verzoekende partij voert in een eerste middelonderdeel aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest oordeelt dat de woning van de verweerders “in beslag is genomen door een legerafdeling” XIV-37.708-9/14 en dat het risico bestaat dat de verweerder “als jong soennietisch gezin met een baby op straat zouden komen bij terugkeer”, zodat hen de subsidiaire beschermingsstatus zou moeten worden toegekend op grond van artikel 48/4, § 2, c), van de vreemdelingenwet. Nochtans heeft deze laatste bepaling enkel betrekking op de “ernstige bedreiging van het leven of de persoon van een burger” en niet op schade die voortvloeit uit de socio-economische situatie van de verweerders bij terugkeer. De verzoekende partij benadrukt dat onder “persoonlijke omstandigheden” enkel de omstandigheden kunnen worden begrepen die tot gevolg hebben dat de asielzoeker, in vergelijking met een ander persoon, een verhoogd risico lopen om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Door te wijzen op de socio-economische situatie van de verweerders, lijkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen echter aan te nemen dat dergelijke situatie een factor kan zijn om de subsidiaire beschermingsstatus toe te kennen, ook al zijn de gevolgen van de inbeslagname van de woning enkel van socio-economische aard, en wordt geen melding gemaakt van een verhoogd risico om slachtoffer te worden van geweld en wordt evenmin verduidelijkt dat sprake zou zijn van een ernstige bedreiging van het leven of de persoon van een burger. De verzoekende partij voert in een tweede middelonderdeel aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt dat de verweerders ingevolge de inbeslagname van hun woning “in vergelijking met een ander persoon, verhoogd risico lopen om slachtoffer te worden van willekeurig geweld, en dit zelfs wanneer het geweld hen niet meer dan een ander persoon specifiek viseert”, doch dat deze motieven de verzoekende partij niet toelaten te begrijpen waarom de eerste rechter van oordeel is dat het feit geen huiseigenaar te zijn van die aard is dat de verweerders een verhoogd risico lopen het slachtoffer te zijn van willekeurig geweld. In het bestreden arrest wordt ter zake niet verwezen naar landeninformatie of rapporten. De verzoekende partij vraagt in een derde middelonderdeel, dit in ondergeschikte orde, een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Omdat het Hof de aard van de “persoonlijke XIV-37.708-10/14 omstandigheden” die in overweging kunnen worden genomen niet heeft gepreciseerd, stelt zich volgens de verzoekende partij de vraag “welke persoonlijke omstandigheden de ernst van de bedreiging die voortvloeit uit het willekeurig geweld te Bagdad dermate verhogen dat – hoewel de mate van het geweld niet dermate hoog is dat elke burger louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op een ernstige bedreiging van zijn leven of persoon – er niettemin moet worden aangenomen dat zulk reëel risico in hoofde van de verweerders bestaat”. De verzoekende partij omschrijft dienaangaande drie prejudiciële vragen in het beschikkend gedeelte van het verzoekschrift tot cassatie. Beoordeling Wat het eerste middelonderdeel betreft 12. Verzoeker houdt in het eerste middelonderdeel in essentie voor dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de subsidiaire beschermingsstatus lijkt te hebben toegekend op grond van de socio-economische situatie van de verweerders, zonder melding te maken van een verhoogd risico om het slachtoffer te worden van geweld en zonder te verduidelijken dat sprake zou zijn van een ernstige bedreiging van het leven of de persoon van de burger. In het bestreden arrest wordt, na de vaststelling dat “geen van de partijen betwist dat de situatie in Irak momenteel wordt gekenmerkt door een binnenlands gewapend conflict”, overwogen dat “de onbetwiste vaststelling dat hun woning in beslag is genomen door een legerafdeling, zij soenniet zijn, en blijkens de verklaringen geen familie meer hebben in Bagdad, […] naar het oordeel van de Raad persoonlijke omstandigheden [betreffen] die tot gevolg hebben dat verzoekende partijen, in vergelijking met een ander persoon, een verhoogd risico lopen om slachtoffer te worden van willekeurig geweld, en dit zelfs wanneer het geweld hen niet meer dan een ander persoon specifiek viseert”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit dat, “gelet op de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van verzoekende partijen en mede in acht XIV-37.708-11/14 genomen het geheel van de informatie waarop de raad vermag acht te slaan, […] in casu verzoekende partijen in geval van terugkeer naar hun land van herkomst louter door hun aanwezigheid aldaar een reëel risico lopen op ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/4, § 2,
- c)van de vreemdelingenwet”. Anders dan de verzoekende partij voorhoudt, wordt de subsidiaire beschermingsstatus dus niet toegekend op grond van hetgeen zij “de socio-economische situatie” van de verweerders noemt. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kent de subsidiaire beschermingsstatus integendeel toe op grond van het bestaan van een binnenlands gewapend conflict in Irak, waarbij hij van oordeel is dat de huidige verweerders een verhoogd risico lopen om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Hij houdt uitdrukkelijk doch enkel rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verweerders waardoor sprake is van een verhoogd risico om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Bovendien is in het bestreden arrest nergens sprake van een “socio-economische situatie”: het gaat immers niet om het al dan niet eigenaar zijn van een woning, wel om het feit dat de woning van de verweerders door een legereenheid in beslag is genomen, een feit waartegen de verweerders zich naar het oordeel van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de facto niet kunnen verweren. 13. Het eerste onderdeel van het tweede middel berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en is ongegrond. Wat het tweede middelonderdeel betreft 14. Zoals ook blijkt uit de behandeling van het eerste middelonderdeel, is het bestreden arrest niet (mede) gesteund op het motief dat de verweerders niet de hoedanigheid van huiseigenaar hebben maar wordt als één van de persoonlijke omstandigheden mede in aanmerking genomen dat de woning van de verweerders door een legereenheid in beslag is genomen, een feit XIV-37.708-12/14 waartegen zij zich naar het oordeel van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de facto niet kunnen verweren. 15. Het tweede onderdeel van het tweede middel berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en is ongegrond. Wat het derde middelonderdeel betreft 16. Uit de behandeling van het eerste en het tweede middelonderdeel blijkt dat de verzoekende partij uitgaat van een verkeerde lezing van het bestreden arrest in de mate dat zij het niet eigenaar zijn van een woning en “de socio-economische situatie” beschouwt als elementen waarop het bestreden arrest is gesteund. In zijn arrest van 17 februari 2009 in de zaak C-465/07, Elgafaji tegen Nederland, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie duidelijk gesteld dat, “hoe meer de verzoeker eventueel het bewijs kan leveren dat hij specifiek wordt geraakt om redenen die te maken hebben met zijn persoonlijke omstandigheden, hoe lager de mate van willekeurig geweld zal zijn die vereist is opdat hij in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming”. Het Hof heeft hierbij niet aangegeven dat het slechts om bepaalde persoonlijke omstandigheden zou mogen gaan. Het komt de nationale rechter, te dezen de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, toe te oordelen welke persoonlijke omstandigheden een invloed kunnen hebben op de mate van willekeurig geweld die is vereist opdat een verzoeker in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming. Wat dat betreft komt het de Raad van State als administratieve cassatierechter verder niet toe in de beoordeling van de zaak zelf te treden. De voorgestelde prejudiciële vragen zijn niet dienstig voor de oplossing van het geschil. XIV-37.708-13/14 17. Het derde onderdeel van het tweede middel is ongegrond. Conclusie 18. Het tweede middel kan niet tot cassatie leiden. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf februari tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, met bijstand van Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.708-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.953 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div