id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.959 Rolnummer: A. 229535/VII-40682 Zaak: Arrest 246959 - Natuurbehoud - Vergunningen - 06/02/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-18 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-26 01:53 Fiche Arrest nr 246.959 van 6 februari 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 246.959 van 6 februari 2020 in de zaak A. 229.535/VII-40.682 In zake: Theo GIELEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johny Vanstraelen kantoor houdend te 1080 Brussel Ninoofsesteenweg 1078, bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bergé en Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47, bus 001 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 28 oktober 2019, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 22 augustus 2019 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 9 mei 2019, houdende het opleggen van een bestuurlijke maatregel tot heideherstel, op een perceel gelegen te Peer, kadastraal gekend 2de afdeling, sectie B, nr. 211C, ongegrond wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. VII-40.682-1/6 Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 januari
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Johny Vanstraelen, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Stijn Clerx, die loco advocaten Jan Bergé en Kristien Vanderheiden verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is (mede-)eigenaar van een perceel grond gelegen te Peer. Het perceel is gelegen in een militaire erfdienstbaarheidszone, in het verlengde van de start- en landingsbaan van de militaire luchtmachtbasis „Kleine Brogel‟. Het gewestplan bestemt het perceel tot bosgebied. Het maakt tevens deel uit van een vogelrichtlijngebied. 3.
- Op 23 april 2019 ontvangen inspecteurs van het Agentschap voor Natuur en Bos een interne melding dat “een perceel heide wordt omgezet naar akker of weide langs de Kiezel Kleine Brogel in 3990 Peer, nabij het militair vliegveld”. Zij stellen bij een controle ter plaatse onder meer vast dat “op perceel 211c een recente omheining staat waarbinnen verse grondbewerkingen zijn uitgevoerd” en de bodem met vegetatiegroei machinaal is omgefreesd rondom een VII-40.682-2/6 gespaard stuk heide. Enkele dagen later stellen zij vast dat het omheinde gedeelte van het perceel werd bekalkt en ingezaaid met graszaden. 3.
- Verzoeker wordt op 3 mei 2019 gehoord. 3.
- Op 9 mei 2019 beslist het Agentschap voor Natuur en Bos aan verzoeker een bestuurlijke maatregel op te leggen. Op het omheinde perceel met een oppervlakte van 8.000 m2 moet de heide hersteld worden
(1)door de bodem tot op een diepte van 20 centimeter volledig af te graven en af te voeren via de geëigende kanalen en de geldende wettelijke voorschriften en
(2)door in de periode september-oktober de bodem oppervlakkig op te frezen tot 8 centimeter diepte en in te zaaien met heidemaaisel uit de omgeving. Eveneens wordt verzoeker “heidebeheer” opgelegd, conform de „Code van Goede Natuurpraktijk‟. Het heideherstel moet uiterlijk tegen 15 november 2019 uitgevoerd worden. 3.
- Tegen deze beslissing stelt verzoeker op 19 mei 2019 bestuurlijk beroep in bij de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw. 3.
- Met het thans bestreden besluit van 22 augustus 2019 wijst de bevoegde Vlaamse minister het beroep als ongegrond af en bevestigt hij de opgelegde bestuurlijke maatregel. IV. Ontvankelijkheid van de vordering
- De verwerende partij betwist dat de vordering tijdig werd ingesteld.
- Er bestaat geen noodzaak om over de opgeworpen exceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over de exceptie zou alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn. Hierna zal blijken dat dit niet het geval is. VII-40.682-3/6 V. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Spoedeisendheid Uiteenzetting van verzoeker
- Onder de hoofding “Moeilijk te herstellen ernstig nadeel” zet verzoeker in zijn verzoekschrift het volgende uiteen: “Het beroep tot nietigverklaring van de bestreden beslissing voor uw Raad heeft geen schorsende werking. Bijgevolg blijft verzoeker ten onrechte onderhevig aan de herstelmaatregelen, hetgeen alleen maar door een schorsing van de bestreden beslissing kan ongedaan gemaakt worden. Indien de bestreden beslissing niet zou worden geschorst, dan zal er naar alle waarschijnlijkheid nog geruime tijd overheen gaan alvorens uw Raad zich zal hebben kunnen uitspreken over de ingestelde annulatievordering. Teneinde het nut van de annulatievordering veilig te stellen, dringt een schorsing van de bestreden beslissing zich op”. Beoordeling
- Een zaak is spoedeisend, en dus vatbaar voor beoordeling in kort geding, zodra de vrees voor schade van enig belang, of zelfs voor ernstige nadelen, een onmiddellijke beslissing wenselijk maakt. Het doel is dan ook het kort geding te hanteren wanneer het geschil niet met de gewone procedure binnen de gewenste tijdspanne opgelost kan worden. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] VII-40.682-4/6 die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State. Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak spoedeisend is op aan om van die urgentie te overtuigen. Zij dient daartoe aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, gelet op de nadelige gevolgen die een - voortdurende - tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor haar persoonlijk veroorzaakt. De Raad van State mag alleen rekening houden met hetgeen in het verzoekschrift werd uiteengezet en gestaafd. Hij mag geen acht slaan op hetgeen ter terechtzitting door de verzoekende partij bijkomend nog wordt bijgebracht. De verwerende partij kan immers daarop niet meer schriftelijk reageren en de auditeur kan daarover niet op een deugdelijke wijze advies verlenen in een procedure die op grond van artikel 22 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State essentieel schriftelijk is.
- In zijn verzoekschrift wijst verzoeker enkel op de duur van de annulatieprocedure en op de uitvoerbaarheid van de bestreden beslissing gedurende die periode. Echter volstaat het niet te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht, zonder nadere concretisering of het aanbrengen van concrete, precieze en pertinente gegevens die aantonen dat verzoeker actueel of minstens op zeer korte termijn, ingevolge de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, zich in een toestand met onherroepelijke schadelijke gevolgen bevindt of zal bevinden. De Raad van State kan er niet toe worden gebracht die schadelijke gevolgen onrechtstreeks af te leiden uit de wijze waarop bepaalde middelen worden toegelicht. Bijgevolg beantwoordt verzoekers uiteenzetting niet aan de VII-40.682-5/6 elementaire vereisten waaraan een verzoekschrift tot schorsing moet voldoen om te kunnen worden ingewilligd.
- De zaak is niet spoedeisend.
- Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes februari tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-40.682-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.959 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.007 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div